Skip to main content

Full text of "Publicatieblad van Curacao en onderhoorigheden 1953 no. 3"

See other formats


P U B L I C A T I E B L A D 


LtANDSBESLUIT HOUDENDE ALGEMENE MAAT­ 
REGELEN van de 11de Juni 1953 tot wijziging van de 
Bezoldigingsregeling 19Jf8 (P.B. 19^8, no. 152). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


In overweging genomen hebbende, dat ter uitvoering 
van artikel 32, 1ste lid der Landsregeling van de Neder­ 
landse Antillen, het nodig is het navolgende vast te stellen; 


Heeft, de Raad van Advies gehoord, besloten: 


Artikel 1. 


De Bezoldigingsregeling 1948 (P.B. 1948, no. 152), 
eoals deze is gewijzigd, het laatst bij landsbesluit houdende 
algemene maatregelen van de 9de Juni 1953 (P.B. 1953, 
no. 83), wordt nader gewijzigd als volgt: 


a. in schaal 31 in voetnoot 3 vervalt: „als leider van 
de telefoondienst op Aruba;". 


b. in schaal 41 in voetnoot 6 vervalt: „ƒ 600,— 's 
jaars als leider van de telefoondienst op Aruba;". 


A' 1953 
N° 86 


c. in schaal 41 wordt achter de woorden „Substituut 
Griffier van de Staten" het verwijzingsteken „7" geplaatst, 
waarna aan de schaal een voetnoot wordt toegevoegd ge­ 
nummerd en luidende: „7) Aan deze rang is een tijdelijke 
toelage van ƒ 480,— 's jaars verbonden als ambtenaar be­ 
last met de bediening van het electrische geluidsopname­ 
apparaat van de Staten van de Nederlandse Antillen.". 


Artikel 2. 


Dit landsbesluit wordt geacht in werking te zijn ge­ 
treden met ingang van 1 October 1952, met uitzondering 
van het bepaalde in artikel 1 onder c, hetwelk geacht wordt 
in werking te zijn getreden met ingang van 22 Maart 1953. 


Gegeven te Willemstad, de 11de Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Het lid van de Regeringsraad 
voor Algemene Zaken, 


M. F. DA COSTA GOMEZ 


Het lid van de Regeringsraad 
voor Verkeer en Vervoer, 


F. KARNER. 


Uitgegeven de 19de Juni 1953. 
Het lid van de Regeringsraad 
voor Algemene Zaken, 
M. F. DA COSTA GOMEZ. 


— 2 - 
86 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 13de Juni 1953 no. 1, bepalende de 
opneming in het Publicatieblad van het Koninklijk 
Besluit van 29 December 1950 tot uitgifte van een 
Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden. 
(Staatsblad 1950, no. K. 667). 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Gelezen: 
de brief dd. 22 Mei 1953 no. 47881/363 van de Minister 
van Overzeese Rijksdelen, waarbij het Koninklijk Besluit 
van 29 December 1950 tot uitgifte van een Tractatenblad 
van het Koninkrijk der Nederlanden (Staatsblad 1950, no. 
K. 667) ter bekendmaking wordt aangeboden; 


HEFT GOEDGEVONDEN: 


Te bepalen, dat bovenaangehaald Koninklijk Besluit 
van 29 December 1950 (Staatsblad 1950 no. K. 667) ne­ 
vens dit besluit in het Publicatieblad zal worden bekend­ 
gemaakt. 


Willemstad, de 13de Juni 1953. 
STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 19de Juni 1953. 
de wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


A" 1953 
N° 87 


BESLUIT van 29 December 1950 tot uitgifte van een 
Tractateriblad van het Koninkrijk der Nederlanden. 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DEK 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz. 


Op de voordracht van Onze Ministers van Buitenland­ 
se Zaken van 23 December 1950, Directie Kabinet en Pro­ 
tocol/Afdeling Verdragen no. 127730, en van Justitie van 
28 December 1950, 6e Afdeling no. 2157; 


Overwegende, dat het wenselijk is, een Tractatenblad 
van het Koninkrijk der Nederlanden uit te geven; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


Artikel 1. 


Er zal, te beginnen met 1 Januari 1951, worden uit­ 
gegeven een „Tractatenblad van het Koninkrijk der Ne­ 
derlanden". 


Artikel 2. 


In het Tractatenblad zullen zo spoedig mogelijk wor­ 
den geplaatst de tekst en voor zoveel nodig en mogelijk de 
vertaling in het Nederlands van, alsmede gegevens be­ 
treffende verdragen en andere overeenkomsten, welke Wij 
met vreemde Mogendheden sluiten of waartoe Wij toetre­ 
den. 


Hierin kunnen tevens worden geplaatst de tekst en de 
vertaling in het Nederlands van, alsmede gegevens betref­ 
fende zodanige verdragen en overeenkomsten, ook indien 
zij voor 1 Januari 1951 zijn gesloten. 


- 2 — 
87 


Artikel 3. 


De zorg voor de uitgifte van het Tractatenblad wordt 
opgedragen aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. 


Hij voorziet de in artikel 2 bedoelde tekst, vertaling 
en gegevens van het navolgende onderschrift: 


„Uitgegeven de 
(invulling dagtekening en jaartal). 


De Minister van Buitenlandse Zaken, 
(ondertekening)" 


Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met 
de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad en 
in de Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst. 


Soestdijk, 29 December 1950. 


JULIANA 


De Minister van Buitenlandse Zaken, 


STIKKER. 


De Minister van Justitie, 


STRUY CKEN. 


Uitgegeven de negentiende Januari 1951. 
De Minister van Justitie, 
STRUYCKEN. 


— 3 — 
87 


A° 1953 
N° 88 


P U B L I C A T I E B L A D 


LANDSBESLUIT van de 12de Juni 1953 no. 16 tot wijzi­ 
ging van de Beschikking van de 31ste Juli 1947, no. 6152 
(P.B. 1947, no. 109) tot vaststelling van een loonrege­ 
ling voor gouvernements-arbeiders en gouvernements­ 
werklieden (P.B. 1947, no. 109). 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Op voordracht van het lid van de Regeringsraad voor 
Financiën van 13 November 1952; 


Gelet op: 


artikel 4 van de Gouvernements-Werkliedenverorde- 
ning 1944 (P.B. 1944, no. 197), 


HEEFT GOEDGEVONDEN: 


I. De in de bijlage, opgenomen bij de beschikking van de 
31ste Juli 1947 no. 6152 (P.B. 1947, no. 109), tot vast­ 
stelling van een loonregeling voor gouvernements-ar­ 
beiders en gouvernements-werklieden, zoals gewijzigd, 
voorkomende loonschalen voor het eiland Bonaire 
worden gerekend te zijn ingegaan 1 September 1952 


vervangen door de navolgende loonschalen voor het 
eilandgebied Bonaire: 


WEEKLONEN. 


Schaal 1. 


Los 
Vast 


ƒ 38, 
ƒ 40,50 
ƒ 40,50 — ƒ 44,50 


ƒ 1,— en ƒ 1,50 
4 x ƒ 1,— 


Chauffeur 
Normaal aantal diensturen 
per week: 50. 


Schaal 2. 


Los 
Vast 


ƒ 46, 
ƒ 52,50 
ƒ 49, 
ƒ 57,50 


5 x ƒ 1,— en 1 x ƒ 1,50 
lx/ 1,— en 5 x ƒ 1,50 
Timmerman 
Normaal aantal diensturen 
per week: 50. 


MAANDLONEN. 


Schaal 3. 


Los 
Vast 


ƒ H6, 
ƒ 132,— 
ƒ 124, 
ƒ 140,— 


4 x ƒ 4,— 
4 x ƒ 4,— 


Matroos van de haven- Normaal aantal diensturen 
boot 
per week: 50. 


Schaal 4. 


Los 
Vast 


ƒ 240, 
ƒ 275,— 
ƒ 254, 
ƒ 289,— 


8 x ƒ 3,— en 2 x ƒ 5,50 
8 x ƒ 3,— en 2 x ƒ 5.50 


Stuurman-motorist v/d Normaal aantal diensturen 
havenboot 
per week: 50. 


— 2 
88 


II. 'Te bepalen, dat dit landsbesluit in het Publicatieblad 
zal worden opgenomen. 


Willemstad, de 12de Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Het lid van de Regeringsraad 
voor Financiën, 


PLANTZ. 


Uitgegeven de 27ste Juni 1953. 


Het lid van de Regeringsraad 
voor Algemene Zaken, 
M. F. DA COSTA GOMEZ. 


— 3 - 
88 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 1, waarbij wordt af­ 
gekondigd de Wet van den lsten Juli 1909, houdende be­ 
palingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot hel 
instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen 
scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten 
opzichte van schippers, stuurlieden of 
machinisten 
(Schepemvet) (Staatsblad 1909, no. 219). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen. 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


A° 1953 
N° 
89 


(N°. 219.) W E T v a n d e n ls t e n J u l i 1 9 0 9 , h o u d e n d e 


bepalingen ter voorkoming van scheepsrampen, 
tot liet instellen van een onderzoek omtrent 
voorgekomen scheepsrampen en omtrent maat­ 
regelen van tucht ten opzichte van schippers, 
stuurlieden of machinisten. (Schepemcet.) 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE Gons, KONINGIN DEK 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat het wenschelyk 
is bepalingen vast te stellen ter voorkoming van scheepsrampen, 
tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen 
scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte 
van schippers, stuurlieden of machinisten; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


HOOFDSTUK I. 


Inleidende bepalingen. 


Artikel 1. 


1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 


het ondernemen van eene reis; het anders dan tot het doen van 
eene proeftocht buitengaats brengen van een schip; 


Onze Minister; Onze Minister met de uitvoering van deze wet 
belast; 


schepelingen; allen , die zich als scheepsofficieren of scheeps­ 
gezellen aan boord bevinden of zich als zoodanig hebben ver­ 
bonden ; 


schippei-; elk gezagvoerder van een schip of die dezen vervangt. 


2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder „schip" 
begrepen een vaartuig, een sleepschip, een dok en elk ander 


dergelijk dravend voorwerp, hetwelk over zee naar zyne De- 
stemming wordt gesleept. 


3. Voor de toepassing van deze wet, ook wat de straf­ 
bepalingen betreft, wordt onder „eigenaar" verstaan de persoon, 
die het beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar, reeder 
of boekhouder van de reeder'ü van het schip is, hetzij hem het 
schip in gebruik is gegeven. 


Artikel 2. 


1. De bepalingen van de hoofdstukken IT tot en met VI 
van deze wet zijn van toepassing op: 


a. een zeeschip in den zin van de wet van 28 Mei 1869 
(Staatsblad n". 96) betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en 
vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, hetwelk 
voldoet aan de eischen, gesteld in artikel 2 dier wet; 


b. een in Nederland thuis behoorend vaartuig tot schelp- 
visscherij of tot het vervoeren van visch of schelpen gebezigd 
wordende; 


c. een in Nederland thuis behoorend dok of ander der­ 
gelijk drijvend voorwerp, hetwelk over zee naar zijne bestemming 
wordt gesleept; 


rf. een in Nederland thuis behoorend zeevisschersvaartuig, 
tenzij ^e'; eene onoverdekte of gedeeltelijk overdekte boot is, 
welke zich in den regel niet buiten het gezicht van de Neder­ 
landsche kust begeeft; 


e. een in Nederland thuis behoorend pleiziervaartuig; 


voor zoover het bestemd is dan wel gebezigd wordt om, anders 
dan tot bet doen van eene proeftocht, buitengaats te varen. 


2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid 
onder b, c, <1 en c wordt een schip geacht in Nederland thuis 
te behooren: 


I. indien het kantoor, waarvoor het vaart, in Nederland is 
gevestigd; 


II. indien het in Nederland wordt uitgerust en zijne be­ 
manning voor ten minste de helft uit ingezetenen van Neder­ 
land bestaat. 


2 
219 


HOOFDSTUK II. 


VOORKOMING VAN SCHEEPSRAMPEN. 


§ 1. 
Fan de veiligheidsvoorschriften. 


Artikel 3. 


1. Er wordt geene reis ondernomen, tenzij voor het schip 
overeenkomstig deze wet een certificaat van deugdelijkheid is 
afgegeven, hetwelk nog geldig is op het oogenblik van vertrek. 


2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat geldt gedurende 
den daarin uitgedrukten tijd. 


Artikel 4. 


De schipper is verplicht, alvorens met zijn schip eene reis te 
ondernemen te zorgen dat: 


a. aan boord de noodige reddings- en veiligheidsmiddelen, 
alsmede heel- en verbandmiddelen aanwezig zijn , in verband 
met den dienst, waarin het schip wordt gebruikt, den aard en 
den duur der voorgenomen reis en het aautal opvarenden en 
de noodige aanwijzingen betrekkelijk een doelmatig gebruik 
van de reddingsmiddelen zijn aangebracht; 


b. aan boord de noodige zeekaarten, zeilaanwyzingen en in­ 
strumenten aanwezig zijn en deze behoorlijk zijn bijgehouden 
of op tijd zijn nagezien en gesteld; 


c. alle hulpmiddelen, voorgeschreven ia de bepalingen tot 
voorkoming van aanvaringen op zee, aan boord zijn en in 
deugdelijken staat verkeeren, en de lantaarns in overeenstem- 
miug met deze bepalingen kunnen worden geplaatst; 


d. de lensinrichting in orde en van voldoende capaciteit is ; 


e. de eventueel in het schip aanwezige electrische inrichtingen 
de noodige waarborgen voor de veiligheid aanbieden; 


/. het zóódanig is geladen, dat het geen grooteren diepgang 
heeft dan blijkens een van Onzentwege, door eene door Ons 
te benoemen commissie tot vaststelling van de minimum-uitwa- 
tering, af te geven certificaat van uitwatering geoorloofd is; 


g. de belading, de stuwage, het ballasten en in het algemeen 
de uitrusting van het schip aan de eischen van zeewaardigheid 
en veiligheid voldoen; 


3 
219 


li. het schip behoorlijk bemand is en het personeel lichamemK 
geschikt is om het schip veilig over zee te brengen; 


i. aan boord eene voldoende hoeveelheid brandstof aan­ 
wezig is; 


k. — indien het schip een passagiersschip is — niet meer 
passagiers z\in ingescheept dan blijkens^ aanteekening op het 
certificaat van deugdelijkheid geoorloofd is. 


Artikel 5. 


1. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald: 
a. welke opgaven de aanvragen tot het verkrijgen van certi­ 
ficaten van deugdelijkheid moeten bevatten en welke stukken 
daarbij moeten worden overgelegd; 


b. aan welke eischen ter voldoening aan het bepaalde in 
artikel 4 moet worden voldaan; 


<*. de regeling voor de vaststelling van den grootsten geoor- 
loofden diepgang, het aanbrengen van de laadlijuinerken en de 
afgifte van de certificaten van uitwatering; 


d. de \v\ize van onderzoek en wat by het onderzoek zoo 
door de belanghebbenden als door de ambtenaren moet worden 
in acht genomen. 


2. De algemeene maatregel van bestuur vermeldt de voor­ 
waarden, welke bij de uitreiking van certificaten van deugde­ 
lijkheid kunnen gesteld worden. 


3. De algemeene maatregel van bestuur kan bepalen, dat door 
Ons of in Onzen naam geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk 
van de daarin vervatte voorschriften vrijstelling kan worden 
gegeven. 
, 
, 
, 
, 
4. De algemeene maatregel van bestuur kan bepalen, dat rte 
ter plaatse bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie in 
elk bijzonder geval voorschriften kan geven ter bevordering 
van de richtige naleving van in dien algemeenen maatregel 
van bestuur vervatte voorschriften. 


Artikel 6. 


1. Certificaten van deugdelijkheid worden van Onzentwege 
door het hoofd van de scheepvaartinspectie in twee exemplaren 


mtgereikt^t ^ afgifte van eeu certificaat van deugdelijkheid 
geweigerd, dan wordt die weigering inet opgaaf van redenen 
aan den aanvrager schriftelijk medegedeeld. 


4 
219 


3. I)e kosten, veroorzaakt door het onderzoek van schepen, 
niet geclasseerd by een der door Ons erkende particuliere 
onderzoekingsbureaux, worden berekend naar een door Onzen 
Minister vast te stellen tarief, en bij de uitreiking van het 
certificaat voldaan. 


4. Eveneens wordeu de kosten, veroorzaakt door het onder­ 
zoek van schepen en verdere werkzaamheden, noodig voor de 
uitreiking van certificaten van uitwatering, voor zoover deze 
werkzaamheden niet door een der door Ons erkende particuliere 
onderzoekingsbureaux zijn verricht, berekend naar een door 
Onzeu Minister vast te stellen tarief, en by de uitreiking van 
het certificaat voldaan. 


Artikel 7. 


1. Certificaten van deugdelijkheid vervallen: 
a. door verloop van den termijn, waarvoor zij gelden; 
b. wanneer, in het geval van een schip, als bedoeld in artikel 
2, eerste lid, onder a, de eigendom van het schip ophoudt te 
voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2 van de wet 
van 28 Mei 1869 (Staatsblad n°. 96); 


e. wanneer het schip wordt verbouwd. 


2. Certificaten van deugdelijkheid kunnen door den bevoegden 
ambtenaar van de scheepvaartinspectie wordeu ingetrokken, wan­ 
neer het schip schade heeft beloopen of eene herstelling niet 
naar behooren is geschied. Van de intrekking wordt den eigenaar 
b\j geadviseerden dienstbrief bericht gezonden. 


Artikel 8. 


1. De beide exemplaren van een vervallen of ingetrokken 
certificaat van deugdelijkheid moeten door den eigenaar zoo 
spoedig mogelijk aan het hoofd van de scheepvaartinspectie 
worden ingezonden, hetzij rechtstreeks, hetzij door tusscbenkomst 
van ambtenaren der scheepvaartinspectie, waterschouten, ambte­ 
naren met de in- of uitklaring belast, of van Nederlandsche 
diplomatieke, consulaire of koloniale ambtenaren. 


2. 
Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een 
bewijs van ontvangst uitgereikt of toegezonden. 


Artikel 9. 


1. De schipper is verplicht om: 


a. gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het 
schip behoort in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik 


5 
219 


gereed te houden, en ook overigens aan alle uit artikel 4 voort­ 
vloeiende eischen te voldoen, een en ander met inachtneming 
van de dienaangaande bij en krachtens den in artikel 5 bedoelden 
algemeenen maatregel van bestuur gegeven voorschriften; 


b. indien gedurende de reis aan het schip, de machinerieën 
of de uitrusting gebreken blijken of ontstaan, te trachten deze 
gebreken te herstellen; 


c. den diepgang van het schip telkens na het innemen van 
lading en van brandstoffen op te nemen; 


d. — onverminderd het bepaalde bij artikel 359 van het 
Wetboek van Koophandel — in het scheepsjournaal gedagtee- 
kende en onderteekende verklaringen te stellen en door een der 
scheepsofficieren — eerste stuurman of eerste machinist naar 
gelang van de zaak, welke het betreft — te doen inede-onder- 
teekenen betreffende datgene, wat ter voldoening aan de onder 
a, b en c opgelegde verplichtingen is geschied; 


c. afschriften van de certificaten van deugdelijkheid en van 
uitwatering en van de voorwaarden, krachtens artikel 5, tweede 
lid, gesteld, op eene zichtbare wijze aan te brengen op eene voor 
alle schepelingen toegankelijke plaats, zoodat dezen van den 
inhoud daarvan behoorlijk kunnen kennis nemen. 


2. De inrichting van het journaal, waarvoor het model 
van Staatswege kosteloos wordt verkrijgbaar gesteld, en de 
verplichting om na volbrachte reis of na het verlaten van bet 
schip daarvan inzage te geven en afschrift te laten nemen, 
worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. 


3. In het geval, bedoeld in het eerste lid onder b, is de 
schipper voorts verplicht om bij het aandoen van de eerste haven 
in het ontbrekende te voorzien, voor zoover dit noodzakelijk is om 
de veiligheid van het schip en van de opvarenden te verzekeren. 


§ 2. Toezicht. 


Artikel 10. 


1. Alle schepen blijven aan een voortdurend toezicht van 
Regeeringswege onderworpen. 


2. Onder de bevelen van Onzen Minister wordt dit toezicht 
opgedragen aan door Ons te benoemen ambtenaren, van welke 
een door Ons, met den titel van hoofdinspecteur, als hoofd 
van de scheepvaartinspectie wordt aangewezen. 


6 
219 


3. De werkkring en de bevoegdheden van de in het vorige 
lid bedoelde ambtenaren worden by algemeenen maatregel van 
bestuur geregeld. 


Artikel 11. 


1. üe hoofdinspecteur zendt jaarlijks aan Onzen Minister een 
beredeneerd verslag over de werking en toepassing van de wet­ 
telijke voorschriften en den gang van den dienst gedurende 
het afgeloopen jaar. 


2. Dit verslag wordt, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, aan 
de Staten-Generaal overgelegd. 


Artikel 12. 


De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde 
toegang tot de schepen, waarop deze wet van toepassing is en 
tot de plaatsen , waar zoodanige schepen worden gebouwd of 
hersteld. 


Artikel 13. 


De eigenaars, de schippers en de leden der bemanning van 
schepen, waarop deze wet van toepassing is, zijn verplicht aan 
de in artikel 10 bedoelde ambtenaren desverlangd de voor hun 
toezicht noodige inlichtingen te geven. 


Artikel 14. 


1. Zoowel de werklieden als de hulpmiddelen, welke voor 
het onderzoek van een schip noodig zijn, moeten op eene des­ 
betreffende vordering van den bevoegden ambtenaar der scheep­ 
vaartinspectie door den eigenaar of door den schipper ter 
beschikking van dezen ambtenaar worden gesteld. 


2. De eigenaar en de schipper, alsmede een of meer door 
elk hunner aan te wijzen personen, z\jn bevoegd bij het onder­ 
zoek tegenwoordig te zijn. 


Artikel 15. 


1. Meent de met het onderzoek van een schip belaste ambtenaar, 
dat niet is of zal worden voldaan aan het bepaalde in artikel 4 of 
aan de voorschriften krachtens artikel 5 gesteld of gegeveh, dan 
bericht hij dit zoo spoedig mogelijk aan den eigenaar en aan den 
schipper van dat schip en gelijktijdig aan den hoogsten in rang 
der ter plaatse bevoegde ambtenaren der scheepvaartinspectie, 


7 
219 


onder mededeeling aan ieder hunner van hetgeen naar zijne 
meening ontbreekt. 


2. Op verlangen van den eigenaar of van den schipper bericht 
hij dezen op welke wijze naar zijne meening in het ontbrekende 
kan worden voorzien. 


3. Blijkt hem ten slotte, dat niet in voldoende mate aan 
z^jne aanwijzingen gevolg is gegeven, dan geeft hij van zijn 
gevoelen onder vermelding van redenen aan den eigenaar en 
aan den schipper en aan den in het eerste lid bedoelden amb­ 
tenaar der scheepvaartinspectie kennis. 


Artikel 16. 


1. Indien den ter plaatse bevoegden ambtenaar der scheep­ 
vaartinspectie blijkt, dat een schip niet voorzien is van een 
geldig certificaat van deugdelijkheid, is hij gerechtigd het schip 
aan te honden. 


2. Indien de ter plaatse bevoegde ambtenaar der scheepvaart­ 
inspectie gegronde redenen heeft voor twijfel of een schip, niet­ 
tegenstaande daarvoor een certificaat van deugdelijkheid, als 
bedoeld in artikel 3 is afgegeven, voldoende zeewaardig is, dan 
wel of aan het bepaalde in artikel 4 of aan de voorschrifteu krach­ 
tens artikel 5 gesteld of gegeven, is of zal worden voldaan, en even­ 
zeer wanneer niet voldaan wordt aan de bepalingen van de 
artikelen 12, 13 eïi 14, eerste lid, is hij gerechtigd het schip 
voor onderzoek aan te houden. Hij geeft van de aanhouding 
onmiddellijk kennis aan den hoofdinspecteur, die zoo spoedig 
rnogeliik beslist of een onderzoek zal plaats hebben. 


3. Indien schepelingen ten opzichte van hun schip redenen 
meenen te hebben voor twijfel over de zeewaardigheid of de 
voldoende uitrusting van het schip, zijn zij gerechtigd zich te 
wenden tot den ter plaatse bevoegden ambtenaar der scheep­ 
vaartinspectie. 


Artikel 17. 


1. Van elke aanhouding en van de opheffing daarvan geeft 
de bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie zoo spoedig 
mogelijk bij onderteekend en gedagteekend schrijven kennis aan 
den eigenaar en aan den schipper van het schip en aan de 
betrokken ambtenaren met de in- en uitklaring belast of — 
wanneer het een visschersvaartuig geldt — aan den betrokken 
waterschout. Aan deze laatsten geeft hij zoo noodig telegrafisch 
kennis. 


2. Na ontvangst van een bericht van aanhouding, als in het 
eerste lid bedoeld, verleenen de daar genoemde belastingambte­ 
naren geene expeditie en laten de daar bedoelde waterschouten 


8 
219 


2. 
De onbevoegdverklaring gaat in op den dag van de be- 
teekening van de uitspraak. 


Artikel 37. 


1. Is de betrokkene niet persoonlijk of bij vertegenwoordiger op 
de gedane oproeping verschenen , dan wordt verstek tegen hem 
verleend en het onderzoek buiten zgne tegenwoordigheid voort­ 
gezet en te zijnen aanzien beslist. 


2. Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegen­ 
woordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde, 
dan kan hij binnen veertien dagen na de beteekening der uit­ 
spraak daartegen verzet doen by eeue schriftelijke memorie, in 
te dienen bij den hoofdinspecteur, die daarvan desverlangd 
een bewijs van ontvangst afgeeft. 


8. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak niet. 
4. Was de onbevoegdverklaarde 
tijdens de beteekening 
der uitspraak niet hier te lande, dan begint de termijn van 
veertien dagen eerst te loopen op den dag der aankomst hier 
te lande van het schip, waarop de onbevoegdverklaarde dienst 
deed, of op den dag van aankomst hier te lande van den on­ 
bevoegdverklaarde, indien deze niet op dat schip terugkeert. 


Artikel 38. 


1. De hoofdinspecteur geeft van de indiening van de memorie 
onmiddellijk kennis aan den voorzitter van den Raad, die onver­ 
wijld dag en uur bepaalt voor de behandeling van het verzet. 


2. De hoofdinspecteur roept den onbevoegdverklaarde tegen 
het tijdstip, voor de zittiug bepaald, op. 


3. De Raad is bevoegd het onderzoek te heropenen of, na den 
onbevoegdverklaarde in de gelegenheid te hebben gesteld zijne 
memorie mondeling toe te lichten , dadelijk einduitspraak te doen. 


4. Wordt bij de einduitspraak na gedaan verzet het ontnemen 
der bevoegdheid niet gehandhaafd, dan wordt de bevoegdheid 
geacht niet te zyn ontnomen. 


Artikel 39. 


1. De onbevoegdverklaarde, die in het bezit is van in Neder­ 
land geldige diploma's, is verplicht de diploma's zijner vroegere 
bevoegdheid onmiddellijk na de beteekening der uitspraak af 
te geven aan den hoofdinspecteur, die de stukken aan Onzen 
Minister opzendt. 


2. Van de onbevoegdverklaring wordt door Onzen Minister 
kennis gegeven aan de waterschouten. 


3. Wordt iemand onbevoegd verklaard om als schipper maar 


17 
219 


niet tevens om als stuurman op te treden, dan zal hem , 
zoo hij in bet bezit is van een diploma, waaraan bij zijne be­ 
voegdheid ontleende, desverlangd door Onzen Minister een diploma 
als stuurman worden uitgereikt, op welk diploma wordt aange- 
teekend, dat by onbevoegd is om als schipper op te treden. 


Artikel 40. 


Wanneer, nadat door den Raad voor de scheepvaart krachtens 
artikel 36 eene bevoegdheid is ontnomen, nieuwe feiten aan 
het licht komen, welke tijdens het eerste onderzoek nog niet 
bekend waren en welke op de beslissiug invloed zouden kunnen 
hebben gehad, wordt door den Raad opnieuw een onderzoek 
ingesteld en wordt de zaak voor zooveel noodig opnieuw 
behandeld. 


Artikel 41. 


1. Door den Raad voor de scheepvaart kan de ontnomen 
bevoegdheid aan den belanghebbende worden teruggegeven, 
wanneer mag worden aangenomen, dat hy geschikt is zijne 
beroepsplichten te vervullen. 


2. 
Van het teruggeven van de ontnomen bevoegdheid wordt 
door Onzen Minister kennis gegeven aan de waterschouten. 


§ 3. 
Algemeene bepalingen. 


Artikel 42. 


1. Wanneer de behandeling van eene zaak voor den Raad 
is afgeloopen, wordt nopens de ramp door den voorzitter van 
den Raad in het openbaar uitspraak gedaan. 


2. Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang 
van het gehouden onderzoek. 


3. Is door den Raad krachtens het bepaalde in artikel 36 
eene bevoegdheid ontnomen, of heeft de Raad tot het ontnemen 
van eene bevoegdheid niet besloten, hoewel de hoofdinspecteur 
daartoe heeft geraden, dan worden aan dit deel van het onder­ 
zoek in de uitspraak afzonderlijke overwegingen gewijd. 


4. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo 
spoedig mogelijk aan Onzen Minister medegedeeld. 


5. De uitspraken worden op door Ons te bepalen wijze open­ 
baar gemaakt. 


Artikel 43. 


1. De termijn van oproeping van getuigen, deskundigen 


18 
219 


en van betrokkenen is, voor het geval zij in het R\jk in Europa 
woonachtig 
zijn of verblijf houden, van twee vrije dagen. 
Is hunne woonplaats elders-of onbekend, dan stelt de voorzitter 
van den Raad voor de scheepvaart dien termijn vast. _ 


2. 
De beteekeninpr van oproepingen, van beslissingen en 
uitspraken van den Raad voor de scheepvaart geschiedt op last 
van den hoofdinspecteur door den deurwaarder van eenig rechter­ 
lik college met achterlating van een afschrift aan den persoon 
of aan zijne woon- of verblijfplaats hier te lande. 


3. 
In geval de beambte met de beteekening belast noch den 
persoon van den opgeroepene of beteekende noch iemand van 
diens huisgenooteu aan diens woon- of verblijfplaats aantreft, 
zal hü het afschrift terstond ter haud stellen aan het hoofd van 
het plaatselijk bestuur, of aan dengene, die hem vervangt, die 
het oorspronkelijke met gezien zal teekenen en het afschrift zoo 
mogelijk aan den betrokkene zal moeten doen toekomen, zonder 
dat van dit laatste echter zal behoeven te blijken. 


4. Indien de opgeroepene of beteekende hier te lande geene 
bekende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening 
door middel van aauplakking van een afschrift aan het gebouw, 
waarin de Raad voor de scheepvaart zitting houdt en van een 
ander afschrift aan het gebouw, waarin de havenmeester te 
Amsterdam kantoor houdt. 


Artikel 44. 


1. 
De Raad is bij de behandeling van zaken, als in dit hoofd­ 
stuk bedoeld, aan geene andere vormen gebonden, dan bij deze 
wet zijn bepaald. 


2. 
De hoofdinspecteur is bevoegd de zittingen van den Raad, 
ook die, welke met gesloten deuren worden gehouden, bij te 
wonen. Hij kan zich echter bij alle werkzaamheden in dit 
hoofdstuk bedoeld door een inspecteur doen vervangen. 


Artikel 45. 


De kosten van het onderzoek volgens de bepalingen van dit 
hoofdstuk worden gedragen door het Rijk. 


Artikel 46. 


Aan belanghebbenden wordt kosteloos inzage en voor hunne 
kosten uittreksel of afschrift van de uitspraken van den Raad 
door den secretaris verstrekt, berekend volgens het tarief voor 
uittreksels of afschriften van vonnissen in strafzaken. 


Artikel 47. 


Blijkt bij het onderzoek, dat door iemand een strafbaar feit 


19 
219 


is gepleegd, dan wordt de bevoegde ambteraar van het open­ 
baar ministerie daarmede door den leider van het onderzoek in 
kennis gesteld. 


HOOFDSTUK V. 


MAATREGELEN VAN TUCHT. 


Artikel 48. 


1. De schipper, die zich ten opzichte van zijne reederg, de 
bevrachters, de schepelingen of 
de passagiers op eenigerlei 
wijze heeft misdragen, kan, onafhankelijk van de burgerlijke 
en de strafvordering, door den Raad voor de scheepvaart, na 
ingesteld onderzoek, disciplinair worden gestraft door het uit' 
spreken van eene berisping of door ontueming van de bevoegd­ 
heid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te 
boven gaande, als schipper op een schip, als bedoeld in artikel 2, 
te varen. 
, 


2. Desgelijks kan de schipper, stuurman of machinist door den 
Raad voor de scheepvaart disciplinair worden gestraft door het 
uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegd­ 
heid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te 
boven gaande, in eene of meer dezer betrekkingen op een 
schip, als bedoeld in artikel 2, te varen, een en ander wanneer 
de Raad bij het in hoofdstuk IV bedoelde onderzoek tot de 
overtuiging komt, dat door zijne daad of nalatigheid eene 
scheepsramp is veroorzaakt. 
. . 


3. De Raad kan bij eene met redenen omkleede beslissing den 
betrokkene onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek 
als schipper, stuurman of machinist op een schip, als bedoeld 
in artikel 2, dienst te doen. 


Artikel 49. 


1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid, 
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van 
den Raad voor de scheepvaart termen bestaan, plaats indien 
eene aanklacht is ingediend door of op last van den hoofd­ 
inspecteur, door den boekhouder of door een of meer van de 
reeders, van de assuradeuren, van de bevrachters, van het scheeps­ 
v o l k o f v a n d e p a s s a g i e r s . 
. . . . . . . * . 


2. 
De aanklacht moet om ontvankelyk te z\jn b^ den hoofd­ 
inspecteur of bij den Raad voor de scheepvaart zijn ingekomen 
binnen drie maanden na den dag, waarop de tot klacht ge­ 
rechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit, met 


219 


20 


uitbreiding van dien termijn tot drie weken na den dag van 
aankomst van het schip ter plaatse van bestemming hier te 
lande of van aankomst hier te lande van den aangeklaagde, 
indien deze zonder het schip terugkeert. 


3. Indien een der tot het indienen van eene aanklacht ge­ 
rechtigde personen, die zich in het buitenland of in de koloniën 
of bezittingen van het R\jk in andere werelddeelen bevindt, 
grond heelt om te vermoeden verhinderd te zullen zijn, om 
binnen den bepaalden termen zijne aanklacht bjj den hoofd­ 
inspecteur of tyj 
den Raad in te dienen, kan hij zich binnen 
drie weken na den eersten dag, waarop h\j daartoe in de gele­ 
genheid kwam, onder opgave van de redenen van verhindering, 
tot het indienen van eene aanklacht wenden tot den bevoegden 
consulairen ambtenaar of tot het plaatselijk gezag, door wiens 
tusschenkomst de aanklacht wordt ingezonden aan den Raad 
voor de scheepvaart. 


4. Het recht van onderzoek vervalt wegens verjaring, door 
verloop van één jaar nadat de aanklacht bij den Raad voor de 
scheepvaart is ingekomen, behoudens, dat elke daad van onder­ 
zoek de verjaring stuit, mits blijke, dat die daad ter kennis 
van deu aangeklaagde gebracht is. 


Artikel 50. 


Ten aanzien van de aanklachten , van het onderzoek en van de 
uitspraken van den Raad vóór de scheepvaart, gelden de bepa­ 
lingen van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing 
vatbaar zijn. 


Artikel 51. 


Door Ons kan, den Raad voor de scheepvaart gehoord, de 
ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende worden terug­ 
gegeven, of de duur der onbevoegdheid worden bekort. 


HOOFDSTUK VI. 


STRAFBEPALINGEN. 


§ 1. 
Straffen in verband mei hel bepaalde in Hoofdstuk II. 


Artikel 52. 


Met hechtenis van ten hoogste een jaar wordt gestraft de 
schipper van een schip, die het verbod, vervat in het vierde lid 
van artikel 17, overtreedt. 


21 
219 


Artikel 53. 


Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren wordt gestraft 
de eigenaar van een schip, die den schipper van dat schip, door 
een der in artikel 47, n° 2 van het Wetboek van Strafrecht 
vermelde middelen, opzettelijk beweegt ten aanzien van dat schip 
het verbod, vervat iu het vierde lid van artikel 17, te overtreden. 


Artikel 54. 


Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van 
ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft: 


a. de schipper, wiens schip gedurende de reis dieper is ge­ 
laden dan blijkens het certificaat van uitwatering geoorloofd is; 


b. de schipper, die in liet geval, bedoeld in artikel 9, derde 
lid, nalaat in het ontbrekende te voorzien. 


Artikel 55. 


Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft 
de eigenaar van een schip, die den schipper van dat schip, door 
een der in artikel 47, n°. 2 van het Wetboek van Strafrecht 
vermelde middelen, opzettelijk beweegt om zijn schip gedurende 
de reis dieper te laden dan blijkens het certificaat van uit­ 
watering geoorloofd is, of om het voorschrift van artikel 9, 
derde lid, te overtreden. 


Artikel 56. 


Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van 
ten hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van 
een der artikelen 8, eerste lid en 9, eerste lid. 


§ 2. 
Straffen in verband met het bepaalde in de 
Hoofdstukken IV en V. 


Artikel 57. 


Met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden wordt ge­ 
straft hij, die in strijd met het bepaalde bij artikel 28 nalaat 
inlichtingen te geven of het proces-verbaal mede te onderteekenen. 


Artikel 58. 


Met geldboete van ten hoogste zestig gulden wordt gestraft 
hij, die nadat hij ingevolge artikel 29, artikel 33 of artikel 34 


219 


22 


behoorlijk is opgeroepen, niet verschijnt, of verschenen zijnde, op 
de gestelde vragen niet antwoordt. 


Artikel 59. 


Met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt 
gestraft de schipper, die in strijd met het bepaalde bij artikel 32 
de opgevorderde bescheiden niet overlegt. 


Artikel 60. 


Met geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden wordt ge­ 
straft de derde, onder wiens berusting de in artikel 32 bedoelde 
bescheiden zich bevinden en die de ingevolge dat artikel opge­ 
vorderde bescheiden niet overlegt. 


Artikel 61. 


Met 
geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden wordt 
gestraft de onbevoegdverklaarde, die in strijd met het bepaalde 
in artikel 39 de diploma's zijner vroegere bevoegdheid niet 
inlevert. 


§ 3. 
Algemeene bepalingen. 


Artikel 62. 


Indien de eigendom van eeu schip behoort aan eene naam- 
looze vennootschap, eene coöperatieve of andere rechtspersoon­ 
lijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, worden voor 
de toepassing van de artikelen 53 en 55 als eigenaren aange­ 
merkt alle leden van het bestuur, die het strafbare feit hebben 
gepleegd. 


Artikel 63. 


Met het opsporen van de overtredingen van deze wet, zijn, 
behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering 
aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren 
van Rijks- en gemeentepolitie, alsmede de in artikel 10 bedoelde 
ambtenaren. 


Artikel 64. 


1. De in artikel 10 bedoelde ambtenaren zijn, uitgezonderd 
tegenover de boven hen gestelde ambtenaren , verplicht tot 
geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens 
artikel 12 binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend 
bedrijf 's bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is 


28 
219 


met de bepalingen van deze ot van eene audere wet. Gelijke ver­ 
plichting rust op den voorzitter, den plaatsvervangenden voor­ 
zitter, den secretaris, den plaatsvervangenden secretaris, de 
vaste en buitengewone leden en de plaatsvervangende leden 
van den Raad voor de scheepvaart. 
. 


2. Hij, die opzettelijk de in het vorige lid opgelegde geheim­ 
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten 
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd 
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of 
bepaalde ambten te bekleeden. 
, • , 


3. Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding 
te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dne 
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. 


4. Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den 
eigenaar van het schip of van den schipper of van den bestuurder 
van het bedrijf, dat ter plaatse wordt uitgeoefend. 


Artikel 65. 


De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd 
als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld b\j 
artikel 53, artikel 55 en bij het tweede en derde lid van artikel 
64, welke als misdrijven worden beschouwd. 


Artikel 66. 


Op overtreding van voorschriften der krachtens deze wet uit­ 
gevaardigde algemeene maatregelen van bestuur kan daarbij 
straf wordeu gesteld, doch geene andere of hoogere dan hetzy 
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden, hetzij geldboete van ten hoogste 
driehonderd gulden. 


HOOFDSTUK VIL 


SLOTBEPALINGEN. 


Artikel 67. 


1. De bij of krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen 
betreflende den diepgang en in verband daarmede de des­ 
betreffende bepalingen, vervat in artikel 16. tweede lid, en 
artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, benevens alle andere b\j 
of krachtens deze wet uitgovaardigde bepalingen, welke door 
Ons bij algemeenen maatregel van bestuur hiervoor zullen worden 
aangewezen, alsmede de desbetreffende strafbepalingen, zijn 
inede van toepassing op een schip van vreemde nationaliteit, 


24 
219 


niet vallende onder artikel 2, waarmede uit eene Nederlandsche 
haven eene reis zal worden ondernomen, wanneer: 


a. in het land, waartoe het schip door zijne nationaliteit 
behoort, betreffende dit punt geene bepalingen van kracht zijn, 
welke door Ons wordeu geoordeeld in voldoende mate eene 
overeenkomstige strekking en draagwijdte te hebben als de hier 
te lande geldende wettelijke bepalingen; 


b. in het land, waartoe het schip door zijne nationaliteit 
behoort, wel bepalingen als onder a bedoeld, van kracht zijn 
en deze bepalingen aldaar ook op Nederlandsche schepen worden 
toegepast. 


2. 
De in het vorige lid bedoelde bepalingen zijn echter niet 
van toepassing op een schip van vreemde nationaliteit, niet 
vallende onder artikel 2, waarmede uit eene Nederlandsche 
haven eene reis zal worden ondernomen, wanneer in het land, 
waartoe het schip door zijne nationaliteit behoort, wel voor­ 
schriften als in dat lid onder a bedoeld, van kracht zijn, doch 
in de wetgeving van dat land eene bepaling voorkomt, krachtens 
welke 
Nederlandsche schepen, ten 
aanzien van welke de 
Nederlandsche bepalingen worden 
nageleefd, niet aan de 
aldaar geldende voorschriften zijn onderworpen , mits blijke, dat 
ten aanzien van het vreemde schip wordt voldaan aan de voor­ 
schriften , welke in het eigen land van kracht zijn. 


3. Een algemeene maatregel van bestuur, als bedoeld in het 
eerste lid, vervalt, indien de daarbij bepaalde aanvulling niet 
binnen een jaar na de afkondiging van dien maatregel be­ 
krachtigd is door de wet. Wanneer een voorstel van zoodanige 
wet binnen het jaar b\j de Staten-Generaal is aanhangig ge­ 
maakt, kan door Ons deze termijn eenmaal met zes maanden 
worden verlengd. 


Artikel 68. 


Wanneer eeu schip krachtens het bepaalde in het vorige artikel 
is aangehouden, wordt van de aanhouding en van de opheffing 
daarvan ook kennis gegeven aan den dichtstbii gevestigden cou- 
sulairen ambtenaar van het land, waartoe het schip door zijne 
nationaliteit behoort. 


Artikel 69. 


1. Onafhankelijk van het bepaalde in artikel 67 is de ter plaatse 
bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie gerechtigd tot 
aanhouding van 
een schip van vreemde nationaliteit, niet 
vallende onder artikel 2, hetwelk ten gevolge van den ondeug- 


25 
219 


delijken toestand van den romp, de werktuigen ot de uitrusting 
of ten gevolge van ondoelmatige belading gevaar voor de op­ 
varenden oplevert. 


2. 
De ambtenaar geeft van elke aanhouding zoo spoedig 
mogelijk, onder opgave van redenen, kennis aan den hoofdinspec­ 
teur, aan den eigenaar er aan den schipper van het schip en 
aan den dichtstby gevestigden consulairen ambtenaar van het 
land, waartoe het schip door zijne nationaliteit behoort. 


3. De consulaire ambtenaar is bevoegd iemand aan te wgzen 
om met den ambtenaar de zaak te onderzoeken. 


4. Deelt deze persoon de ongunstige meening van den amb­ 
tenaar, dan wordt de aanhouding van het schip niet opgeheven, 
vóórdat het gebrek is verholpen. 
_ 


5. Deelt deze persoon de ongunstige meening van den amb­ 
tenaar niet, dan kan tegen de aanhouding beroep worden in­ 
gesteld, en gelden de bepalingen van hoofdstuk II, § 3, alsmede 
het bepaalde in artikel 17 betreffende de vergoeding vau kosten 
by ongerechtvaardigde aanhouding. 


Artikel 70. 


Wanneer op de Nederlandsche kust of in de Nederlandsche 
zeegaten en riviermonden een niet in artikel 2 bedoeld schip 
door eene ramp is getroffen, wordt naar de oorzaken daarvan 
een onderzoek ingesteld met inachtneming van de bepalingen 
van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing vatbaar zijn. 


Artikel 71. 


Bij het in werking treden van deze wet zijn ingetrokken de 
artikelen 25 a tot en met 25* van de wet van 7 Mei 185C'< (Staats­ 
blad n°. 32), houdende bepalingen omtrent de huishouding 
en tucht op de koopvaardijschepen, zooals deze gewijzigd is bu 
de wetten van 13 November 1879 (Staatsblad- n . 190) en van 
15 April 1886 (Staatsblad n". 64). 


Artikel 72. 


Alle ten gevolge van deze wet opgemaakte of overgelegde 
stukken , verzoekschriften , beroepschriften en beschikkingen zyn 
v-r« van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie 
en worden kosteloos uitgereikt. 


Artikel 73. 


Bij algemeenen maatregel van bestuur worden de noodige 
voorzieningen getroffen ter verzekering van de goede werking 
dezer wet, voor zoover (le koloniën en bezittingen in andere 
werelddeelen b\j de uitvoering daarvan betrokken zijn. 


26 
219 


Artikel 74. 


Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet noodig is, wordt 
bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. 


Artikel 75. 


Deze wet kan worden aangehaald onder den titel „Schepenwet". 


Artikel 76. 


1. De behandeling van zaken, welke op het oogenblik van 
in werking treden van deze wet bij den Raad van Tucht voor 
de koopvaardij aanhangig zijn, wordt door dit College beëindigd 
met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wet 
van 7 Mei 1856 {Staatsblad n°. 32), gewijzigd bij de wetten van 
13 INovember 1879 (Staatsblad n°. 190) en van 15 April 1886 
(.Staatsblad, n°. 64), welke bepalingen, in afwijking van het be­ 
paalde by artikel 71, voor de behandeling van de bedoelde zaken 
van kracht blijven. 


2. De Raad van Tucht voor de koopvaardij blijft tot na de 
afdoening van de in het eerste lid bedoelde zaken in stand. 


Artikel 77. 


1. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te 
bepalen tydstip, met uitzondering van het bepaalde in de 
artikelen 3 en 4. 


2. Later wordt het tijdstip van in werking treden van de 
artikelen 3 en 4 eveneens door Ons vastgesteld. 
i 
T?4 ^rdt met. betrekking tot het schip, dat zich op 


laatstbedoeld tijdstip buitengaats bevindt, eerst van toepassing 
na verloop van zes maanden of zooveel vroeger, als dit schip 
eene haven in Nederland binnenloopt. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden ge­ 
plaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw­ 
keurige uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven ten paleize het Loo, den Isten Juli 1909. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Landbouw, 


Nijverheid en Handel, 


A. S. T A L M A. 


Uitgegeven den tienden Juli 1909. 


De Minister van Justitie, 
n e l i s s e n . 


27 
219 


9 
219 


de aangehouden visschersvaartuigen niet vertrekken, alvorens 
hun zal zijn bericht, dat de aanhouding is opgeheven. 


3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver- 
leenen geene expeditie voor een schip, waarvoor geen geldig 
certificaat van deugdelijkheid kan worden vertoond. 


4. Het is den schipper verboden met zijn schip eene reis 
te ondernemen, wanneer en zoo lang het op grond van het 
bepaalde in het eerste of tweede lid van het vorige artikel 
door den bevoegden ambtenaar der scheepvaartinspectie voor 
onderzoek is aangehouden , of zoo lang als door de ambtenaren, 
niet de in- en uitklaring belast, geene expeditie is verleend. 


5. Wanneer bij het op de aanhouding gevolgde onderzoek 
van den bevoegden ambtenaar of — indien tegen de aanhouding 
beroep is ingesteld — by het in beroep ingestelde onderzoek 
blijkt, dat het schip in strijd met de aanvankelijke meening van 
den ambtenaar op het oogenblik der aanhouding in zeewaar- 
digen toestand verkeerde, dan wel dat op dat oogenblik aan 
de voorschriften werd voldaan, worden de directe kosten van 
het onderzoek door het Rijk gedragen, en worden de eventueel 
door het onderzoek aan den eigenaar van het schip veroorzaakte 
indirecte kosten, geheel of gedeeltelijk, berekend naar een b\j 
algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen tarief, door 
het Ryk aan den eigenaar vergoed, voor zoover deze de bedoelde 
kosten niet heeft kunnen voorkomen. 


C. 
De toeschatting der in het vorige lid bedoelde vergoeding 
geschiedt, ook wanneer geen beroep is ingesteld, door den Raad 
voor de scheepvaart. 


7. Geene vergoeding wordt uitgekeerd in geval de aanhouding 
heeft plaats gehad op grond, dat geen geldig certificaat van 
deugdelijkheid kon worden vertoond. 


§ 3. 
Beroep. 


Artikel 18. 


1. Beroep van beslissingen en voorschriften van de in artikel 10 
bedoelde ambtenaren en van beslissingen van de in artikel 4, 
onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de afgifte van certifi­ 
caten van uitwatering, kan door den betrokken eigenaar of 
schipper worden ingesteld b\j den voorzitter van den Raad voor 
de scheepvaart. 


2. De voorzitter is verplicht vóór het geven van zijne beslissing 
de ter zake meest bevoegde leden van den Raad te raadplegen 
en zijne uitspraak niet redenen te omkleeden. 


Artikel 19. 


1. Eene uitspraak in beroep gegeven, waarbij wordt afge- 


weken van de beslissing of het voorschrift, waarvan beroep is 
ingesteld, treedt in de plaats daarvan. 


2. Indien de uitspraak strekt tot vernietiging van eene be­ 
slissing, houdende weigering van afgifte van een certificaat van 
deugdelijkheid wordt alsnog zoo spoedig mogelijk van Onzent- 
wege door het hoofd van de scheepvaartinspectie een certificaat 
van deugdelijkheid in twee exemplaren uitgereikt. 


3. Strekt de uitspraak tot wijziging van eene beslissing van 
de in artikel 4, onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de af­ 
gifte van een certificaat van uitwatering, dan wordt zoo spoedig 
mogelijk van Onzentwege door deze commissie een nieuw cer­ 
tificaat van uitwatering afgegeven. 


4. Van elke in beroep gedane uitspraak wordt onverwijld 
een gedagteekend afschrift gezonden aan hem, die het beroep 
heeft ingestefd. 


Artikel 20. 


Behalve waar het eene beslissing betreft door den bevoegden 
ambtenaar van de scheepvaartinspectie krachtens artikel 16 
genomen, vloeit uit eene beslissing of een voorschrift geenerlei 
verplichting voort, zoolang omtrent een daarvan ingesteld beroep 
niet is beslist. 


Artikel 21. 


1. Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift 
instelt, zet in z\jn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing 
of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van 
het beroepschrift aan den ambtenaar of de commissie, van 
wiens of wier beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan 
den hoofdinspecteur, indien deze niet is de ambtenaar van wiens 
beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld. 


2. Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad 
voor de scheepvaart steeds bevoegd en op aanvrage van den 
appellant, van den ambtenaar van wiens, of van den voorzitter 
der commissie, van wier beslissing of voorschrift beroep is inge­ 
steld of van den hoofdinspecteur, verplicht aan ieder hunner 
gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of 
bij gemachtigde toe te lichten. 


Artikel 22. 


De verdere regelen, bij de behandeling van beroepen in acht 
te nemen, worden door Ons vastgesteld. 


10 
219 


11 
219 


HOOFDSTUK III. 


VAN DEN RAAD VOOR DE SCBEKPVAAKT. 


Artikel 23. 


1. De Raad voor de scheepvaart is gevestigd te Amsterdam, 
maar is bevoegd bij uitzondering in andere gemeenten hier te 
lande tö vergaderen. 


2. De Raad bestaat uit een voorzitter, die moet zijn doctor 
in de rechtswetenschap, en vier vaste leden, van wie twee 
zee-officier of oud zee-officier en twee schipper of oud-schipper 
ter koopvaardij. 


3. Verder worden benoemd twaalf buitengewone leden, vau 
wie drie reeders of oud-reeders en drie schippers of oud-schippers, 
onderscheidenlijk van de groote vaart, de kleine vaart en de 
zeevisschery, een werktuigkundige, een electrotechnicns, drie 
scheepsbouwkundigen, onderscheidenlijk bekend met den bouw 
vau schepen voor de groote vaart, de kleine vaart en de zeevis- 
scherij en een machinist of oud-machinist. De reeders en schippers 
van de groote vaart, de kleine vaart eu de zeevisscherij nemen 
onderscheidenlük zitting naar gelang het te behandelen geval 
behoort tot de groote vaart, de kleine vaart of de zeevisscherij. 
De werktuigkundige, de electrotechnicus, de scheepsbouwkundigen 
en de machinist of oud-machinist nemen zitting wanneer de 
voorzitter of de Raad van oordeel is, dat hunne tegenwoordig­ 
heid door den aard van het te behandelen geval wenschelijk 
wordt gemaakt. Ook de zitting nemende buitengewone leden 
nemen aan de stemmingen deel. 


4. Voorts worden benoemd een plaatsvervangend voorzitter, 
die moet zijn doctor in de rechtswetenschap en de noodige plaats­ 
vervangende leden, die invallen bij ontstentenis van vaste of 
buitengewone leden. 


5. Aan den Raad wordt als secretaris verbonden een doctor 
in de rechts- of staatswetenschap en kan voorts een plaatsver­ 
vangend secretaris, die eveneens doctor in de rechts- of staats­ 
wetenschap moet zyn, worden verbonden. 


6. De in het tweede, derde, vierde en vijfde lid bedoelde 
personen worden door Ons benoemd, telkens voor den tijd van 
ten hoogste vier jaren. 


7. Voor de toepassing van dit artikel wordt een directeur of 
oud-directeur van eene scheepvaartmaatschappij als reeder of 
oud-reeder aangemerkt. 


8. Door Ons worden de werkkring en de bevoegdheden van 
den voorzitter, van de vast6 en buitengewone leden, van den 
secretaris en van hunne plaatsvervangers vastgesteld en worden 


de geldelijke schadeloosstellingen van de vaste en buitengewone 
leden en van hunne plaatsvervangers geregeld, benevens de 
bezoldigingen van den voorzitter en van den secretaris en de 
geldelijke schadeloosstellingen van hunne plaatsvervangers. 


9. Eveneens worden door Ons de werkkring en de bevoegd­ 
heden geregeld van den hoofdinspecteur en van andere ambte­ 
naren van de scheepvaartinspectie, in verband met hunnen arbeid 
b\j den Raad voor de scheepvaart. 


Artikel 24. 


Het bjj de artikelen 12 en 13 ten aanzien van de ambte­ 
naren bepaalde is ook van toepassing ten aanzien van den voor­ 
zitter, den plaatsvervangenden voorzitter, den secretaris, den 
plaatsvervangenden secretaris, de vaste en de buitengewone leden 
en de plaatsvervangende leden van den Raad voor de scheepvaart. 


Artikel 25. 


De voorzitter, do plaatsvervangende voorzitter, de vaste en 
de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den 
Raad onthouden zich van deelneming aan de behandeling van 
zaken, welke hen of hunne bloed- en aanverwanten tot en met 
den vierden graad, persoonlijk aangaan, of waarin zij als ge­ 
machtigden zijn betrokken. 


Artikel 26. 


1. De zittingen van den Raad worden in het openbaar gehouden 
tenzij de Raad, om in de uitspraak te vermelden redenen, mocht 
besluiten de behandeling van eene zaak geheel of gedeeltelik 
met gesloten deuren te doen plaats hebben. 


2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de vaste 
en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden, de 
secretaris en de plaatsvervangende secretaris zijn verplicht het 
geheim der raadkamer te bewaren. 


3. Voor het nemen van beslissingen moet de Raad ten minste 
uit vijf leden, den voorzitter of plaatsvervangenden voorzitter 
inbegrepen, bestaan. Ingeval van staking van stemmen^ wordt, 
wanneer het geldt eene beslissing, als in de artikelen 36 en 48 
bedoeld, geacht ten voordeele van den betrokken schipper, 
stuurman of machinist te zijn beslist; in alle andere gevallen 
is in geval van staking van stemmen de stem van den voor­ 
zitter beslissend. 


12 
219 


13 
219 


HOOFDSTUK IV. 


O N D K R Z O E K V A N S C H E K P S R A M P K N . 


§ 1. 
Fan het onderzoek. 


Artikel 27. 


1. Van Staatswege wordt onderzoek gedaan naar de oorzaken 
van plaats gehad hebbende scheepsrampen. 


2. Het onderzoek bestaat uit een voorloopig onderzoek dooi­ 
de scheepvaartinspectie, zoo noodig gevolgd door een onderzoek 
door den Raad voor de scheepvaart. 


3. Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een 
schip door eene ramp is getroffen. 


Artikel 28. 


1. De commissarissen der loodsen zenden onverwijld aan den 
hoofdinspecteur afschriften van de door hen over scheepsrampen 
opgemaakte processen-verbaal, die mede door de door hen 
gehoorde personen, ieder voor zooveel zijne eigene verklaring 
betreft, worden onderteekend. 


2. De autoriteiten, ten wier overstaan scheepsverklaringen, 
als bedoeld in artikel 383 van het Wetboek van Koophandel zijn 
afgelegd, zenden onverwijld afschriften van deze stukken aan 
den hoofdinspecteur. 


3. De Nederlandsche consulaire ambtenaren en de Neder- 
landsche koloniale ambtenaren, die daartoe door de koloniale 
overheid worden aangewezen, maken van elke in hun ambts­ 
gebied aan een schip, als bedoeld in artikel 2, overkomen ramp 
een proces-verbaal op en zenden dit, nadat het ook door de 
door hen gehoorde personen onderteekend is en wel door ieder 
voor zooveel z\jue eigene verklaring betreft, onverwijld aan den 
hoofdinspecteur. 


4. De personen, die ingevolge het bepaalde by het eerste en 
derde lid van dit artikel worden uitgenoodigd tot het geven van 
inlichtingen en tot het onderteekenen van het proces-verbaal, 
zyn verplicht aan die uitnoodiging gevolg te geven. 


5. Indien de in het vorige lid bedoelde personen öf weigeren, 
of nalaten, öf niet by machte z\jn het proces-verbaal te onder- 
teekeuen, wordt daarvan, onder vermelding der reden, in het 
proces-verbaal melding gemaakt. 


Artikel 29. 


1. De hoofdinspecteur stelt nopens elke te zijner kennis 
gekomen scheepsramp een onderzoek in of doet dit instellen 


door een of meer der in artikel 10 bedoelde ambtenaren en deelt 
de uitkomsten van dit onderzoek zoo spoedig mogelijk onder 
overlegging van stukken aan den voorzitter van den Raad 
mede, vergezeld van z\jn voorstel om met bet oog op aard en 
omvang van de ramp al dan niet eeu onderzoek daarnaar dooi­ 
den Raad te doen instellen. 


2. Over bet voorstel van den hoofdinspecteur om al dan niet 
een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie 
uit den Raad, bestaande uit deu voorzitter en twee door dezen 
opgeroepen leden. Wijst deze commissie bet voorstel af, dan 
heeft de hoofdinspecteur het recht te vorderen, dat de Raad de 
beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk 
den Raad bijeenroept, die — na den hoofdinspecteur te hebben 
gehoord — ter zake eene eindbeslissing neemt. 


3. Wanneer beslist is, dat een onderzoek zal worden inge­ 
steld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor 
vast en worden door den hoofdinspecteur in overleg met den 
voorzitter van den Raad de noodige getuigen en deskundigen 
tegen die zitting van den Raad opgeroepen. 


4. De commissie en de Raad zyn bevoegd zoo noodig den 
hoofdinspecteur op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde 
onderwerpen nadere gegevens te verzamelen. 


Artikel 30. 


1. De artikelen 7, tweede en derde lid, 8—11, 13—17, 19, 
23, eerste lid, en 25 der wet van 5 Augustus 1850 (Staatsblad 
n°. 45), gewijzigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad 
n°. 265) zijn, voor zoover zij niet afwijken van de voorgaande 
bepalingen dezer wet, van toepassing op het onderzoek, in te 
stellen door den hoofdinspecteur of de door hem krachtens 
artikel 29, eerste lid, met het onderzoek belaste ambtenaren en 
door den Raad. 
... i 
2. Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bi) die artikelen 
aan de commissie van onderzoek zijn toegekend. 


3. Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13 der in 
het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrengmg mede 
door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend. 


Artikel 31. 


Aan getuigen en deskundigen wordt, zoo zij dit verlangen, 
eene schadeloosstelling toegelegd naar den maatstaf der tarieven 
van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken. 


Artikel 32. 


1. De hoofdinspecteur, de voorzitter van den Raad en de 


14 
219 


Raad kunnen overlegging vorderen binnen een bepaalden termijn 
van scheepsjournalen, maehinekamerjournalen, scheepsverklarin- 
gen, monsterrollen, strafregisters en van alle andere voor het 
onderzoek vereischte bescheiden, zoowel van de schippers der 
schepen, bij de scheepsramp betrokken geweest, als van ieder 
ander, die de stukken onder zgne berusting heeft. 


2. 
Bij verzuim van overlegging binnen den gestelden termijn 
wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, waarmede gehandeld 
wordt als bepaald bij artikel 16 der wet van 5 Augustus 1850 
(Staatsblad n". 45), gewijzigd bij de wet van 31 December 1887 
(Staatsblad n', 265) en dat de bewijskracht bezit in artikel 11 
dier wet omschreven. 


Artikel 33. 


1. De schipper, de stuurlieden en de machinisten van een 
schip, hetwelk door eene ramp is getroffen of eene ramp heeft 
veroorzaakt, en voorts ieder, die zich by een onderzoek naar 
zoodanige ramp betrokken acht, kunnen verzoeken, zoowel dat 
zij zei ven gehoord worden, als ook bepaaldelijk door hen aan­ 
gewezen personen. 


2. Van zoodauige verzoeken wordt, indien daaraan door den 
leider van het onderzoek geen gehoor wordt gegeven, in het 
proces-verbaal van het onderzoek aanteekening gehouden. 


3. De verzoekers mogen tot de verschenen getuigen vragen 
doen richten, met dien verstande, dat aan den leider van het 
onderzoek de beslissing blijft, of eene vraag al dan niet zal 
worden gesteld. 


§ 2. Ongeschiktheid van schippers, stuurlieden of machinisten. 


Artikel 34. 


1. Indien tijdens het onderzoek, gehouden door of op last van 
den hoofdinspecteur, omstandigheden aan het licht komen, welke 
bij hem de vraag doen rijzen of de ramp is veroorzaakt door 
de ongeschiktheid van den schipper of van een of meer stuurlieden 
of machinisten, verbindt hij aan zy'n voorstel om een onderzoek 
naar de scheepsramp te doen instellen de voordracht om dien 
schipper, stuurman of machinist te hooren. 


2. Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de 
schipper, stuurman of machinist ter zake zal worden gehoord, 
dan wordt den betrokkene op last van den hoofdinspecteur een 
afschrift der beslissing beteekend, met oproeping om ter zitting 
van den Raad, bedoeld in artikel 29, derde lid, te verschijnen, 
op welke zitting alsdan tevens naar de gerezen vraag een onderzoek 
wordt ingesteld. 


15 
219 


3. Indien echter eerst tijdens het onderzoek, door den Raad 
gehouden, omstandigheden aan het licht komen, welke bij den 
hoofdinspecteur of by den Raad de vraag doen ryzen, ot de 
ramp is veroorzaakt door de ongeschiktheid van den schipper ot 
van een of meer stuurlieden of machinisten, dan kan de Raad 
op voorstel van den hoofdinspecteur of uit eigen beweging 
besluiten, dat ook over deze vraag het onderzoek zal loopen. 


4. Is de betrokkene ter zitting aanwezig, dan deelt de voor­ 
zitter hem de beslissing van den Raad mede. Aan den betrokkene 
kan op zijn verzoek een uitstel voor de verdere behandeling van 
de zaak worden verleend. 
, 


5. Is de betrokkene niet ter zitting aanwezig, dan wordt de 
verdere behandeling der zaak geschorst tot een nader dooi den 
voorzitter te bepalen dag en uur en wordt de betrokkene op last 
van den hoofdinspecteur onder beteekening van s Kaads be­ 
slissing tegen die zitting opgeroepen. 


6. De betrokkene heeft het recbt zich bn de behandeling 
zijner zaak door een raadsman te doen bijstaan of zich te doen 
vertegenwoordigen door een bijzonder voor dit doel gemachtigde, 
behoudens de verplichting van den betrokkene om in persoon te 
v e r s c h i j n e n , w a n n e e r d e R a a d d i t v o i d e i t . 
. . . 


7 
De Raad kan in de gevallen, bedoeld in bet tweede en 
derde lid, bij eene met redenen omkleede beslissing den betrok­ 
kene tevens onbevoegd verklaren om gedurende bet onderzoek 
als schipper, stuurman of machinist op een schip, als bedoeld 
in artikel 2, dienst te doen. 


Artikel 35. 


1. De betrokkene kan verzoeken, dat reeds gehoorde getuigen 
of nader door hem bepaald aangewezen personen alsnog zullen 
worden gehoord. Bij afwijzing van dit verzoek wordt daarvan 
aanteekening gehouden in het proces-verbaal der zitting. 


2. Van het afleggen van verklaringen als getuige ot deskundige 
kunnen zich verscboonen des betrokkenen echtgenoot en zyne 
bloed- en aanverwanten tot den vierden graad ingesloten. 


Artikel 36. 


1 Acht de Raad de ramp veroorzaakt door de ongeschiktheid 
van den schipper of van een of meer stuurlieden of machinisten 
dan kan hij, hetzij op vordering van den hoofdinspecteur, hetzy 
dien hoofdambtenaar gehoord, bij eene met redenen omkleede 
beslissing den betrokkene onbevoegd verklaren om als schipper, 
stuurman of machinist op een schip, als bedoeld in artikel 
dienst te doen. 


16 


219 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART, 


— 3 — 
89 


A° 1953 
N" 90 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 2, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den 23sten September 1912, tot 
wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1912, no. 305) 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen. 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


( N • 
W E T v a n d e n 2 3 s t e n S e p t e m b e r 1 9 1 2 , t o t 


wijziging van de Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE 
GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te 
weten: 


Alzpo wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelyk 
is de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n°. 219), houdende be­ 
palingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen 
van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en 
omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van schippers, 
stuurlieden of machinisten (Schepenwet) te wijzigen; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


In de Schepenwet worden de in de artikelen I tot en met 
XXYI omschreven wijzigingen aangebracht. 


Artikel I. 


De aanhef van artikel 1, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 


buitengaats brengen, voor zoover het betreft het verlaten van 
Nederland: het brengen van het schip aan de buitenzijde van 
de lijn, loopende van den Hoek van deKnock in Oost-Friesland, 
langs de Oostelijke tonnen van het Oost-Friesche gaatje en 
het Doekegat, naar de Zuidelijkste punt van het eiland Bor- 
kum, vervolgens langs de Zuid-Westkust van dit eiland tot 
de Westelijkste punt daarvan, voorts over de Noordelijkste 
punten van de eilanden Rottum, Schiermonnikoog en Ameland 
langs de Noord- en Noordwestkust van Terschelling, vandaar 


305 
2 


langs de Noordwestkust der eilanden Vlieland en Texel tot de 
Westelijkste punt van laatstgenoemd eiland, vandaar naar de 
Noord-Hollandsche kust ter hoogte van den lichtopstand van 
Falga en langs de Noord- en Zuid-Hollandsche kustlijn, waar­ 
binnen zijn begrepen de zeehoofden der havens, langs de Wes­ 
telijkste punten der eilanden Voorne, Goeree, Schouwen en 
Walcheren naar het punt van grensscheiding aan de zeezijde 
tusschen Nederland en België; het havenhoofd te Borkum 
wordt geacht binnen de lijn te liggen; 


het ondernemen van eene reis; 
Het slot van artikel 1, tweede lid, wordt gelezen als volgt: 
.... gesleept, en onder „passagiersschip" een schip, dat 
ingericht is voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers. 


Artikel II. 


Artikel 2 wordt gelezen als volgt: 
1. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de 
in Nederland thuis behoorende schepen, welke bestemd zijn 
dan wel gebezigd worden om eene reis te ondernemen, met 
uitzondering van: 


a. vaartuigen in dienst van het Rijk; 


b. reddingsvaartuigen; 
c 
onoverdekte of gedeeltelijk overdekte visschersvaartuigen, 
welke zich in den regel niet buiten het gezicht van de Neder- 
landsche kust begeven; 


d. pleiziervaartuigen, welke uitsluitend als zoodanig worden 
gebezigd; 


e. schepen, welke varen onder vreemde vlag en welke niet 
vallen onder de omschrijving, voorkomende in het tweede lid 
van dit artikel onder II; 


f. schepen, welke varen met Nederlandsch-Indische, Suii- 
naamsche of Curaqaosche zeebrieven; 


en, behoudens het bepaalde in artikel 2 bis: 
g. schepen, welke slechts bij uitzondering en over korten 
afstand buiten de in artikel 1 genoemde lijn varen; 


h. schepen, welke hetzij hier te lande voor buitenlandsche 


305 


rekening zijn gebouwd hetzij naar het buitenland zijn ver­ 
kocht, en welke over zee naar hunne bestemmingsplaats moeten 
worden gebracht. 


2. 
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid 
wordt een schip geacht in Nederland thuis te behooren in de 
twee na te noemen gevallen: 


1. 
indien het kantoor, waarvoor het vaart, in Nederland 
is gevestigd; 


II. indien het in Nederland wordt uitgerust en zijne be­ 
manning voor ten minste de helft uit ingezetenen van Neder­ 
land bestaat. 


Artikel III. 


Achter artikel 2 wordt ingevoegd een artikel 2bis, luidende: 
Artikel 2 bis. Schippers van schepen, bedoeld onder de uit­ 
zonderingen g en h van artikel 2, eerste lid, mogen met hun 
schip geene reis ondernemen zonder vooraf de vergunning te 
hebben gevraagd van het hoofd van het district, waarbinnen 
het schip zich bevindt, en van dezen eene schriftelijke verkla­ 
ring te hebben ontvangen, inhoudende, dat hij, met het oog 
op gevaar voor de opvarenden, geen bezwaar tegen de voor­ 
genomen reis maakt. Het districtshoofd bepaalt voor welken 
termijn de vergunning zal gelden. Weigert het districtshoofd 
eene zoodanige verklaring af te geven, dan staat hiertegen 
beroep open bij den hoofdinspecteur. Maakt ook deze bezwaar, 
dan kan de schipper een certificaat vragen, in welk geval de 
uitzondering niet van toepassing is. 


Artikel IV. 


Artikel 3, tweede lid, wordt gelezen als volgt: 


2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat geldt gedurende 
den daarin uitgedrukten tijd en voor de daarin genoemde 
wateren, indien er aanleiding is om ten gevolge van den bouw, 
den toestand of de uitrusting van het schip hieromtrent 
beperkende bepalingen te maken. 


Artikel V. 


In artikel 4 worden onder a na: „verbandmiddelen" inge- 


o 
O 


305 
4 


voegd de woorden: „en eene desbetreffende handleiding", 
worden onder f vóór de woorden: „het zoodanig is geladen" 
ingevoegd de woorden: „—tenzij het een visschersvaartuigis— 
en worden onder k na: „—• indien het schip een passagiers­ 
schip is — ingevoegd de woorden: „het schip voor het ver­ 
voeren van passagiers behoorlijk is ingericht en". 


Artikel VI. 


Artikel 7, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 


1. Certificaten van deugdelijkheid vervallen: 


a. door verloop van den termijn, waarvoor zij gelden; 


b. indien het schip ophoudt te behooren tot de categorie 
van schepen, waarop deze wet ingevolge artikel 2 van toe­ 
passing is; 


c. wanneer het schip wordt verbouwd; 


<1. 
wanneer het schip van naam verandert of een ander 
letterteeken of nummer krijgt. In dat geval wordt op aanvrage 
een nieuw certificaat van deugdelijkheid voor den termijn van 
het vervallen certificaat uitgereikt. 


Artikel VII. 


Artikel 9, tweede lid, wordt vervangen door twee leden 
luidende: 


2. 
De inrichting van het journaal, waarvoor het model 
van Staatswege kosteloos wordt verkrijgbaar gesteld, wordt 
bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. 


3. De schipper is verplicht het journaal behoorlijk bij te 
houden en er na volbrachte reis of na het verlaten van het 
schip inzage van te geven aan en afschrift van te laten 
nemen door het districtshoofd der scheepvaartinspectie of den 
ambtenaar, die hem vervangt en is voorts verplicht steeds op 
eerste aanvraag van het journaal inzage te geven aan de in 
artikel 63 bedoelde ambtenaren. 


Artikel 9, derde lid, wordt artikel 9, vierde lid. 
In artikel 55 wordt in plaats van „artikel 9, derde lid", 
gelezen: „artikel 9, vierde lid". 


5 
305 


Artikel VIII. 


In artikel 14, eerste lid, wordt in plaats van: „den bevoegden 
ambtenaar" gelezen: -„een ambtenaar". 


Artikel IX. 


De aanhef van artikel 15, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 
1. Meent een ambtenaar der scheepvaartinspectie, dat .... 


Artikel X. 


De aanhef van artikel 16, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 
1. Indien aan een ambtenaar der scheepvaartinspectie.... 


De aanhef van artikel 16, tweede lid, wordt gelezen als 
volgt: 


2. Indien een ambtenaar der scheepvaartinspectie.... 


Het slot van artikel 16, derde lid, wordt gelezen als volgt: 
zijn zij, indien het schip zich binnenslands bevindt, ge­ 
rechtigd zich te wenden tot het districtshoofd en, indien het 
schip zich buitenslands bevindt, tot den hoofdinspecteur. 


Artikel XI. 


In artikel 17, eerste lid, wordt in plaats van: „de bevoegde 
ambtenaar der scheepvaartinspectie" gelezen: „de ambtenaar 
der scheepvaartinspectie, die de aanhouding heeft gedaan,". 


Artikel 17, derde lid, wordt gelezen als volgt: 
3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver- 
leenen geene expeditie voor een schip, waarvoor geen geldig 
certificaat van deugdelijkheid of geene geldige verklaring, als 
bedoeld in artikel 2bis, kan worden vertoond en dat bestemd 
is om anders dan tot het doen van eene proeftocht buiten­ 
gaats te worden gebracht. 


In artikel 17, vierde lid, wordt in plaats van: „den bevoeg­ 
den ambtenaar" gelezen: „een ambtenaar" en worden de 
woorden: „voor onderzoek" geschrapt. 


In artikel 17, vijfde lid, wordt in plaats van: „den bevoeg­ 
den ambtenaar" gelezen: „den ambtenaar". 


305 
6 


Artikel XII. 


De aanhef van artikel 20 wordt gelezen als volgt: 


Behalve waar het eene beslissing betreft door een ambte­ 
naar 


Artikel XIII. 


In artikel 33, eerste lid, wordt in plaats van: „die zich bij 
een onderzoek naar zoodanige ramp betrokken acht" gelezen: 
„die meent over de oorzaken van de ramp licht te kunnen 
verspreiden". 


Het slot van artikel 33, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 
als ook bepaaldelijk door hen aangewezen personen, van wie 
evenzeer het geven van ter zake dienende inlichtingen kan 
worden verwacht. 


Aan artikel 33 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: 
4. Bij dit onderzoek is het niet toegelaten zich door een 
raadsman te doen bijstaan of zich te doen vertegenwoordigen 
door een gemachtigde. 


Artikel XIV. 


De aanhef van artikel 49, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 
1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lidr 
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van 
eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en 
twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan, . . . . 


Artikel XV. 


Het opschrift van § 1 van hoofdstuk VI Strafbepalingen 
wordt gelezen als volgt: 


§ 1. Straffen in verband met het bepaalde 
in de Hoofdstukken I en II. 


Artikel XVI. 


Artikel 52 wordt gelezen als volgt: 
Met hechtenis van ten hoogste een jaar wordt gestraft: 
a. de schipper van een schip, die het verbod, vervat in 
het vierde lid van artikel 17, overtreedt; 


7 
305 


b. de schipper, die eene reis onderneemt of voortzet, wanneer 
een op het oogenblik van het ondernemen of voortzetten van 
de reis nog geldig certificaat van deugdelijkheid of geldige 
verklaring, als bedoeld in artikel 2bis, niet afgegeven is. 


Artikel XVII. 


Artikel 53 wordt gelezen als volgt: 
Met gevangenisstraf 
van ten hoogste tien jaren wordt 
gestraft de eigenaar van een schip, die den schipper van dat 
schip, door een der in artikel 47, n°. 2 van het Wetboek 
van Strafrecht vermelde middelen, opzettelijk beweegt ten 
aanzien van dat schip het verbod, vervat in het vierde lid 
van artikel 17, te overtreden, of met dat schip eene reis te 
ondernemen of voort te zetten, wanneer een op het oogenblik 
van het ondernemen of voortzetten van de reis nog geldig 
certificaat van deugdelijkheid of geldige verklaring, als bedoeld 
in artikel 2bis, niet afgegeven is. 


Artikel XVIII. 


Artikel 54 wordt gelezen als volgt: 
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete 
van teri hoogste drie honderd gulden wordt gestraft: 


a. de eigenaar of de schipper, die niet. het geldig certificaat 
van deugdelijkheid of de geldige verklaring, als bedoeld in 
artikel 2bis, op eerste aanvraag vertoont aan de in artikel 63 
bedoelde ambtenaren. Niet strafbaar is hij, die aan voormelde 
aanvraag geen gevolg geeft, omdat hij dat stuk nog niet heeft 
kunnen verkrijgen; 


b. de schipper, die niet het certificaat van uitwatering op 
eerste aanvraag vertoont aan de in artikel 63 bedoelde ambte­ 
naren. 


Artikel XIX. 


Achter artikel 54 wordt ingevoegd een artikel bibis, luidende: 


Artikel 54bis. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden 
of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden wordt 
gestraft: 


a. de schipper, wiens schip gedurende de reis dieper is 


geladen dan blijkens het certificaat van uitwatering geoor­ 
loofd is; 


b. de schipper, die in het geval, bedoeld in artikel 9, 
vierde lid, nalaat in het ontbrekende te voorzien. 


Artikel XX. 


In artikel 56 wordt in plaats van „artikel 9, eerste lid", 
gelezen: „artikel 9, eerste en derde lid . 


Artikel XXI. 


In artikel 63 w.orden achter het woord „gemeentepolitie, 
ingevoegd de woorden: „de Nederlandsche consulaire ambte­ 
naren en de Nederlandsche koloniale ambtenaren, die daartoe 
door de koloniale overheid worden aangewezen," 


Aan artikel 63 wordt een slotzinsnede toegevoegd: luidende: 


De door een Nederlandschen consulairen of kolonialen ambte­ 
naar opgemaakte processen-verbaal gelden als wettig bewijs­ 
middel der door hen geconstateerde daarin omschreven ovei- 
tredingen, mits zij bevestigd worden door zijn daarin opgenomen 
schriftelijken eed (belofte). 


Artikel XXII. 


De aanhef van artikel 65 wordt gelezen als volgt: 


De bij en krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten .... 


Artikel XXIII. 


Achter artikel 66 wordt ingevoegd een artikel 66 bis, 
luidende: 


Artikel 66bis. De bij en krachtens deze wet gestelde straf­ 
bepalingen zijn toepasselijk op ieder, die zich hetzy binnen, 
hetzij buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan eenig bij 
of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit. 


Artikel XXTV. 


In artikel 67, eerste en tweede lid, en in artikel 69, eerste 
lid, wordt in plaats van: „ , niet vallende onder artikel 2, 


8 
305 


9 
305 


gelezen: „ , dat niet ingevolge de artiken 2 of 2bis onder de 
bepalingen van deze wet valt,". 


Artikel XXV. 


De aanhef van artikel 69, eerste lid, wordt gelezen als 
volgt: 


1. 'Onafhankelijk van het bepaalde in artikel 67 is een 
ambtenaar der scheepvaartinspectie .... 


Artikel XXVI. 


In artikel 70 wordt in plaats van: „een niet in artikel 2 
bedoeld schip" gelezen: „een schip, dat niet ingevolge de 
artikelen 2 of 2bis onder de bepalingen van deze wet valt,". 


Artikel XXVII. 


Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te 
bepalen tijdstip. 


* 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw­ 
keurige uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te Soestdijk, den 23sten September 1912. 


W I L H E L M I N A . 


Be Minister van Landbouw, 


Nijverheid en Handel, 


a. s. TAL MA. 


Uitgegeven den tweeden October 1912. 


De Minister van Justitie, 


E. R. H. BEGOUT. 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de '25ste Juni 1953 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
90 


A° 1953 
N° 
91 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 3, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den llden Jamiari 1919, tot na­ 
dere wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1919. 
no. 10). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen. 


V anwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


(N*. 10.) 
W I E T van den llden Januari 1919, tot nadere 
wijziging van de Schepenwet. 


WIJ WIL HELMIN AF BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk 
is de Schepenwet (wet van den lsten Juli 1909, Staatsblad 
n°. 219), gewijzigd tyj de wet van den 23sten September 1912 
(iStaatsblad n°. 305), nader te wijzigen ; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Eenig artikel. 


Artikel 23, lid 4, der Schepenwet wordt gelezen als volgt: 
4. Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende 
voorzitters, die móeten zijn doctor in de rechtswetenschap, en 
de noodige plaatsvervangende leden, die invallen by ontstentenis 
van vaste of buitengewone leden. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige 
uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te 's-Gravenhage, den llden Januari 1919. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Landbouw, 


Nijverheid en Handel, 


H. A. VAN USSELSTEIJN. 


Uitgegeven den twintigsten Januari 1919. 


De Minister van Justitie, 
HEEMSKERK. 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUY CKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
91 


A' 1953 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. Jf, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den llden Mei 1023, tot wijziging 
van verschillende roetten, in verband met de herziening 
der hooger-ondemvijsioet (Staatsblad 1923, no. 199). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen. 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


N ° 
9 2 


(N\ 199.) W E T van den llden Mei 1923, tot wijziging 


van verschillende wetten, in verband met de 
herziening der hooger-onderwijswet. 


WIJ WIL HELMIN A, BIJ DE ORATIE GODS, KONINGIN DER 


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAÜ, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te 
weten: 


Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat door de her­ 
ziening der hooger-onderwijswet bij de wetten van 1 Maart 
1920 (Staatsblad n°. 105) en van 11 Juni 1921 (Staatsblad 
n°. 782) verschillende andere wetten wijziging behoeven; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel 1. 


Artikel 2 der Provisionele Instructie voor het Hoog Militair 
Geregtshof wordt gelezen als volgt: 


„De regtsgeleerde leden, advocaat-fiscaal en griffier zullen 
moeten hebben verkregen aan eene Rijks- of andere daarmede 
gelijk gestelde Nederlandsche universiteit: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt. 


Voorts zullen al dezelve en alzoo ook de militaire lëden den 
ouderdom van 30 jaren, en de griffier niet minder dan 25 jaren 
moeten hebben bereikt." 


Artikel 2. 


In de Regtspleging bij de Zeemagt worden de volgende 
wijzigingen aangebracht: 


199 
2 


I. Het eerste lid van artikel 124 wordt gelezen: 
„De President van den Krijgsraad binnen het Rijk in Europa 
moet den vollen ouderdom van dertig jaren hebben bereikt 
en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche 
Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


II. De tweede zin van artikel 127 wordt gelezen: 
„De President-plaatsvervanger moet aan eene Rijks- of daar­ 
mede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben ver­ 
kregen : 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


III. Het tweede lid van artikel 131 wordt gelezen: 
„De Fiscaal bij den Krijgsraad binnen het Rijk in Europa 
wordt, op gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van 
Justitie en van Marine, door Ons benoemd, en al dan niet op 
eigen verzoek ontslagen. Zijn costuum wordt bij algemeenen 
maatregel van bestuur vastgesteld. Hij moet den vollen ouderdom 
van dertig jaren hebben bereikt en aan eene Rijks-of daarmede 
gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen: 
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


Artikel 8. 


In de Regtspleging bij de Landmagt worden de volgende 
wijzigingen aangebracht: 


I. Het eerste lid van artikel 121 wordt gelezen: 


3 
199 


„De President van den Krijgsraad wordt door Ons op ge­ 
meenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie 
en van Oorlog voor het leven benoemd. Hij moet den vollen 
ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan eene Rijks- 
of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben 
verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt". 


II. Het eerste lid van artikel 126 wordt gelezen: 
„De functiën van openbaar aanklager worden daarbij waar­ 
genomen door den Auditeur-Militair. Deze wordt, op gemeen­ 
schappelijke voordragt van Onze Ministers van Justitie en van 
Oorlog, door Ons benoemd, en, al dan niet op eigen verzoek, 
ontslagen. Zijn costuum wordt bij algemeenen maatregel van 
bestuur vastgesteld. Hij mag geen militair zijn, moet den 
vollen ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan eene 
Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit 
hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


III. Het eerste lid van artikel 250 wordt gelezen: 
„Bij de Krijgsraden te velde zal zijn een Auditeur-Militair 
te velde; deze moet aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde 
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen; 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


IV. 
De tweede zin van het eerste lid van artikel 262 wordt 
gelezen: 


„Zoo mogelijk zal daarvoor worden aangewezen iemand, die 
aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche 
Universiteit heeft verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


Artikel 4. 


In de wet op de Regterlijke Organisatie en het Beleid der 
Justitie worden de volgende wijzigingen aangebracht: 


I. De tweede zin van artikel 6 b wordt vervangen door het 
volgende: 


„Zij leggen, alvorens in bediening te treden, bij die regt- 
bank den door Ons vast te stellen eed (belofte) af. Zij moeten 
bij de benoeming den vollen ouderdom van drie en twintig 
jaren hebben bereikt en aan eene Rijks- of daarmede gelijk­ 
gestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


II. Het tweede lid van artikel 35 wordt gelezen: 
Zij moeten, met uitzondering van de plaatsvervangers, aan 
eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Univer­ 
siteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


III. In het laatste lid van artikel 47 a wordt na de 
woorden „eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid". 


IV. 
Artikel 48 wordt gelezen: 


„Tot regters van de arrondissements-regtbanken, officieren 


4 
199 


5 
199 


van justitie, griffiers en regters-plaatsvervangers kunnen alleen 
worden benoemd, onverminderd de vereischten bij de grond­ 
wet voorgeschreven, zij, die den vollen ouderdom van vijfen­ 
twintig, doch nog niet dien van zeventig jaren hebben bereikt 
en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche 
Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt. 


Ten aanzien van de substituut-officiers en substituut-griffiers 
gelden dezelfde vereischten, behoudens dat reeds benoembaar 
zijn, zij die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren 
hebben bereikt." 


V. In het laatste lid van artikel 61 b wordt na de woorden 
„eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid". 


VI. Artikel 64 wordt gelezen: 
„Tot raadsheeren van de geregtshoven, procureurs-generaal, 
advocaten-generaal, griffiers en raadsheeren-plaatsvervangers 
kunnen alleen worden benoemd, onverminderd de vereischten 
bij de grondwet voorgeschreven, zij, die den vollen ouderdom 
van dertig of, voor zoover de raadsheeren-plaatsvervangers 
betreft, van veertig, doch nog niet dien van zeventig jaren 
hebben bereikt en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde 
Nederlandsche Universiteit, sedert ten minste vijf jaren of, 
voor zoover de raadsheeren-plaatsvervangers betreft, sedert ten 
minste tien jaren hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt. 


De substituut-griffiers moeten, om te kunnen worden be­ 
noemd, den vollen ouderdom van vyfentwintig, doch nog niet 
dien van zeventig jaren hebben bereikt; zjj moeten aan eene 
Ryks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit 
hebben verkregen: 


199 
6 


hetzü den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt." 


VII. In het laatste lid van artikel 83 a wordt na de 
woorden „eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid". 


VIII. 
Artikel 86 wordt gelezen: 


Tot raadsheeren van den hoogen raad, procureur-generaal, 
advocaten-generaal en griffier kunnen alleen worden benoemd, 
onverminderd de vereischten bij de grondwet voorgeschreven, 
zij, die den vollen ouderdom van vijfendertig, doch nog niet 
dien van vijfenzeventig jaren hebben bereikt en aan eene 
Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit 
sedert ten minste tien jaren hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzy den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt, 
staatsregt en strafregt. 


De substituut-griffiers moeten, om te kunnen worden be- 
benoemd, den vollen ouderdom van vijfentwintig, doch nog 
niet dien van vijfenzeventig jaren hebben bereikt; zij moeten 
aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche 
Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels,regt, 
staatsregt en strafrecht." 


Artikel 5. 


Het tweede lid van artikel 16 der wet op den Raad van 
State wordt gelezen: 


„Tot referendaris of commies van Staat zijn alleen benoem­ 
baar zij, die aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Neder­ 
landsche Universiteit hebben verkregen: 


7 
199 


hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of in 
de regtswetenschap, 


hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels­ 
regt, staatsregt en strafregt." 


Artikel 6. 


In de Beroepswet worden de volgende wijzigingen aange­ 
bracht : 


I. Het tweede lid van artikel 7 wordt gelezen: 
„Zij moeten aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde 
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of in 
de rechtswetenschap, 


hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze 
hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een 
examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht, staats­ 
recht en strafrecht." 


II. In het laatste lid van artikel 8 a worden de woorden 
„een diploma" vervangen door: „eenen graad of eene hoe­ 
danigheid". 


III. Het tweede lid van artikel 44 wordt gelezen: 
„Zij moeten aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde 
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of iD 
de rechtswetenschap, 


hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze 
hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een 
examen in het Nederlandsch burgerlek- en handelsrecht, staats­ 
recht en strafrecht." 


IV. In het laatste lid van artikel 44a worden de woorden 
„een diploma" vervangen door: „eenen graad of eene hoe­ 
danigheid". 


Artikel 7. 


Van artikel 23 der Schepenwet worden het tweede, vierde 
en vijfde lid gelezen: 


199 
8 


„2. 
De Raad bestaat uit een voorzitter en vier vaste leden 
De vaste leden zijn twee zeeofficieren of oud-zeeofficieren en 
twee schippers of oud-sehippers ter koopvaardij. De voorzitter 
moet aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche 
Universiteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van 
een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht, 
staatsrecht en strafrecht." 


„4. "Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende 
voorzitters en de noodige plaatsvervangende leden, die invallen 
bij ontstentenis van vaste of buitengewone leden. De plaats­ 
vervangende voorzitters moeten aan eene Rijks- of daarmede 
gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen: 
hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, 
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de rechten, 
mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van 
een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht, 
staatsrecht en strafrecht." 


„5. Aan den Raad wordt een secretaris verbonden en 
daaraan kan een plaatsvervangend secretaris worden verbonden. 
De secretaris en de plaatsvervangende secretaris moeten aan 
eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Univer­ 
siteit hebben verkregen: 


hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap of in 


de staatswetenschap, 


hetzy den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de 
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of 
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen 
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels­ 
recht, staatsrecht en strafrecht." 


Artikel 8, 


Artikel 55 der wet tot regeling van het hooger landbouw- 
en hooger veeartsenij kundig onderwijs van 15 December 1917 
(Staatsblad n°. 700), gelyk die laatstelijk is gewijzigd, wordt 
gelezen: 


„Om eenen byzonderen leerstoel te kunnen bekleeden, wordt 


9 
199 


vereischt het bezit van eenen doctoralen graad benevens de 
aanteekening voor het vak of de vakken, waarin de aangestelde 
onderwijs geeft of zal geven, op het getuigschrift van met 
goed gevolg afgelegd doctoraal examen, volgens de wetten van 
1 Maart 1920 (Staatsblad n°. 105) en 11 Juni 1921 (Staatsblad 
n°. 782), of van eenen doctoralen graad in de wetenschap, 
waarin de aangestelde onderwijs geeft of zal geven, verkregen 
aan eene Rijksuniversiteit of hoogeschool, vóór de inwerking­ 
treding van genoemde wetten, of verkregen aan eene univer­ 
siteit üf hoogeschool, die ten aanzien van de door haar te 
verleenen doctorale graden gelijke rechten heeft als de Rijks­ 
universiteiten of -hoogescholen, of van een bewijs, dat de aan­ 
stelling door ODS is bekrachtigd," 


Artikel 9. 


Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na 
dien harer afkondiging. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige 
uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven ten Paleize het Loo, den llden Mei 1923. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Justitie, 


H E E M S K E R K . 


De Minister van Binnenlandsche Zaken 
en Landbouw, 


C H . R U T S D E B E E R E N B R O U C K . 


De Minister van Marine, 
E . P . W E S T E R V E L D . 


De Minister van Oorlog, 


V A N D IJ K . 


De Minister van Arbeid, 
Handel en Nijverheid, 


A A L B E R S E . 


Uitgegeven den vier en twintigsten Mei 1928. 


De Minister van Justitie, 


H E E M S K E R K . 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGA.ART 


— 3 - 
92 


A" 1953 
N° 
93 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 5, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van de 29sten Juni 1925 (Stbl. 308) 
tot invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvorde­ 
ring, voor zover betreft artikel 158 van deze wet. 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


WIJ WILHELMINA, BIJ 
DE 
GRATIE GODS, KONINGIN DER 


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, Salut! doen 
te weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens 
de slotbepaling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering 
hel in werking treden van dat Wetboek nader bij de Wet 
wordt geregeld; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden 
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, vast 
te stellen de volgende bepalingen, welke zullen uitmaken de : 


Invoeringswet Strafvordering. 


TITEL lU. 


Afschaffing of wijziging van bestaande wetten. 


Artikel 158. 


In de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad No. 219, 
gelijk die laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 11 Mei 1923, 
Staatsblad No. 199) wordt in artikel 63 in plaats van de 
woorden: „artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering" 
gelezen „artikel 141 van hel Wetboek van Strafvordering" 
en vervallen de woorden „marechausse, alle". 
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw­ 
keurige uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te Zermatt, den 29sten Juni 1925. 


_ 
W I L H E L M I N A . 


De Minister van Justitie, 


H E E M S K E R K . 


Uigegeven den negen en twintigsten Juni 1925. 


De Minister van Justitie, 


H E E M S K E R K . 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953 


STRUYCKEN, 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris. 


BOOMGAART. 


— 3 - 
93 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 6, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den lOden Juni 1926, tot wijziging 
van verschillende wetsbepalingen in verband met de wel 
van 22 December 1924 Staatsblad no. 573 (zeerecht) 
(Staatsblad 1926, no. 171). 


IN NAAM DER KONINGIN.' 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


A° 1953 
N° 94 


(N°. 171.) W E T v a n d e n l O d e n J u n i 1 9 2 6 , t o t w i j z i g i n g 


van verschillende wetsbepalingen in verband 
met de wet van 22 December 1924, Staatsblad 
n°. 573 (zeerecht). 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAÜ, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat verschillende 
wetsbepalingen behooren te worden gewijzigd in verband met 
het tot stand komen van de wet van 22 December 1924, Staats­ 
blad n°. 573, en het tevens wenschelijk is eenige bij die wet vast­ 
gestelde artikelen te wijzigen; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Sta ten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel 1. 


In het Wetboek van Koophandel, zooals dat luidt ingevolge 
de wet van 22 December 1924, Staatsblad n°. 573, worden de 
volgende wijzigingen aangebracht: 


I. In artikel 4, onder 7°., vervalt de zinsnede ,, , mitsgaders 
bodemerijen". 


II. Het tweede en het derde lid van artikel 311 worden ge­ 
lezen : 


„Onder Nederlanders worden in dit artikel begrepen: 
1°. in het Koninkrijk gevestigde vennootschappen onder eene 
firma en commanditaire vennootschappen, waarvan alle hoofde­ 
lijk aansprakelijke vennooten Nederlanders zijn; 


2°. 
volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink­ 
rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, waarvan hetzij 
aandeelen, welke ten minste twee derden van het geplaatste 
kapitaal vertegenwoordigen, luiden ten name van Nederlanders 


171 
2 


en tevens de meerderheid der bestuurders en der commissarissen 
in het Koninkrijk wonende Nederlanders zijn, hetzij alle be­ 
stuurders Nederlanders zijn, van wie ten minste drie vierden in 
het Koninkrijk wonen, en tevens van de commissarissen ten 
minste drie vierden Nederlanders en ten minste twee derden 
in het Koninkrijk wonende Nederlanders zijn; 


3°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink­ 
rijk gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen en 
stichtingen, waarvan alle bestuurders Nederlanders zijn, van wie 
ten minste drie vierden in het Koninkrijk wonen, en tevens van 
de commissarissen ten minste drie vierden Nederlanders en ten 
minste twee derden in het Koninkrijk wonende Nederlanders 
zijn. 


Onder ingezetenen van het Koninkrijk worden in dit artikel 
begrepen: 


1°. in het Koninkrijk gevestigde vennootschappen onder 
eene firma en commanditaire vennootschappen, waarvan alle 
hoofdelijk 
aansprakelijke 
vennooten 
ingezetenen 
van 
het 
Koninkrijk zijn; 


2°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink­ 
rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, waarvan hetzij aan- 
deelen, welke ten minste twee derden van het geplaatste kapitaal 
vertegenwoordigen, luiden ten name van ingezetenen van het 
Koninkrijk en tevens de meerderheid der bestuurders en der 
commissarissen ingezetenen van het Koninkrijk zijn, hetzij alle 
bestuurders en alle commissarissen ingezetenen van het Konink­ 
rijk zijn; 


3°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink­ 
rijk gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen en 
stichtingen, waarvan alle bestuurders en alle commissarissen 
ingezetenen van het Koninkrijk zijn." 


III. Aan het slot van de artikelen 315 en 318 wordt de punt 
vervangen door een punt-komma; daaraan wordt toegevoegd „de 
tusschenkomst van een procureur is daarbij niet noodig." 


IV. In het eerste lid van artikel 317 wordt het slot „geld­ 
schieting of aan eene naamlooze vennootschap." vervangen door 
„geldschieting, aan eene naamlooze vennootschap, vereeniging 
of stichting." 


3 
171 


Aan het tweede lid van dit artikel wordt toegevoegd: „Deze 
oproeping geschiedt bij aangeteekenden brief door den griffier." 


V. Artikel 319, tweede lid, wordt gelezen: 
„Voor de teboekstelling van de in het eerste lid genoemde 
vaartuigen, metende ten minste twintig kubieke meters bruto- 
inhoud, wordt een afzonderlijk register gehouden." 


VI. Artikel 347 wordt gelezen : 
,,De kapitein moet aan boord voorzien zijn van: 
den zeebrief, den meetbrief en een uittreksel uit het scheeps­ 
register, bevattende alle boekingen welke op het schip betrek­ 
king hebben tot den dag van het laatste vertrek van het schip 
uit eene Neder!andsche haven; 


de voor de schepelingen geldende arbeidsovereenkomsten, 
zoo deze schriftelijk zijn opgemaakt, de monsterrol, het mani­ 
fest der lading, de charter-partij en de cognossementen, dan 
wel afschriften van die stukken; 


de Nederlandsche wetten en reglementen op de reis van toe­ 
passing, en alle verdere noodige papieren. 


Ten aanzien van de charter-partij en de cognossementen geldt 
deèe verplichting niet in de door Ons te omschrijven omstan­ 
digheden." 


VII. Artikel 374, eerste lid, wordt gelezen: 
„Artikel 347, het tweede lid van artikel 348, het eerste lid 
van artikel 349 en artikel 352 zijn niet van toepassing op zee- 
visschers- en kustvisschersschepen." 


VIII. Artikel 443, laatste lid, vervalt. 


IX. Artikel 470 wordt gelezen: 
„Het staat den vervoerder niet vrij te bedingen, dat hij niet 
of niet dan tot een beperkt bedrag aansprakelijk is voor schade, 
veroorzaakt door onvoldoende zorg voor onderhoud, uitrusting 
of bemanning van het vervoermiddel, of voor deszelfs geschikt­ 
heid tot het overeengekomen vervoer, dan wel door verkeerde 
behandeling of onvoldoende bewaking van het goed. Bedingen 
van die strekking zijn nietig. 


Niettemin is de vervoerder bevoegd te bedingen, dat hij niet 
aansprakelijk zal zijn voor meer dan een bepaald bedrag per 
vervoerd voorwerp, tenzij hem de aard en de waarde van het 
goed zijn medegedeeld vóór of bij de inontvangstneming. Dit 


171 
4 


bedrag mag niet lager worden gesteld dan zeshonderd gulden. 


De vervoerder kan bovendien bedingen, dat hij niet tot eenige 
schadevergoeding gehouden is, indien de aard of de waarde van 
het goed hem opzettelijk onjuist is medegedeeld." 


X. Na artikel 470 wordt ingevoegd artikel 470a, luidende: 
„Bedingen tot beperking van de aansprakelijkheid des ver­ 
voerders ontheffen dezen in geen geval van den last te be­ 
wijzen, dat voor het onderhoud, de uitrustirg of de bemanning 
van het vervoermiddel en voor zijne geschiktheid tot het over­ 
eengekomen vervoer voldoende zorg is aangewend, indien blijkt, 
dat de schade het gevolg is van een gebrek van het vervoer­ 
middel of van zijne inrichting. 


Hiervan kan bij overeenkomst niet worden afgeweken." 


XI. Artikel 479, tweede lid, wordt gelezen: 
„Van goederen, welke gevaar opleveren voor de lading of 
voor het schip, mag de vervoerder zich te allen tijde ontdoen 
ook door ze te vernietigen, zonder deswege tot eenige schade­ 
vergoeding gehouden te zijn. Dit geldt ook van goederen, welke 
als contrabande worden beschouwd, indien den vervoerder 
omtrent die goederen onjuiste of onvolledige opgaven zijn ge­ 
daan." 


XII. Artikel 485, eerste lid, wordt gelezen: 
„Indien de goederen zijn aangenomen zonder dat de con- 
tróle, bedoeld in artikel 481, heeft plaats gehad, worden zij 
vermoed zonder tekort te zijn uitgeleverd, tenzij de ontvanger, 
voor of bij gelegenheid van de aanneming van het goed of, 
wanneer het tekort uiterlijk niet waarneembaar is, uiterlijk op 
den derden werkdag na de aanneming, aan den vervoerder of 
diens vertegenwoordiger schriftelijk het bestaan van een tekort 
heeft medegedeeld." 


XIII. Artikel 486, eerste lid, wordt gelezen: 
„Indien de goederen zijn aangenomen zonder dat een ge­ 
rechtelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 483, heeft plaats 
gehad, worden zij vermoed overeenkomstig den inhoud van het 
cognossement te zijn uitgeleverd, tenzij de ontvanger voor of 
bij gelegenheid van de aanneming van het goed of, wanneer 
de beschadiging uiterlijk niet zichtbaar is, uiterlijk op den 
derden werkdag na de aanneming, aan den vervoerder of diens 


5 
171 


vertegenwoordiger schriftelijk het bestaan van schade heeft 
medegedeeld. De mededeeling moet den aard van de schade in 
het algemeen aangeven." 


Het tweede lid van dit artikel vervalt. 


XIV. Artikel 487 wordt gelezen : 
"De rechtsvordering tot schadevergoeding moet worden in­ 
gesteld binnen één jaar na uitlevering van het goed of na den 
dag, waarop het goed uitgeleverd had moeten worden." 


XV. Art. 488 wordt gelezen : 
„De ontvanger is voor de hem verschuldigde schadever­ 
goeding bevoorrecht op de vracht vóór alle andere schuld- 
eischers, behalve de in artikel 318c genoemde, mits hij op de 
vracht beslag doet leggen binnen den in het vorige artikel ge­ 
noemden termijn. Door de beslaglegging wordt aan het voor­ 
schrift van dat artikel geacht te zijn voldaan. 


Indien bescheiden niet bestaan, kan het beslag worden ge­ 
legd met verlof van den voorzitter van de rechtbank, binnen 
welker gebied de goederen zijn afgeleverd. Deze rechtbank 
neemt kennis van de vorderingen tot vanwaardeverklaring en 
tot opheffing van het beslag, alsmede van de vordering tot het 
doen van verklaring tegen den derde beslagene." 


XVI. In artikel 517c vervallen de woorden ,,of naar". 


XVII. Artikel 517d, eerste lid, wordt gelezen: 
,'De artikelen 468—480 zijn van toepassing op het vervoer 
over zee van Nederlandsche havens. Zij zijn mede van toepas­ 
sing op het vervoer over zee naar Nederlandsche havens, be­ 
halve dat het eerste lid van artikel 470 en het tweede lid van 
artikel 470a buiten toepassing blijven voor zoover de daar be­ 
doelde bedingen en overeenkomsten geldig zijn volgens de wet 
van het land waar de inlading is geschied." 


XVIII. Artikel 524, eerste lid, wordt gelezen: 
„Het staat den vervoerder niet vrij te bedingen, dat hij niet 
of niet dan tot een beperkt bedrag aansprakelijk is voor schade 
veroorzaakt door onvoldoende zorg voor onderhoud, uitrusting 
of bemanning van het vervoermiddel, of voor deszelfs geschikt­ 
heid tot het overeengekomen vervoer, dan wel door onvoldoend 
toezicht aan boord." 


171 


6 


XIX. 
Na artikel 524 wordt ingevoegd artikel 524a, luidende: 
„Bedingen tot beperking van de aansprakelijkheid des ver­ 
voerders ontheffen dezen in geen geval wan den last te bewijzen, 
dat voor het onderhoud, de uitrusting of de bemanning van het 
vervoermiddel en voor zijne geschiktheid tot het overeengekomen 
vervoer voldoende zorg is aangewend, indien blijkt, dat de 
schade het gevolg is van een gebrek van het vervoermiddel of 
van zijne inrichting. 
,, 


Hiervan kan bij overeenkomst niet worden afgeweken. 


XX. In artikel 533b vervallen de woorden ,,of naar". 


XXI. Artikel 533c, eerste lid, wordt gelezen: 
„De artikelen 522—529 en 533 zijn van toepassing op het 
vervoer van personen van Nederlandsche havens. Zij zijn me e 
van toepassing op het vervoer naar Nederlandsche havens, be­ 
halve dat artikel 524 en het tweede lid van artikel 524a buiten 
toepassing blijven voor zoover de daar bedoelde bedingen en 
overeenkomsten geldig zijn volgens de wet van het land waar 
de inscheping is geschied." 


XXII. In het tweede lid van artikel 568/c wordt „vliegtuig 
vervangen door „luchtvaartuig . 


XXIII. Artikel 631 vervalt. 


XXIV. 
Artikel 699, n°. 19, vervalt; in n°. 20 wordt de aanhef 
De premie om de kosten, bij het vorige nommer vermeld, te 


doen verzekeren" vervangen door „De premie om de onkosten, 
in avarij-grosse vallende, te doen verzekeren . 


XXV. 
Artikel 701, onder 6°., wordt gelezen: 


De onkosten, vallende op het verder vervoer der goederen, 
wanneer, in het geval van artikel 519d, de bevrachtingsovereen­ 
komst is vervallen; en". 


XXVI. Artikel 742, onder 1°., wordt gelezen: 


tot vergoeding van schade toegebracht hetzij door aanvaring, 
hetzij op eene wijze als vermeld in de artikelen 544 en 544a, 
eerste lid;" 


XXVII 
In het laatste lid van artikel 755 wordt „het tweede, 
het derde en het vierde lid van artikel 748" vervangen door 
„het derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 748 . 


7 
171 


Artikel 2. 


In artikel 1811 van het 
Burgerlijk 
Wetboek 
vervalt 
„Bodemerij;". 


Het laatste lid van dat artikel 1811 wordt gelezen: „De eerste 
overeenkomst wordt bij het Wetboek van Koophandel geregeld.". 


Artikel 3. 


In artikel 573 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorde­ 
ring, zooals dat is gewijzigd bij de wet van 22 December 1924, 
Staatsblad n°. 573, worden de woorden „metende minder dan 
twintig kubieke meters bruto-inhoud" vervangen door „welke 
niet zijn te boek gesteld in een der registers, vermeld in den 
eersten en den laatsten titel van het Tweede Boek van het 
Wetboek van Koophandel". 


Artikel 4. 


In artikel 329bis van het Wetboek van Strafrecht, zooals dat 
artikel is vastgesteld bij de wet van 22 December 1924, Staats­ 
blad 'n°. 573, wordt tusschen „die" en „over" ingevoegd 
„opzettelijk". 
8 
8 


Artikel 5. 


In de -I' aillissementswet worden de volgende wijzigingen aan­ 
gebracht : 


I. De eerste zin van artikel 128 wordt gelezen: 
„Interesten na de faillietverklaring loopende, kunnen niet 


geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt." 


II. Het eerste lid van artikel 188 wordt gelezen: 
„De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hypothe- 
kaïre inschrijvingen, waarmede een tot den boedel behoorend 
goed is bezwaard, zoodra de uitdeelingslijst, waarbij de op­ 
brengst van het goed is verantwoord, verbindend is geworden." 


Artikel 6. 


In de Schepenwet worden de volgende wijzigingen aange­ 
bracht : 


I. Artikel 9, eerste lid, onder d wordt gelezen: 
„naar gelang der zaak in het scheepsdagboek of in het 
machinedagboek te doen opteekenen, wat ter voldoening aan de 
onder a, b en c opgelegde verplichtingen is geschied;". 


Het tweede lid van dit artikel vervalt; in het derde lid wordt 
telkens „het journaal" vervangen door „de dagboeken". 


IL Artikel 28, tweede lid, wordt gelezen: 


De notarissen en de autoriteiten, voor wie scheepsverklarin- 
sen als bedoeld in het tweede lid van artikel 353 van het Wet­ 
boek van Koophandel, zijn afgelegd, zenden onverwijld afschrif­ 
ten van deze stukken aan den hoofdinspecteur. 


Artikel 7. 


In het voorlaatste lid van artikel 12 der wet van 22 Mei 1845, 
Staatsblad n°. 22, zooals deze laatstelijk is gewijzigd, vervalt 
de zinsnede „noch boven het recht van voorrang, toegekend m 
art. 315, 2°, van het wetboek van koophandel en in 750, 4 , m 
verband'met art. 315, 2°, van dat wetboek". 


Artikel 8. 


In het eerste lid van artikel 2 der wet van 29 December 1922, 
Staatsblad n°. 755, wordt „recht van voorrang uit hoofde van 
pand- of verbandbrieven op een schip" vervangen door „ree 
van scheepshypotheek''. 


Artikel 9. 


Deze wet treedt in werking te gelijk met de wet van 22 
December 1924, Staatsblad n°. 573, behoudens dat bi] de toe­ 
passing van het tweede lid van de Slotbepaling van laatstge­ 
noemde wet de daar vermelde artikelen 311 en 315 ree<k worden 
gelezen, zooals zij luiden ingevolge de onderhavige wet. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zei worden 
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten 
CoUeges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige 
uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven ten Paleize het Loo, den lOden Juni 1926. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Justitie, 


j. D O N N B R. 


Uitgegeven den twee en twintigsten Juni 1926. 


De Minister van Justitie, 


j. D O N N E K. 


8 
171 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953 


STRUYCKEN, 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 - 
94 


A° 1953 
N° 
95 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 7, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den Sisten December 1931, hou­ 
dende wijziging van de Schepenioet (Staatsblad 1931, 
no. 587). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


(N°. 587.) W E T van den31sten December 1931, houdende 


wijziging van de Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk 
is uitvoering te geven aan het op 31 Mei 1929 te Londen ge­ 
sloten Verdrag voor de beveiliging van menschenlevens op zee, 
goedgekeurd bij de wet van 18 Juli 1930 (Staatsblad n°. 305), 
en daartoe de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad 
n". 219) te wijzigen en de Scheepvaart(Verdrags-)wet (wet van 
5 April 1919, Staatsblad n°. 151) in te trekken en daarnaast 
eenige wijzigingen van anderen aard in de Schepenwet aan te 
brengen ; 


Zoo is het, dat Wij, den Eaad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel 1. 


In de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad n®. 219) 
worden de hierna onder I tot en met LYII omschreven wijzi­ 
gingen gebracht. 


I. Overal waar het woord ,,schipper(s)" voorkomt, wordt 
gelezen ,,kapitein(s)". 


Tenzij anders is bepaald, wordt overal, waar ,,de(n) hoofd­ 
inspecteur" voorkomt, gelezen „het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie". 


Overal waar de woorden ,,vaste leden (van den Eaad voor de 
scheepvaart)" voorkomen, wordt gelezen „gewone leden (van 
den Eaad voor de scheepvaart)". 


II. In het eerste lid van artikel 1 wordt na „van Nederland" 
ingevoegd „en het Duitsche en Belgische gebied, gelegen bin- 


587 
2 


nen na te noemen lijn" en na „het eiland Borkum" ingevoegd 
„(het havenhoofd aldaar wordt geacht binnen de lijn te 
liggen)", terwijl na „België;" vervalt „het havenhoofd te 
Borkum wordt geacht binnen de lijn te liggen;"; 


de woorden „anders dan tot het doen van eene proeftocht 
vervallen; 


de punt na „vervangt" wordt vervangen door een puntkomma, 
waarna wordt ingevoegd: 


,,passagiers-, allen, die tegen vergoeding aan boord worden 
vervoerd; 


passagiersschip: elk schip, dat door den eigenaar bestemd is 
om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, 
dat meer dan twaalf passagiers vervoert; 


baggermaterieel: elk schip, dat door bouw en inrichting uit­ 
sluitend is aangewezen voor het verrichten van of voor het ge­ 
bruik ten dienste van aannemerswerken van waterbouwkundigen 
aard; 


scheepsramp: een voorval, overkomen aan een schip, ten ge­ 
volge waarvan schade van beteekenis aan dat schip of zijne 
lading, of letsel aan een of meer van de opvarenden, of schade 
aan een ander schip of zijne lading, dan wel letsel aan een of 
meer van de opvarenden daarvan is veroorzaakt. Voor de toe­ 
passing van Hoofdstuk IV wordt onder „scheepsramp 
be­ 
grepen elk voorval, aan een schip overkomen, indien niet zoo­ 
zeer met het oog op de omvangrijkheid der gevolgen als wel op 
grond van den aard van het voorval de waarschijnlijkheid be­ 
staat, dat uit een onderzoek lessen kunnen worden geput, dan 
wel de wenschelijkheid kan blijken van het stellen van voor­ 
schriften, welke kunnen dienen ter voorkoming van scheeps­ 
rampen." 


In het tweede lid wordt hetgeen voorkomt na het woord 
„gesleept" vervangen door een punt. 


TTT 
In het eerste lid van artikel 2 worden de volgende wijzi­ 
gingen aangebracht: 


onder a wordt „vaartuigen" vervangen door „schepen"; 


onder b wordt in plaats van „reddingsvaartuigen 
gelezen 
, .reddingvaartuigen''; 


het onderdeel c wordt gelezen: 


„c. onoverdekte visschers vaartuigen, welke in den regel niet 
buiten het zicht van de Nederlandsche kust worden gebracht;"; 


onder d wordt de puntkomma vervangen door „ , voor zoover 
zij geene passagiers vervoeren;"; 


na het onderdeel d wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, 
luidende: 


„6. baggermaterieel, dat uit eene buitenlandsche haven ge­ 
sleept naar zijne bestemming wordt vervoerd, dan wel voor het 
uitvoeren van werken in het buitenland verblijft en langer dan 
een jaar uit Nederland afwezig is;"; 


het bestaand onderdeel e wordt /; hierna wordt ingevoegd: 
..en, behoudens het bepaalde in artikel 2bis:"; 


het bestaand onderdeel ƒ wordt g; hierna vervallen de woor­ 
den ,,en behoudens het bepaalde in artikel 2bis:"; 


het bestaand onderdeel g wordt h; hierin wordt vóór „schepen" 
ingevoegd „baggermaterieel, dat uit Nederland gesleept naar 
zijne bestemming wordt vervoerd, en" en wordt in plaats van 
,,en over korten afstand gelezen ,, , hetzij over korten afstand, 
hetzij gesleept zonder bemanning,"; 


het bestaand onderdeel h wordt i; de punt aan het eind wordt 
vervangen door een puntkomma; 


een nieuw onderdeel wordt toegevoegd, luidende: 
, ,fc. schepen, welke uitsluitend voor het houden van eenen 
proeftocht eene reis ondernemen.". 


In het tweede lid van artikel 2 wordt in plaats van „inge­ 
zetenen van Nederland" gelezen „Nederlanders of Rijksinge­ 
zetenen". 


IV. In artikel 2bis worden de volgende wijzigingen aange­ 
bracht : 


,,g en h" wordt vervangen door ,,g tot en met k"; 
achter „mogen" wordt ingevoegd ,, , tenzij, voor zoover de 
bchepen onder g bedoeld betreft, een krachtens de in Neder- 
landsch-Indië, Suriname of Curaqao geldende bepalingen geldig 
certificaat van zeewaardigheid kan worden getoond,"; 


in plaats van „hoofd van het district, waarbinnen het schip 
zich bevindt, wordt gelezen „districtshoofd van de scheepvaart­ 
inspectie, uit wiena district het schip buitengaats zal worden 
gebracht,"; 


3 
587 


587 
4 


na „termijn" wordt ingevoegd ,,en onder welke voorwaarden"; 
in plaats van „een certificaat" wordt gelezen „één of meer 
certificaten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3". 


V. Het eerste lid van artikel 3 wordt gelezen. 
„1. Er wordt geene reis ondernomen, tenzij voor het schip 
overeenkomstig deze wet de noodige certificaten zijn afgegeven, 
welke nog geldig zijn op het oogenblik van vertrek, namelijk: 


a . een certificaat van deugdelijkheid voor alle schepen; 


b . een certificaat van uitwatering voor alle schepen met uit­ 
zondering van visschersvaartuigen, uitsluitend gebezigd voor de 
vischvangst; 


c . een veiligheidscertificaat voor alle passagiersschepen; 
d . een radio-veiligheidscertificaat, een certificaat van vrij­ 
stelling of een certificaat voor de houtvaart voor de bij alge- 
meenen maatregel van bestuur aan te wijzen schepen.". 


In het tweede lid wordt in plaats van „Het in het eerste lid 
bedoelde certificaat geldt gedurende den daarin uitgedrukten 
tijd" gelezen „Deze certificaten gelden voor de daarin genoemde 
tijdvakken". 


VI. In artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 
een nieuw onderdeel a wordt ingevoegd, luidende: 
,,a. het schip volkomen zeewaardig is en alle daarvoor in aan­ 
merking komende openingen binnen en buiten boord afdoende 
zijn gesloten;"; 


het bestaand onderdeel a wordt b ; in plaats van „reddings- 
wordt gelezen „redding-", en in plaats van „reddingsmiddelen" 
„reddingmiddelen"; 


het bestaand onderdeel b wordt c; 
het bestaand onderdeel c wordt d ; in plaats van „voorge­ 
schreven in" wordt gelezen „noodig om te kunnen voldoen aan , 
in plaats van „tot" wordt gelezen „ter"; de woorden „op zee" 
en het tweede woord „en" vervallen; de puntkomma wordt 
vervangen door „ , en in het algemeen de uitrusting van het 
schip aan de eischen van zeewaardigheid en veiligheid voldoet; ; 
het bestaand onderdeel d wordt e; 
het bestaand onderdeel e wordt vervangen door: „ƒ. de aan­ 
wezige electrische inrichtingen voldoen aan de vastgestelde voor­ 
schriften;"; 


het bestaand onderdeel ƒ vervalt; 
een nieuw onderdeel g wordt ingevoegd, luidende: 


,,g. de radio-telegraafinrichting, indien deze is voorgeschre­ 
ven, bedrijfsklaar is;"; 


het bestaand onderdeel g wordt h; de tweede komma wordt 
vervangen door ,,en"; de woorden ,,en in het algemeen de uit­ 
rusting". vervallen; 


een nieuw onderdeel i wordt ingevoegd, luidende: 


,,i. het schip zoodanig geladen is, dat het geen geringer vrij- 
boord heeft dan blijkens het afgegeven certificaat van uitwatei- 
ring, dan wel het veiligheidscertificaat of het certificaat voor do 
houtvaart geoorloofd is;"; 


het bestaand onderdeel h wordt k en wordt gelezen: 
,,k. het schip behoorlijk bemand is met voor zijne taak be­ 
rekend personeel, dat lichamelijk geschikt is voor de hem opge­ 
dragen werkzaamheden, een en ander in verband met de veilig­ 
heid van het schip;"; 


het bestaand onderdeel i vervalt; 
het bestaand onderdeel k wordt l; de punt aan het slot wordt 
vervangen door: ,, ; de alarmrol bekend is gemaakt, de voorge­ 
schreven appèls zijn gehouden, de voorgeschreven stabiliteits- 
gegevens aan boord zijn, en op duidelijke wijze de noodige aan­ 
wijzingen zijn aangebracht betreffende de plaatsen, waar de 
leddingmiddelen zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen 
zijn te bereiken en hoe de reddingmiddelen moeten worden ge­ 
bruikt.", 


VII. Ingevoegd wordt een nieuw artikel 4bis, luidende: 
„Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt aan eigenaren 


van schepen, waarmede een geregelde dienst over den Noord- 
Atlantischen Oceaan wordt onderhouden, de verplichting opge­ 
legd, de routes, welke deze schepen zullen volgen, en de wijzigin­ 
gen daarin, bekend te maken op de wijze als in dien algemeenen 
maatregel van bestuur wordt aangegeven.". 


VIII. In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aange­ 
bracht : 


het onderdeel a van het eerste lid wordt vervangen door: 
,,a. aan welke eischen ter verkrijging van eenig certificaat 
moet worden voldaan, welke opgaven de aanvragen tot het 


5 
587 


587 


verkrijgen van eenig certificaat moeten bevatten en welke stuk­ 
ken daarbij moeten worden overgelegd;"; 


het onderdeel c van het eerste lid wordt vervangen door: 
„c. de regeling van de vaststelling van het vrijboord onder 
verschillende omstandigheden en het aanbrengen van de uit- 
wateringsmerken; 


een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 
„2. Voorts worden bij algemeenen maatregel van bestuur 
voorschriften vastgesteld omtrent: 


a. het periodiek onderzoek van schepen; 


b . het vervoeren van passagiers."; 
het bestaand lid 2 wordt lid 3; in plaats van „uitreiking ^ 
wordt gelezen „afgifte"; de woorden „van deugdelijkheid" 
vervallen; 


het bestaand lid 3 wordt lid 4; 
het bestaand lid 4 wordt lid 5; in plaats van „kan bepalen, 
dat" wordt gelezen „bepaalt, dat en op welke wijze . 


IX. In artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 


het eerste lid wordt gelezen: 
1 De certificaten, bedoeld in artikel 3, worden van Onzent- 
we'ae, voor zoover betreft de certificaten van uitwatering en die 
voor 'de houtvaart door eene door Ons te benoemen commissie, 
en voor zoover de overige betreft door het hoofd van de scheep­ 
vaartinspectie, in twee exemplaren afgegeven. , 


een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 
„2. In bijzondere gevallen kan het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie dan wel de door Ons te benoemen commissie namens 
Onzen Minister aan bevoegde buitenlandsche autoriteiten ver­ 
zoeken certificaten af te geven, in welk geval deze certificaten 
tijdelijk de plaats innemen van een der in het eerste lid bedoelde 
certificaten."; 


het bestaand lid 2 wordt lid 3; in plaats van „een certificaat 
van deugdelijkheid" wordt gelezen „eenig certificaat , 


het bestaand lid 3 wórdt lid 4; in plaats van „De kosten, 
veroorzaakt door" wordt gelezen „Voor"; het woord „berekend 
vervalt; in plaats van „ , en bij de uitreiking van het certifi­ 
caat voldaan" wordt gelezen „kosten berekend"; 


6 


het bestaand lid 4 wordt lid 5; in plaats van ,,de kosten, 
veroorzaakt door" wordt gelezen „naar een door Onzen Minister 
vast te stellen tarief kosten berekend voor"; in plaats van „uit­ 
reiking van certificaten van uitwatering" wordt gelezen „afgifte 
van certificaten van uitwatering en van die voor de houtvaart"; 
aan het slot vervalt „ .berekend naar een door Onzen Minister 
vast te stellen tarief en bij de uitreiking van het certificaat 
voldaan". 


X. In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 
het eerste lid wordt gelezen als volgt; 
„1. Certificaten vervallen, wanneer: 
a. het tijdvak, waarvoor zij gelden, is verstreken; 


b . het schip ophoudt te behooren tot de categorie van 
schepen, waarop deze wet van toepassing is; 


c. het schip wordt verbouwd of de aan boord zijnde inrich­ 
tingen op ingrijpende wijze worden gewijzigd; 


d . het schip van naam verandert of een ander letterteeken 
of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvrage nieuwe certi­ 
ficaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het 
tijdvak, waarvoor de vervallen certificaten zouden hebben ge­ 
golden."; 


een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 
„2. Veiligheidscertificaten vervallen tevens, wanneer de 
eigenaar het schip aan zijne bestemming als passagiersschip ont­ 
trekt, en daarvan tevoren aan het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie schriftelijk heeft doen blijken."; 


het bestaand lid 2 wordt lid 3; de woorden „van deugdelijk­ 
heid" vervallen; na „geschied" wordt ingevoegd „of wanneer 
daartoe uit anderen hoofde termen aanwezig zijn"; aan het slot 
van den tweeden volzin wordt de punt vervangen door een 
komma en wordt toegevoegd „onder vermelding van de redenen, 
welke tot de intrekking hebben geleid.". 


XI. In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 
in het eerste lid wordt in plaats van „een vervallen of inge­ 
trokken certificaat van deugdelijkheid" gelezen „vervallen of 
ingetrokken certificaten", vervallen de woorden „of van" en 
wordt in plaats van „ , consulaire of koloniale ambtenaren" 
gelezen „of consulaire ambtenaren of ambtenaren in. Neder- 
landsch-Indië, Suriname of Curaqao"; 


7 
587 


587 


8 


in lid 2 wordt in plaats van „uitgereikt" gelezen „afgegeven". 
XII. In artikel 9 worden de volgende wijzigingen aange­ 
bracht : 


in het eerste lid wordt een nieuw onderdeel a ingevoegd, 
luidende: 


,,a. het roercommando in rechtstreekschen zin te bezigen en 
te doen bezigen;"; 


het bestaand onderdeel a wordt b; na „gereed te houden, 
wordt ingevoegd „voor zoover zulks is voorgeschreven de openin­ 
gen binnen en buiten boord gesloten te houden, de voorgeschre­ 
ven appèls en oefeningen te houden, , 


het bestaand onderdeel b wordt c; de woorden „of ont­ 
staan" vervallen en in plaats van „te trachten deze gebreken 
te herstellen" wordt gelezen „zooveel mogelijk deze gebreken 
te doen herstellen"; 


het bestaand onderdeel c wordt d ; de puntkomma wordt ver­ 
vangen door „en zorg te dragen, dat het schip geen geringer 
vrijboord krijgt dan blijkens de in artikel 3, eerste lid, bedoelde 
certificaten geoorloofd is;"; 


nieuwe onderdeelen e, ƒ en g worden ingevoegd, luidende: 
„e. maatregelen te nemen ter voorkoming van misbruik van 
het internationale noodsein en van het gebruik van seinen, welke 
met een internationaal noodsein kunnen worden verward, 


ƒ 
hulp te verleenen aan in nood verkeerende schepen en bij 
het vragen van hulp zich te gedragen naar de daaromtrent ge­ 
geven voorschriften; 


g. zorg te dragen, dat de luisterdienst op de voorgeschreven 
wijze wordt uitgeoefend en de voorschriften betreffende den 
radiodienst, zoomede die betreffende het waarschuwen omtrent 
de gevaren ter zee, worden nageleefd;"; 


het bestaand onderdeel d wordt h en wordt als volgt gelezen: 
„h. naar gelang der zaak in het scheepsdagboek, in het 
machinedagboek of in het radiodagboek te doen opteekenen, 
wat ter voldoening aan de onder b tot en met g opgelegde ver­ 
plichtingen is geschied;"; 


het bestaand onderdeel e wordt t, en wordt gelezen: 
„i. zorg te dragen, dat afschriften van de certificaten en 
van de voorwaarden, krachtens artikel 5, derde lid, gesteld, op 


eene zichtbare wijze zijn aangebracht op eene voor alle schepe­ 
lingen toegankelijke plaats, zoodat deze van den inhoud daarvan 
behoorlijk kunnen kennis nemen."; 


het bestaand lid 3 wordt lid 2, en wordt gelezen: 
„2. De kapitein is verplicht voor het behoorlijk bijhouden 
der dagboeken zorg te dragen. Hij zal telkenmale na volbrachte 
reis, dan wel periodiek of na het verlaten van het schip, inzage 
geven aan en afschrift laten nemen door het districtshoofd van 
de scheepvaartinspectie of den ambtenaar, die dezen vervangt, 
terwijl hij voorts verplicht is steeds op eerste aanvrage inzage 
van de dagboeken te geven aan de in artikel 63 bedoelde ambte­ 
naren. Hij is bovendien verplicht bij binnenkomst in eene Neder - 
landsche haven aan het districtshoofd van de scheepvaart­ 
inspectie of den ambtenaar, die dezen vervangt, kennis te geven 
van de op de afgeloopen reis voorgekomen averijen en ongeval­ 
len; het overleggen der dagboeken, onder verwijzing naar de 
aanteekening omtrent de averij of het ongeval, wordt als zoo­ 
danige kennisgeving beschouwd."; 


het bestaand lid 4 wordt lid 3; hierin wordt ,,b" vervangen 
door ,,c"; 


aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 


„4. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen nadere 
voorschriften worden gegeven met betrekking tot de in de voor­ 
gaande leden van dit artikel genoemde verplichtingen.". 


XIII. In het tweede lid van artikel 10 wordt in plaats van 
„hoofdinspecteur" gelezen „inspecteur generaal"; aan het lid 
wordt toegevoegd: „Ook kunnen door Ons voor bepaalde werk­ 
zaamheden ambtenaren van andere diensttakken ter beschik­ 
king van den dienst der scheepvaartinspectie worden gesteld.". 


XIV. Artikel 12 wordt gelezen: 
„De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde 
toegang tot de in deze wet genoemde schepen en tot de lig­ 
plaatsen daarvan, alsmede tot de plaatsen, waar die schepen of 
hunne werktuiglijke inrichtingen worden gebouwd of hersteld.". 


XV. In artikel 13 wordt in plaats van „schepen, waarop 
deze wet van toepassing is," gelezen „de in deze wet genoemde 
schepen". 


9 
587 


587 
10 


XVa. In het eerste lid van artikel 14 wordt in plaats van 
„een ambtenaar" gelezen „eenen ambtenaar . 


XVI. In het eerste lid van artikel 15 wordt in plaats van 
„den hoogsten in rang der ter plaatse bevoegde ambtenaren der 
scheepvaartinspectie" gelezen „zijnen onmiddellijken chef ; 


in het derde lid van het artikel wordt „ambtenaar der scheep­ 
vaartinspectie" vervangen door „chef". 


XVII. In het eerste lid van artikel 16 wordt in plaats van 
„een ambtenaar" gelezen „eenen ambtenaar 
en wordt „een 
geldig certificaat van deugdelijkheid" vervangen door „de 
noodige geldige certificaten"; 


in het tweede lid van het artikel wordt „een certificaat van 
deugdelijkheid, als bedoeld in artikel 3 is" vervangen door „de 
ooodige geldige certificaten zijn", en wordt in plaats van den 
laatsten volzin gelezen: „Hij geeft van de aanhouding °^er- 
wijld, onder opgaaf van redenen, kennis aan zijnen onmiddel­ 
lijken chef, die daarvan terstond mededeeling doet aan het hoofd 
van de scheepvaartinspectie. Laatstgenoemde beslist zoo spoedig 
mogelijk of al dan niet een onderzoek zal worden ingesteld; 
in het laatste geval heft hij de aanhouding op en geeft hij van 
die opheffing onverwijld kennis aan den ambtenaar, die het 
schip heeft aangehouden.". 


XVIII. In artikel 17 worden de volgende wijzigingen aan­ 
gebracht : 


in het eerste lid wordt na „schip" ingevoegd „onder opgaaf 
van redenen"; 


het derde lid wordt gelezen als volgt: 
„3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver- 
leénen geene expeditie voor een schip, dat bestemd is om 
buitengaats te worden gebracht, wanneer daarvoor op eerste 
aanvraag geen geldig certificaat van. deugdelijkheid of geene 
geldige verklaring, als bedoeld in artikel 2bis, wordt getoond."; 


in het vierde lid wordt in plaats van „een ambtenaar 
ge­ 
lezen „eenen ambtenaar"; 


in het vijfde lid wordt „werd" vervangen door „was"; 
in het zevende lid wordt in plaats van „geen geldig certifi­ 
caat van deugdelijkheid kon worden" gelezen „de voorgeschre­ 
ven geldige certificaten of de verklaring, bedoeld in artikel 2bta, 
niet op eerste aanvraag zijn". 


11 
587 


XIX. In het eerste lid van artikel 18 wordt in plaats van 
„artikel 4, onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de afgifte 
van certificaten van uitwatering" gelezen „artikel 6, eerste"lid. 
bedoelde commissie"; 


in het tweede lid van het artikel wordt na „Raad" ingevoegd 
,, , die noch rechtstreeks, noch zijdelings geacht kunnen worden 
bij de beslissing belang te hebben,". 


XX. In het tweede lid van artikel 19 wordt in plaats van 
„afgiften van een certificaat van deugdelijkheid" gelezen „af­ 
gifte van eenig certificaat", en wordt in plaats van „een certi­ 
ficaat van deugdelijkheid in frvyee exemplaren uitgereikt" ge­ 
lezen ,,dan wel door de in artikel 6, eerste lid, bedoelde com­ 
missie het gevraagde certificaat in twee exemplaren afgegeven"; 


het derde lid van het artikel vervalt; het bestaand lid 4 
wordt lid 3. 


XXa. In artikel 20 wordt in plaats van „een ambtenaar" 
gelezen „eenen ambtenaar". 


XX6. In artikel 22 wordt in plaats van „door Ons" gelezen 
„bij algemeenen maatregel van bestuur". 


XXI. In het derde lid van artikel 23 wordt in plaats van 
„twaalf 
gelezen „veertien"; wordt na „zeevisscherij,", waar 
dit woord voor de eerste maal wordt gebezigd, ingevoegd „een 
districtshoofd of oud-distrietshoofd en een schipper of oud-schip- 
per van het Loodswezen,"; wordt na „zeevisscherij", waar dit 
woord voor de derde maal wordt gebezigd, ingevoegd „en het 
districtshoofd en de schipper van het Loodswezen"; en wordt 
na „zeevisscherij", waar dit woord voor de vierde maal wordt 
gebezigd, ingevoegd „of een Rijksvaartuig betreft, dan wel het 
Loodswezen er nauw bij betrokken is"; 


de eerste volzin van het vijfde lid van het artikel wordt ge­ 
lezen: „Aan den Raad worden een secretaris en een plaatsver­ 
vangende secretaris verbonden.". 


XXII. In artikel 24 wordt in plaats van „den plaatsver- 
vangenden voorzitter" gelezen „de plaatsvervangende voor­ 
zitters". 


XXIII. In artikel 25 wordt in praats van „plaatsvervangende 
voorzitter" gelezen „plaatsvervangende voorzitters". 


XXIV. In het tweedé lid van artikel 26 wordt in plaats van 
„ plaatsvervangende voorzitter" gelezen 
„plaatsvervangende 
voorzitters"; 


in het derde lid van het artikel wordt in plaats van „of machi­ 
nist" gelezen ,, , machinist of radio-telegrafist". 


XXV. De punt aan het slot van het derde lid van artikel 27 
wordt vervangen door „ , tenzij de ramp valt onder artikel 1, 
vierde lid, van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (Staatsblad 
n°. 69) of onder een artikel van soortgelijke strekking van eene 
Nederlandsch-Indische algemeene verordening.". 


XXVI. In het derde lid van artikel 28 wordt in plaats van 
Nederlandsche koloniale ambtenaren, die daartoe door de kolo­ 
niale overheid" gelezen „ambtenaren in Nederlandsch-Indie, 
Suriname en Curaqao, die daartoe door de-overheid van aie ge­ 
westen". 


XXVII. In artikel 29 worden de volgende wijzigingen aan­ 
gebracht : 
_ 


in het eerste lid wordt na „stelt" ingevoegd „ , met inacht­ 
neming van het voorschrift in het derde lid van artikel 27 ge­ 
geven " en wordt aan het eind toegevoegd: „Hij kan daarbij 
eene opgave indienen van de getuigen en deskundigen wier 
verhoor tijdens de behandeling voor den Eaad hij noodig acht. , 
na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 
2. 
Op dezelfde wijze wordt door hem gehandeld ten aanzien 
van eene scheepsramp, waarvan de stukken hem °p 
artikel 14 van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (,Staatsblad 
n° 69) of krachtens de bepalingen van soortgelijke strekking 
van eene Nederlandsch-Indische algemeene verordening 
handen zijn gesteld."; 


het bestaand lid 2 wordt lid 3; hieraan wordt toegevoegd: De 
leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter, 
nemen aan deze zitting geen deel. ; 


het bestaand lid 3 wordt lid 4; hierin wordt in plaats van 
„den hoofdinspecteur in overleg _ met den voorzitter van den 
Raad" gelezen „of namens hem"; 


het bestaand lid 4 wordt lid 5. 
XXVIII 
In het eerste lid van artikel 30 wordt in plaats 
van „gewijzigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad 


12 
587 


n°. 265)" gelezen „het laatst gewijzigd bij de wet van 29 Juni 
1925 (Staatsblad, n°. 308)". 


XXVilla. In artikel 81 wordt na „deskundigen" ingevoegd 
„ , voor zooverre hunne dienstverhóuding tot het Rijk niet 
medebrengt, dat zij hunne medewerking verleenen zonder eene 
schadeloosstelling,''. 


XXIX. In het eerste lid van artikel 32 wordt in plaats van 
„een bepaalden termijn" gelezen „eenen bepaalden termijn" 
en wordt „scheepsjournalen, machinekamerjournalen" vervan­ 
gen door „seheeps-, machine- en radiodagboeken"; 


in het tweede lid van het artikel wordt in plaats van „gewij­ 
zigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad n°. 265)" ge­ 
lezen „het laatst gewijzigd bij de wet van 29 Juni 1925 (Staats­ 
blad n°. 308)". 


XXIXa. In lid 4 van artikel 33 wordt in plaats van „een 
raadsman 
gelezen „eenen raadsman" en wordt „een gemach­ 
tigde" vervangen door „eenen gemachtigde". 


XXX. Het opschrift van § 2 van hoofdstuk IV wordt gelezen : 


„§ 2. 
Ongeschiktheid van kapiteins, stuurlieden, 
machinisten of radio-telegrafisten." 


XXXI. In artikel 34 worden de volgende wijzigingen aan­ 
gebracht : 


lid 1 en lid 2 worden vervangen door de volgende leden: 
„1. Indien tijdens het voorloopig onderzoek nopens eene 
scheepsramp omstandigheden aan het licht komen, welke bij 
het hoofd van de scheepvaartinspectie de vraag doen rijzen, 
of de kapitein of één of meer stuurlieden, machinisten of radio­ 
telegrafisten ongeschikt zijn om hunne beroepsplichten te ver­ 
vullen, verbindt hij aan zijn voorstel om een onderzoek naar 
de scheepsramp te doen instellen, de voordracht om dien 
kapitein, stuurman, machinist, of radio-telegrafist te hooren. 


2. Ook indien geene scheepsramp heeft plaats gehad kan in 
bijzondere omstandigheden het hoofd van de scheepvaartinspectie 
aan den Raad voor de scheepvaart voorstellen een onderzoek 
in te stellen naar de ongeschiktheid van den kapitein of van 
één of meer stuurlieden, machinisten of radio-telegrafisten. 


13 
587 


8. Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de 
kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist ter zake zal 
worden gehoord, dan wordt den betrokkene een afschrift der 
beslissing beteekend. Voorts wordt gehandeld overeenkomstig 
het vierde lid van artikel 29."; 


het bestaand lid 3 wordt lid 4; hierin wordt in plaats van „of 
machinisten" gelezen ,, , machinisten of radio-telegrafisten , 


het bestaand lid 4 wordt lid 5; 
het bestaand lid 5 wordt lid 6; hierin vervallen de woorden 
, ,op last van den hoofdinspecteur ; 


het bestaand lid 6 wordt lid 7; daarin wordt in plaats van 
„een raadsman" gelezen „eenen raadsman" en wordt „een 
bijzonder voor dit doel gemachtigde" vervangen door „eenen 
bijzonder voor dit doel gemachtigde", terwijl voorts aan dat lid 
wordt toegevoegd: 
„De betrokkene en zijn raadsman, of zijn gemachtigde, hebben 
het recht de stukken van het voorloopig onderzoek vóór de be­ 
handeling der zaak ter secretarie van den Raad voor de scheep­ 
vaart in te zien."; 


het bestaand lid 7 wordt lid 8; hierin wordt „tweede en derde 
lid" vervangen door „derde en vierde lid", en „of machinist 
door ,, , machinist of radio-telegrafist". 


XXXII. Het eerste lid van artikel 36 wordt gelezen: 


, 1. De Raad kan, hetzij op vordering van het hooid van 
de''scheepvaartinspectie, hetzij dien hoofdambtenaar gehoord, 
bij eene met redenen omkleede beslissing den kapitein of één 
of meer stuurlieden, machinisten of radio-telegrafisten onbe­ 
voegd verklaren om als kapitein, stuurman, machinist of radio- 
telegrafist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen, 
indien hij den betrokkene ongeschikt acht om zijne beroeps­ 
plichten te vervullen.". 


XXXIII. In het eerste lid van artikel 37 wordt „vertegen­ 
woordiger" vervangen door „gemachtigde ; 


het tweede lid wordt gelezen: 
„2. Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegen­ 
woordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde, 
dan kan hij, indien de uitspraak hem in persoon is beteekend, 


• 


14 
587 


15 
587 


binnen veertien dagen na die beteekening, of, indien de uit- 
Bpraak hem niet in persoon is beteekend, binnen veertien dagen 
nadat zich eene omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voort­ 
vloeit, dat de uitspraak hem bekend was, daartegen verzet doen 
bij eene schriftelijke memorie, te richten aan den voorzitter, 
die daarvan desverlangd een bewijs van ontvangst afgeeft of 
doet afgeven. Bevindt de onbevoegdverklaarde zich niet hier to 
lande, dan wordt de termijn met twee maanden verlengd."; 


het vierde lid van het artikel vervalt. 


XXXIY. Het eerste lid van artikel 38 wordt gelezen: 
,,1. Na de indiening van de memorie stelt de voorzitter van 
den Eaad het hoofd van de scheepvaartinspectie met de memorie 
in kennis of doet hem daarmede in kennis stellen en bepaalt 
eerstgenoemde onverwijld dag en uur voor de behandeling van 
het verzet."; 


in het tweede lid van het artikel wordt „hoofdinspecteur" 
vervangen door „voorzitter". 


XXXV. In het tweede lid van artikel 39 wordt „door" ver­ 
vangen door „door of vanwege". 


XXXVI. In het eerste lid van artikel 41 wordt na „belang­ 
hebbende" ingevoegd „geheel of gedeeltelijk"; 


in het tweede lid van het artikel wordt „door" vervangen 
door „door of vanwege". 


XXXVII. In het eerste lid van artikel 42 vervallen de woor­ 
den „nopens de ramp"; 


aan het slot van het vierde lid van het artikel wordt „mede­ 
gedeeld." vervangen door „en aan het hoofd van de scheep­ 
vaartinspectie toegezonden.". 


XXXVIII. In het tweede lid van artikel 43 vervallen de woor­ 
den „op last van den hoofdinspecteur"; aan het slot van het 
lid wordt toegevoegd „De beteekening van oproepingen en be­ 
slissingen geschiedt op last van den voorzitter van den Raad, 
die van uitspraken op last van het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie. "; 


in het derde lid wordt „van den opgeroepene of beteekende" 
vervangen door ,, , aan wien eene oproeping, beslissing of uit­ 
spraak moet worden beteekend,"; 


16 
587 


bet vierde lid wordt gelezen als volgt: 
,4. Indien de persoon, aan wien eene oproeping, beslissing 
of'uitspraak moet worden beteekend, bier te lande geene be­ 
kende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening 
door middel van aanplakking van een afschrift aan het gebouw, 
waarin de Eaad voor de scheepvaart zitting houdt en van een 
ander afschrift aan het gebouw, waarin de door den voorzitter 
aan te wijzen havenmeester kantoor houdt. Bij bekende ver- 
blijf plaats buiten Nederland wordt door den ambtenaar met de 
beteekening belast, tevens een afschrift bij aangeteekenden brief 
gezonden aan den persoon, aan wien de beteekening moet ge­ 
schieden.". 


XXXVIIIa. In lid 2 van artikel 44 wordt in plaats van ,,een 
inspecteur" gelezen ,,eenen inspecteur . 


XXXIX. In het eerste lid van artikel 48 wordt in plaats 
van ,,of de passagiers" gelezen ,, , de passagiers of andera 
opvarenden''; 


in het tweede lid van het artikel wordt in plaats van „of 
machinist" gelezen „ , machinist of radio-telegrafist' , wordt 
eene of meer" vervangen door ,,een of meer 
en wordt m 
plaats van „door zijne daad of nalatigheid eene scheepsramp 
is veroorzaakt" gelezen ,,aan zijne schuld eene scheepsramp is 
te wijten"; 


in het derde lid van het artikel wordt in plaats^ van „of 
machinist" gelezen „ , machinist of radio-telegrafist' . 


XL. Het eerste lid van artikel 49 wordt gelezen als volgt: 
„1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid, 
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van 
eene commissie uit den Eaad, bestaande uit den voorzitter en 
twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan plaats, indien 
eene aanklacht is ingediend door of op last van het hoofd van 
de scheepvaartinspectie, door den eigenaar, door een of meer 
van de assuradeuren, van de bevrachters, van de schepelingen, 
van de passagiers of van andere opvarenden. , 


in het derde lid van het artikel wordt „de koloniën of bezittin­ 
gen van het Eijk in andere werelddeelen" vervangen door 


Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaqao". 


In artikel 50 wordt in plaats van „aanklachten" ge­ 
lezen „maatregelen van tucht"; de punt aan het slot wordt 
vervangen door ,, , met uitzondering van artikel 37, derde lid.". 


XLII. In artikei 51 wordt na „belanghebbende" ingevoegd 
„geheel of gedeeltelijk". 


XL/III. In artikel 52 onder b wordt „een" vervangen door 
„de voorgeschreven,", wordt in plaats van „geldig certificaat 
van deugdelijkheid" gelezen „geldige, certificaten" en wordt 
„is" vervangen door „zijn"; 


de onderdeelen a en b worden verwisseld; de puntkomma na 
onderdeel a (oud) wordt vervangen door een punt, de punt na 
onderdeel b (oud) door een puntkomma; het onderdeel a wordt 
b , h e t onderdeel b wordt a . 


XLIV. In artikel 53 wordt in plaats van „wanneer een" 
gelezen „wanneer de voorgeschreven"; wordt in plaats van 
„geldig certificaat van deugdelijkheid" gelezen „geldige certi­ 
ficaten , en wordt „is" vervangen door „zijn", 


XLV. In artikel 54 vervalt de dubbele punt en de letter a , 
alsmede het onderdeel b; in plaats van „het geldig certificaat 
van deugdelijkheid 
wordt gelezen „de voorgeschreven geldige 
certificaten, bedoeld in artikel 3,", en in plaats van „dat stuk" 
„die stukken"; de puntkomma aan het einde van het bestaand 
onderdeel a wordt vervangen door een punt. 


XLYI, In artikel 54b is worden de volgende wijzigingen aan- 
geDraciit i 


het onderdeel a wordt gelezen als volgt: 
,,a. de kapitein, wiens schip gedurende de reis een geringer 
vrij boord heeft, dan wel hoogeren deklast voert, dan blijkens het 
veiligheidscertificaat, het certificaat van uitwatering of dat voor 
de houtvaart geoorloofd is;"; 


onder b wordt in plaats van „vierde" gelezen „derde", en 
wordt de punt vervangen door een puntkomma; 


twee nieuwe onderdeelen worden toegevoegd, luidende: 
,,c. de kapitein, die de voorwaarden, onder welke de ver­ 
gunning, bedoeld in artikel 2bis is verleend, niet nakomt; 


d . de kapitein, die een der voorschriften van artikel 9, eerste 
lid onder e, ƒ en g overtreedt." 


17 
587 


XLVII. In artikel 55 wordt in plaats van ,, dieper te laden 
dan blijkens het certificaat van uitwatering' gelezen .>een ge­ 
ringer vriiboord te doen hebben dan blijkens de betreffende 
certificaten", en wordt in plaats van „vierde ' gelezen „derde . 


XLVIII 
In artikel 56 wordt „een maand" vervangen door 
„eene maand", wordt na „artikelen" ingevoegd „4,", en wordt 
in plaats van „9, eerste en derde" gelezen „9, eerste lid onder 
a, b, c, d, h en t, en tweede". 


XLIX. In artikel 60 wordt „niet overlegt" vervangen door 
„niet, niet tijdig of niet in den staat, waarin zij zich ten tijde 
van de opvordering bevonden, overlegt". 


L. De eerste zinsnede van artikel 63 wordt genummerd 
1.": hierjn wordt in plaats van „ overtredingen van deze wet^ 
gelezen „feiten, bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld ; 
wordt achter „gemeentepolitie," toegevoegd „de ambtenaren 
der invoerrechten en accijnzen,"; vervallen de woorden „iNeder- 
landsche koloniale", en wordt „koloniale overheid 
vervangen 
door „overheid in Nederlandsch-Indië, Suriname of Curacjao , 


de tweede zinsnede van het artikel wordt genummerd „2. 
en wordt aldus gelezen: 


2 
De door eenen Nederlandschen consulairen ambtenaar ot 
eenen, in het vorige lid bedoelden, ambtenaar in Nederlandsch- 
Indië Suriname of Curacjao opgemaakte processen-verbaal gelden 
als wettig bewijsmiddel der door hen geconstateerde daarin om­ 
schreven strafbare feiten, mits zij bevestigd worden door zijnen 
daarin opgenomen schriftelijken eed (belofte). ; 


aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:- 


3 
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren 
zijn te allen tijde bevoegd om al datgene, wat dienen kan tot het 
bewijs van het strafbaar gestelde feit, in beslag te nemen e 
de uitlevering daarvan, ter inbeslagneming, te vorderen. 


LI 
In het eerste lid van artikel 64 wordt in plaats van „den 
plaatsvervangenden voorzitter" gelezen „de plaatsvervangende 
voorzitters". 


LIÏ. In het eerste lid van artikel 67 wordt in plaats van „den 
diepgang" gelezen „de uitwatering, de radio-telegrafie en de 
passagiersschepen"; 


in het derde lid van het artikel wordt „aanvulling" vervangen 
door „aanwijzing". 


18 
587 


19 
587 


LUI. In artikel 68 wordt na ,,ook" ingevoegd „ten spoe­ 
digste". 


IJIV. Het tweede lid van artikel 69 wordt gelezen: 
„2. De ambtenaar geeft van elke aanhouding zoo spoedig 
mogelijk kennis aan zijnen onmiddellijken chef, die daarvan ter­ 
stond mededeeling doet aan het hoofd van de scheepvaartinspec­ 
tie, aan den vertegenwoordiger of gemachtigde van den eigenaar, 
aan den kapitein van het schip en aan den dichtstbij gevestigden 
consulairen ambtenaar van het land, waartoe het schip door zijne 
nationaliteit behoort. Hij licht hen in omtrent alle omstandig­ 
heden, als gevolg waarvan de aanhouding noodig werd geacht. 
Het hoofd van de scheepvaartinspectie geeft zoo noodig recht­ 
streeks bericht aan den eigenaar.". 


LY. Artikel 70 wordt gelezen als volgt: 


„1. Indien een schip van Nederlandsche nationaliteit, dat 
krachtens artikel 2 van de toepassing van deze wet is uitgezon­ 
derd, door eene scheepsramp wordt getroffen, wordt naar de oor­ 
zaken daarvan een onderzoek ingesteld. Deze bepaling is mede 
van toepassing op vaartuigen in dienst van het Rijk, geene zee­ 
schepen zijnde, en op schepen van vreemde nationaliteit, indien 
de scheepsramp heeft plaats gehad op of in de nabijheid van de 
Nederlandsche kust of in de Nederlandsche zeegaten en havens 
met hunne toegangen naar zee. 


2. Bij een onderzoek, als in het eerste lid bedoeld, worden 
de bepalingen van Hoofdstuk IV in acht genomen, met uitzon­ 
dering van die, vervat in de artikelen 34 tot en met 41.". 


LVI. Artikel 72 wordt gelezen als volgt: 


„Alle ten gevolge van deze wet opgemaakte stukken en be­ 
schikkingen worden kosteloos uitgereikt.". 


LYII. In artikel 73 wordt in plaats van „koloniën en bezit­ 
tingen in andere werelddeelen" gelezen „Nederlandsch-Indië, 
Suriname en Curaijao". 


Artikel 2. 


De Scheepvaart(Verdrags-)wet (wet van 5 April 1919, Staats­ 
blad n°. 151) wordt ingetrokken. 


Artikel 3. 


De Schepenwet zal op Onzen last, met inachtneming van de 
daarin gebrachte wijzigingen, door plaatsing in het Staatsblad 
algemeen bekend worden gemaakt. 


Artikel 4. 


Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige 
uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te 's-Gravenliage, den 31sten December 1931. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Waterstaat, 


p. j. REYMER. 


Uitgegeven den twintigsten Januari 1932. 


De Minister van Justitie, 
j. d o n k e r . 


20 
587 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


- 3 — 
95 


A" 1953 
N° 
96 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 8, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van den 31sten December 1936, tot 
wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1936, no. 526). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


(^ * ^26«) WET van den 31sten December 1936, 
tot wijziging van de Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ' DE GRATIE GODS, KONINGIN DEK 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk 
is de Schepenwet (wet van den lsten Juli 1909, Staatsblad 
no. 219, het laatst gewijzigd bij de wet van den 31sten Decem­ 
ber 1931, Staatsblad no. 587), nader te wijzigen; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel I. 


Na artikel 4bis der Schepenwet wordt ingevoegd een artikel 
4fer, luidende: 


„1. De ondernemer of diens gevolmachtigde bedoeld in 
artikel 13 van de Landverhuizingswet, is verplicht telkens als 
een schip gereed is om eene reis met in Nederland ingescheepte 
landverhuizers te ondernemen, hiervan tijdig kennis te geven 
aan het hoofd van het district, waarbinnen het schip zich 
bevindt. 


2. Voor schepen, varende in vaste passagierslijnen met ten­ 
minste één afvaart in de maand, kan worden volstaan met 
het inzenden van vaartabellen, mits er tijdig kennis van gegeven 
wordt, wanneer hierin verandering wordt gebracht." 


Artikel II. 


Artikel 5, eerste lid, wordt aangevuld met: 
,,e. aan welke eischen de inrichting van de verblijven van 
landverhuizers aan boord en de inrichting van de voor hen be­ 
stemde ziekenverblijven moeten voldoen; 


ƒ. 
al hetgeen in het belang van de veiligheid, de gezondheid, 
de zedelijkheid en de verpleging van landverhuizers wordt ver- 
eischt." 


Artikel III. 


In artikel 23, tweede lid, worden de eerste twee volzinnen 
gelezen als volgt: 


„2. De Raad bestaat uit een voorzitter en twee gewone 
leden. De gewone leden zijn een zeeofficier of oud-zeeofficier 
en een kapitein of oud-kapitein ter koopvaardij. 


Artikel IV. 


In artikel 26, derde lid, wordt in plaats van ,,vijf leden 
gelezen ,,drie leden". 


Artikel V. 


Aan artikel 43 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 
„5. Voor zijn verrichtingen ingevolge dit artikel ontvangt 
de "deurwaarder een vergoeding overeenkomstig bij algemeenen 
maatregel van bestuur te stellen regelen. 


Artikel VI. 


Na artikel 54bis wordt ingevoegd een artikel 54ter, luidende: 
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete 
van ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft de onder­ 
nemer of diens gevolmachtigde, bedoeld in artikel 13 van de 
Landverhuizingswet, die verzuimt tijdig de mededeeling te 
doen, bedoeld in artikel 4ter." 


Artikel VII. 


Na artikel 67 wordt ingevoegd een artikel 67bis, luidende: 
De bij of krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen be­ 
treffende de uitwatering, de radio-telegrafie en de passagiers­ 
schepen, het bepaalde in de artikelen 4, onder b, h en l, 4ter, 
5, eerste lid, onder b, e en ƒ, 12, 15, 16. tweede lid, 17 eerste, 
tweede en vierde lid, 18, 19, 20, 21, 22 en 72 en het bepaalde 
in de naar aanleiding daarvan vastgestelde algemeene maat­ 
regelen van bestuur, alsmede de desbetreffende strafbepalingen 
zijn mede van toepassing op een schip van vreemde nationali­ 
teit hetwelk in eene Nederlandsche haven landverhuizers in­ 
scheept, tenzij het schip valt onder de uitzondering, bedoeld in 


2 
526 


het tweede lid van artikel 67 en door den kapitein vóór het ver­ 
trek van het schip op vordering van den ambtenaar van de 
Scheepvaartinspectie wordt overgelegd een bewijsstuk, waaruit 
tot genoegen van dien ambtenaar blijkt, dat ten aanzien van 
het schip wordt voldaan aan de voorschriften, welke in het 
eigen land van kracht zijn." 


Artikel VIII. 


In artikel 67, eerste lid, elfden regel, worden tusschen de 
woorden „haven" en „eene reis" ingevoegd de woorden ,, , zon­ 
der dat het aldaar landverhuizers inscheept," en worden in het 
tweede lid de woorden „dat niet ingevolge de artikelen 2 of 2bis 
onder de bepalingen van deze wet valt, waarmede uit eene 
Nederlandsche haven eene reis zal worden ondernomen" ver­ 
vangen door de woorden: „als in het eerste lid bedoeld". 


Artikel IX. 


Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen 
tijdstip. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige 
uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te 's-Gravenhage, den 31sten December 1936. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Waterstaat, 


V A N L I D T H D E J E U D E . 


Uitgegeven den negentienden Januari 1937. 


De Minister van Justitie, 
V A N S C H A I K . 


3 
526 


Heeft de opnemiug daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
96 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 9, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van 1 Maart 19^6, tot wijziging van de 
Schepenwet (Staatsblad 19Jf6, no. G Jt3). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


A° 1953 
N° 
97 


(No. G 43.) W E T van 1 Maart 1946, tot ivijziging 


van de schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te 
weten: 


Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wensche- 
üjk is de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, 'Staatsblad n°. 219, 
het laatst gewijzigd bij de wet van 31 December 1936, Staats­ 
blad n°. 526) nader te wijzigen; 


Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met 
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en 
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel I. 


Aan artikel 16 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 
,,4. Indien Onze Minister in geval van oorlogsgevaar van 
oordeel is, dat de vaart te groote gevaren oplevert, kan hij een 
schip door een ambtenaar van de scheepvaartinspectie doen 
aanhouden." 


Artikel II. 


In artikel 17, lid 4, worden de woorden ,,eerste of tweede 
lid" vervangen door „eerste, tweede of vierde lid". 


Artikel Hl. 


Aan artikel 18 wordt een nieuw lid 2 toegevoegd, luidende: 
,,2. Van een aanhouding krachtens het bepaalde in artikel 
16, lid 4, kan geen beroep worden ingesteld." 


Lid 2 wordt lid 3. 


Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: 
Bijl.: Hand. II 39/40, 326; Hand. II 39/40, bladz. 1537; 
Bijl.: Hand. I 39/40, 326; Hand. I 45/46, bladz. 32. 


G 43 


2 


Artikel IV. 


Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na dien 
harer afkondiging. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aar de nauw­ 
keurige uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te 's-Gravenhage, den lsten Maart 1946. 


WILHELMINA. 


De Minister van Scheepvaart a.i., 


DE BOOY. 


Uitgegeven den negen en twintigsten Maart 1946. 


De Minister van Justitie, 
KOLFSCHOTEN. 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
97 


A° 1953 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 10, waarbij wordt af­ 
gekondigd de wet van 31 December 1052, houdende na­ 
dere wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1952, 
no. 678). 


IN NAAM DER KONINGIN.' 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande wet: 


N ° 9 8 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDER­ 
LANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te 
weten: 


Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk 
is de Schepenwet (Wet van 1 Juli 1909, Stb. 219, het laatst 
gewijzigd bij de Wet van 19 Juli 1950, Stb. K. 300), in over­ 
eenstemming te brengen met de bepalingen van het interna­ 
tionale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 
1948, goedgekeurd bij de Wet van 22 December 1949 (Stb. 
J. 586), alsmede enige verdere wijzigingen in de Schepenwet 
aan te brengen; 


Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen 
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, 
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 


Artikel I 


De Schepenwet wordt gewijzigd als volgt: 


1 


In artikel 1, eerste lid, worden na „Onze Minister" de woor­ 
den „Onze Minister met de uitvoering van deze wet belast" 
vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;. 


2 


In artikel 1, na „passagiers", worden de woorden „allen, die 
tegen vergoeding aan boord worden vervoerd" vervangen door: 
alle personen aan boord, met uitzondering van: 


1°. de kapitein en de schepelingen; 
2°. andere personen, die in welke hoedanigheid ook, aan 
boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld 
zijn; 


Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: 
Bijl. Hand. II 52/53, 2871; Hand. II 52/53, bladz. 3407' 
Bijl. Hand. I 52/53, 2871; Hand. I 52/53, bladz. 3015. 


3°. kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van 
een jaar nog niet hebben bereikt. 


3 


In artikel 2, eerste lid, wordt het onder « bepaalde ge­ 
lezen: schepen in openbare dienst van het Rijk en troepen- 
transportschepen;. 


4 


In artikel 2 wordt het onder d bepaalde gelezen: Plelz.ie'"~ 
vaartuigen, welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd, 
voorzover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren,. 


5 


In artikel 2 wordt het onder g bepaalde gelezen: schepen, 
welke varen met een Surinaamse zeebrief. 


6 


In artikel Ibis wordt inplaats van „krachtens de in Neder- 
landsch-Indië of Suriname geldende bepalingen 
gelezen, 
krachtens de in Suriname geldende bepalingen. 


7 


De laatste zin van artikel Ibis vervalt. 


8 


In artikel 3, eerste lid, wordt het onder d bepaalde gelezen. 


een 
radiotelegrafie-veiligheidscertificaat, een 
radiotelefonie- 
veiligheidscertificaat, een uitrustingscertificaat, een certificaat 
voor de houtvaart, een certificaat voor veevervoer of een certi­ 
ficaat van vrijstelling voor de bij algemene maatregel van be­ 
stuur aan te wijzen schepen. 


9 


1 
In artikel 4 wordt het onder g bepaalde gelezen: de 
radiotelegraaf- en radiotelefooninrichting bedrijfsklaar zijn;. 


10 


In artikel 4 wordt de letter van het onder l bepaalde gewij­ 
zigd in een o; het onder o bepaalde wordt gelezen: — indien 
het schip een passagiersschip is — niet meer passagiers zijn in­ 
gescheept dan blijkens het veiligheidscertificaat geoorloofd is 
de alarmrol bekend is gemaakt, de voorgeschreven appels z n 
gehouden en op duidelijke wijze de nodige aanwijzingen zijn 
aangebracht betreffende de plaatsen, waar de reddingmiddelen 
zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen zijn te bereiken 
en hoe de reddingmiddelen moeten worden gebruikt,. 


11 


Vóór het aldus onder o bepaalde wordt ingevoegd: 
/. de voorgeschreven stabiliteitsgegevens aan boord zijn; 
m. de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven 
voorschriften in acht zijn genomen; 


n. de met betrekking tot het vervoer van vee gegeven voor­ 
schriften in acht zijn genomen. 


12 


In artikel 5, eerste lid, onder c, wordt in plaats van „vrij- 
boord" gelezen: minimum vrijboord. 


13 


Het vierde lid van artikel 6 wordt gelezen: Voor het 
onderzoek van schepen en voor verdere werkzaamheden, nodig 
voor de afgifte van certificaten, worden naar een door Onze 
Minister te stellen tarief kosten berekend, voorzover dat onder­ 
zoek en die werkzaamheden niet door een der door Ons 
erkende particuliere onderzoekingsbureaux zijn verricht. 


14 


Het vijfde lid van artikel 6 vervalt. 


15 


In artikel 8, eerste lid, wordt inplaats van „ambtenaren in 
Nederlandsch-Indië of Suriname" gelezen: ambtenaren in 
Suriname. 


16 


In artikel 9, eerste lid, onder ƒ, wordt na het woord 
„schepen" ingevoegd: en vliegtuigen. 


17 


In artikel 9 wordt de punt aan het slot van het eerste lid 
vervangen door een punt-komma, waarna wordt toegevoegd: 


k. zorg te dragen, dat de met betrekking tot oorlog of 
oorlogsgevaar gegeven voorschriften worden nageleefd; 


/. zorg te dragen, dat de met betrekking tot het vervoer 
van vee gegeven voorschriften worden nageleefd. 


18 


In artikel 26, derde lid, wordt een komma geplaatst na het 
woord „machinist" en wordt inplaats van „of radiotelegrafist" 
gelezen: radiotelegrafist of radiotelefonist. 


19 


In artikel 26bis, derde lid, wordt een komma geplaatst na 
het woord „machinist" en wordt inplaats van „of radiotele­ 
grafist" gelezen: „radiotelegrafist of radiotelefonist. 


20 


In artikel 27, derde lid, vervallen de woorden „of onder een 
artikel van soortgelijke strekking van eene Nederlandsch-In- 
dische algemeene verordening". 


21 


In artikel 28, derde lid, wordt inplaats van „ambtenaren in 
Nederlandsch-Indië of Suriname" gelezen: ambtenaren in 
Suriname. 


22 


Het opschrift van Hoofdstuk IV, § 2, wordt gelezen: Onge­ 
schiktheid van kapiteins, stuurlieden, machinisten, radiotele­ 
grafisten of radiotelefonisten. 


23 


In artikel 34 wordt telkens na de woorden „machinist" of 
„machinisten" een komma geplaatst en wordt telkens inplaats 
van „of radiotelegrafist" onderscheidenlijk „of radiotelegra­ 
fisten" gelezen: „radiotelegrafist of radiotelefonist" onder­ 
scheidenlijk „radiotelegrafisten of radiotelefonisten". 


24 


In artikel 36, eerste lid, wordt na de woorden „machinisten" 
en „machinist" een komma geplaatst en wordt inplaats van „of 
radiotelegrafisten" en „of radiotelegrafist" gelezen: „radio­ 
telegrafisten of radiotelefonisten" onderscheidenlijk „radiotele­ 
grafist of radiotelefonist". 


25 


In artikel 48 wordt telkens na het woord „machinist" een 
komma geplaatst en wordt telkens inplaats van „of radio­ 
telegrafist" gelezen: radiotelegrafist of radiotelefonist. 


26 


ln artikel 49, derde lid, wordt inplaats van „in Nederlandsch- 
Indië of Suriname" gelezen: in Suriname. 


27 


In artikel 54bis, onder d, wordt inplaats van „artikel 9, 
eerste lid onder e, f en g" gelezen: artikel 9, eerste lid onder e, 
f, g, k of l. 


28 


In artikel 63 wordt telkens inplaats van „in Nederlandsch- 
Indië, Suriname of de Nederlandse Antillen" gelezen: in Suri­ 
name of de Nederlandse Antillen. 


29 


In artikel 67, eerste lid, wordt inplaats van „de radio-tele- 
grafie en de passagiersschepen" gelezen: de radio-telegrafie en 
-telefonie, de passagiersschepen en het vervoer van vee. 


30 


In artikel 70, eerste lid, wordt in plaats van „in dienst van 
het Rijk" gelezen: „in openbare dienst van het Rijk" en wordt 
aan het slot na het woord „zee" ingevoegd: dan wel op of in 
de nabijheid van de kust van de Nederlandse Antillen of in 
een haven van dat Rijksdeel. 


Artikel II 


Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons 
te bepalen tijdstip. 


Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden 
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, 
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw­ 
keurige uitvoering de hand zullen houden. 


Gegeven te Sankt Anton, 31 December 1952. 


JULIANA. 


De Minister van Verkeer en Waterstaat, 


J. ALGERA. 


De Minister voor Uniezaken 


en Overzeese Rijksdelen, 


W. J. A. KERNKAMP. 


Uitgegeven de drie en twintigste Januari 1953. 


De Minister van Justitie, 
L. A. DONKER. 


"eelt de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


- 3 — 
98 


A" 1953 
N° 99 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 11, bepalende de op­ 
neming in het Publicatieblad van het Koninklijk Besluit 
van 12 Februari 1952, houdende aanwijzing van de 
krachtens de Schepenwet erkende particuliere onder- 
zoekingsbureaux. 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 
Gelezen: 


de brief dd. 5 December 1952 no. 35421/821 Doss. 
17o4, Afdeling Suriname en Nederlandse Antillen, van de 
heer Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen; 


HEEFT GOEDGEVONDEN: 


Te bepalen, dat het Koninklijk Besluit van 12 Fe­ 
bruari 1952, houdende aanwijzing van de krachtens de 
Schepenwet erkende particuliere onderzoekingsbureaux 
(Staatsblad no. 69) nevens dit besluit in het Publicatie­ 
blad zal worden bekendgemaakt. 


Willemstad, de 25ste Juni 1953. 
De Gouverneur voornoemd, 
STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


BESLUIT van 12 Februari 1952, houdende aanwijzing van 
de krachtens de Schepenwet erkende particuliere onder- 
zoekingsbureaux. 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz. 


Gelet op artikel 7, lid 1, van het Schepenbesluit; 


Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en 
Waterstaat van 5 Februari 1952, No. 315292 Z/121/121/2 
Directoraat-Generaal van Scheepvaart; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


met ingang van 1 Maart 1952: 


le. in te trekken het Koninklijk besluit van 28 Octo- 
ber 1943 (Staatsblad No. D 41); 


2e. aan te wijzen als door Ons krachtens de Schepen­ 
wet erkende particuliere onderzoekingsbureaux: 


a. 
Lloyd's Register of Shipping, united with The 
British Corporation Register, te Londen; 


b. Bureau Veritas, Régistre International de classi- 
fication des navires, te Parijs; 


c. Det Norske Veritas, te Oslo; 
d. The American Bureau of Shipping, te New York; 
e. Germanischer Lloyd, te Berlijn. 
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast 
met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staats­ 
blad zal worden geplaatst. 


Soestdijk, 12 Februari 1952. 


JULIANA. 


De Minister van Verkeer en Waterstaat, 


H. H. WEMMERS. 


Uitgegeven de veertiende Maart 1952. 


De Minister van Justitie, 
H. MULDERIJE. 


— 2 — 
99 


A° 1953 
N° 100 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 12, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van den 11 den December 1932, 
tot vaststelling van een Algemeenen Maatregel van Be- 
stuui als bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet 
(Staatsblad 1932, no. 620). 


IN NAAM DER KONINGIN.' 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


(N • 620i) H E S L U I T van den 17den December 1932, 
tot vaststelling van een Algemeenen Maatregel 
van Bestuur als bedoeld in artikel 10 van de 
Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 
i December 1932, La. F.F., afdeeling Vervoer en Mijnwezen; 


Den Eaad van State gehoord (advies van 13 December 1932 
n°. 36); 


Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister 
van 15 December 1932, La. G.G., afdeeling Vervoer- en 
Mijnwezen; 


Gelet op artikel 10 van de Schepenwet; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


met ingang van den dag, waarop de wet van den 31sten 
December 1931 (Staatsblad n°. 587) in werking treedt, met 
intrekking van het Koninklijk besluit van den 22sten September 
1909 (Staatsblad n°. 316), het laatst gewijzigd bij het Konink­ 
lijk besluit van den 21sten December 1928 (Staatsblad n°. 494) 
vast te stellen de navolgende instuctie voor de in artikel 10 der 
Schepenwet bedoelde ambtenaren. 


Artikel 1. 


Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 
„Onzen Minister , Onze Minister met de uitvoering van de 
Schepenwet belast. 


Artikel 2. 


1 
De ambtenaren van de scheepvaartinspectie dragen den 
titel van inspecteur generaal, inspecteur, adjunct-inspecteur, 
expert, adjunct-expert, scheepsbouwkundig adviseur en scheeps- 


bouwkund 8^8^^ generaal) verder genoemd hoofd van de 


scheepvaartinspectie, is verantwoordelijk voor en belast met 
e 
algemeene leiding van den dienst der scheepvaartinspectie, onde 


hevelen van Onzen Minister. 


3 
De scheepsbouwkundig adviseur, de scheepsbouwkundig 
ingenieur en de door Ons, krachtens artikel 10, lid 2, der Schepen­ 
wet ter beschikking gestelde ambtenaren van andere dienst­ 
takken, zijn rechtstreeks werkzaam onder de bevelen van het 


hoofd van de scheepvaartinspectie. 
. 


Aan het hoofd van de scheepvaartinspectie worden overigens 


de noodige ambtenaren toegevoegd. 
, 
, 


4 
Het hoofd van de scheepvaartinspectie, de aan dezen toe­ 
gevoegde ambtenaren, de scheepsbouwkundig adviseur en de 
scheepsbouwkundig ingenieur he.bben hunne standplaats 


Onze" Minister wijst eiken ambtenaar van de scheepvaart­ 
inspectie, met uitzondering van die in het vorige lid genoemd, 
eene standplaats aan. 


Artikel 3. 


1 
De ambtskring van het hoofd van de scheepvaartinspectie 
en de aan dezen toegevoegde ambtenaren omvat het geheele Rijk. 


2 
Onze Minister wijst eiken ambtenaar van de scheepvaart­ 
inspectie, met uitzondering van het hoofd van de scheePvaa ; 
inspectie en de aan dezen toegevoegde ambtenaren, het onder 
zijn ambtskring vallende district of de onder zijn ambtskr.n0 


vallende districten aan. 
. 
, , 


3. 
De bemoeiingen van de in het vorige lid ^doelde ambte­ 
naren strekken zich uit over alle schepen, wel'ke m het :hun 
aangewezen district of de hun aangewezen districten thuis 


hooren of zicli alclsi&r bövindön* 


4 
De in artikel 10 van de Schepenwet bedoelde ambtenare 


bezitten eene algemeene bevoegdheid tot 
toezicht en tot het opsporen van overtredingen van de Schep 
wet en van hare uitvoeringsbepalingen, die van de scheepvaart- 
inspectie mede tot het uitvoeren van artikel 16 der Schepenwet, 


620 


2 


3 
620 


ten aanzien van alle schepen, waar deze zich ook bevinden, hetzij 
in het binnenland, hetzij in het buitenland. 


5. Ten aanzien van schepen, welke zich in het buitenland 
bevinden, geschiedt het uitoefenen van toezicht en het opsporen 
van overtredingen van de Schepenwet en van hare uitvoerings­ 
bepalingen, zoomede de uitvoering van artikel 16 dier wet, door 
het hoofd van de scheepvaartinspectie of, ingevolge diens bijzon­ 
dere opdracht, door de ambtenaren van de scheepvaartinspectie 
of, met uitzondering van de uitvoering van artikel 16 bovenge­ 
noemd, door de krachtens artikel 10, lid 2, van de Schepenwet 
ter beschikking gestelde ambtenaren. 


Artikel 4. 


De ambtenaren van de scheepvaartinspectie leggen bij de aan­ 
vaarding hunner bediening in handen van Onzen Commissaris 
in de provincie, waarin hunne standplaats is gelegen, den eed 
of de belofte af, dat zij de plichten hunner bediening getrouw 
zullen vervullen. 


Artikel 5. 


1. Behoudens het bepaalde in artikel 61, lid 3, van het Alge­ 
meen Rijksambtenarenreglement mogen de ambtenaren van de 
scheepvaartinspectie, tenzij met bijzondere schriftelijke vergun­ 
ning van Onzen Minister: 


a. geen particuliere betrekking waarnemen, onder welke be­ 
naming of van welken aard ook, en 


b. geen opdracht aanvaarden tot het verrichten van werk­ 
zaamheden ten behoeve van derden. 


2. De in artikel 10 van de Schepenwet bedoelde ambtenaren 
mogen rechtstreeks noch middellijk deelnemen aan scheepvaart- 
of aanverwante ondernemingen. 


Artikel 6. 


1. Voor het toezicht, met uitzondering van dat op de zee- 
visschersvaartuigen, welke thuis behooren in Noord-Holland, 
behalve de eilanden Vlieland en Terschelling, Zuid-Holland, 
Zeeland en Noord-Brabant, worden drie districten gevormd, 
onderscheidenlijk omvattende: 


1°. 
Noord-Holland, behalve de eilanden Vlieland en Ter­ 
schelling, Zuid-Holland benoorden de spoorlijn Leiden—Utrecht 
en Utrecht; 


2» 
Zuid-Holland bezuiden de spoorlijn Leiden—Utrecht, 
Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met uitzonde­ 
ring van de Zuiderzeeplaatsen; 


3» 
Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel <le Zuider­ 
zeeplaatsen in Gelderland, benevens de eilanden Vlieland en 
Terschelling. 


2 
Yoor het toezicht op de zeevisschersvaartuigen, welke 


thuis behooren in Noord-Holland, behalve de eilanden Vlieland 
en Terschelling, Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant, wordt 
een afzonderliik — vierde — district gevormd. 


3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd in 


bijzondere gevallen: 


a 
aan ambtenaren van het eerste, tweede en derde district 
het'toezicht op te dragen op tot het yierded^trictbehoorende 
visschersvaartuigen in plaatsen, binnen het district, waarin hu 
standplaats is gelegen; 


b 
aan ambtenaren van het vierde district het toezicht op 
te dragen op schepen, geen visschersvaartuigen zijnde, ln 
van de onder a bedoelde districten, waarin hunne standplaats 


is gelegen. 


Artikel 7. 


1. Het toezicht wordt uitgeoefend onder leiding van een door 


-ï'*£fsü2ïs 
rrx t-- 


van het hoofd van de scheepvaartinspectie. 


Artikel 8. 


Het hoofd ».» de ,eheepv«.rtiu.peetie tawe».» 


»iei 


dUtric, d.a rij 
b«2dSiett\»LrmWe« d5t 


hoofd stellen. 


4 
620 


Artikel 9. 


1. De ambtenaren van de scheepvaartinspectie houden door­ 
loopend toezicht op den toestand, waarin de schepen, waarover 
hunne bevoegdheid zich uitstrekt, zich bevinden, op hunne uit­ 
rusting, belading en bemanning, in zooverre het toezicht op deze 
zaken bij en krachtens de Schepenwet is voorgeschreven. 


2. Voor de uitoefening van het in het vorige lid bedoelde 
toezicht begeven zij zich op ongezette tijden aan boord der aan 
het toezicht onderworpen schepen en op de werven en in de 
dokken, waar deze schepen zich bevinden. 


3. 
Zij overtuigen zich of de schepen op merkbare wijze in 
sterkte zijn achteruitgegaan, dan wel schade hebben beloopen 
en of herstellingen op afdoende wijze en met deugdelijk mate­ 
riaal worden en zijn verricht. 


4. Zij overtuigen zich of is of zal worden voldaan aan de 
voorschriften, in artikel 4 der Schepenwet bedoeld of krachtens 
artikel 5 dier wet gesteld of gegeven. 


5. Zij zijn bevoegd zich alle in het Schepenbesluit genoemde 
voorwerpen te doen vertoonen, inzage te nemen van de dag­ 
boeken, van de registers van waarnemingen betreffende kom­ 
passen en tijdmeters, van de certificaten en bewijzen, afgegeven 
bij het onderzoeken van lantaarns, instrumenten, enz. en in het 
algemeen van alle bescheiden, welke kunnen dienen om te be- 
oordeelen, of de voorschriften worden nageleefd. 


6. Ter juiste beoordeeling en toepassing van het voorkomende 
in. Hoofdstuk IV van het Schepenbesluit zal zoo noodig, en meer 
in het bijzonder op scheepsbouwkundig gebied, het advies van 
den scheepsbouwkundig adviseur of van diens vervanger worden 
ingewonnen. 


"l • ^ -"-n geval van twijfel of de voorschriften van de artikelen 
71, '2 en 75 van het Schepenbesluit behoorlijk worden nage­ 
leefd, wordt door hen de voorlichting ingeroepen van den Direc­ 
teur van eene der Filiaalinrichtingen van het Koninklijk Neder- 
landsch Meteorologisch Instituut of van personen, die door 
Onzen Minister zijn aangewezen als bevoegd om kompassen te 
controleeren. 


8. 
Zij doen van tijd tot tijd de scheepsbooten te water bren­ 
gen en brandbluschmiddelen en lensinrichtingen te werk stellen 
cm zich van de goede werking te overtuigen. 


9. De ambtenaren van andere diensttakken gedragen zich naar 
de in de leden 1 tot en met 5 gegeven voorschriften, met dien 


5 
620 


verstande, dat zij hunne bemoeiingen slechts uitstrekken tot de 
werkzaamheden, waarvoor zij zijn aangewezen. 


Artikel 10. 


1. Bemerkt een ambtenaar, dat aan een of meer voorschrif­ 
ten niet is voldaan, dan maakt hij den kapitein hierop opmerk­ 
zaam. 


2. Blijkt hem uit het ontvangen antwoord, dat het voor­ 
nemen niet bestaat aan de opmerking gevolg te geven, is de tijd 
van vertrek van het schip zoo na op handen, dat wellicht de tijd 
hiervoor zal ontbreken, of ziet hij bij een nader bezoek, dat er 
nog geen gevolg aan gegeven is, dan handelt hij onverwijld over­ 
eenkomstig het bepaalde in artikel 15 van de Schepenwet door 
hiervan kennis te geven aan zijn onmiddellijken chef. 


Artikel 11. 


1. De ambtenaren zijn verplicht van alle belangrijke zaken, 
welke zich bij hunne inspecties voordoen, aanteekening te houden 
en daarvan geregeld mededeeling te doen aan hun onmiddel­ 
lijken chef. 
, ... 


2. De districtshoofden zenden maandelijks een afschrift van 
hunne aanteekeningen en van die der onder hunne bevelen 
dienende ambtenaren aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. 


Artikel 12. 


1. De districtshoofden zien toe op de nauwgezette plichts­ 
betrachting van de onder hunne bevelen gestelde ambtenaren. 


2. Hiertoe begeven zij zich ook aan boord van de schepen, 
op de werven en in de dokken, waar zich onder toezicht staande 
schepen bevinden. 
, 
3. Door tusschenkomst van de onder hunne bevelen gestelde 


ambtenaren en door andere doeltreffende middelen zorgen zij 
steeds op de hoogte te blijven van den toestand van de schepen, 
welke zich binnen hun district bevinden. 


4 
Indien een schip uit hun district naar een ander wordt 
overgebracht, worden de van dit schip beschikbare gegevens aan 
het betrokken districtshoofd overgegeven, waarbij op bijzonder­ 
heden wordt gewezen. 


Artikel 13. 


Wanneer een districtshoofd van oordeel is, dat het noodig zal 
zijn een schip te dokken of op andere wijze droog te zetten, 


6 
620 


geeft hij hiervan zoo tijdig mogelijk kennis aan den eigenaar en 
den kapitein, opdat dezen hiermede rekening kunnen houden bij 
het regelen der werkzaamheden. 


Artikel 14. 


Wanneer een districtshoofd verneemt, dat in de gevallen, be­ 
doeld in artikel 10, 1ste lid, meeningsversehil bestaat tusschen 
den ambtenaar en den kapitein of den eigenaar, dan stelt hij 
zich op de hoogte en tracht overeenstemming te bereiken ten 
einde verdere moeilijkheden te voorkomen. 


Artikel 15. 


1. Wanneer een ambtenaar van de scheepvaartinspectie, die 
werkzaam is gesteld onder de bevelen van een districtshoofd, 
meent, dat gevaarlijke stoffen op ongeoorloofde wijze zijn ge­ 
laden of dat door ondoelmatige belading de stabiliteit van het 
schip gevaar loopt, vraagt hij de machtiging van dat districts­ 
hoofd om de lading, geheel of gedeeltelijk te doen lossen, of om 
eene stabiliteitsproef te doen nemen. Het districtshoofd kan ook 
uit eigen beweging hiertoe overgaan. 


2. Tot het nemen van eene stabiliteitsproef, hetzij met het 
ledige, hetzij met het geladen schip, zal intusschen niet worden 
overgegaan, voordat de scheepsbouwkundig adviseur of diens 
vervanger is geraadpleegd. 


3. In de in het eerste lid bedoelde gevallen, zoomede in het 
geval, bedoeld in artikel 13, doet het districtshoofd onverwijld 
mededeeling aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. Hierbij 
vermeldt hij tevens, of van de zijde van den eigenaar of van den 
kapitein tegen de lastgeving bezwaar is gemaakt. Is dit geschied, 
dan gaat hij niet tot de uitvoering over, voordat de beslissing 
van het hoofd van de scheepvaartinspectie is ontvangen, of voor 
het geval beroep is ingesteld, voordat omtrent dit beroep is 
beslist. 


Artikel 16. 


De districtshoofden zijn verplicht van alle voorvallen met 
betrekking tot het toezicht binnen hun district nauwkeurig aan- 
teekening te houden of te doen houden in hiervoor aangelegde 
registers. 


7 
620 


620 
8 


Artikel 17. 


1. Jaarlijks vóór 1 Mei zendt het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie aan Onzen Minister een gedrukt verslag betreffende 
de werking en de toepassing van de wettelijke voorschriften en 
den gang van den dienst in de districten, aangevuld met statis­ 
tische opgaven. 


2. 
Telkenmale wanneer door het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie vrijstelling wordt verleend van het naleven van een 
of meer bepalingen van het Schepenbesluit, wordt daarvan door 
hem onder opgave der gronden aan Onzen Minister verslag uit­ 
gebracht. 


Artikel 18. 


1. De districtshoofden zijn gemachtigd om, voor zoover hun 
district betreft, binnenslands die reizen te doen, welke voor eene 
goede uitoefening van den dienst der scheepvaartinspectie nood­ 
zakelijk zijn. 


2. De scheepsbouwkundig adviseur, de scheepsbouwkundig 
ingenieur en de ambtenaren van andere diensttakken zijn ge­ 
machtigd, de laatsten voor zoover den dienst der scheepvaart­ 
inspectie betreft, binnenslands die reizen te doen, welke voor 
de goede uitoefening van den hun opgedragen dienst nood­ 
zakelijk zijn. 


3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie kan de hem toe­ 
gevoegde ambtenaren en de districtshoofden kunnen de onder 
hunne bevelen staande ambtenaren, indien noodzakelijk, mach­ 
tigen tot een gelijk doel. 


4. Yoor reizen buiten Nederland voor den dienst der scheep­ 
vaartinspectie moet de toestemming van Onzen Minister of van 
het hoofd van de scheepvaartinspectie zijn verkregen. 


Artikel 19. 


1. Het hoofd van de scheepvaartinspectie en de districts­ 
hoofden behoeven voor elke afwezigheid van hunne standplaats, 
welke niet met den dienst in verband staat en langer dan acht 
dagen duurt, verlof van Onzen Minister. 


2. Een districtshoofd is bevoegd aan de ambtenaren, onder 
zijne bevelen werkzaam, een verlof tot afwezigheid van ten 
hoogste vier dagen te verleenen, evenwel behoudens goedkeuring 
van het hoofd van de scheepvaartinspectie. 


3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd, met 
inachtneming van hefc bepaalde in lid 1, aan de ambtenarek van 
de scheepvaartinspectie verlof tot afwezigheid te verleenen en 
zelf verlof tot afwezigheid van ten hoogste acht dagen te nemen, 
dit laatste evenwel behoudens goedkeuring van Onzen Minister. 


4. De aanvragen om verlof tot afwezigheid van de ambte­ 
naren, onder de bevelen van een districtshoofd werkzaam, ge­ 
schieden door diens tusschenkomst, die van de districtshoofden 
voor een langeren duur dan acht dagen, door tusschenkomst van 
het hoofd van de scheepvaartinspectie. 


5. I)e verloven van de ambtenaren van andere diensttakken 
worden verleend volgens de bij die diensttakken geldende rege­ 
lingen, nadat te voren het hoofd van de scheepvaartinspectie 
heeft verklaard uit hoofde van de belangen van den dienst der 
scheepvaartinspectie tegen een bepaald verlof geen bezwaar te 
hebben. 


6. Bij afwezigheid van het hoofd van de scheepvaartinspectie 
zal de hem toegevoegde inspecteur als zijn vervanger optreden. 


Artikel 20. 


1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepen­ 
wet, doen, onverminderd het bepaalde bij de artikelen 157 en 
159 van het Wetboek van Strafvordering, een afschrift van de 
door hen opgemaakte processen-verbaal — de ambtenaren onder 
de bevelen van een districtshoofd werkzaam, door diens tus­ 
schenkomst — toekomen aan het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie. 


2. Op gelijke wijze wordt zoo mogelijk het gevolg, dat een 
proces-verbaal heeft gehad, ter kennis van het hoofd van de 
scheepvaartinspectie gebracht. 


Artikel 21. 


Bij de uitoefening van hun ambt zijn de ambtenaren, bedoeld 
in artikel 10 van de Schepenwet, steeds voorzien van eene hun 
door Onzen Minister af te geven legitimatiekaart. 


Artikel 22. 


De in artikel 81, onder a en c, van het Algemeen Rijksambte­ 
narenreglement genoemde straffen kunnen door het hoofd van 
de scheepvaartinspectie worden opgelegd; die genoemd onder 
j en k van dat artikel worden opgelegd door het gezag, dat be- 


9 
620 


voegd is tot benoeming tot het door den betrokkene bekleede 
ambt, en de overige in dat artikel genoemde straffen door 
Onzen Minister. 


Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van 
dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en 
waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State. 
* 


's-Gravenhage, den 17den December 1932. 


W I L H E L M I N A . 


Dc Minister van Waterstaat, 


P . J . R E Y M E R . 


Uitgegeven den zeven en twintigsten December 1932. 


De Minister van Justitie, 


J. D O N N E R . 


10 
620 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
100 


A° 1953 
N° 101 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 13, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van 21 Octobcr 1952, houdende, 
wijziging van het Koninklijk Besluit van 11 December 
1932 Stbl. 620, tot vaststelling van een algemene maat­ 
regel van bestuur, als bedoeld in artikel 10 van de Sche­ 
penwet (Staatsblad 1952, no. 506). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN 
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat 
van 23 Januari 1951, no. 266.906/J„ Directoraat-Generaal van 
Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en de Mi­ 
nister zonder Portefeuille L. Götzen van 28 Februari 1951, Afdeling 
Suriname en Nederlandse Antillen, no. 14; 


Gelet op artikel 10 van de Schepenwet; 


Overwegende dat het in verband met de invoering van de wet 
van 19 Juli 1950 (Stb. K 300), houdende nadere wijziging van de 
Schepenwet, noodzakelijk is tevens wijzigingen aan te brengen in het 
Koninklijk besluit van 17 December 1932 {Stb. 620); 


De Landsregering van de Nederlandse Antillen gehoord (advies 
van 9 Februari 1952, no. 10229/39); 


De Raad van State gehoord (advies van 13 Maart 1951, no. 24); 


Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en 
Waterstaat van 8 October 1952, no. 320.648/J/95/95/10 Direc- 
L°rf^eneraal 
ScheePvaart' en voor Uniezaken en Overzeese 
S«UetenoVa31191 
^ 
AfdeUn8 Suriname en Nederlandse 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


Artikel I 


Het Koninklijk besluit van 17 December 1932, Stb. 620 wordt 
gewijzigd als volgt: 


a. Na artikel 1 wordt een nieuw artikel la ingevoegd, luidende: 
* b e p a a l d e i n d e a r t i k e l e n 4 , 5 , e e r s t e l i d , 1 8 , 1 9 2 1 e n 2 2 
HܰM , fslu,U isAnie.t van toepassing op de door de Gouverneur van 
de Nederlandse Antillen benoemde ambtenaren van de scheepvaart- 


inspectie. De in die artikelen behandelde onderwerpen worden, voor­ 
zone' het betreft de door de Gouverneur van de Nederlandse An­ 
tillen benoemde ambtenaren, geregeld bij Landsverordening, 


2 
De in de artikelen 2, vijfde lid, 3, tweede üd, en 7 omschreven 
aanwijzingen worden, voorzover het betreft de door de 
van de Nederlandse Antillen benoemde ambtenaren, gedaan door de 
Gouverneur van de Nederlandse Antillen, 


b. In artikel 2 wordt telkens na „adviseur" ingevoegd: , scheeps­ 
bouwkundig hoofdingenieur. 


c 
In artikel 3, eerste lid, worden de woorden „het gehele Rijk 
vervangen door: Nederland en de Nederlandse Antillen. Aan het 
eerste lid wordt aan het slot de volgende zin toegevoegd: 


De door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen benoemde 
ambtenaren zijn uitsluitend werkzaam in het gebied van de Ned 
landse Antillen. 


d. Artikel 6, eerste lid, wordt gelezen: 
1 
Voor het toezicht, met uitzondering van dat op de zeevissers- 
vaartuigen, welke thuisbehoren in Noord-Holland, Zuld"H°1^' 
Zeeland en Noord-Brabant, worden vier districten gevormd, ond 
scheidenlijk omvattende: 


1°. Noord-Holland, Zuid-Holland benoorden de spoorlijn Lei­ 
den—Utrecht, Utrecht, Noord-Brabant beoosten de spoorlijn s-He 
togenbosch—Tilburg, Gelderland en Limburg; 


2° 
Zuid-Holland bezuiden de spoorlijn Leiden—Utrecht, Zee­ 
land, Noord-Brabant bewesten de spoorlijn s-Hertogenbosch 
Hl- 


burg'» 
.. 


3". Groningen, Friesland, Drente en Overijssel, 
4°. de Nederlandse Antillen. 


e. Artikel 6, tweede lid, wordt gelezen: 
2 
Voor het toezicht op de zeevissersvaartuigen, welke thuisbe- 


horen in Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant, 
wordt een afzonderlijk vijfde district gevormd. 


ƒ. 
In artikel 6, derde lid, wordt onder a en b „vierde" vervangen 
door „vijfde". 


o 
m artikel 8 worden na „aan de ambtenaren toegevoegd de 
woorden „van de ^districten 1, 2, 3 en 5", terwijl „der wordt ver­ 
vangen door „dier". 


h. Aan artikel 15 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: 
4 
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en de laatste 
zin van het derde lid, kan het districtshoofd in de Nederiandse An-j 
tillen nalaten de scheepsbouwkundig adviseur te raadplegen, onder 
scheidenlijk een beslissing van het hoofd van de scheepvaartinspectie.. 


3i 
wachten, indien daardoor naar zijn mening ongewenst opont­ 
houd zou ontstaan. 


i. In artikel 18, tweede lid, wordt na „adviseur" ingevoegd: 
de 
scheepsbouwkundig hoofdingenieur. 


Artikel II 


Dit besluit treedt in werking tegelijkertijd met de wet van 19 Juli 
1950, Stb. K 300. 


Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit­ 
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst 
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 


Soestdijk, 21 October 1952. 


r> 
• . 
T, , 
JULIANA. 
Ue Minister van Verkeer en Waterstaat, 


J ALGERA. 


De Minister voor Uniezaken 
en Overzeese Rijksdelen, 


W. J. A. KERNKAMP. 


Uitgegeven de achttiende November 1952. 


De Minister van Justitie, 
- 
- 
L. A. DONKER. 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


- 3 — 
101 


A° 1953 
N° 102 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 14, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van den llden December 1932, 
tot uitvoering van artikel 22 en van artikel 23, 8ste en 
9de lid, der Schepenwet (Staatsblad 1932, no. 621). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


(N • 621.) B E S L U I T van den 17den December 1932, 


tot uitvoering van artikel 22 en van artikel 23, 
8ste en 9de lid, der Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAD, ENZ., ENZ., ENZ. 


Overwegende, dat het ter uitvoering van artikel 22 en van 
artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet noodig is: 


1 . nadere regelen vast te stellen, bij de behandeling van 
bij den voorzitter van den Baad voor de scheepvaart ingestelde 
beroepen in acht te nemen; 


2°. den werkkring en de bevoegdheden van den voorzitter, 
de ieden en den secretaris van den Raad voor de scheepvaart, 
zoomede van hunne plaatsvervangers te regelen-; 


3°. den werkkring en de bevoegdheden te regelen van het 
hoofd en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie 
in verband met hunnen arbeid bij den Raad voor de scheep­ 
vaart ; 
r 


Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 
7 December 1932, La. E.E., afdeeling Vervoer- en Mijnwezen; 


Den Raad van State gehoord (advies van 13 December 1932 
n°. 35); 


Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Waterstaat 
\an 15 December 1932, La. H.H., afdeeling Vervoer- en Miin- 
wezen; 
1 


Hebben goedgevonden en verstaan; 


io?ïet,Ó?gan? ,VBn den dag' waaroP de Wet van 31 December 
vol (Staatsblad n°. 587) tot wijziging van de Schepenwet in 
werking treedt, 


a 
m te trekken Ons besluit van den 5den October 1909 
(Staatsblad n°. 333), gewijzigd bij Ons besluit van den 28sten 
oeptember 1914 (Staatsblad n°. 465); 


b . vast te stellen de ondervolgende regelen, als bedoeld bij 
artikel 22 en bij artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet. 


Artikel 1. 


1. Het beroepschrift, bedoeld in artikel 21 der Schepenwet, 
moet bevatten den naam en de voornamen voluit, het beroep 
en de woonplaats van den appellant, moet door hem of zijn 
gemachtigde onderteekend zijn en moet inhouden de vermelding 
van een adres, waaraan voor hem bestemde exploiten kunnen 
worden beteekend of kennisgevingen kunnen worden toegezonden 
of bezorgd. 


2. Het beroepschrift moet aangeboden of toegezonden worden 
aan den secretaris van den Raad voor de scheepvaart, die het, 
na daarop den datum van ontvangst te hebben vermeld, dade­ 
lijk doet toekomen aan den voorzitter van den Raad voor de 
scheepvaart of, bij diens ontstentenis, aan een der plaatsver­ 
vangende voorzitters. 


Artikel 2. 


1. De voorzitter bepaalt vervolgens plaats, dag en uur, 
waarop door hem de zaak zal worden behandeld en wijst 
tegelijkertijd de leden van den Raad aan, die hij daarbij zal 
raadplegen. 


2. De secretaris is verplicht de plaats, den dag en het uur 
van de zitting mede te deelen aan den appellant, aan den 
ambtenaar of aan de commissie, van wiens of wier beslissing 
of voorschrift beroep is ingesteld, aan de voormelde leden van 
den Raad en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien 
deze niet is de ambtenaar, van wiens beslissing of voorschrift 
beroep is ingesteld. 
.. 


3. 
Deze kennisgeving geschiedt aan den appellant, hetzij DIJ 
aangeteekenden brief, hetzij bij telegram; aan de overige per­ 
sonen en aan de commissie bij brief, telegram of telefoon. 


Artikel 3. 


Ter zitting is de secretaris van den Raad tegenwoordig en 
bij diens ontstentenis de plaatsvervangende secretaris of een 
door den voorzitter als secretaris aan te wijzen lid van den 
Raad. 


Artikel 4. 


De aan getuigen en deskundigen toegelegde schadeloosstel­ 
lingen worden door den secretaris van den Raad uitbetaald uit 


2 
621 


3 
621 


de gelden, welke hem tot dat einde ter goede rekening zullen 
worden gegeven. 


Artikel 5. 


1. De voorzitter, de gewone en buitengewone leden, de 
plaatsvervangende voorzitters, de plaatsvervangende leden, de 
secretaris en de plaatsvervangende secretaris van den Raad 
leggen alvorens zitting te nemen in handen van den Commis­ 
saris der Koningin in de provincie Noordholland defn) navol­ 
gende^) eed (belofte) af: 


,,lk zweer (beloof), dat ik het ambt van (voorzitter, lid, enz.) 
van den Raad voor de scheepvaart overeenkomstig de voor­ 
schriften bij en krachtens de Schepenwet gegeven nauwgezet 
en onpartijdig zonder aanzien van personen zal waarnemen. 
Zoo waarlijk helpe mij God almachtig (Dit beloof ik). 


2. Bij herbenoeming na eene periodieke aftreding wordt 
geene nieuwe eedsaflegging vereischt. 


Artikel 6. 


1. Wanneer een plaatsvervangende voorzitter, een gewoon, 
een buitengewoon of een plaatsvervangend lid, de secretaris of 
zijn plaatsvervanger zijne woonplaats verlaat, geeft hij daarvan 
zoowel als van zijne terugkomst kennis aan den voorzitter. 


: In geval van tijdelijke afwezigheid van den voorzitter 
doet deze gelijke kennisgeving aan de plaatsvervangende voor­ 
zitters en aan den secretaris of, bij diens ontstentenis, aan 
dengenen, die dezen vervangt. 


Artikel 7. 


1. De secretaris is verplicht registers te houden: 
1 . van de bij den Raad in onderzoek zijnde zaken; 
2°. van de bij den voorzitter van den Raad ingestelde be­ 
roepen, 


in welke registers kortelijk worden vermeld alle zaken in den 
rang, waarop zij worden aangebracht. 


2. Aan iedere zaak wordt een afzonderlijk nummer gegeven- 
in de registers wordt ook kortelijk aanteekening gehouden van 
al hetgeen verder in iedere zaak voorvalt. 


3. De beide registers worden afzonderlijk en doorloopend 
genummerd. 


4. Voorts bewaart de secretaris het archief van den Raad 
en van den voorzitter en is daarvoor persoonlijk aansprakelijk. 


5. Van de uitgaande brieven worden door den secretaris 
afschriften aangehouden. 


Artikel 8. 


1 
De zittingen worden belegd door den voorzitter of, bij 
diens ontstentenis, door een plaatsvervangenden voorzitter die 
met inachtneming van het bepaalde in artikel 23, tweede, derde 
en vierde lid, der Schepenwet aan den secretaris opgeeft, welke 
leden moeten worden opgeroepen. 


2 
De secretaris zorgt voor de oproeping van de leden en 
voor de kennisgeving aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. 


3. Indien vóór de openbare behandeling eener zaak aan deu 
Raad stukken worden overgelegd, welke bij de sluiting van het 
voorloopig onderzoek aan het hoofd van de scheepvaartinspectie 
onbekend waren, brengt de voorzitter die stukken vóór den aan­ 
vang der zitting ter kennis van het hoofd van de scheepvaart­ 
inspectie. 


Artikel 9. 


Vóór het openen der zitting wordt door den voorzitter en de 
aanwezige leden de presentielijst geteekend. 


Artikel 10. 


1. In de zittingen nemen de leden plaats naar ouderdom 
van dienst: 


het oudst benoemde gewone lid rechts van den voorzitter; 
het 2de benoemde links van den voorzitter; 
het 3de benoemde rechts van het oudste lid; 
het 4de benoemde links van het tweede lid; 
het oudst benoemde buitengewone lid rechts van het" derde 
lid; 


het tweede benoemde buitengewone lid links van het vierde 
lid en zoo vervolgens. 


2. Bij gelijktijdige benoeming wordt de ouderdom van dienst 
geregeld naar de volgorde van het besluit van benoeming. 


3. Een plaatsvervangend lid neemt zitting na den jongs - 
benoemde van de categorie van leden, waartoe het te vervangen 
lid behoort. 


4 
621 


5 
621 


4. Bij herbenoeming na periodieke aftreding behouden de 
gewone, buitengewone en plaatsvervangende leden hunnen 
vorigen ouderdom van dienst. 


5. Het hoofd van de scheepvaartinspectie of degene, die hem 
vervangt, neemt plaats rechts en de secretaris links van den 
voorzitter na de gewone, buitengewone en plaatsvervangende 
leden. 


6. Na sluiting van de behandeling der zaak wordt in raad­ 
kamer beraadslaagd en de beslising genomen. 


7. Het hoofd van de scheepvaartinspectie woont de beraad­ 
slagingen en de beslissingen in raadkamer niet bij. 


Artikel 11. 


In alle zaken doet de voorzitter hoofdelijk omvraag, te be­ 
ginnen bij den jongstbenoemde van de buitengewone leden of, 
indien een van dezen wordt vervangen, bij het jongstbenoemde 
plaatsvervangend lid. De voorzitter brengt het laatst zijne stem 
uit. 


Artikel 12. 


1. De Baad of, indien de zaak nog niet bij den Baad in be­ 
handeling is, de voorzitter of diens plaatsvervanger kan een 
zijner leden of eene commissie uit zijn midden benoemen tot 
het instellen van een plaatselijk onderzoek of tot het hooren 
van getuigen. 


2. Hij kan den secretaris of diens plaatsvervanger aan dat 
lid of aan deze commissie toevoegen. 


Artikel 13. 


Alle brieven van den Baad uitgaande worden door den voor­ 
zitter en den secretaris onderteekend. 


Artikel 14. 


Indien de Baad inzage of afschrift van administratieve be­ 
scheiden of inlichtingen van eenig openbaar gezag wenscht 
te verkrijgen, wendt hij zich daartoe tot Onzen voornoemden 
Minister. 


Artikel 15. 


1. De secretaris houdt aanteekening van hetgeen in de ver­ 
gaderingen van den Baad en de zittingen van den Baad en 
van den voorzitter wordt behandeld en vermeldt den zakelijken 


621 
6 


inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen en 
van de opgaven der betrokkenen en aangeklaagden. 


2. Die aanteekeningen worden door den voorzitter en den 
secretaris vastgesteld en onderteekend. 


Artikel 16. 


1. De secretaris verricht voorts de werkzaamheden, hem 
door den voprzitter opgedragen. 


2. Bij zijne ontstentenis wordt hij vervangen door den plaats- 
vervangenden secretaris en, bij diens ontstentenis, door een ge­ 
woon, buitengewoon of plaatsvervangend lid, door den voorzitter 
aangewezen. 


3. De aanteekeningen van ter zitting van den Raad door 
getuigen, deskundigen, betrokkenen of aangeklaagden afgelegde 
verklaringen worden door dezen, na voorlezing, onderteekend. 


Artikel 17. 


Het hoofd van de scheepvaartinspectie of degene, die hem 
vervangt, heeft het recht ter zittingen van den Eaad vragen te 
stellen aan de getuigen, deskundigen, betrokkenen en aan­ 
geklaagden en zoodanige vorderingen te doen en toe te lichten 
nis hij noodig acht. 


Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering 
van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst 
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van 
State. 


's-Gravenhage, den 17den December 1932. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Waterstaat, 


P . 3 . R E Y M E R . 


Uitgegeven den zeven en twintigsten December 1932. 


De Minister van Justitie, 


j r . D O N N E R . 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 - 
102 


A° 1953 
N° 103 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 15, waarbij wordt 
afgekondigd liet Besluit van den J^den Maart 1935, tot 
wijziging van het Koninklijk Besluit van den 11 den De­ 
cember 19o2 (Staatsblad no. 621) tot uitvoering van ar­ 
tikel 22 en van artikel 23, 8ste en 9de lid, der Scheven- 
wet. 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


(N • 10£)«) B E S L U I T v a n d e n é d e n M a a r t 1 9 3 5 , 


tot wijziging van het Koninklijk besluit van 
den 17den December 1932 (Staatsblad n°. 
621), tot uitvoering van artikel 22 en van 
artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet. 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER 


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Op de voordracht van Onzen Minister van Staat, Minister 
van Waterstaat a.i., van 13 Februari 1935, La. C, afdeeling Ver­ 
voer- en Mijnwezen; 


Gelet op de artikelen 43 en 74 van de Schepenwet; 


Den Raad van State gehoord, advies van 19 Februari 1935, 
n°. 44; 


Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister 
\an 25 Februari 1935, La. D, afd. Vervoer- en Mijnwezen; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


te bepalen, dat het Koninklijk besluit van den 17den Decem­ 
ber 1932 (Staatsblad n°. 621), zal worden gewijzigd als volgt: 


Artikel I. 


In- den titel wordt in plaats van „en van artikel 23, 8ste en 
9de lid,", gelezen: „ , van artikel 23, 8ste en 9de lid en van 
artikel 43". 


Artikel II. 


In de considerans wordt onder 1°. de puntkomma aan het 
slot vervangen door ,,, alsmede betreffende de aan de deur­ 
waarders toe te kennen vergoedingen voor hunne verrichtingen 
ten behoeve van den Raad". 


105 
2 


Artikel III. 


Tusschen de artikelen 4 en 5 wordt een nieuw artikel 4a inge­ 
voegd, luidende: 


,,De deurwaarders ontvangen voor hunne verrichtingen als 
bedoeld in artikel 43 der Schepenwet eene vergoeding, berekend 
volgens artikel 47 der wet, houdende de tarieven van gerechts­ 
kosten in strafzaken, alsmede vergoeding voor reis- en verblijf­ 
kosten overeenkomstig de derde klasse van het Reisbesluit 
1916." 


Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering 
van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst 
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van 
State. 


Unterwasser, den 4den Maart 1935. 


W I L H E L M I N A . 


De Minister van Staat, 


Minister van Waterstaat a. i., 


H. C O L IJ N. 


Uitgegeven den vijftienden Maart 1935. 


De Minister van Justitie, 


V A N 8 C H A I K . 


I 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
103 


A" 1953 
N° 104 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 2oste Juni 1953 No. 16, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van 29 Februari 19^0, tot na­ 
dere wijziging van het Koninklijk besluit van 17 Decem­ 
ber 1932 (Staatsblad no. 621), tot uitvoering van artikel 
22, van artikel 23 8ste en 9de lid, en van artikel 1^3 der 
Schepenwet, gewijzigd bij Koninklijk besluit van lt Maart 
1935 (Staatsblad no. 105) (Staatsblad 19^0, no. 566). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


••M 


BESLUITuan 29 Februari 19^0, tot nadere wijziging van 
het Koninklijk besluit van 17 December 1932 (Staats­ 
blad No. 621), tot uitvoering van artikel 22, van artikel 
23, 8ste en 9de lid, en van artikel 43 der Schepenwet, ge- 
I 
wijzigd bij Koninklijk besluit van k Maart 1935 (Staats- 
I 
blad No. 105). 


WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER I 
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz. I 


Op de voordracht vr.n Onzen Minister van Waterstaat I 
van 7 Februari 1940, no. 578, afdeeling Vervoerwezen, 


Gelet op de artikelen 43 en 74 van de Schepenwet; 


Den Raad van State gehoord, advies van 20 Februari I 
1940, No. 43; 


Gezien het nader rapport van onzen voornoemden Mi- I 
nister van 26 Februari 1040, La. C„ afdeeling Vervoerwe-1 
een; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


Ons besluit van den 17den December 1632 (Staatsblad a 
no. 621), tot uitvoering van artikel 22, van artikel 23, 8ste | 
en 9de lid, en van artikel 43 der Schepenwet, gewijzigd bij Jt 
Ons besluit van den 4den Maart 1935 (Staatsblad no. 105),9 
te wijzigen als volgt: 


Artikel 1. 


In artikel 4a wordt in plaats van „artikel 47" gelezen 
„artikel 36". 


2 — 
104 


Artikel 2. 


Dit besluit treedt in werking met ingang van den 
tweeden dag na dien der dagteekening van het Staats­ 
blad, waarin het is geplaatst. 


Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoe- 
ling van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden 
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan 
den Raad van State. 


,s-Gravenhage, den 29sten Februari 1940. 


WILHELMINA 


De Minister van Waterstaat, 


J. W. ALBARDA. 


Uitgegeven den twaalfden Maart 1940. 


De Minister van Justitie, 


P. S. GERBRANDY. 


— 3 - 
104 


A° 1953 
N° 105 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 17, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van 21 Octobcr 1952, houdende 
nadere wijziging van het Koninklijk besluit van 11 De­ 
cember 1932, Stb. 621, tot uitvoering van de artikelen 22 
en 23, 8e en 9e lid, der Schepenwet (Staatsblad 1952, 
no. 507). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen. 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, 
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat 
van 23 Januari 1951, no. 266.906/J., Directoraat-Generaal van 
Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en de Mi­ 
nister zonder Portefeuille L. Götzen van 28 Februari 1951, Afdeling 
Suriname en Nederlandse Antillen no. 14; 


Gelet op de artikelen 22, 23 en 43 van de Schepenwet; 


Overwegende, dat het in verband met de invoering van de wet 
van 19 Juli 1950 (Stb. K 300), houdende nadere wijziging van de 
schepenwet, noodzakelijk is tevens wijzigingen aan te brengen in het 
Koninklijk besluit van 17 December 1932 (Stb. 621); 


De Landsregering van de Nederlandse Antillen gehoord (advies 
van 9 Februari 1952, no. 10229/39); 


De Raad van State gehoord (advies van 13 Maart 1951, no. 24); 


Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en 
Waterstaat van 8 October 1952, no. 320.648/J/95/95/10, Direc­ 
toraat-Generaal van Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese 
Rijksdelen van 13 October 1952, Afdeling Suriname en Nederlandse 
Antillen, no. 31191; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


Artikel I 


Het Koninklijk besluit van 17 December 1932, Stb. 621, wordt 
gewijzigd als volgt: 


a. De considerans wordt gelezen: 
Overwegende, dat het ter uitvoering van de artikelen 22, 23, 
achtste en negende lid, en 43, vijfde lid, van de Schepenwet, mede 
gelet op artikel 26bis dier wet, nodig is: 


1°. nadere regelen vast te stellen, in acht te nemen bij de be­ 
handeling van bij de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart 


of de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen inge­ 
stelde beroepen, alsmede betreffende de aan de deurwaarders toe te 
kennen vergoedingen voor hun verrichtingen ten behoeve van de 
Raad of voornoemde Commissie van Onderzoek; 


2°. de werkkring en de bevoegdheden te regelen van de voor­ 
zitter, de leden en de secretaris van de Raad voor de Scheepvaart 
en van de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen, 
zomede van hun plaatsvervangers; 


3°. de werkkring en de bevoegdheden te regelen van het hoofd 
en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie in verband 
met hun arbeid bij de Raad voor de Scheepvaart en de Commissie 
van Onderzoek in de Nederlandse Antillen; 


b. De eerste zin onder b wordt gelezen: 
vast te stellen de navolgende regelen, als bedoeld bij de artikelen 
22, 23, achtste en negende lid, en 43, vijfde lid, der Schepenwet; 


c. In artikel 1, tweede lid, worden na de woorden „secretaris 
van de Raad voor de Scheepvaart" ingevoegd de woorden „of van 
de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen" en wordt 
na de woorden „voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart" een 
komma geplaatst, gevolgd door de woorden „onderscheidenlijk van 
de Commissie van Onderzoek", terwijl „diens" wordt vervangen door 
„hun"; 


d. In artikel 2, eerste lid, wordt na „Raad" ingevoegd: of de 
Commissie van Onderzoek. In het tweede lid vervallen de woorden 
„of aan de Commissie", alsmede de woorden „of wier", terwijl na 
„Raad" wordt ingevoegd: of de Commissie van Onderzoek. In het 
derde lid vervallen de woorden „en aan de Commissie". 


e. In artikel 3 wordt telkens na „Raad" ingevoegd: of de Com­ 
missie van Onderzoek. 


ƒ. 
In artikel 4a wordt „artikel 47" vervangen door „artikel 36". ' 


g. Na artikel 16 wordt een nieuw artikel 16bis ingevoegd, lui- 
1 
dende: 


Hetgeen in de artikelen 4 tot en met 16 wordt bepaald met be­ 
trekking tot de Raad voor de Scheepvaart wordt voor de Commissie 
van Onderzoek in de Nederlandse Antillen bij Landsverordening i 
geregeld. 


h. Aan artikel 17 wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: 
Dit recht wordt ter zitting van de Commissie van Onderzoek in 


de Nederlandse Antillen namens het hoofd van de scheepvaartinspec­ 
tie uitgeoefend door het districtshoofd aldaar. 


Artikel II 


Dit besluit treedt in werking tegelijkertijd met de wet van 19 Juli 
1950, Stb. K. 300. 


Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit­ 
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst 
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 


Soestdijk, 21 October 1952. 


JULIANA. 


De Minister van Verkeer en Waterstaat. 


J. ALGERA. 


De Minister voor Uniezaken 
en Overzeese Rijksdelen, 


W. J. A. KERNKAMP. 


Uitgegeven de achttiende November 1952. 


De Minister van Justitie, 
L. A. DONKER. 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953. 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris, 


BOOMGAART. 


— 3 — 
105 


A° 1953 
N° 106 


P U B L I C A T I E B L A D 


BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 18, waarbij wordt 
afgekondigd het Besluit van 31 December 1952 tot vast­ 
stelling van een algemene maatregel van bestuur als be­ 
doeld in de artikelen 3, k bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de 
Schepenwet (Schepenbesluit 1952) (Staatsblad 1952 
no. 679). 


IN NAAM DER KONINGIN! 


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, 


Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot 
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van 
bestuur: 


Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be­ 
volen. 


Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953 


STRUYCKEN. 


Uitgegeven de 26ste Juni 1953. 
De wnd. Gouvernements-Secretaris. 


BOOMGAART. 


— 3 — 
106 


WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN 
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. 


vai?P?^en00rdIaChtiof? °nZe Minister van Verkeer en Waterstaat 
Scheepvaart; 
6r 
' ^ 349405 J' Direct°raat-Generaal van 


^Gelet op de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepen- 


v»nD97nndSrefn?LIan de Nedcrlandsc Antillen gehoord (advies 
van 27 December 1952, no. 1280; 


noD24)Raad ^ State gehoord (advies van 22 December 1952, 


n,a«~ mpp0rt van °nze Minister van Verkeer en 
Waterstaat van 30 December 1952, no. 349409 J, Directoraat-Gene- 
raai van Scheepvaart; 


Hebben goedgevonden en verstaan: 


HOOFDSTUK I 
Inleidende bepalingen 
Artikel 1 


1. Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt voor de Omschriivm -en 
toepassing van dit besluit verstaan onder: 
" 


Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; 


\an"v'tein: de gezagvoerder van een schiP of degene die deze ver- 


J^kuPebA8tn:-^n' d'e Zich als scheePsofficieren of scheepsgezellen 
boord bevinden ot zich als zodanig hebben verbonden; 


passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van de 


rf^('n,en 
de schepelingen en andere personen, die in welke hoe­ 
danigheid ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een 
schip ten behoeve van dat schip, zomede met uitzondering van 


kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van één jaar nog 
niet hebben bereikt; 


landverhuizers: emigranten of transmigranten als bedoeld in de 
Landverhuizingswet 1936 (Staatsblad No. 804), met inachtneming 
van het bepaalde in het Koninklijk Besluit van de 12de November 
1938 (Staatsblad No. 870); 


passagiersschip: een schip, dat door de eigenaar bestemd is om 
meer dan 12 passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer 
dan 12 passagiers vervoert; 


zeilschip: een schip, al dan niet voorzien van middelen tot werktuig­ 
lijke voortstuwing, voldoende zeilen voerend om alleen daarmede 
veilig te kunnen varen, te beoordelen naar normen, welke in verband 
met vorm en afmetingen van het schip door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie worden vastgesteld; 


stoom- of motorschip: een schip, geen zeilschip zijnde, met middelen 
tot werktuiglijke voortstuwing van een voldoend vermogen, te be­ 
oordelen naar normen, welke in verband met vorm en afmetingen 
van het schip, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden 
vastgesteld; 


lastlijn: de waterlijn bij de grootste geoorloofde inzinking in zee­ 
water, al naar het in verschillende gebieden voor verschillende om­ 
standigheden toegestane minimum vrijboord; 


minimum vrijboord: de afstand van de bovenkant van de deklijn, 
als aangegeven in bijlage IV, tot het uitwateringsmerk, loodrecht 
langs het scheepsboord naar beneden gemeten; 


indompelingsgrenslijn: een lijn gedacht op het scheepsboord, even­ 
wijdig aan en op een afstand van 76 millimeter onder de aansnijding 
van de bovenzijde van het schottendek met dit boord; 


ton: registerton van 2,83 kubieke meter; 
waar in dit besluit de grootte van een schip in deze eenheid wordt 
uitgedrukt, wordt daaronder verstaan de bruto inhoud van het schip. 


internationale reis: een reis tussen twee verschillende landen, waar­ 
bij een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat 
gebied zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Ver­ 
enigde Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk 
land wordt aangemerkt; 


korte internationale reis: een internationale reis, waarop het schip 
zich niet meer dan 200 zeemijlen verwijdert van een plaats, waar 
passagiers en bemanning veilig kunnen worden geland en welke een 
totale lengte van 600 zeemijlen van de laatste aanloophaven in het 
land waar de reis aanvangt tot de uiteindelijke haven van bestemming 
niet overschrijdt. 


2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder schip" be­ 
grepen een vaartuig, een sleepschip, een dok en elk andër dergelirk 
gesleept V°°rWerP' 
0VBr 266 Mar zijn bestemiSnï wordt 


3 
Voor de toepassing van dit besluit worden personen, die ten- 
gevo ge van schipbreuk of andere bijzondere, onvoorziene omstan­ 
digheden aan boord zijn genomen, niet als passagiers aangemerkt. 


. 
ooi de toepassing van dit besluit wordt, ook wat de straf- 
bepalmgen betreft onder „eigenaar" verstaan de persoon die het 
beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder 
gegeven. 
e"J ™ * «* 
h«=i 
"« schip L gfbïul S 


HOOFDSTUK II 


Onderzoek 


Artikel 2 


voOTtdure^d^toeïcht311 -f .SchePcn[wet genoemde ambtenaren oefenen Voortdurend 
van de schenen 
h 
u 0p ongereSelde tijden aan boord toezicht 


an de schepen te begeven en zich door eigen waarneming alsmede 


door het vragen van inlichtingen zoveel mogelijk op de hoogTe te 
geleefd V"n 
Wa""°P 
We"diike voorsjhriffe» word» 


Artikel 3 


eerste 
^ °"de™'orPen aan een inspectie, voordat voor de Algemene bepa- 


maal een certificaat van deugdelijkheid, een veiligheidscertifi hngen voor het 


aanvullend" P^^g^^aat wordt afgegeven, alsmede aan een °" 
«even ït hnTf 
° de omstandigheden daartoe aanleiding 
dat 
d 
t 
aan een msPectle worden onderworpen, voor­ 
at een der hiervoorgenoemde certificaten, welks geldigheidsduur is 
verstreken, door een nieuw certificaat wordt vervangen 


.ie iJïaal T£ aS»PnL°°derWOrPen aa° "" per'Wieke insp«=- 


vjssérsvaartuia'o/pp1 5°°fc'0° 
fem Passagiersschip noch een 
vissersvaartuig of een schip zonder werktuiglijke voortstuwing zijnde 
moet een uitrustmgscertificaat aan boord hebben; het is onderwor' 
pen aan een periodieke inspectie één maal in dc 24 maan£ 


4. 
De radiotelegraaf- en radiotelefooninstallaties van een schio 


SdaP,aSvorrhiP,Zii°de; Ziin 
aan ïï. 
"nspS,' 


onder^hJiri 
i t 
radio-telegrafie-veiligheidscertificaat 


geilen 
J 
6en- rf.dlo"teIefonie-veiligheidscertifiCaat wordt af- 
flS ^ Cen penod,eke inspectie één maal in de 12 maanden 
Sano. aalid'fng Ï™ 


frVn'nt Een Sch/P 1S ?nderw0rpen aan een inspectie, voordat een certi­ 
ficaat van uitwatering of een certificaat voor de houtvaart wordt 


afgegeven, alsmede voordat de geldigheidsduur dezer certificaten 
wordt verlengd. 
. 
6. Een schip, dat gereed is om met in Nederland ingescheepte 
landverhuizers een reis te ondernemen, wordt voor het vertrek aan 
een inspectie onderworpen. 


Artikel 4 


Regeling van het 
l. De inspecties, bedoeld in artikel 3 lid 1, behalve de aanvul- 


onderzoek 
lende inspecties, omvatten: 


( a ) Voor zover betreft een certificaat van deugdelijkheid: 
een volledig onderzoek van de gehele romp (waartoe het schip 
moet zijn drooggezet), van de ketels in- en uitwendig, van de werk­ 
tuigen en, voor zover geen uitrustingscertificaat is vereist, van de 
uitrusting. 
.... 
, 
. 
• , 


Hierbij wordt onderzocht of de algemene inrichting, de materialen 
en de constructie van de romp, de ketels met toebehoren, de hoofd­ 
en hulpwerktuigen, de lens- en ballastinrichtingen, de electnsche 
installatie en, voor zover de uitrusting betreft, de redding- en veilig- 
heidsmiddelen, de brandontdekkings- en brandblusmiddelen en de 
verdere uitrusting geheel aan de voorschriften van de Schepenwet 
en van dit besluit voldoen. 


(b) Voor zover betreft een veiligheidscertificaat: 
het onder ( a ) omschreven onderzoek, alsmede een volledig onder­ 
zoek van de radio-telegraaf- en radio-telefooninstallatie met inbegrip 
van de richtingzoeker, waarbij wordt onderzocht, of deze installaties 
geheel aan de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit 
voldoen. 


(c) 
Voor zover betreft een uitrustingscertificaat: 


een onderzoek van de redding- en veiligheidsmiddelen, de brand­ 
ontdekkings- en brandblusmiddelen en de verdere uitrusting, waarbij 
wordt onderzocht, of deze geheel aan de voorschriften van de 
Schepenwet en van dit besluit voldoen. 


2. De periodieke inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 2, omvat een 
onderzoek van de gehele romp (waartoe het schip moet zijn droog­ 
gezet) van de ketels, van de werktuigen en van de uitrusting, waar­ 
bij wordt onderzocht, of het schip, voor zover betreft de romp, de 
ketels met toebehoren, de hoofd- en hulpwerktuigen, de lens- en 
ballastinrichtingen, de electrische installatie, de redding- en veilig- 
heidsmiddelen, de brandontdekkings- en brandblusmiddelen, de radio- 
telegraaf- en radiotelefooninstallatie met inbegrip van de richting- 
zoeker en de verdere uitrusting, in voldoende toestand verkeert en 
geschikt is voor de vaart, waarvoor het bestemd is en dat het aan 
de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit voldoet. 


3. De periodieke inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 3, omvat een 
onderzoek van de redding- en veiligheidsmiddelen, de brandontdek- 


on^ocht^o^Sr1^6'^ e"de Verdere "itrusting, waarbij wordt 
onderzocht, 0f deze in voldoende toestand verkeren en voldoen aan 
de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit 
4. De eerste inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 4 omvat een vol 


™ 
» radio,'elrfooninïïnS 


deze installaties ophp ,nchtlnf oeker> waarbij wordt onderzocht, of 
van dirbesluit vofdoen! 330 * V°°rSchriften van de Schepenwei en 


7nrhf de p<:n0dlekn inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 4, wordt onder- 
schr- 'ten van TïT* " g°ede t0CStand verkeren 
aan de voo - 
schritten van de Schepenwet en van dit besluit voldoen 


HH A Een,taa"vullende inspectie, als bedoeld in artikel 3 lid 1 en 


ÊÊÊmssMM 
IpÉÉil^ 


uouemtanKs, naar de toestand van de bovenbouw, van de besrhpr- 


d6ylas^en va^de'wr'haalhfric^t^ng^^'iTel'sch^p' 
Sj°rren ^ dC 


ppn „„H msp.ectle van een schip. dat landverhuizers vervoert omvat 


Artikel 5 


krachtens Landsverordening aangewezen ambtenaren, overeenkomstig 
het bij Landsverordening bepaalde. 


Artikel 6 


Wijze van onder- 
1 
De ambtenaren moeten bij de inspecties in acht ne.iien, dat 
zoek 
het hun plicht is zich volledig op de hoogte te stellen of de wettelijke 
voorschriften worden nageleefd, maar dat zij hierbij zoveel mogelijk 
moeten vermijden storend in het bedrijf in te grijpen. 
inf1priiik 


Indien een door hen gewenste inspect.e op een 
^ 


zou zijn en er geen bepaalde reden bestaat om deze terstond te h°uden, 
moeten zij omtrent het tijdstip hiervoor met de eigenaar of de kapi- 
"1 "SveV1'SSlük zullen de door de ambtenaren te honden 
periodieke inspecties tegelijk met de periodieke inspecties der etkende 
nartimliere onderzoekingsbureaux worden gehouden. 
PT I„ acht mSt worden genomen, dat de ambtenaren met aten 
bevoegd maar ook verplicht zijn zich van alles, waarop de Sctlepe 
wet en dit besluit betrekking hebben, op de hoogte te stellen en dat 
de eigenaar kapitein en schepelingen verplicht zijn hen hierbij behulP 
zaam te zijn, teneinde te voorkomen, dat het schip zou moeten 
worden aangehouden. 
Artikel 7 


Erkende pamcu- 
i. Door Ons kunnen particuliere onderzoekingsbureaux op grond 
liere onderzoo- 
yan hun betrouwbaarheid worden erkend. De door de erke 
k.ngsbureaux 
^ vastgestelde regelen voor de bouw en de uitrusting van schepen 


worden gevolgd bij de beoordeling van de zeewaardigheid van bij die 
bureaux geklasseerde schepen, voor zover in dit besluit daaromtrent 


eeen andere voorschriften zijn gegeven. 
„M™ 


2. De erkenning kan door Ons te allen tijde worden ingetrokken. 


Artikel 8 


Onderzoek 
1. Elk schip, met uitzondering van een dok of een ander dergelijk 


bodem 
driivend voorwerp, moet ten minste een maal in 
in een dok of op andere wijze voor onderzoek zodanig worden droog- 
gezet dat de gehele bodem behoorlijk kan worden onderzocht_ 


2 ' Voor schepen van 200 ton en minder, ge^n passagiersschepen 
zijnde voor lichters en voor baggermateriaal, hetwelk gesleept ver­ 
voerd wordt, kan ter beoordeling van het berokken «hoofd 
van de Scheepvaartinspectie, met droogzetten een maal in de vier e 
twintig maanden worden volstaan, zolang deze schepen de ouder- 


d7 T 
betrokken districtshoofd 


één maal een uitstel van ten hoogste drie maanden verlenen. 


Artikel 9 


Verplichte 
ken- 
Telkens wanneer een schip drooggezet zal worden• °« 


nisgeving door de 
schip of aan de werktuigen herstellingen 
P 


eigenaar 
* 


districtshoofd van"dl 77^ de.eiSenaar tjjdig aan het betrokken 
S i, 
t 
f ScheePvaartlnspectie kennis worden gegeven 


te doeif houden 
Sdeee°he,d =" Zii° hie'bii '«z»h' » 'Sóf 


Artikel 10 


om'biilolSerl rndenpn1"/6" 
a,mbten?ar van de Scheepvaartinspectie Toegankelijk m, 
nnj: 
f 
, 
edenen een onderzoek nodig acht, moeten voor zover ken. voor ondc 


gemaakt de^nOPruimten en tanks toegankelijk en schoon worden 
g maakt, de wegering en de buikdenning op door hem aan te wiizen 
plaatsen worden verwijderd, moet de bodem van het schip schoon en 
en moeten H 
he' roer Selicht> ^ stuurleiding losgenomen 


20 ««• — 


getrokken dfnders'T " 
bfloot8ele8d' de schroefas worden 


pend enzuigers, schuiven, rotoren en kleppen worden uitgenomen 


onderzoek bL3erlijkekanlazI|fnd ^ W°rd6n 8603311 Wat V°°r he' 


Artikel 11 


NeSndLTntilLhnPbSSHtin *!? haVe" buiten Neder|and of de Onderzoek in een 
...'v ,bevindt en de inspecties, welke aan de afeifte haven b u i t e n Ne- 
van een veiligheidscertificaat, een uitrustin<*scertificaat ppn rLIl? 7 H^an50fdeNe" 
Srafieveilighe.dsceröica,,, «„ «dioSSSSSSifÏÏTS" 
r„cs" 
r£rrlne rraf beh°™ "="SS" * 
Z, Zh 
, 
, 
Schepenwet genoemde ambtenaren kunnen wor- 
den gehouden, kan hetzij door het Hoofd van de Scheepvaartinspec­ 
tie hetzij langs diplomatieke weg, aan de bevoegde autoriteit van'het 


s 
™d* *»- 


Artikel 12 


z„„te",„1d\S1,i»,nal'h^dï,dtin arlik? '• * pa-V. 
Je.erlei ve,a„d«,i„f 
de co„ 
iTdertSEifi SST""*- 


s e , ™ h ' ' ~ — - < • « « £ 8 


Artikel 13 


gedaan "waardoor ïet verrnn^H heeft b?°Peilu 
zich iets heeft voor- wÜ2e va„ hande. 
g oaan, waardoor het vermoeden rijst, dat schade aan het schip is ont- len bij schade in 


^ 
het buitenland 


staan en dit schip daarna een haven buiten Nederland of de Neder­ 
landse Antillen, welke tot het ressort van een expert of bi] gebreke 


rrb:,Lh^=ds 


verklarin" heeft afgegeven, inhoudende, dat de herstelling naar 
horen is |eschied, of dat de reis zonder bezwaar kan worden vervo g . 


- 
Indien de haven buiten Nederland of de Nederlandse Antillen 
niet tot tn in lid 1 bedoeld ressort behoort, of indien de in lid 
bedoelde expert of vertegenwoordiger niet ter plaatse is o ge 
L 
• 
k de kapitein bevoegd met inachtneming van het bepaalde in 
V .I Q ifd1 onder c van de Schepenwet de reis te vervolgen, 
onder verplichting een en ander in het scheepsdagboek te doen aan­ 
tekenen en zo mogelijk te doen vaststellen door een ter plaatse 
wezige Nederlandse consulaire ambtenaar. 


3 
I„ Suriname kan de in lid 1 bedoelde verklaring ookgorden 


heden als bedoeld in lid 2. 


Artikel 14 


8S3" 
ee"c'ertfic.M of ™ tV^ESd™"" 


eigenaar worden voldaan. 


Artikel 15 


Reiskosten amb- 
1. Indien een inspectie huiten N^rland 
tenaren en ver- fji [en noodzakelijk is, komen de reis- en 
j 
SSÏÏS zenden ambtenaren ten laste van de e.genaar 


? 
Indien een door de Scheepvaartinspectie nodig geoordeeld on 


in^het Algemeen ^jk^n^enal^nreglemènt^daamede gdijkgestelde 
f-MSTS Tr&SSS ZSTtSSZS&Z. het 
t» h«t Riik wórd, berekend naar een door Onze Munster 


Votr w'aTbllreft de ambtenaren, belast met bet toezicht in de 


ordening vastgesteld. 


Artikel 16 
Het tarief van de vergoeding, bedoeld in artikel 17, lid 5, van de Tarief vergoeding 
Schepenwet, is als bijlage XXII bij dit besluit gevoegd. 
tên^onrêchtehu 
aangehouden 
HOOFDSTUK III 


Certificaten 


Artikel 17 


De vorm en de inhoud van de certificaten worden door het Hoofd Vorm en inhoud 
van de Scheepvaartinspectie vastgesteld. 


Artikel 18 


1. Een certificaat van deugdelijkheid wordt slechts afgegeven Eisen voor de 
nadat: 
afgifte ran certifi­ 
caten 
( a ) bij het onderzoek, genoemd in artikel 3, lid 1, juncto artikel 
4, lid 1, gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepenwet 
en van dit besluit is voldaan; 
( b ) indien het betreft een nieuw passagiersschip, dan wel een 
nieuw schip van 200 ton of meer, geen passagiersschip zijnde, het 
schip aan een hellingproef is onderworpen, waarvan de resultaten 
zijn overgelegd, alsmede voldoende gegevens betreffende de stabiliteit 
voor verschillende hellingen van het schip. 
2. Een veiligheidscertificaat wordt slechts afgegeven nadat bij 
het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 1, c.q. lid 2, juncto artikel 4, 
lid 1, c.q. lid 2 gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepen­ 
wet en van dit besluit is voldaan. 
3. Een uitrustingscertificaat wordt slechts afgegeven, nadat bij 
het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 1, c.q. lid 3, juncto artikel 4, 
lid 1, c.q. lid 3, gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepen­ 
wet en van dit besluit is voldaan. 
4. Een radiotelegrafie- of een radiotelefonie-veiligheidscertifi- 
caat wordt slechts afgegeven, nadat bij het onderzoek, bedoeld in 
artikel 3, lid 4, juncto artikel 4, lid 4, gebleken is, dat aan de voor­ 
schriften van de Schepenwet en van dit besluit is voldaan. 


__5. 
Een certificaat van uitwatering wordt slechts afgegeven, nadat 
bij het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 5, gebleken is, dat aan 
de in artikel 94 gegeven voorschriften betreffende bouw en inrichting 
is voldaan. 
6. Een certificaat voor de houtvaart wordt slechts afgegeven 
nadat: 


( a ) bij het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 5 gebleken is, 
dat aan de in artikel 95 gegeven voorschriften betreffende bouw en 
inrichting is voldaan; 


( b ) gebleken is, dat het schip is voorzien van een nog geldig 
certificaat van uitwatering. 


7. Een certificaat van vrijstelling wordt afgegeven, indien voor 
een schip afwijking is toegestaan van enig voorschrift van dit besluit. 


8. Indien het aantal personen aan boord van een schip, waarvoor 
een veiligheidscertificaat of een uitrustingscertificaat is afgegeven, 
tijdens een bepaalde reis kleiner is, dan het op het certificaat ver­ 
melde totale aantal, mag het aantal der reddingboten en andere red­ 
dingmiddelen worden verminderd tot hetgeen voor dit geringere aan­ 
tal personen nodig is, mits door of namers het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie aan het certificaat een verklaring is gehecht, waaruit 
blijkt, dat deze vermindering geen overtreding is van de voorschriften. 


Artikel 19 


Aanvraag tot ver- 
l. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat moet schrif- 


ficifen 
van certi' teliik> hetzii door de eigenaar> hetzij door de bouwer van het schip 
tot het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gericht. 


2. De eerste aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van 
deugdelijkheid of van een veiligheidscertificaat moet vergezeld gaan 
van de voor de controle van bouw en inrichting benodigde teke­ 
ningen, voor zover deze tevoren nog niet waren ingezonden, van de 
zeebrief of van het bewijs van inschrijving in het register van de zee­ 
vissersvaartuigen en van de meetbrief of van gewaarmerkte afschriften 
van deze stukken. 


3. 
Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een /eiligheidscertificaat, 
een radiotelegrafie- of een radiotelefonie-veiligheidscertificaat moeten 
de nodige gegevens betreffende de radio-installaties worden over­ 
gelegd. 


4. Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een uitrustingscertificaat 
moeten de nodige gegevens betreffende de redding-, de veiligheids-, 
de brandblus- en de brandontdekkingsmiddelen en de verdere uit­ 
rusting worden overgelegd. 


5. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van uit­ 
watering of een certificaat voor de houtvaart moet vergezeld zijn van 
de nodige tekeningen. 


Indien de berekening van het minimum vrijboord door een der door 
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureaux is gemaakt, wordt deze 
berekening bij het verzoek overgelegd. 


6. Voor schepen onder toezicht van een der door Ons erkende 
particuliere onderzoekingsbureaux moet bij de aanvraag van een 
certificaat van deugdelijkheid het op het ogenblik van aanvraag 
geldige certificaat van dat bureau worden overgelegd. 


Bevindt het schip zich in het buitenland, dan kan met toezending 
van een gewaarmerkt afschrift van dat certificaat worden volstaan. 


Artikel 20 


1. Voor een schip, waarvoor een certificaat, als bedoeld in arti- wii?e van afgifte 
kei 19, lid 6 is overgelegd, wordt door het Hoofd van de Scheepvaart-"oeld^n"artikel" 
inspectie van Onzentwege een certificaat van deugdelijkheid in twee is 
exemplaren afgegeven, tenzij aan de ambtenaren van de Scheepvaart­ 
inspectie bij onderzoek blijkt, dat het certificaat van het particuliere 
onderzoekingsbureau ten onrechte werd toegekend, of dat sedert die 
toekenning de toestand van het schip zodanig is veranderd, dat de 
zeewaardigheid onvoldoende is geworden, of dat uit anderen hoofde 
tegen de afgifte van een certificaat van deugdelijkheid bezwaar bestaat. 


2. Voor een schip, waarvoor geen certificaat van een der door 
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureaux wordt overgelegd, 
wordt het certificaat van deugdelijkheid slechts afgegeven nadat aan 
de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie door een volledig onder­ 
zoek is gebleken, dat het voldoet aan de voorschriften van de Schepen­ 
wet en van dit besluit. 


3. Het voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van een veilig­ 
heidscertificaat, van een radiotelegrafie- of van een radiotelefonie- 
veiligheidscertificaat, van een certificaat van uitrusting, van een cer­ 
tificaat van uitwatering of van een certificaat voor de houtvaart 
moet blijken uit een volledig onderzoek door de daartoe aangewezen 
ambtenaren. 


Bij gunstige uitslag van dat onderzoek worden de bedoelde certifi­ 
caten in twee exemplaren door het Hoofd van de Scheepvaartinspec­ 
tie van Onzentwege afgegeven. 


4. Wordt de afgifte van enig certificaat geweigerd, dan wordt die 
weigering onder opgaaf van redenen aan de aanvrager schriftelijk 
medegedeeld. 


Artikel 21 


1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast, voor welk Geldigheidsduur 
tijdvak de door hem afgegeven certificaten zullen gelden. 
afs^edoeidVn11 


2. In bijzondere gevallen kan de geldigheidsduur van een afgegeven artikel is. 
certificaat door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
worden verlengd. 


Artikel 22 


1. Blijkt aan de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, intrekking van 
dat niet meer wordt voldaan aan de eisen, welke voor de afgifte van certificaten 
enig certificaat waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende 
wordt voorzien, dan trekt hij het betreffende certificaat in. 


2. Eveneens trekt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een cer­ 
tificaat van uitwatering of een certificaat voor de houtvaart in, in­ 
dien hem blijkt dat: 


(a) veranderingen in de romp en in de bovenbouw van het schip 
zijn aangebracht, welke van invloed zijn op de berekening van het 
minimum vrijboord; 


( b ) de onderdelen of de inrichtingen betreffende de bescherming 
van openingen, de verschansing of het relingwerk, de waterloospoorten 
en de toegangen tot de verblijven niet in even deugdelijke toestand 
verkeren, als zij deden toen het certificaat werd afgegeven; 


(c) het schip niet op zodanige geregelde tijden en onder zulke 
voorwaarden is nagezien, als het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
nodig oordeelt, teneinde zeker te zijn, dat de romp en de bovenbouw 
niet zijn gewijzigd als onder (a) bedoeld en dat de onderdelen of 
inrichtingen in de toestand zijn gehouden als onder (b) is aangegeven. 


3. Indien de hierboven bedoelde ambtenaar een certificaat intrekt, 
deelt hij dit terstond door tussenkomst van zijn districtshoofd mede 
aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Het districtshoofd geeft 
de eigenaar onder opgaaf van redenen bij aangetekende dienstbrief 
kennis van de intrekking. 


Artikel 23 


Vaargebieden 
Indien er aanleiding is om tengevolge van de bouw, de toestand 
of de uitrusting van het schip beperkende bepalingen te maken be­ 
treffende de toe te kennen vaargebieden, bepaalt het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie de wateren of de reizen, waarvoor de certificaten 
geldig zijn. 


HOOFDSTUK IV 


Toestand van de scheepsromp, de werktuigen en de aftimmering 


Artikel 24 


Keuring 
Het voor de bouw van de scheepsromp en van de voornaamste 


materialen 
werktuigen te bezigen materiaal, zomede dat, te gebruiken bij ver­ 
bouwing, bij belangrijke herstelling of vernieuwing van vitale delen, 
moet voldoen aan en gekeurd zijn volgens de door één der door Ons 
erkende particuliere onderzoekingsbureaux vastgestelde eisen, dan 
wel voldoen aan de eisen, vastgesteld in bijlage I, en gekeurd worden 
op de wijze, als daarin is voorgeschreven. 


Artikel 25 


sterkte-eisen 
Zowel de afmetingen van alle verbanddelen van de scheepsromp, 
als de wijze waarop deze ten opzichte van elkander zijn aangebracht 
en verbonden, moeten zodanig zijn, dat — rekening houdende met de 
afmetingen van het schip en met het vaargebied, waarvoor het be­ 
stemd is — zowel de algemene sterkte, als het weerstandsvermogen 
tegen plaatselijk optredende krachten aan redelijke eisen voldoen. 


Artikel 26 


uitvoering con- 
De uitvoering van het constructiewerk van de romp moet aan 


stractie 
redelijke eisen voldoen. 


Artikel 27 


Waterdichtheid 
De huid en de wanden van waterdichte afdelingen, als schotten, 
dekken, platforms, binnenbodems, enzovoort, moeten deugdelijk 


waterdicht zijn afgewerkt. De huid en deze wanden moeten behoorlijk 
en voldoende zijn verstijfd tegen de waterdruk, welke ter plaatse, ook 
in geval van nood, kan optreden. 


Artikel 28 


1. De waterdichte indeling moet zo doeltreffend zijn als rede- Wa,erd'chte in- 
lijkerwijs, in verband met de eisen van het bedrijf, kan worden ver- ddmS 
langd. 


2. Passagiersschepen gebezigd op internationale reizen moeten, 


wat de waterdichte indeling betreft, voldoen aan de eisen, gesteld in 
de bijlagen II en III. 


3. Passagiersschepen, welke op niet-internationale reizen worden 
gebezigd, moeten, wat de waterdichte indeling betreft, voldoen aan 
de eisen, welke het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt. 


Artikel 29 


1. Terugslagkleppen of afsluiters in waterdichte schotten, welke waterdichte deu- 
deel uitmaken van een pijpleidingsysteem en waterdichte deuren eSovoOTt8"™' 
moeten goed sluiten en voldoende sterk zijn en hun bewegings- en 
sluitingsinrichtingen moeten een goede werking te allen tijde kunnen 
waarborgen. 


2. Waterdichte deuren op passagiersschepen moeten voldoen aan 
de eisen, gesteld in de bijlagen II en III. 


3. 
Mangaten op ruimten voor berging van water en olie en op 
kofferdammen en droge tanks moeten, wanneer het schip ledig is, 
gemakkelijk bereikbaar zijn en naar behoren kunnen worden ge­ 
sloten. 


Artikel 30 


1. Waterdichte deuren met uitzondering van draaideuren moeten plaats en wijze 
kunnen worden behandeld van een dek, dat boven de bovenste last- waLd^S 
lijn is gelegen. 
en 


2. Aan boord van passagiersschepen, gebezigd op internationale 
reizen, moeten deze deuren, zowel wat betreft de plaats, waar zij 
zijn aangebracht, als de plaats waar zij kunnen worden bediend, vol­ 
doen aan de eisen gesteld in de bijlagen II en III. 


3. Aan boord van passagiersschepen, welke op niet-internatio­ 
nale reizen worden gebezigd, moeten de waterdichte deuren, voor 
zover betreft de plaats, waar zij zijn aangebracht en de plaats, waar 
zij kunnen worden bediend, voldoen aan de eisen, welke het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie stelt. 


Artikel 31 


1. De patrijspoorten en lichtranden moeten voldoen aan de eisen Patrijspoorten 
gesteld in bijlage IV. 
en lichtranden 


2. De patrijspoorten en lichtranden op passagiersschepen moeten 
bovendien voldoen aan de eisen gesteld in de bijlagen II en III. 


3 
Alle patrijspoorten en lichtranden moeten overigens voldoen 
aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gestelde eisen 
betreffende type en sterkte. 


Artikel 32 


Pen- en lucht- 
1. Peil- en luchtpijpen op dubbele-bodem- of andere tanks moeten 
pijpen 
jn laadruimen en aan dek zodanig beschermd of zo sterk zijn, dat zij 
door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd. 


2. Peilpijpen op drinkwatertanks moeten voldoende hoog zijn en 
ten minste vijftien centimeter boven het dek reiken. 


Artikel 33 


Openingen in de 
1. Openingen in het scheepsboord, als toegangs-, laad- en kolen- 


huidc bovedn-kken poorten moeten door deugdelijke afsluitingsmiddelen van voldoende 


bouw; lucht- 
sterkte waterdicht kunnen worden gesloten. 


kokers 
2 
Openingen in de eindschotten van een gesloten bovenbouw en 


openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van de 
dekken moeten door deugdelijke afsluitingsmiddelen afdoende tegen 


w e e r e n w i n d k u n n e n w o r d e n g e s l o t e n . 
. . . 
. 
, 


3. Paalmasten en laadpalen, welke als luchtkokers zijn ingericht 
en luchtkokers, waarvan de pot een hoogte heeft van 2 meter o 
meer, moeten voorzien zijn van goed sluitende dempers, welke aan 
dek bewogen kunnen worden. 


4. 
Bijlage IV en voor passagiersschepen bovendien de bijlagen 11 
en III bevatten nadere bepalingen omtrent de in de vorige leden 
genoemde openingen en luchtkokers. 


Artikel 34 


Toegangen, uit- 
1. De toegangen naar de verblijven der opvarenden en de plaat- 
gangen en liften sen waar de schepelingen hun werk plegen te verrichten, moe en e 
allen tijde buiten de ruimten om, waarin de voortstuwingswerktuigen 
en de ketels zijn opgesteld, behoorlijk bereikbaar zijn. Hierbij moet 
rekening worden gehouden met de bepalingen van bijlage I • 


2 
De ruimten, waarin de voortstuwingswerktuigen en de ketels 
zijn opgesteld, mogen niet in rechtstreekse verbinding staan met de 
verblijven voor passagiers en bemanning en moeten door de beman­ 
ning gemakkelijk kunnen worden verlaten, ook wanneer de water­ 
dichte deuren zijn gesloten. 
, , 
, 
„ori ,nnri tnn 
3. De machinekamer en de stookplaat van schepen van 1000 ton 
of meer moeten ten minste aan elke zijde een uitgang hebben, me 
voldoende trap- of ladderverbindingen tot de vloerplaat. 


4 
Elke machinekamer, schroefastunnel, stookruim of 
an°ere 
ruimte, waarin soms gewerkt wordt, moet een doelmatige uitgang heb­ 
ben waardoor de bemanning, zonder waterdichte deuren te pas­ 
seren, deze ruimten kan verlaten. Dit geldt niet voor astunneb; aan 
boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, waar de lengte 
van deze tunnels, gerekend van het achterpiekschot tot de tunneldeur, 
minder dan 25 meter bedraagt. 


5. Aan boord van passagiersschepen moeten in de ruimten, be­ 
stemd voor passagiers en bemanning, de nodige doelmatige trappen of 
ladders zijn aangebracht, door middel waarvan de opvarenden vlug 
het inschepingsdek voor de reddingboten kunnen bereiken. 


6. De volgende bepalingen zijn in het bijzonder van toepassing: 
(a) de uiigangen, bedoeld in lid 4, moeten zodanig zijn aange­ 
bracht, dat zij gemakkelijk bereikbaar zijn; 


( b ) boven het schottendek aan boord van passagiersschepen moe­ 
ten in elke door de hoofdbrandschotten begrensde ruimte, ten minste 
twee doelmatige uitgangen aanwezig zijn, van welke ten minste één 
toegang geeft tot een trap naar een hoger gelegen dek; 


(c) het aantal, de plaats en de afmetingen van de trappen moeten 
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. 


7. Liften, welke aan boord van schepen worden opgesteld, 


moeten vooraf door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zowel 
wat opstelling als wat inrichting betreft, worden goedgekeurd. Hierbij 
zal rekening gehouden worden met de veiligheid van de te vervoeren 
personen en van het bedienend personeel. Deze goedkeuring wordt 
verkregen na overlegging van een certificaat, afgegeven door een daar­ 
toe door genoemd Hoofd gemachtigd particulier bureau. 


Artikel 35 


1. Alle aan weer en wind blootgestelde dekken moeten door een verschansing, 
deugdelijke verschansing of door deugdelijk relingwerk van voldoende "orf™*' enzo" 
hoogte worden begrensd. 


2. Een dergelijke doeltreffende bescherming moet langs aan weer 
en wind blootgestelde trappen en loopgangen zijn aangebracht. 


3. De opvarenden moeten, waar zulks nodig is, door leuningen, 


stangen en beschermkappen tegen bewegende delen van werktuigen 
worden beschermd. 


Artikel 36 


Alle aan weer en wind blootgestelde dekken moeten, onder inacht- waterlozing 
neming van de bepalingen van bijlage IV, zijn voorzien van voldoende 
inrichtingen om zo spoedig mogelijk van overkomend water te worden 
bevrijd. 


Artikel 37 


1. Alle buitenboordsinlaten van pijpleidingen, behorende tot de Afsluiting buiten- 
werktuiglijke inrichting, moeten onmiddellijk tegen de huid of on- boordsopeningen 
middellijk tegen een op de huid gebouwde stalen kast zijn voorzien 
van afsluiters of kranen, welke behoorlijk bereikbaar zijn en ge­ 
makkelijk gesloten kunnen worden. 


2. Afvoeropeningen in het scheepsboord, onder de bovenste in­ 
delingslastlijn of onder de geladen lastlijn gelegen, moeten van een 
terugslagklep zijn voorzien. 


3. Afvoeropeningen in het scheepsboord, welke in verbinding 
staan met ruimten onder het vrijboorddek of met ruimten binnen 


een gesloten bovenbouw, moeten voorts voldoen aan de bepalingen 
van bijlage IV en voor zover het passagiersschepen betreft, bovendien 
aan die van de bijlagen II en III. De op deze openingen aangesloten 
afvoerpijpen moeten van deugdelijke samenstelling en voldoende 
beschermd zijn. 


4. 
De afsluiters, kranen en terugslagkleppen, bedoeld in de leden 
1 en 2, mogen niet van gegoten ijzer zijn vervaardigd. 


Artikel 38 


Uitzicht voor de 
j_ Aan boord van elk schip moet de plaats, waar het schip gestuurd 
mandobfug mm~ wordt, zodanig zijn gekozen, dat de roerganger aldaar een vrij uitzicht 
over het voorschip heen heeft. 


2. Een commandobrug moet over de gehele breedte van het schip 
doorlopen, tenzij de aard van het uitgeoefende bedrijf dit niet moge­ 
lijk maakt. Van de commandobrug moet een vrij uitzicht over het 
voorschip heen verkregen kunnen worden. 


Artikel 39 


Roer en stuur- 
j 
roer moet voldoende sterk zijn en behoorlijk in de draai- 


®ere' 
punten zijn gesteund. De stuurinrichting moet zo sterk zijn, dat het 
roer onder alle bedrijfsomstandigheden met voldoende snelheid van 
boord tot boord kan worden bewogen. Zij moet goed werken en ge­ 
makkelijk te bedienen zijn. 


2. Het stuurgerei moet zodanig zijn ingericht, dat, indien de 
bovenste spaak van het stuurrad naar stuurboord of naar bakboord 
wordt gedraaid, de achterkant van het roer zich naar dezelfde zijde 
beweegt. 
„ . .... 
T 
3. Stuurkettingen moeten voldoen aan de eisen, welke in bijlage I 
aan ankerkettingen zonder dam worden gesteld en gekeurd worden op 
de wijze, als daarin is voorgeschreven. 


4. Elk schip moet van een doelmatige hulpstuurinrichting zijn 
voorzien, welke in geval van nood snel in werking gebracht moet 
kunnen worden. Zij moet voldoende sterk zijn en een voldoend ver­ 
mogen bezitten om het schip bij de minimum snelheid, waarbij nog 
gemanoeuvreerd kan worden, goed bestuurbaar te doen zijn. Een 
reserve-hoofdstuurinrichting kan een hulpstuurinrichting vervangen. 


5. De hulpstuurinrichting moet ten minste één maal per jaar wor­ 
den beproefd. De onderdelen van het hulpstuurgerei moeten voor de 
hand liggend zijn opgeborgen. 


6. Van het onderzoek en van de beproevingen van de stuurin­ 
richtingen moet in het scheepsdagboek aantekening worden ge­ 
houden. 


7. Aan boord van schepen, voor welke een roerkoning met een 
middellijn ter plaatse van de helmstok van 229 millimeter of groter 
wordt voorgeschreven, moet de hulpstuurinrichting door een kracht­ 
werktuig bewogen worden. 


8. 
Bij kwadrantbesturing moet een vanginrichting op het kwadrant 


aanwezig zijn. 


Artikel 40 
1. De ankers moeten in voldoend aantal aanwezig en van vol- Ank"s, anker- 
doende gewicht en sterkte zijn. 
kettingen en 
De ankerkettingen of ankertouwen moeten van voldoende lengte meenrossen 
gewicht en sterkte zijn, terwijl elk van de ankerkettingen uit de nodi®e 
onderling verbonden, losneembare einden moet bestaan. 
. De ankers en kettingen moeten voldoen aan de eisen, vastgesteld 
schreven6 
^ g 
d worden op de wijze, als daarin is voorge- 


, 
,.I?e ankerkettingen moeten zodanig aan het schip zijn bevestigd, 
dat zij buiten de kettingbak kunnen worden ontsloten. 
4 
De voor een schip bestemde ankerkettingen mogen niet gebruikt 
worden voor het remmen tijdens het te water lopen van het schip. 
hJ' fP° ankcnnnchtjng moet' wat bouw, plaatsing en vermogen 
betreft, zodanig zijn, dat de ankers gemakkelijk en snel kunnen wor­ 
den bediend, terwijl een bijzondere borginrichting van de ankers 
voorkomt m°et 
^ ^ uitlopen tengevolge van schok of stoot 


f' 
meertrossen moeten in voldoend aantal aanwezig en van 
voldoende lengte en sterkte zijn. 


Artikel 41 


mopfptf'LdnJ|0nStrUCtle' de indeling en de inrichting van schepen inrichtingen ter 
de nodige voorzorgen getroffen zijn om brandgevaar zoveel verminderin8van 
mogelijk tegen te gaan. 
brandgevaar; 
2 
Bergplaatsen voor gevulde lampen, petroleum en aangemaakte middelen 
°PT 
iftu moeten door 'jzeren schotten zijn omgeven, een 
cementen vloer hebben en voorzien zijn van een deugdelijke ventilatie- 
ver'blijfng' 
mogen nlet ln rechtstreekse verbinding staan met enig 


3. De in het vorige lid vervatte voorschriften zijn niet van toe­ 
passing op zeilschepen van 200 ton en minder, voor zover de aan 
boord aanwezige inrichtingen naar het oordeel van de ambtenaar van 
opleverenPVaartmSPeCtle voldoende waarborgen voor de veiligheid 


4. Aan boord van schepen van 1500 ton en meer moeten in de 
daarvoor in aanmerking komende ruimen, op door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie goed te keuren plaatsen, de nodige kokers zijn 
aangebracht om de temperatuur op te nemen. Deze kokers moeten 
tnt nnlr T bevestlSd> met schroefdoppen worden afgesloten en 
tot onder m de ruimen doorlopen. Zij moeten zodanig beschermd 
°f ™ Stehrk 
datX7z'J d0°r verschuiven van lading niet kunnen 
worden beschadigd. Voor de temperatuurkokers moeten voor het 
aoel bruikbare thermometers aanwezig zijn. 
5. Aan boord van alle schepen moeten de nodige vaste brandblus- 
middelen, als aangegeven in bijlage V, zijn aangebracht. 


6. Aan boord van passagiersschepen gebezigd op internationale 
reizen moeten voorts de voorzieningen tegen brandgevaar, zomede de 
middelen voor het aantonen van brand, overeenkomstig de bepalingen 
van de bijlagen II en III worden toegepast terwiil voorzorgen tegen 
brandgevaar moeten worden getroffen, zoals voorgeschreven in 
j 
laoe 
7 
Aan boord van passagiersschepen, welke op andere dan inter­ 
nationale reizen worden geoezigd, moeten de voorzieningen tegen 
brandgevaar, zomede de middelen voor het aantonen van brand, over­ 
eenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen 


eT Aa'n 'boorcf van^schepen, waar ketels met olie gestookt kunnen 
worden moet een gedeelte van de stookplaat uit roosters bestaan om 
de tank'top of de vullings te allen tijde ook zonder oplichten van de 
plaat te kunnen controleren. Een vast lichtpunt moet daartoe onder 
de stookplaat zijn aangebracht. 


Artikel 42 


Schepen inge- 
\ Schepen, ingericht of gebezigd voor het vervoer van de ir 
richt of gebezigd 
y j omschreven brandbare vloeistoffen als lading, moaen, 


van'brandbare SJSnZcfe en inrichting betreft, voldoen aan de eisen, gesteld in 
vloeistoffen als 
,. u|:ia„e 


,ading 
die b.jiag de constructie en de inrichting van schepen, welker ketels 


met vloeibare brandstof kunnen worden gestookt moet rekening zijn 
gehouden met het als gevolg daarvan verhoogde brandgevaar. 


Artikel 43 


c 
ifh,n7en 
1 
Er moet een voldoende en deugdelijke verbinding bestaan door 
telegrafen, enzo- micjdel van spreekbuizen, telegrafen en/of dergelijke 'nnchtmgen us- 
sen de plaats, waar het schip wordt bestuurd en de plaat£), wa« het 
(de) voortstuwingswerktuig(en) en zonodig waar de hulpstuunnnch 


ting 
bei 
rv&n de wijzerpiaten langsscheeps zijn gencht, 


moeten zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat voor het^n „vooruit 
het bewegingshandel naar voren moet worden bewogen. 


Artikel 44 


voortstuwing. 
1. De voortstuwingswerktuigen, zowel 


werktuigen, en- . , 
moeten noed functioneren, van voldoend sterke consirucue 


zovoort 
d 
„Tn op.tpld en deugdelijk gefundeerd. De bewegende 


£="""" K?S»v.ldS grot" dSv!»^ hebben, rekening houdend 
dengdejijte smermj^ v<)orschriften gdden eIeneens ÏOOr de 


hdpwerkluigea 
erkl»igen moeten zodanig zijn 
Jjjj* 


ook bij achteruit slaan een voldoend vermogen kan «J»' 
keld, zodat het schip onder normale omstandigheden behoorlijk ma 
noeuvreervaardig is. 


4. Dieselmotoren moeten voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen 
in de aanzetluchtleidingen nabij de aanzetluchtkleppen op elke werk- 
cilinder, teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen 
of te localiseren. 


5- 
Aan boord van schepen van meer dan 1000 ton moeten de 
hoofd- en hulpcirculatiepompen, welke niet door het hoofdvoort- 
stuwingswerktuig worden gedreven en welke bij de geringste diepgang 
boven water spuien, zijn voorzien van een aan dek te bedienen stoo- 
inrichting. 
^ 


6. Roosters en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund. Wan­ 
neer zij geborgd zijn, moet de inrichting zodanig zijn, dat de platen 
en roosters gemakkelijk gelicht kunnen worden. 


7. Scheepsbenodigdheden en losse stukken hout mogen in een tun­ 
nel slechts aanwezig zijn, indien geborgen in gesloten kasten, welke 
de doorgang niet versperren. 


8. Voortstuwingsruimten moeten behoorlijk worden schoongehou- 
den en in het bijzonder worden vrijgehouden van olieresten, lekolie 
met olie doordrenkt poetskatoen en dergelijke verontreinigingen. 


9. De inrichting en de opstelling van werktuigen aan dek of in 
ruimten, waarin werkzaamheden worden verricht, moeten zodanig 
zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van daarbij of daarin te werk 
gestelde personen zoveel doenlijk is gewaarborgd. 


Artikel 45 


1. Als vloeibare brandstof voor de voortstuwingswerktuigen en Gebruik van 
de ketels mag slechts brandstof met een vlampunt boven 55° Celsius vloeibarebran<i- 
bij een barometerstand van 760 millimeter kwik (bepaald met het S'°f 
toestel van Pensky-Martens) worden gebruikt. 


2. 
Krachtwerktuigen, welke met behulp van een vloeistof met een 
vlampunt lager dan 30° Celsius bij een barometerstand van 760 milli­ 
meter kwik (bepaald met het toestel van Abel-Pensky) worden ge­ 
dreven of aangezet, mogen niet zijn opgesteld. 


3. Hoofdafsluiters in brandstoftoevoerleidingen naar hoofdstoom­ 
ketels, motoren en hulpmotoren moeten zijn voorzien van inrichtingen 
om deze van het dek af te kunnen sluiten. De wijze, waarop dit ge­ 
schiedt, moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven. De brandstof­ 
toevoerleidingen van hulpmotoren mogen niet op die van de hoofd­ 
motor zijn aangesloten. 


4. 
Alle brandstofoliepompen moeten van het dek af buiten werkin» 


kunnen worden gesteld. 


5. De olieleiding naar kombuizen moet buiten de kombuis op een 
gemakkelijk bereikbare plaats van een afsluiter zijn voorzien. Met olie 
gestookte fornuizen moeten zijn voorzien van een veiligheidsinrich­ 
ting, waardoor explosie-gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. 
Het bedieningsvoorschrift moet op een plaat van deugdelijk materiaal 
nabij de fornuizen vast zijn aangebracht. Lekolie mag zich niet in 


de kombuis kunnen verzamelen, doch dient op veilige wijze naar een 
lekolietank buiten de kombuis te worden afgevoerd. 


Artikel 46 


Luchtvaten 
i 
De luchtvaten moeten voldoen aan de eisen, daarvoor gesteld 


"oÓnl in bijlage VIII. 


stuwingsinrich- 
2 
De inrichting van de motorkamer en de daarin geplaatste motor 
,ing 
met toebehoren van schepen van minder dan 500 ton moeten voldoen 
aan de eisen, gesteld in bijlage IX. 


3. De inrichting van de ruimte voor de voortstuwing en de daarin 
geplaatste werktuigen met toebehoren moeten overigens voldoen aan 
de eisen, gesteld door een der door Ons erkende particuliere onder- 
zoekingsbureaux. 


Artikel 47 


Lensinrichting 
j 
£]]< gedeelte van het schip, voor zover het Hoofd van d- 
Scheepvaartinspectie het hiervoor vatbaar acht, moet te allen tijde 
kunnen worden lensgepompt. Op schepen zonder werktuighjke voort- 
stuwing kan zulks door ten minste twee handpompen geschieden Deze 
mogen op kleine vaartuigen ook verplaatsbare pompen zijn. In 
andere gevallen moeten werktuiglijk gedreven pompen hiertoe op de 
lensleiding zijn aangesloten. 


Met uitzondering van de voorpiek, de achterpiek, waterballast-, zoet­ 
water- en olietanks, moeten alle waterdichte afdelingen op de lens­ 
leiding zijn aangesloten. 


2 
Op schepen, waar de voortstuwingsruimte zich in het achter­ 
schip bevindt en de ruimte tussen de voortstuwingsruimte en het aan­ 
varingsschot slechts één waterdichte afdeling uitmaakt, moet deze af­ 
deling zowel vóór als achter, zowel aan stuur- als aan bakboord van 
een lensleiding voorzien zijn. Indien geen dubbele bodem aanwezig 
is, kan met één aansluiting vóór en een achter worden volstaan in 
dien de vorm van het schip volgens het oordeel van het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie daartoe aanleiding geeft. 


3 
Alle pijpleidingen, aangesloten op pompen, welke dienen om 
laadruimen of voortstuwingsafdelingen lens te houden moeten^ vol­ 
komen afgescheiden zijn van die leidingen, welke gebruikt kunnen 
worden voor het vullen of ledigen van ruimten, waarin water, olie of 
andere vloeistof vervoerd wordt. 


Het gebruik van loden pijpen is met toegestaan onder of in ko 
bunkers of brandstofolietanks en in ketelruimen, machine- en motor- 


k7iSS«voPo'zöï=n moe.en zijn genomen om te voorkomen 
dat een dieptank met aansluiting, zowel aan de lenslleiding als aan de 
hallastleidine door onachtzaamheid of met zeewater volloopt indien 
zij lading bevat öf door een lenspomp wordt leeggepompt, indien zij 
waterballast bevat. 


4 
Aan boord van schepen, welke van een electrische lichtinstallatie 
zijn voorzien moet bij de lensflessen in de machinekamer, zowel aan 
stuurboord- als aan bakboordzijde, een vast lichtpunt zijn aangebracht. 
Ook zonder dat daartoe oplichten van een vloerplaat noodzakelijk is 
moet controle van de vullings ter plaatse mogelijk zijn. 
' 
De PomPen moeten een voldoende hoeveelheid water kunnen 
moTzo^zfn dl?'6" Z° T gep,'aatSt en de lisginS van de leiding 
et zo zij-n, dat een goede werking onder alle omstandigheden is 
K X K * b S S 
m o e t i n d e l a a d r u i m m b e h o o r » 


per minuut kunnen geven. 


tenminste gelfjk zijlaan:" ™ mi"in"tos ™" 
moe, 


(a) voor de hoofdleidingen naar de pompen: 
|/-®X|^D)+25; 


(b) voor de leidingen naar de lensflessen: 
K^p+25. 


aal^dP^inH1' dC lew8te T het schiP' 8emetcn tussen de loodlijnen 
aan de einden van de in de zomer toegestane lastlijn (voor schenen 
wnrHtPHSSa,êlerf 
pen ziJnde'. welke voorzien zijn van een kruiserhek' 
i.i" 
e en8te genomen gelijk aan 96 percent van de totale OD dé 
lastlijn gemeten lengte; zij mag in dit geval echter niet kleiner cenn 
Z\Z°tTdea Han de,afStand van de voorkant van de vooZJ^Z 
het hart van de roerkoning); B is de breedte van het schip Smeten 
s°rh tf b"lt,enkant van de spanten; D is de holte naar de mal tot het 
dek voofedeVnWaSSagherSSCheiPei1 (Z'e b'jlage H) en tot het vrijboord- 
delinc- alle mat lge..schePenj 1 is de lengte van een waterdichte af­ 
deling, alle maten zijn uitgedrukt in meters. 
naa? 
8SVal Tf® de inwendiSe middellijn van de hoofdleidingen 
flessen 
P°mPen 
Z'Jn dan die van de ^dingen naar de lens- 


6. De lensinrichting op passagiersschepen gebezigd op intematio 
£„Te"„ m" b0VenClien ,°"">5n ™ de 
W taTS- 


7. De lensinrichting op passagiersschepen, welke OD niet-interna 


to HL7r,a„Wdi; ?heCbrUikt; ™e' TOld0en 
"" 
welke do»; 
net Woord van de Scheepvaartinspectie worden gesteld. 
' , an boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde met 
™ 
da; ecfn, 
vóór of achter de machinekamer gelegen moet 
binnen de afdeling, waarin het open zuigeind voorkomt, een'terug- 


-wi-w nf pen afsluiter — deze laatste moet kunnen worden be­ 
wogen van een steeds toegankelijke plaats - in ^ l^le^d.ng aan- 
wezi« ziin te«en het waterdichte scheidingsschot van de betreltena 
S„! indien de leidins achter deze klep of afsluiter z.eh op éen 
van de volgende plaatsen bevindt: 


( a ) overal waar een spant boven of onder de bovenste geladen 
lastlijn ten opzichte van deze lijn naar binnen va t buiten de Ujn, 
welke in het vlak van het spant kan worden getrokken op een bin 
nefwaartse aStand, horizontaal gemeten, van een vijfde van de 
scheepsbreedte uit de spantlijn; 


( b ) overal waar een spant boven of onder de> bovenste geladen 


gelaS 
lastlijn kan worden getrokken op een afstand binnenwaarts van 
viifde van de scheepsbreedte afgezet op deze lastlijn 
, 


Deze terugslagkleppen of afsluiters behoeven i me: 
e w 
g e b r a c h t i n l e n s l e i d i n g e n , w e l k e i n t u n n e l s z ' j n g c g . ^ ] k i | 
lel vereist in de lensleiding op het sche.dmgsschot van kokerMd^^ 
het te lenzen ruim, indien de leidingen in een kokerk 
J 


gebrac 
v.ssersvaartuigen met werktuiglijke vQQrtstuwing moet elk 


gedeelte van het schip, dat daarvoor in aanmerking komt, ine 
geval het visruim en de machinekamer, behalve door de in hd 
bedoelde werktuiglijk gedreven pompen, bovendien door een doel 
maüge hand pomp van® voldoende grootte kunnen worden lens ge­ 
pompt. 


Artikel 48 


Artikel 49 


Hoofdstoomaf- 
De hoofdstoomafsluiters van elke stoomketel moeten ^e^ge- 
siuiters 
makkelijk bereikbaar zijn en hetzij van het dek,hetz j 
•• 


crnefl te keuren plaats kunnen worden behandeld. Zij moeten zij 
voorzien van eeif duidelijke aanwijzing, hoe gedraaid moet worden 
om de afsluiters te openen en te sluiten. 


Artikel 50 


Eiectrische in- 
1. Electrische inrichtingen moeten voldoen aan de eisen, gestelc 


richtingen, nood- 
bijlage VI. 


noodgenèrator, 
2 
Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde me 
alarminstallatie 
verlichtin° moet in de voortstuwingsruimten, bi üe pen 
SeTvan^ÏÏSSS. op het sloependek nabij de reddingboten 


mogen 


J de magnetische kompassen, voorzover niet van een andere nood­ 
verlichting voorzien, in de daarvoor in aanmerking komende ver­ 
blijven en bij de voornaamste doorgangen en trappen een electrische 
noodverlichting zijn aangebracht, die steeds voor onmiddellijk ge­ 
bruik gereed is en gedurende zes uren onafgebroken kan branden. 


J. Aan boord van passagiersschepen moet, behalve op de in lid 2 
genoemde plaatsen een electrische noodverlichting zijn aangebracht 
bij de inschepingsplaatsen van de reddingboten aan dek en buiten­ 
oordm alle gangen bij alle trappen en uitgangen, in alle liftkooien 
van liften met betreedbare kooi, in de daarbij behorende machine­ 
kamers, in de contrölestations als bedoeld in artikel 26 van bijlage II 
en voor de navigatielantaarns. 


• 
Te"-,be,h<ï®Ve van de voeding van de noodverlichting en van andere 
van 
h 
van bijlage VI genoemde inrichtingen, welke in geval 
van nood moeten kunnen werken, moet een krachtbron aanwezig zijn 
rif vanT Ja" d'e' b,estemd voor de voortstuwing van het schip' 
ais van de algemene electrische installatie onafhankelijk is 


4. Aan boord van passagiersschepen moet een electrische alarm­ 
installatie, welke op de commandobrug in werking kan worden ge­ 
ste,d, zijn aangebracht, waarmede in geval van nood de passagiers 
en de bemanning kunnen worden gewaarschuwd. 


5. Het beschikbare vermogen van de hoofdgeneratoren, met uit­ 
zondering van de noodgenerator, moet voldoende zijn om gelijktijdig 
bij de normale belasting de accumulatoren te kunnen opladen en 
tevens te kunnen voldoen aan de eisen ten aanzien van de in artikel 
135 voorgeschreven demagnetisering. 


Artikel 51 


medeïonïlHnl0^ ^ vert0"en van fiIms gedurende de reis, zo- Filmtoestellen 
Ien wilrlm 
ï, 
daarvan en de ruimten, waarin de toestellen zul- 


lage^C gegeven ' 
m°eten V°ld°en aan de voorschriften in bij- 


Artikel 52 


eisen ïtew'ïhll Th dp schePeI,inSen moeten voldoen aan de Afümmering 
eisen, gesteld in het Schepehngenbesluit. 
bemannings- 


de'rïSn KeHbl1rn lan de kapitein moeten ten minste voldoen aan rU'mlen 
de eisen, bedoeld m het eerste lid. 


Artikel 53 


U,EP 
sarnenst®1Ifnde delen van de scheepsromp en van de werk- Slijtage 


heid van" 'n,nC 
gen' We^e van belang kunnen z'in voor de veilig- 
sleten ziin A« 
°pvarenden' mo§en niet te veel ingeteerd of ver­ 
sleten zijn. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt. 


HOOFDSTUK V 


Uitrusting 


§ 1. Reddingmiddelen 


Artikel 54 


Reddinggordels 
l. Aan boord van elk schip moet voor iedere opvarende ten minste 
één reddinggordel beschikbaar zijn. 
_ . 
, 


Aan boord van schepen met passagiersaccommodatie moet een 
voldoend aantal kinderreddinggordels aanwezig zijn, tenzij de red­ 
dinggordels tevens voor kinderen bruikbaar zijn. 


De reddinggordels moeten voldoen aan de eisen, gesteld in bij­ 
lage XI. 
.. . 


2. De reddinggordels moeten zodanig zijn geborgen, dat zij in 
geval van gevaar gemakkelijk zijn te bereiken. 


De bergplaatsen van de reddinggordels moeten op duidelijke wijze 
zijn aangegeven, terwijl aangaande het doelmatig gebruik en de plaa s, 
waar de gordels zijn geborgen, voor alle opvarenden duidelijke aan- 
wijzingen moeten zijn aangebracht. 


Artikel 55 


Reddingboeien 
i. Aan boord van elk schip moet ten minste het hieronder ver­ 
melde aantal reddingboeien aanwezig zijn: 


( a ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, uit­ 
sluitend bestemd en gebruikt voor de vaart over de Wadden, langs 
de mond van de Weser naar de' Elbe en door het Kaïser-Wilhelm 
kanaal tot Kiel en van schepen van niet meer dan 50 ton, geen passa­ 
giersschepen zijnde, één; 


( b ) aan boord van zeilschepen van meer dan 50 en van met meer 
dan 200 ton en van vissersvaartuigen van meer dan 50 ton, twee, 


(c) aan boord van alle andere schepen, geen passagiersschepen 
zijnde een in verband met de grootte en de inrichting van het schip 
voldoend aantal, doch ten minste twee aan boord van schepen va 
minder dan 500 ton en ten minste 8 aan boord van schepen va 
500 ton en meer; 


( d ) aan boord van passagiersschepen, bij een lengte van het schip 
van minder dan 61 meter 
ten minste 8, 


van 61 tot 122 meter 
ten minste 12, 


van 122 tot 183 meter 
ten minste 18, 


van 183 tot 244 meter 
ten minste 24, 


van 244 meter en meer 
ten minste 30, 


(e) aan boord van schepen, welke gebezigd worden voor het ver­ 
voer van pelgrims of van grote aantallen passagiers, voor wie ge.n 
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage III aangeg 


gebieden, in afwijking van het bepaalde onder (d), bij een lengte van 
het schip 


van minder dan 61 meter 
ten minste 6, 


van 61 tot 
91 meter 
ten minste 8, 


van 91 tot 122 meter 
ten minste 10, 


van 122 meter en meer 
ten minste 12. 


2. De reddingboeien moeten voldoen aan de eisen, gesteld in bij­ 
lage XI. 


3. Ten minste de helft van het aantal voorgeschreven redding­ 
boeien, doch aan boord van passagiersschepen niet minder dan zes, 
moet voorzien zijn van een daaraan met een lijn verbonden zelf- 
ontbrandend licht, dat door water niet kan worden gedoofd. 


Dit voorschrift is niet van toepassing op schepen, geen passagiers­ 
schepen zijnde, van minder dan 500 ton en op passagiersschepen, 
bedoeld in lid 1 onder ( e ) , met dien verstande, dat op eerstgenoemde 
schepen ten minste één en op laatstgenoemde schepen, indien de 
lengte daarvan niet groter is dan 61 meter, twee, indien de lengte 
groter is doch niet groter dan 91 meter, vier en bij grotere lengte 
zes boeien van een zelfontbrandend licht moeten zijn voorzien. 


4. Aan boord van tankschepen moeten de in lid 3 bedoelde lichten 
van het electrische element-type zijn, met een voldoend aantal reserve 
batterijen. 


5. Aan boord van passagiersschepen en van andere schepen van 
500 ton en meer moet aan elke zijde ten minste één reddingboei van 
een lijn met een lengte van ten minste 30 meter zijn voorzien. 


Artikel 56 


Aan boord van elk schip, met uitzondering van een dok of een Boten, drijvende 
ander dergelijk drijvend voorwerp, moeten zich boten bevinden naar toestelIen 
de volgende maatstaf: 


( a ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 
minder dan 200 ton met uitzondering van sleepboten, welke slechts 
dienst doen in de onmiddellijke nabijheid van de havens, waar zij 
thuis behoren en te klein zijn om een boot te voeren en van vissers­ 
vaartuigen met beperkt vaargebied, ten minste één boot, groot genoeg 
om alle opvarenden op te nemen; 


( b ) aan boord van vissersvaartuigen met onbeperkt vaargebied en 
van alle andere schepen met beperkt vaargebied, geen passagiers­ 
schepen zijnde, van 200 ton tot en met 400 ton, ten minste één red­ 
dingboot, welke aan beide zijden gemakkelijk te water moet kunnen 
worden gebracht en groot genoeg is om alle opvarenden op te nemen; 


( c ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, niet 
vallende onder de schepen genoemd onder (a), (b) en (f), aan elke 
zijde één of meer reddingboten met zodanige inhoud, dat alle op­ 
varenden in de boten aan één zijde van het schip kunnen worden 
opgenomen; 


(d) aan boord van passagiersschepen, reddingboten met zodanige 
inhoud, dat alle opvarenden daarin kunnen worden opgenomen, echter 
met dien verstande, dat voor passagiersschepen op korte internationale 
reizen, mits het betreffende schip voldoet aan de eisen, gesteld in 
artikel 6, lid 4 van bijlage II, kan worden volstaan met bootruimte 
volgens de in bijlage XI gegeven tabel, waarbij voor het aantal op­ 
varenden, dat niet in deze bootruimte kan worden opgenomen, 
extra reddingboten of drijvende toestellen moeten worden bijge­ 
plaatst, terwijl bij een verlenging van die korte reis tot ten hoogste 
1200 zeemijlen, ten minste 75 percent van de opvarenden plaats in de 
reddingboten moet kunnen vinden; 


(e) aan boord van schepen, welke worden gebezigd voor het ver­ 
voer van pelgrims of van grote aantallen passagiers, voor wie geen 
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage XII aangegeven ge­ 
bieden, in afwijking van het bepaalde onder (d), reddingboten met 
een inhoud als in bijlage XII is aangegeven, benevens drijvende toe- 
stelle'.i naar de in die bijlage gegeven maatstaf; 


( f ) aan boord van schepen, welke worden gebezigd als fabrieks- 
schip bij de walvisvangst, aan elke zijde reddingboten met zodanige 
inhoud, dat alle opvarenden, werkzaam ten behoeve van het schip, 
in de boten aan één zijde van het schip kunnen worden opgenomen; 


daarenboven moeten aan boord van elk zodanig schip redding­ 
boten zijn met zodanige inhoud, dat alle overige opvarenden daarin 
kunnen worden opgenomen. 


Artikel 57 


Aanvullende drij- 
Aan boord van passagiersschepen, andere dan bedoeld in artikel 56 
vende toestellen onder (e) moeten, boven de in dat artikel bedoelde boten en drijvende 
toestellen, voor ten minste 25 percent van het aantal opvarenden aan­ 
vullende drijvende toestellen aanwezig zijn, terwijl dit percentage aan 
boord van passagiersschepen, op korte internationale reizen gebezigd, 
op 10 is gesteld. 


Artikel 58 


Motorredding- 
1. Aan boord van passagiersschepen moeten, indien het aantal 
bo,en 
reddingboten 20 of meer bedraagt, twee motorreddingboten van 
klasse A, wanneer het aantal reddingboten meer dan 13, doch minder 
dan 20 bedraagt, één motorreddingboot van klasse A en één van 
klasse A of B aanwezig zijn. Wanneer het aantal reddingboten 13 of 
minder bedraagt, moet daaronder een motorreddingboot van klasse A 
of B zijn begrepen. 


2. Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 
1600 ton of groter, moet één der reddingboten een motorreddingboot 
van klasse A of B zijn. 


3. 
In plaats van een motorreddingboot van klasse B, mag een 
met handkracht gedreven schroefreddingboot worden gebezigd. 


4. Wanneer twee of meer motorreddingboten aan boord geplaatst 
zijn, moeten deze over stuurboord- en bakboordzijde zoveel mogelijk 
gelijkmatig zijn verdeeld. 


Artikel 59 


Aan boord van tankschepen van 3000 ton en meer, waar zich mid- Reddingboten 
scheeps een brug of een dekhuis met accommodatie bevindt, moeten op an sc epeQ 
ten minste vier reddingboten, twee op het achterschip en twee mid­ 
scheeps, zijn geplaatst. De inhoud van de boten midscheeps, moet 
ongeveer gelijk zijn aan die op het achterschip opgesteld. 


Artikel 60 


Aan boord van passagiersschepen moet aan weerszijden een boot Boten voor ge- 
onder davits voor gebruik bij „man over boord" aanwezig zijn. Deze overboord"13" 
boten mogen in het algemeen geen grotere lengte hebben dan 8 meter. 
Zij kunnen als voorgeschreven reddingboten worden aangemerkt, in­ 
dien zij aan de voor reddingboten gestelde eisen voldoen. 


Artikel 61 


De boten en drijvende toestellen moeten voldoen aan de in de inrichting boten 
bijlagen XI en XII gegeven voorschriften. 
toesteitennde 


Artikel 62 


1. De boten moeten zodanig zijn geplaatst, dat zij ook onder Plaatsing 
ongunstige omstandigheden, zoals slagzij van het schip tot 15° en reddinsn»ddeien 
aanzienlijke stuur- of koplast, veilig en vlug te water kunnen worden 
gebracht. 


2. De plaatsing van elke boot of van elk drijvend toestel moet zo­ 
danig zijn, dat zij de behandeling van andere boten of drijvende toe­ 
stellen niet bemoeilijkt. 


3. De opvarenden moeten snel in de boten kunnen plaats nemen. 
4. De aanvullende reddingmiddelen moeten zoveel mogelijk over 
het schip verdeeld worden opgesteld, zodanig dat zij zo goed mogelijk 
tegen beschadiging zijn gevrijwaard. 


Artikel 63 


1. Alle boten moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij goed zeevast Opstelling boten 
staan en zonder veel inspanning vlug door de bemanning te water 
kunnen worden gebracht. 


2. Zij mogen niet zijn opgesteld bij de boeg van het schip of op 
een zodanige plaats, dat zij bij het te water brengen in gevaarlijke 
nabijheid van de schroeven komen. 


3. Een boot moet behandeld worden door een eigen stel davits; 


echter kan voor schepen, bedoeld in artikel 56, onder (a) en (b) door 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een andere wijze van te water 
latsn worden toegestaan. 


4. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kunnen aan 
boord van passagiersschepen en fabrieksschepen bij de walvisvangst, 
met inachtneming van het bepaalde in artikel 62, de reddingboten 
boven elkander dan wel in elkander zijn geplaatst. 


Indien de boten vóór het te water laten moeten worden gelicht, is 
het in elkander plaatsen echter uitsluitend geoorloofd, indien vol­ 
doende krachtwerktuigen voor dat lichten aanwezig zijn. 


5. Wanneer een boot onder een andere boot is geplaatst, moeten 
goedgekeurde verplaatsbare steunen of andere inrichtingen zijn aan­ 
gebracht, welke beschadiging van de onderste boot voorkomen. 


6. Boten mogen op meer dan één dek zijn geplaatst op voor­ 
waarde, dat doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voor­ 
komen, dat op een lager dek geplaatste boten onklaar raken door 
het te water brengen van boten, welke op een hoger gelegen dek zijn 
geplaatst. 


Artikel 64 


inrichtingen voor 
j 
Boten aan boord van schepen van minder dan 200 ton, geen 
gen'vaTbJterT" passagiersschepen zijnde, moeten onbemand gemakkelijk, vlug en 
doeltreffend te water kunnen worden gebracht. Schepen, geen passa­ 
giersschepen zijnde, van 200 ton en meer moeten voorzien zijn van 
inrichtingen, waarmede de boten onbemand onder normale omstan­ 
digheden door ten hoogste 4 man gemakkelijk, vlug en doeltreffend 
buitenboord en te water kunnen worden gebracht. 


2. Davits moeten op zodanige wijze op één of meer dekken 
worden opgesteld, dat de daaronder geplaatste boten veilig kunnen 
worden gestreken zonder hinderlijk te zijn voor de behandeling van 
andere davits. 


De constructie moet voldoen aan de in bijlage XI gegeven voor­ 
schriften. 


3. Aan boord van passagiersschepen en van schepen, geen passa­ 
giersschepen zijnde, van 500 ton en meer, moeten staaldraadlopers 
met werktuiglijke inrichtingen om de boten te vieren en op te halen 
worden gebezigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het 
gebruik van manilla-takels met of zonder lieren toestaan, indien hij 
daartoe aanleiding vindt. 


4. Indien meer dan één reddingboot door hetzelfde stel davits 
wordt bediend, moeten de lieren voor de lopers, indien deze door 
krachtwerktuigen worden gedreven, tevens op doelmatige wijze met 
de hand bewogen kunnen worden, terwijl afzonderlijke takels voor 
elke reddingboot aanwezig moeten zijn, indien manilla-lopers worden 
gebezigd. 


De inrichtingen moeten het snel en in volgorde te water vieren 
van de boten verzekeren. 


5. Takels, blokken en inrichtingen moeten voldoen aan de in 
bijlage XI gegeven voorschriften. 


6. Aan boord van alle schepen, waar het sloependek meer dan 
4,60 meter boven de grootste toegestane diepgang in zeewater ligt, 
moeten de reddingboten voorzien zijn van glijspanten of daarmede 
gelijk te stellen inrichtingen van een door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie goedgekeurd type. 


Artikel 65 


1. Passagiersschepen moeten naar gelang van de lengte voorzien stellen davits 
zijn van een aantal stellen davits en daaraan verbonden reddina- en daaraan ver" 
boten, als in bijlage XI is voorgeschreven. 
° bown^aan boord 


2. Passagiersschepen, welke worden gebezigd voor het vervoer van 
Passas'ers- 
van pelgrims en van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste SChepe" 
slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage XII aangegeven gebieden, 
mogen, in afwijking van het in lid 1 bepaalde, naar gelang van de 
lengte van het schip voorzien zijn van een aantal stellen davits en 
daaraan verbonden reddingboten, als in bijlage XII is omschreven. 


Artikel 66 


Aan boord van schepen van 500 ton en meer, geen passagiers- Draagbaar radio­ 
schepen zijnde, en van alle passagiersschepen met minder dan 20 tele8raaftoestei 
reddingboten, moet ten behoeve van de reddingboten ten minste bo?enreddinS' 
één draagbaar radiotelegraaftoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan de 
in bijlage XIII gestelde eisen. Het moet geheel volledig met bijbe­ 
horende uitrusting in de kaartenkamer of op een andere geschikte 
plaats bedrijfsklaar gereed worden gehouden. Op reizen van beperkte 
duur kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van deze eis vrij­ 
stelling verlenen. 


Artikel 67 


1. Aan boord van alle schepen moeten de nodige middelen aan- Noodsignalen 
wezig zijn om, zowel bij dag als bij nacht, doelmatige noodsignalen 
te kunnen geven. 


2'c^an b°°rd Van alIe PassaS'ersschepen en van andere schepen 
van 500 ton en meer moeten hieronder begrepen zijn ten minste drie 
valschermsignalen, welke op grote hoogte een helder rood licht kun­ 
nen geven. 


§ 2. Veiligheidsmiddelen 


Artikel 68 


1 
Aan boord van elk schip moeten geschikte middelen of in- oiiestorten- liin- 
richtingen voor het storten van golfstillende olie en een voldoende werptoestei, 
hoeveelheid traan of plantaardige olie aanwezig zijn, waarbij rekening ESStadlte 
moet worden gehouden met de lengte van het schip, de duur en de 
aard van de te ondernemen reis. 


2. Schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 500 ton en meer 
en alle passagiersschepen moeten zijn voorzien van een door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd lijnwerptoestel. Het 


toestel moet met redelijke trefzekerheid een lijn kunnen schieten 
over een afstand van ten minste 230 meter. Bij het lijnwerptoestel 
moeten ten minste vier projectielen en vier lijnen aanwezig zijn. 
Een duidelijke gebruiksaanwijzing moet bij het toestel zijn aange­ 
bracht. 


3. Schepen van 200 ton en meer en passagiersschepen moeten zijn 
voorzien van een stormladder van toereikende lengte, welke voldoet 
aan redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 


4. Schepen van 500 ton en meer en alle passagiersschepen moeten 
zijn voorzien van een deugdelijke Ioodsladder van voldoende lengte 
en sterkte en met voldoend brede treden. De ladder moet zo nodig 
voorzien zijn van een voldoend aantal spreiders. Twee stevig beves­ 
tigde handleiders moeten te zamen met de Ioodsladder gebruikt 
worden. 


Artikel 69 


Brandbiusmidde- 
i 
Aan boord van elk schip moeten, behalve de in artikel 41 be­ 
ien. Veiligheids- doelde vaste inrichtingen ter vermindering van brandgevaar en vaste 
" 
brandblusmiddelen, tevens brand blusmiddelen aanwezig zijn, volgens 
de in bijlage V gegeven voorschriften. 


2. Aan boord van motorschepen en van schepen, ingericht of ge­ 
bezigd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen, moeten één of 
meer deugdelijke veiligheidslampen aanwezig zijn om te gebruiken in 
ruimten, waar dampen, welke tot een ontploffing aanleiding kunnen 
geven, kunnen worden verwacht. 


Artikel 70 


Gereedschap en 
1. 
Aan boord van werktuiglijk voortbewogen schepen moeten 
materiaal voor 
aeree<jschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid 
voerenÏCherstei- 
Lnwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de 
ünsen 
ketels, de stuurinrichting en de electrische installatie te kunnen uit­ 
voeren. 


2. Aan boord van schepen, waar de ketels met steenkolen worden 
gestookt moet een zodanig aantal roosterijzers in reserve aanwezig 
zijn, dat van elke hoofdstoomketel ten minste één der vuren van een 
nieuw rooster kan worden voorzien. 


3. Alle passagiersschepen en alle andere werktuiglijk voort e 
wogen schepen met een daarvoor geschikte electrische installatie, met 
uitzondering van tankschepen, moeten een electrische boor, waarmede 
gaten van 16 millimeter diameter kunnen worden geboord, aan boord 
hebben. De boor moet op alle plaatsen, waar brand verwacht kan 
worden, gebezigd kunnen worden. 


Artikel 71 


Presennings 
voor elk luikhoofd op een blootgestelde plaats op het dek, van 


welks bovenkant het vrijboord wordt gemeten en voor elk blootgesteld 


luikhoofd op een dek van de bovenbouw, zomede voor elk luikhoofd 
in het vrijboorddek binnen een bovenbouw, welke van de in artikel 45 
van bijlage IV bedoelde middelen tot afsluiting der tweede klasse 
of van middelen tot afsluiting minder doeltreffend dan die der tweede 
klasse zijn voorzien, moeten ten minste twee in goede toestand 
verkerende presennings, ondoordringbaar voor water en voldoende 
sterk, aanwezig zijn. Het materiaal moet gegarandeerd vrij van jute 
zijn, terwijl de minimum eisen voor kwaliteit en gewicht door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden vastgesteld. 


Artikel 72 


1. Aan boord van vissersvaartuigen moeten de voor het visserij-Vistuig 
bedrijf bestemde inrichtingen en vaste toestellen zodanig zijn gecon­ 
strueerd en opgesteld, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid 
der opvarenden. 


2. Het lopend vistuig, de masten, het staand en het lopend want, 


het los- en laadgerei aan boord van vissersvaartuigen, moeten vol­ 
doende sterk zijn en in goede staat verkeren. 


3. De bij het in lid 2 bedoelde tuig behorende blokken moeten 
voldoende sterk zijn en zodanig zijn uitgevoerd en aangebracht, dat zij 
geen gevaar opleveren voor de veiligheid der opvarenden. 


Artikel 73 


1. Aan boord van elk schip, waarop een geneeskundige gemon- Genees-, heel-, 
sterd is, moet, wat betreft de aanwezigheid van genees-, heel-, verband- verba.nd_ el} ont- 
en ontsmettingsmiddelen, voldaan zijn aan het bepaalde in de Wet J™emn8Sm,dde- 
van de 1ste Juni 1865, Staatsblad No. 60, regelende de uitoefening 
der geneeskunst, zoals deze sedert is gewijzigd. 


2. Aan boord van elk schip, waarop geen geneeskundige gemon­ 
sterd is, moeten genees-, heel-, verband- en ontsmettingsmiddelen en 
een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aangewezen hand­ 
leiding voor het gebruik daarvan aanwezig zijn volgens de voorschrif­ 
ten, vervat in bijlage XIV. 


§ 3. Hulpmiddelen bij de navigatie 


Artikel 74 


1. Aan boord van elk schip moeten de zeekaarten, welke nodig Zeekaarten, 


zijn voor de te ondernemen reis, aanwezig zijn en in goede staat ver- enzov°°« 
keren. De zeekaarten moeten van een voldoend groot bestek zijn om 
er behoorlijk op te kunnen navigeren en moeten worden bijgehouden 
aan de hand van de „Berichten aan Zeevarenden". Zeekaarten, welke 
te zeer verouderd zijn om behoorlijk te worden bijgewerkt, worden 
geacht niet in goede staat te verkeren. 


Stroomkaarten voor de Noordzee en het Kanaal moeten op alle 
schépen aan boord zijn, tenzij zij niet nodig zijn voor de te onder­ 
nemen reis. 


Tevens moeten twee passers en een stel van twee driehoeken of een 
parallellineaal aan boord zijn. 


2. Aan boord van elk schip moeten bijgewerkte lichtenlijsten van 
de kusten, welke op de voorgenomen reis in zicht kunnen komen, 
aanwezig zijn. 


3. Aan boord van schepen van meer dan 100 ton moeten bijge­ 
werkte zeemansgidsen of zeilaanwijzingen, welke nodig zijn voor de 
te ondernemen reis, alsmede een zeemansalmanak, aanwezig zijn. 


Artikel 75 


Kompassen 
i. Aan boord van zeilschepen van minder dan 200 ton, stoom- en 


motorvissers vaartuigen van minder dan 100 ton, schepen in de Wad­ 
en Sontvaart en sleepboten, uitsluitend gebezigd in de vaart langs de 
Franse, Belgische, Nederlandse en Duitse kust van Duinkerken tot 
aan het Kaiser-Wilhelmkanaal en in de Wad- en Sontvaart, moet 
ten minste één, en aan boord van elk ander schip moeten ten 
minste twee goed werkende magnetische kompassen, welke op vaste 
plaatsen zijn opgesteld, aanwezig zijn. Deze plaatsen moeten met het 
oog op het gebruik doelmatig en zodanig zijn gekozen, dat de kom­ 
passen geen hinderlijke storing ondervinden van in de nabijheid ge­ 
plaatste ijzermassa's. Hiertoe moet tijdig het advies van één der filiaal­ 
inrichtingen van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut 
of van een bevoegd persoon worden ingewonnen. 


2. Aan boord van schepen, voorzien van twee of meer kompassen, 
moet ten minste één der kompassen zodanig zijn geplaatst, dat men 
van de plaats, waar dit kompas is opgesteld, vrij uitzicht heeft over 
ten minste 24 streken van de horizon. Zulk een kompas moet voorzien 
zijn van een peilinrichting, welke door een bevoegd persoon op haai 
juistheid is onderzocht. 


Aan boord van schepen moet bij aanleg van electnsche leidingen 
in de nabijheid van kompassen rekening worden gehouden met het 
daaromtrent in artikel 11 van bijlage VI bepaalde. 


3. 
Aan boord van schepen, welke van staal of ijzer zijn gebouwd, 
of waar zich belangrijke ijzermassa's aan boord bevinden, moeten de 
kompassen door een bevoegd persoon behoorlijk gecompenseerd zijn 
en moeten, blijkens een te vertonen stuurtafel, de fouten van het 
kompas of, indien meer kompassen aan boord zijn opgesteld, van ten 
minste twee kompassen bekend zijn. Vóór de compensatie moeten de 
kompassen, kompasrozen en onderdelen door de bevoegde persoon op 
hun deugdelijkheid zijn onderzocht. 


4. Tenzij uit de aantekeningen van de kapitein blijkt, dat de fouten 
der kompassen in zee door waarnemingen geregeld worden gecon­ 
troleerd en zij binnen redelijke grenzen blijven, moet, telkenmale 
wanneer de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt, 
zodanige controle binnenslands door een bevoegd persoon worden 
verricht. 


5. De aanwijzing van de in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde be­ 
voegde personen geschiedt door Onze Minister. 


6. In afwijking van het in lid 1 bepaalde, mogen de daarin be­ 
doelde magnetische kompassen, met uitzondering van één kompas, 
door gyroscopische kompassen worden vervangen. 


Artikel 76 


1. Aan boord van elk schip moeten ten minste één kijker en ten Nautische instru- 
minste een hoekmeetinstrument aanwezig zijn, die door een door het menten 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige moeten zijn 
goedgekeurd. De fouten van het hoekmeetinstrument moeten door 


„ deskundige met een nauwkeurigheid van ten minste één minuut 
zijn bepaald. Dit hoekmeetinstrument behoeft niet aan boord te zijn 
van schepen, welker reizen beperkt blijven tot de vaart langs de Oost­ 
kust van de Noordzee van Calais tot het Aggerkanaal, zomede in de 
Oostzee tot de lijn Gothenburg—Frederikshaven. 


2. Aan boord van schepen van 150 ton en meer moet ten minste 
een deugdelijk uurwerk aanwezig zijn, waarvan stand en gang bekend 
zijn en dat goedgekeurd is door één der filiaalinrichtingen van het 
Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, of door een door 
net Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige. 


3. Aan boord van elk schip moet een barometer aanwezie zijn 
gecontroleerd en goedgekeurd door een door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie erkende deskundige. 


4. Aan boord van elk schip moeten een handlood met gemerkte 
lijn, een doelmatig werktuigelijk lodingstoestel, geschikt om diepten 
z?jn 
mmSte 
vadem te meten en een betrouwbare log aanwezig 


Het lodingstoestel kan op schepen van minder dan 500 ton en op 
alle ovenge schepen, welker reizen zich van Nederland uit niet verder 
uitstrekken dan de Oostzee, de Noordzee tot de 61ste breedtegraad 
en tot de lijn Orkaden—Shetland eilanden in het Westen, het Kanaal, 
het Kanaal van Bnstol, het St. George Kanaal en de Ierse Zee tot 
de lijn van Kaap St. Mathieu, ten Westen rond de Scilly eilanden, 
naar Carnsore Pt. in het Zuiden en in het Noorden tot de lijn van 
Inishowen Hd. naar Islay (Ardmore Pt.), van Islay (Rhuda Mhail), 
langs de Oostkust van Colonsay, naar Muil (Loch Buie) en van 
Muil (Java Pt.) naar Schotland (Barony Pt.), worden vervangen door 
sen zwaar lood met gemerkte lijn, waarvan de lengte afhankelijk is 
van de diepte der te bevaren wateren. 


5. (a) Alle schepen van 1600 ton en meer moeten voorzien zijn 
van een goedgekeurde richtingzoeker, als omschreven in bijlage XIII. 


(b) Het peilraam moet, voor zover zulks practisch uitvoerbaar is 
tdlcht mogelijk bij het vlak van kiel en stevens worden opgesteld 
:n tevens zo ver mogelijk van grote beweegbare metalen voorwerpen 


en geleiders, zoals laadbomen, staalkabels en de scheepsantennes, ver- 


^Ter vermijding van soms grote fouten moet er voorts in het bij­ 
zonder tegen worden gewaakt, dat geleiders aan dek zodanig worden 
gespannen of onderling verbonden, dat zij gezamenlijk min of meer 
grote, gesloten kringen vormen. 


(c) Een verklikkerlamp, welke gaat branden als de scheepsantennes 
geïsoleerd zijn, moet op een geschikte plaats in of nabij de ontvanger 
van de richtingzoeker zijn aangebracht. 


( d ) Alle richtingzoekers moeten bij eerste opstelling aan boor 
door deskundigen, erkend door het Hoofd van de Scheepvaartinspec­ 
tie, worden gecalibreerd. 


(e) Een certificaat, hetwelk in een grafiek de correctie aangee , 
welke op de afgelezen peiling moet worden toegepas om de ware 
peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen, moet door de des 


• kundiee die het calibreren verricht, worden ondertekend en ve 
strekt; deze grafiek moet voor onmiddellijk gebruik bij de richting­ 
zoeker aanwezig zijn. 


( f ) De juistheid van de correctie-grafiek moet ieder jaar worden 


geverifieerd. Bovendien en in het bijzonder moet die verificatie plaa 
hebben, telkenmale wanneer in de posit.e van enige anten^ dan wel 
van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht, welke 
de nauwkeurigheid van de richtingzoeker 
merkbaar zouden kunn 


^Voorts moet de nauwkeurigheid van de richtingzoeker regelmatig 
w o r d e n gecontroleerd. D e u i t k o m s t e n v a n iedere verificatie: v a n d e 
correctie-grafiek en van iedere controle op de nauwkeurigheid van 
een genomen radiopeiling, moeten in een daartoe aan te leggen 


d.artoe aanleiding geven, 
dient de bestaande correctie-grafiek door een nieuwe te worden ver- 


VaIgTnTussen de richtingzoeker en de brug moet een doeltreffende 
verbinding aanwezig zijn. 


Artikel 77 


. . 
lnl,r 
i 
Schenen van 150 ton en meer moeten een dagseinlamp aan 


naüonTaPi' 
Sein- boord hebben, welke aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspec- 


C2^CS&hepen 
n°500 ton en meer moeten het Internationaal Sein­ 
boek en een volledig stel seinvlaggen aan boord hebben. 


Artikel 78 


Toepassing op ge- 
De voorschriften van de artikelen 74 tot en ™ 
indien hrt 


sleepte schepen 
toepassing 0p gesleepte schepen, met dien verstande, d , 


gesleepte schip bemand is, een lood met gemerkte lijn van voldoende 
lengte aan boord moet zijn en moet worden voldaan aan het be­ 
paalde in het eerste lid van artikel 77. 


§ 4. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen 
Artikel 79 


1. Aan boord van elk schip moeten de hulpmiddelen om te kun- Hulpmiddelen in­ 
nen voldoen aan de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen OD GEVOLGE AANVA- 
zee aanwezig zijn. 
ringsreglementen 


Indien de daarin voorgeschreven lantaarns voor electrisch licht 
zijn ingericht, moet een stel lantaarns met olieverlichting als reserve 
aan boord zijn, tenzij de inrichting zodanig is, dat steeds op electri- 
sche verlichting kan worden gerekend. De lantaarns, ingericht voor 
oheverhchting, moeten vanaf het dek gehesen kunnen worden. 


2. De eisen, waaraan de in lid 1 bedoelde middelen moeten vol­ 
doen, zijn aangegeven in bijlage XV. 


3. Aan boord van elk schip, dat de openbare wateren in het Rijk 
die voor de scheepvaart openstaan, bevaart, moeten bovendien dé 
hulpmiddelen aan boord zijn, welke nodig zijn om aan de voorschrif­ 
ten van het Bmnenaanvaringsreglement te kunnen voldoen. 


4. De schermen van de boordlantaarns moeten zijn geplaatst en 
ingericht, als in de in lid 1 genoemde bepalingen is aangegeven. 


5. De in lid 1 bedoelde lantaarns en voor zover nodig hun onder- 
delen, moeten gemerkt zijn en voorzien zijn van een certificaat afge­ 
geven door een der filiaalinrichtingen van het Koninklijk Neder­ 
lands Meteorologisch Instituut of door een door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie erkend deskundige, welk certificaat moet in­ 
houden, dat de lantaarns deugdelijk zijn en voldoen aan de voor­ 
schriften van de in lid 1 genoemde bepalingen. 


Artikel 80 


De fluiten en sirenen tot het geven van seinen moeten zodanig Fluiten en 
zijn ingericht, dat zij, wanneer zij gebruikt moeten worden, steeds sirenen 
gereed zijn om onmiddellijk goed geluid te geven. Zij moeten op vol­ 
doende hoogte en zodanig geplaatst zijn, dat het geluid zo min moge­ 
lijk wordt onderschept. De stoomleiding naar een fluit of sirene moet 
behoorlijk zijn geisoleerd. 


§ 5. Radio-inrichtingen 
Artikel 81 


i rnn 
Passa8'ersschepen en voorts alle andere schepen van Verplichting 
ton en meer, met uitzondering van gesleepte schepen moeten radiotdesraaf- 
met een radiotelegraafinstallatie zijn uitgerust. 
inVaüati°°n" 


2- 
Alle schepen van 500 ton en meer, doch kleiner dan 1600 ton 
geen passagiersschepen zijnde en niet gesleept wordende, moeten het­ 
zij met een radiotelegraaf-, hetzij met een radiotelefooninstallatie ziin 
uitgerust. 
' 


3. Van de in de voorgaande leden gestelde eisen kan het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie voor schepen, welke geen internationale 
reis maken, geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen. 


Artikel 82 


Radioteiegraaf- 
i. Het radiotelegraaf- en/of het radiotelefoonstation moeten zo 
tio~nselef0°nSta 
veili§ mogelijk in het bovendeel van het schip en zo hoog boven de 
bovenste lastlijn als praktisch mogelijk is, zijn opgesteld. 


2. (a) De radiotelegraaf installatie moet zijn opgesteld in een af­ 
zonderlijke radiohut, welke zodanig moet zijn gelegen, dat de goede 
ontvangst van radioseinen niet hinderlijk wordt gestoord door van 
buiten komende geluiden. 


( b ) De afmetingen van de radiohut moeten zodanig zijn, dat naar 
het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de daarin ge­ 
plaatste installatie behoorlijk kan worden bediend en onderhouden. 


(c) De radiohut moet op doeltreffende wijze kunnen worden ge­ 
ventileerd en drooggestookt. 


3. De radiotelefooninstallatie moet, voor zover dit volgens het 
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie praktisch uitvoer­ 
baar is, tenzij zij in de radiohut is geplaatst, zijn opgesteld in een 
afzonderlijke ruimte. Bij een opstelling op de brug moeten voorzie­ 
ningen worden getroffen, waardoor de installatie 's nachts bediend 
kan worden zonder dat het houden van goede uitkijk door uitstra­ 
lend licht gehinderd wordt. 


4. Tussen de radiohut en de commandobrug moet door middel 
van een spreekbuis of telefoon of op andere doeltreffende wijze een 
rechtstreekse verbinding bestaan, waarlangs in beide richtingen op 
doeltreffende wijze opgeroepen en gesproken kan worden; bij het ge­ 
bruik van een telefoonverbinding moet deze onafhankelijk zijn van 
het scheepstelefoonnet. 


5. Een rechtstreekse verbinding, als in het vorige lid bedoeld, moet 
aanwezig zijn tussen het radiotelefoonstation en de brug, tenzij de 
radiotelefooninstallatie op de brug dan wel in de radiohut is op­ 
gesteld. 


6. Ten aanzien van vissersvaartuigen, uitgerust met een radiotele­ 
graaf- en/of -telefooninstallatie, kan het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van het in de 
leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde. 


7. Alle maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken 
van radiostoringen tengevolge van electrische- en andere apparaten 
aan boord zoveel mogelijk op te heffen en om die storingen te onder­ 
drukken. 


Artikel 83 


Luisterdienst 
it Aan boord van een schip, dat krachtens artikel 81 uitgerust moet 


zijn met een radiotelegraafinstallatie, moet buitengaats door een be- 


voegd radiotelegrafist door middel van hoofdtelefoons geluisterd wor­ 
den op de in de middenfrequentieband voor radiotelegrafie voorge­ 
schreven noodfrequentie, gedurende de ondervolgende tijden: 


I. indien het niet is uitgerust met een goedgekeurd auto-alarm- 
toestel: 


gedurende de gehele duur van de reis; 


II. indien het is uitgerust met een goedgekeurd auto-alarmtoestel: 
(a) indien het een passagiersschip ingericht voor het vervoer van 
meer dan 250 passagiers is: 


ten minste 16 uur per etmaal, tenzij de reisduur tussen twee havens 
korter is dan 16 uur, in welk geval met ten minste 8 uur kan worden 
volstaan; 


( b ) indien het een passagiersschip, ingericht voor het vervoer van 
250 passagiers of minder, of een vrachtschip van 1600 ton of meer is: 


ten minste 8 uur per etmaal, of zoveel korter dan de reisduur min­ 
der dan 8 uur bedraagt; voor een vrachtschip van 1600 ton of meer 
doch minder dan 5500 ton, waar uit hoofde van bijzondere omstan­ 
digheden de luisterdienst niet gedurende ten minste 8 uur per etmaal 
kan worden verricht, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een 
afwijkende tijdsduur bepalen, welke ten minste in totaal 2 uur per 
etmaal bedraagt; 


(c) indien het een vrachtschip van minder dan 1600 ton betreft: 
gedurende de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalde 
tijdsduur. 


De luistertijden moeten bij voorkeur worden onderhouden gedu­ 
rende de tijden, welke voor de radiotelegraafdienst in het Radio- 
Reglement zijn voorgeschreven. 


2. De radiotelegrafist mag het voorgeschreven luisteren op de 
noodfrequentie onderbreken gedurende de tijd, dat hij het verkeer op 
andere lrequenties afhandelt of andere direct met de radio verband 
houdende werkzaamheden moet verrichten, doch alleen indien het hem 
onmogelijk is op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van gesplitste 
hoofdtelefoons of een luidspreker, zelf te blijven luisteren. Indien dit 
persoonlijk luisteren in de praktijk onuitvoerbaar is, moet het auto­ 
alarmtoestel, indien aan boord aanwezig, in werking worden gesteld. 
Het in dit lid bepaalde ontheft het schip niet van het nakomen van 
de in het Radio-Reglement vervatte voorschriften betreffende de „stil­ 
te-perioden". 


3. Aan boord van schepen moet, wanneer het schip buitengaats is, 
het auto-alarmtoestel, indien het schip hiermede is uitgerust, voort­ 
durend zijn ingeschakeld, tenzij een radiotelegrafist op wacht is. 


Wanneer de radiotelegrafist van wacht gaat, moet hij het auto­ 
alarmtoestel in werking stellen, de goede werking nagaan en de wacht­ 
hebbende stuurman daaromtrent rapporteren. 


Buitengaats moet het toestel ten minste eenmaal per 24 uur worden 
beproefd. 


4. Aan boord van een schip, dat krachtens artikel 81 uitgerust 
moet zijn met een radiotelefooninstallatie, moet buitengaats door 
een bevoegd radiotelegrafist, dan wel door een houder van een bij­ 
zonder certificaat als radiotelegrafist of een bevoegd radiotelefonist 
geluisterd worden op de in de middenfrequentieband voor radiotele­ 
fonie voorgeschreven noodfrequentie, gedurende de door het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie vastgestelde tijden. 


Artikel 84 


Eisen voor het 
Behalve aan de eisen, welke voortvloeien uit het van kracht zijnd 
voofdTi" Internationaal Verdrag betreffende de Verreberichtgeving en uit 
toestellen 
andere op het gebied der radio gesloten internationale verdragen 01 
overeenkomsten, waartoe Nederland is of zal zijn toegetreden, moeten 
het radiostation, de radiotelegraaf- en radiotelefooninstallaties, en de 
richtingzoeker voldoen aan de eisen gesteld in bijlage XIII. 


§ 6. Niet-voorgeschreven uitrusting 
Artikel 85 


Deugdelijkheid 
i 
Wanneer uitrusting op het gebied van reddingmiddelen, veilig- 
ven'uUrSr" heidsmiddelen, hulpmiddelen bij de navigatie en radio-inrichtingen 
aan boord is, welke niet in dit hoofdstuk is voorgeschreven moet 
deze voor het doel geschikt zijn en in deugdelijke toestand verkeren. 


2 
Voor zover het een in bijlage XIII met name genoemd radio­ 
toestel en de radarinstallatie betreft, moeten deze zowel aan de in die 
bijlage als aan de overige in artikel 84 genoemde eisen voldoen. 


3. De eigenaar moet kennis geven aan het betrokken districtshoofd 
van de Scheepvaartinspectie, indien aan boord een niet-voorgeschreven 
electronisch toestel voor de navigatie wordt geplaatst, voor de aanleg 
en het gebruik waarvan geen machtiging ingevolge de geldende 
Telegraaf- en Telefoonwet wordt geëist. 


HOOFDSTUK VI 
Bemanning 
Artikel 86 


Algemeen voor- 
j 
gik schip moet voldoende bemand zijn met voor zijn taak 
schnfl 
berekend personeel, waarvan elk lid lichamelijk geschikt is voor de 
hem opgedragen werkzaamheden, een en ander in verband met de 
veiligheid van het schip. 
.. 


2. Ter nakoming van het in het eerste lid gegeven voorschrift 


moeten onder andere: 


( a ) kapitein, stuurlieden en machinisten voldoen aan de bepalin­ 
gen van de Wet op de Zeevaartdiploma's 1935, of, indien het zee­ 
vissersvaartuigen betreft, aan die, gesteld in de Wet op de Zeevis- 
vaartdiploma's 1935; 


(b) radiotelegrafisten en radiotelefonisten voldoen aan de vereisten 
gesteld in het 4e en 5e lid van artikel 90; 


(c) volmatrozen in het bezit zijn van het in artikel 88 omschreven 
diploma; 


(d) gediplomeerde sloepsgasten voldoen aan de eisen gesteld in het 
2e en 3e lid van artikel 89; 


(e) , wa* he' aantal schepelingen betreft, de voorschriften van de 
artikelen 87, 89, eerste lid en 90, eerste, tweede en derde lid worden 
gevolgd. 


Artikel 87 


1. Aan boord van zeilschepen moet de bemanning talrijk genoeg 


zijn voor de behandeling van het tuig. 
g 
J 
8 
g £™ga 


2. Aan boord van stoom- of motorschepen moet de bemanning 
voldoende groot zijn om aan dek op elke zeewacht, behalve de kapi­ 
tein of stuurman, chef van de wacht, ten minste beschikbaar te 
kunnen hebben: 


(a) indien niet groter dan 400 ton, één persoon; 
(b) indien groter dan 400 ton, doch niet groter 'dan 800 ton één 
roerganger en één uitkijk; 


(c) indien groter dan 800 ton, één roerganger, één uitkijk en nog 
éen persoon. 


3. Aan boord van stoom- en motorschepen moet, behoudens het 
bepaalde in lid 6, op elke zeewacht in de machine- of motorkamer 
ten minste één persoon aanwezig zijn, die met de bediening van de 
voortstuwingsinrichting vertrouwd is. 


4. Aan boord van stoomschepen moet de bemanning voldoende 
groot zijn om in de machinekamer op elke zeewacht ten minste be­ 
schikbaar te hebben: 


(a) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels 
niet meer dan 200 vierkante meter bedraagt, één persoon; 


(b) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer 
dan 200 vierkante meter, doch niet meer dan 375 vierkante meter 
bedraagt, twee personen, met dien verstande, dat het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie, indien de omstandigheden hem daartoe aan­ 
leiding geven, kan toestaan, dat dit aantal tot één wordt beperkt in 
welk geval boven het benodigde aantal één persoon als reserve aan 
boord beschikbaar moet zijn; 
, ^ 'ndien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer 
dan 375 vierkante meter, doch niet meer dan 1300 vierkante meter 
bedraagt, twee personen; 
, (d\ .l"dlen het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer 
dan 1300 vierkante meter, doch niet meer dan 2000 vierkante meter 
bedraagt, drie personen; 
^ reUn„dien ï161 verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer 
dan 2000 vierkante meter, doch niet meer dan 3000 vierkante meter 
bedraagt, vier personen; 


( f ) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer 
dan 3000 vierkante meter bedraagt, vijf personen. 


5. Aan boord van stoomschepen moet, in verband met het aantal 
ketels, het aantal vuren, de soort van brandstof en de stookinrichting 
een voldoend aantal stokers aanwezig zijn, om in normaal bedrijf 
voldoende stoom voor de voortstuwings- en hulpwerktuigen te kunnen 
opwekken. 


6. Aan boord van motorschepen van minder dan 400 ton, waar 
de motor van dek bediend kan worden, kan in afwijking van het in 
lid 3 bepaalde: 


(a) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor 125 rem- 
paardekrachten of minder bedraagt, worden toegestaan, dat geen 
afzonderlijk persoon voor de bediening van de motor aan boord aan­ 
wezig is, doch dat hiermede iemand van het dekpersoneel wordt 
belast, mits deze voldoende daarmede bekend is; 


( b ) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor meer dan 
125 rempaardekrachten, doch minder dan 225 rempaardekrachten 
bedraagt, met de aanwezigheid aan boord van één persoon, die met 
de bediening van de motor vertrouwd en daarmede in het bijzonder 
belast is, worden volstaan. 


7. Aan boord van motorschepen moet, behoudens het bepaalde 
in het vorige lid, de bemanning voldoende groot zijn om in de mo­ 
torkamer op elke zeewacht ten minste beschikbaar te hebben. 


(a) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor 400 rem­ 
paardekrachten of minder bedraagt, één persoon; 


( b ) indien het vermogen meer dan 400, doch niet meer dan 750 
rempaardekrachten bedraagt, twee personen, met dien verstande, dat 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, indien de omstandigheden 
daartoe aanleiding geven, kan toestaan, dat dit aantal tot één wordt 
beperkt, in welk geval boven het benodigde aantal één persoon als 
reserve aan boord beschikbaar moet zijn; 


(c) indien het vermogen meer dan 750, doch niet meer dan 2500 
rempaardekrachten bedraagt, twee personen; 


( d ) indien het vermogen meer dan 2500, doch niet meer dan 6000 
rempaardekrachten bedraagt, drie personen; 


(e) indien het vermogen meer dan 6000 rempaardekrachten be­ 
draagt, vier personen. 


8 
De in lid 6 en 7 genoemde rempaardekrachten worden gerekend 
zonder overbelasting van de motor en worden voor elke motor door 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld. 


9 
De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn bevoegd, met 
het oog op de inrichting, grootte of bestemmi ng van het schip, aan­ 
vulling van het wachtdoend personeel aan dek en in de machinekamer 
voor te schrijven. 


Artikel 88 


1. Gelegenheid wordt geboden tot het verkrijgen van een diploma Diploma ais vol- 
van vakbekwaamheid als volmatroos. 
matroos 


2. De eisen, waaraan moet worden voldaan ter verkrijging van 
het in het eerste lid bedoelde diploma, de wijze van verkrijging van 
dit diploma en hetgeen verder op dit diploma betrekking heeft, zijn 
omschreven in bijlage XVI. 


Artikel 89 


1. Aan boord van passagiersschepen moeten voor elke redding- Gediplomeerde 
boot, die aan boord geplaatst is, ten minste twee gediplomeerde sloeps- sloePssasteo 
gasten aanwezig zijn, indien de reddingboot voor minder dan 41 
personen is bestemd, drie, indien deze voor 41 tot en met 61, vier, 
indien de boot voor 62 tot en met 85 en vijf, indien zij voor meer dan 
85 personen is bestemd. 


2. Onder gediplomeerd sloepsgast wordt verstaan elk lid der be­ 
manning, aan wie een diploma als sloepsgast of een diploma als 
volmatroos is afgegeven. 


3. De eisen, waaraan moet worden voldaan ter verkrijging van 
een diploma als sloepsgast, de wijze van verkrijging van dit diploma 
en hetgeen verder op deze diploma's betrekking heeft, zijn omschreven 
in bijlage XVII. 


Artikel 90 


1. Aan boord van schepen, welke van een radiotelegraafinstallatie Radioteiegra- 
zijn voorzien, moet een bevoegd radiotelegrafist als chef van het ^tef"e" "di°- 
scheepsstation zijn aangewezen. 


2. Bovendien moeten buitengaats zoveel bevoegde radiotelegra­ 
fisten aan boord zijn, als voor het uitoefenen van de voorgeschreven 
luisterdienst nodig zijn. 


3. Aan boord van schepen, uitgerust met een niet-voorgeschreven 
radiotelegraaf installatie, moet hetzij een bevoegd radiotelegrafist het­ 
zij een houder van een bijzonder certificaat als radiotelegrafist als 
chef van het scheepsstation aanwezig zijn. 


4. Onverminderd de eisen, welke voortvloeien uit het van kracht 
zijnde Radio-Reglement, mag als chef van het scheepsstation aan 
boord van pelgrimsschepen slechts optreden een bevoegd radiotele­ 
grafist met een diensttijd aan boord van ten minste zes maanden. 
, , 
zf: d'ensttijd kan ook in een andere functie dan die van radio- 
telegrafist zijn verkregen. 


5. Aan boord van schepen, welke van esn radiotelefooninstallatie 
zijn voorzien, moet een bevoegd radiotelegrafist, dan wel een houder 
van een bijzonder certificaat als radiotelegrafist, of een bevoegd 
radiotelefonist als chef van het scheepsstation zijn aangewezen. 


6. Onder bevoegd radiotelegrafist of 
bevoegd radiotelefonist 
y4'.0 
verstaan de houder van een geldig certificaat als radio- 
telegrafist of als -telefonist, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen 


van het Radio-Reglement, met uitzondering van de houder van een 
bijzonder certificaat als radiotelegrafist. 


7. Zonder toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartin­ 
spectie mag noch de kapitein, noch de eerste machinist en indien 
twee of meer stuurlieden aan boord zijn, noch de eerste stuurman 
als radiotelegrafist of als radiotelefonist optreden. 


Artikel 91 


wacht door ge- 
i. Indien aan boord twee of meer gediplomeerden voor de dek- 
dipiomeerden 
dienst 0f twee of meer gediplomeerden voor de machinedienst aan­ 
wezig zijn, moet als chef van de zeewacht, zowel aan dek, als in de 
machinekamer, steeds een gediplomeerde optreden. Zij, die krachtens 
dispensatie de plaats van een gediplomeerde innemen, worden voor 
de toepassing van dit voorschrift als gediplomeerden beschouwd. 


2. Zij, die minder dan één jaar, in welke hoedanigheid ook, aan 
boord van zeeschepen hebben dienst gedaan, worden bij de toepas­ 
sing van lid 1 niet medegerekend. 


Artikel 92 


Geneeskundige 
1. De kapiteins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en de 
zfcht'f'en^ehoor- personen, aan wie aan boord het houden van uitkijk in zee wordt op- 
orgaan?n8e 
gedragen (uitkijken), alsmede de ongediplomeerden, aan wie de wacht 
op de brug of in de machinekamer wordt toevertrouwd, moeten in het 
bezit zijn van geneeskundige verklaringen van bevoegde deskundigen, 
inhoudende, dat zij de hiervoor nodige gehoor- en gezichtsscherpte 
en kleurenonderscheidingsvermogen bezitten. Deze verklaringen moe­ 
ten, voordat tot de monstering wordt overgegaan en tevens op eerste 
aanvraag aan de ambtenaar met de monstering belast, worden ge­ 
toond. 


2. Deze verklaringen worden opgemaakt en afgegeven volgens 
het bepaalde in het reglement op de geneeskundige keuringen, dat 
als bijlage XVIII bij dit besluit is gevoegd. 


3. De in lid 1 bedoelde deskundigen worden door Onze Minister 
aangewezen. 


4. Indien korte tijd vóór het vertrek van een schip de bemanning 
moet worden aangevuld, kan, indien dringende omstandigheden 
nopen tot aanmonstering van personen, die niet in het bezit zijn van 
geneeskundige verklaringen, als in lid 1 bedoeld, daartoe vergunning 
worden verleend en wel in Nederland en de Nederlandse Antillen 
door het betrokken districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, in 
Suriname door daartoe van Overheidswege aangewezen ambtenaren 
en in het buitenland door de consulaire ambtenaar. 


Artikel 93 


Duur rusttijd 
Tenzij uit een oogpunt van veiligheid voor schip en lading daarvan 
moet worden afgeweken, moet hij, die bij vertrek uit een haven of 


van een veilige rede het eerst de wacht betrekt, in de 12 aan deze 
wacht voorafgaande uren, ten minste 3 uren onafgebroken vrij van 
dienst zijn geweest. 


HOOFDSTUK VII 


Uitwatering en diepgang 


Artikel 94 


1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt voor elk schip, met uitwaterings-en 
uitzondering van vissersvaartuigen uitsluitend gebezigd voor de vis- diepgangsmerkcn 
vangst, van baggermaterieel, dat gesleept wordt vervoerd en van 
dokken en andere soortgelijke drijvende voorwerpen, het minimum 
vrijboord vast voor de verschillende gebieden, waarin het schip ge­ 
rechtigd is te varen, voor de verschillende jaargetijden, en zo nodig 
voor verschillende toestanden van belading. 


Hierbij worden de voorschriften, welke in bijlage IV zijn gegeven, 


in acht genomen. De uitwateringsmerken moeten zijn aangebracht 
op de wijze als in die bijlage is omschreven. 


2. Het berekenen van het vrijboord en het aanbrengen van uit­ 
wateringsmerken kan, mits onder toezicht vanwege het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie, door de in artikel 7 bedoelde particuliere onder- 
zoekingsbureaux geschieden. 


3. Aan boord moet een afschrift van het vrijboordrapport aan­ 
wezig zijn. 


4. Op voor- en achterschip moeten diepgangsmerken zijn aan­ 
gebracht, welke het mogelijk maken zowel aan stuur- als aan bak­ 
boordzijde de diepgang vóór en achter af te lezen. 


Artikel 95 


1. Met een schip mag geen deklast hout van meer dan 5 percent Houtvaart 
van zijn draagvermogen „op zomermerk" worden vervoerd, tenzij 
voor dat schip een certificaat voor de houtvaart is afgegeven. 


2. Voor het verkrijgen van een certificaat voor de houtvaart moet 
JP voldoen. aan bijzondere voorschriften betreffende de sterkte 


en de bouw, de inrichtingen aan dek tot het sjorren van de deklast 
en de beveiliging van de bemanning, alsmede betreffende waarborgen 
nopens voldoende stabiliteit en bestuurbaarheid. 


Deze voorschriften zijn in bijlage IV gegeven. 
3. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde schepen aan de in 
bijlage IV met het oog op dieper afladen gestelde eisen voldoen kan 
overeenkomstig de mede in die bijlage aangegeven regelen een' ver­ 
mindering van vrijboord bij vervoer van deklasten hout van meer dan 
T„P^»ent V1n het draaêvermogen „op zomermerk" worden toegestaan. 
In dat geval moeten de lijnen van de houtvaartuitwatering (houtvaart- 
merken) zijn aangebracht op de wijze als in die bijlage is omschreven 


HOOFDSTUK VIII 
Belading, stuwage en ballasten. Gevaarlijke ladingen 
Artikel 96 


Algemene eisen 
j 
Het beladen en het stuwen moeten voldoen aan de eisen van 
goede zeemanschap, zó dat de stabiliteit noch te gering noch te groot 
wordt en geen gevaar kan ontstaan, dat de lading of een gedeelte 
daarvan levendig wordt. 


2. Een schip, dat zonder lading of met weinig lading naar zee 
gaat, moet zo nodig voldoende, goed in het schip geplaatste en doel­ 
matige ballast aan boord hebben. Ballast, welke zou kunnen over­ 
gaan, moet hiertegen op afdoende wijze zijn verzekerd. 


Artikel 97 


steenkool, 
i. De ruimte boven een lading steenkool, eierkolen of steen- 


steenkooi-brikct- koolbriketten moet deugdelijk geventileerd kunnen worden. Een 
ten 
luchtstroom door de lading moet worden vermeden. 


2. Elke ruimte, waarin de in lid 1 genoemde stoffen zijn geladen, 
moet zijn voorzien van een voldoend aantal — ten minste twee — 
luchtkokers, welke gelijkelijk over het voor- en achtereinde van zulk 
een ruimte zijn verdeeld. Deze luchtkokers moeten aan boord van 
schepen van meer dan 1000 ton een middellijn van ten minste 30 cen­ 
timeter hebben en van ten minste 20 centimeter op kleinere schepen. 
De luchtkokers moeten boven de vaste gedeelten van het schip uit­ 
steken, zodat de vrije toe- en afvoer van lucht niet wordt belemmerd. 
De kokers moeten voldoende sterk zijn om weerstand te bieden tegen 
de kracht van overkomend water bij ongunstig weer. 


De luchtkokers moeten voorzien zijn van kappen, welke naar of 
van de wind kunnen worden gedraaid en van deksels, welke er op 
kunnen worden bevestigd, indien wegens slecht weer de kappen 
moeten worden afgenomen. 


3. Aan boord van schepen van meer dan 200, doch van minder 
dan 1500 ton, welker reizen zich van Nederland uit verder uitstrekken 
dan de Oostzee, de Noordzee, de Britse eilanden en de Westkust van 
Europa, moeten in elke ruimte, waarin de in het eerste lid bedoelde 
stoffen zijn geladen, de nodige kokers zijn aangebracht om de tempe­ 
ratuur te kunnen opnemen en moeten voor het doel bruikbare thermo­ 
meters aanwezig zijn. Deze kokers moeten zijn ingericht als in 
artikel 41, lid 4, is aangegeven. 


4. In de ruimten, gevuld met de in lid 1 bedoelde stoffen mag 
geen vuur aanwezig zijn. Behalve van vast aangebrachte electrische 
verlichting, die voldoen moet aan de eisen, gesteld in bijlage VI, 
mag in genoemde ruimten slechts van veiligheidslampen voor de 
verlichting gebruik gemaakt worden, die voldoen aan de in die bij­ 
lage gestelde eisen. 


5. Indien in schepen, welke niet in het bijzonder voor het vervoer 
van steenkool zijn ingericht, eierkolen, nootjes of dergelijke steenkool- 


soorten, welke gemakkelijk overgaan, worden geladen, moeten zo 
nodig gevelingen zijn aangebracht. 


Artikel 98 


1. Bij het laden van gestort graan of zaad, waaronder rijst en Graan en zaad 
peulvruchten zijn begrepen, moet zijn gezorgd, dat de buikdenning ^™aakkeJijk 
dicht is, opdat geen graan of zaad in de vulling kan komen, waar- JacSfgan 
door de pompen verstopt kunnen geraken. 


2. Elke met gestort graan of zaad geheel te beladen ruimte moet 
van deugdelijk gebouwde „feeders" zijn voorzien. De inhoud van de 
„feeders" dient tussen 2,5 percent en 8 percent te zijn van de inhoud 
der ruimte, waarop zij staan. 


3. Elke ruimte, bestemd om geheel met gestort graan of zaad 
beladen te worden, moet van een graandicht langsschot of geveling 
van voldende sterkte zijn voorzien. Dit schot of deze geveling moet 
in tussendekken van dek tot dek doorlopen. In de onderruimen moet 
zulk een geveling doorlopen van de onderkant van het dek naar be­ 
neden over een afstand van ten minste een derde van de holte van 
het ruim, doch niet minder dan 2,44 meter. 


Graanschotten of gevelingen moeten steeds tot aan de bovenkant 
van de „feeders" doorlopen en van vulstukken tussen de dekbalken 
zijn voorzien. Aan boord van schepen met een breedte van minder 
dan 6,50 meter kunnen die schotten of gevelingen ook worden weg­ 
gelaten, indien de schepen van luikhoofden van voldoende inhoud zijn 
voorzien, zodat deze als „feeders" dienst kunnen doen. 


4. In elke ruimte, die gedeeltelijk met gestort graan of zaad is 
gevuld, moet de lading vlak worden getremd en zeevast worden ge­ 
stuwd met graan of zaad in zakken of andere geschikte lading tot 
een hoogte van ten minste 1,22 meter boven de bovenkant van de 
gestorte lading. De gestorte lading moet vooraf met een vloer van 
planken zijn bedekt. Bovendien moet in dit geval een langsscheeps- 
schot aanwezig zijn of een gevelingschot worden aangebracht in het 
vlak van kiel en stevens, dat reikt van de buikdenning of van het 
dek tot ten minste 0,61 meter boven het gestorte graan. 


Het graanschot of de geveling mag worden weggelaten, indien de 
hoeveelheid graan of zaad niet meer dan een derde van de inhoud 
van het ruim inneemt. Indien door het ruim een astunnel loopt, mag 
het schot of de geveling worden weggelaten als de hoeveelheid graan 
niet meer dan de helft van de inhoud van dat ruim inneemt. 


5. In het tussendek van een schip met twee dekken en in het 
bovenste tussendek van een schip met meer dekken mogen van 
granen alleen haver, lichte gerst en katoenzaad gestort worden ge­ 
laden, behoudens in „feeders" staande op de daaronder gelegen 
ruimte. 


6. In een tussendek van een schip met twee dekken en in het 
bovenste tussendek van een schip met meer dekken mag gestort 
graan vervoerd worden in één of meer in het bijzonder daarvoor 


geconstrueerde afdelingen, welke voorzien zijn van „feeders", over­ 
eenkomstig het bepaalde in lid 2, mits het ruim en deze afdelingen 
volkomen van elkaar zijn gescheiden. 


7. De voorschriften van de hierna te noemen lichamen mogen in 
plaats van die, vervat in de voorafgaande leden van dit artikel worden 
opgevolgd, indien in de laadhaven uitdrukkelijk de eis wordt gesteld, 
dat deze met ter zijde stellen van andere voorschriften moeten worden 
nageleefd. 


De lichamen zijn: 
(a) het Britse Ministry of Transport; 
(b) de Port-Warden of Montreal; 
(c) de Board of Underwriters, New-York. 
8. 
Bij het laden van gestorte goederen, welke gevaren van soort­ 
gelijke aard met zich brengen, moeten overeenkomstige maatregelen 
worden getroffen. 


Artikel 99 


Gevaarlijke 
1. Ten aanzien van net vervoer van de in dit artikel genoemde 


stoffen 
stoffen gelden de onderscheidenlijk bij iedere groep in de leden 3 tot 
en met 11 gegeven voorschriften, alsmede de ingevolge het bepaalde 
in lid 15 door Onze Minister gegeven nadere voorschriften. 


2. (a) Voor de toepassing van het in lid 3 bepaalde wordt, in 
afwijking van de omschrijving, gegeven in artikel 1 van dit besluit, 
onder passagiersschip verstaan een schip, dat meer dan 12 passagiers 
vervoert. 


(b) Voor de toepassing van het in lid 4 tot en met 11 bedoelde 
wordt, in afwijking van de omschrijving, gegeven in artikel 1 van 
dit besluit, onder passagiersschip verstaan een schip, dat bestemd is 
voor het vervoer van een aantal passagiers, hetwelk groter is dan 
1/10 van de meetlengte van het schip in voeten. 


3. (a) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 
„ontplofbare stoffen": vloeibare of vaste stoffen of mengsels van 
vloeibare stoffen, van vaste stoffen of van een of meer vloeibare met 
een of meer vaste stoffen, waarin zich, zonder dat toetreding van lucht- 
zuurstof vereist is, onder warmte-ontwikkeling en drukverhoging een 
scheikundige reactie kan voortplanten, nadat die reactie ergens in die 
stoffen is aangevangen. 


De ontplofbare stoffen worden vermeld in een in klassen en 
groepen ingedeelde lijst, welke door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie wordt vastgesteld. 


(b) Ontplofbare stoffen, welke niet zijn vermeld op de in (a) 
genoemde lijst, mogen niet worden vervoerd. 


(c) Onverminderd het bepaalde bij de Wet van 26 April 1884 
(Staatsblad No. 81) en bij de krachtens deze wet uitgevaardigde voor­ 
schriften moeten ontplofbare stoffen zeevast worden gestuwd, ver­ 
wijderd van de stoffen, bedoeld in de leden 4, 5, 7, 8, 9 en 10 en 
zodanig worden geborgen, dat zij gemakkelijk kunnen worden gewor- 


pen of dat de ruimen, waarin zij worden geborgen gemakkelijk met 
water kunnen worden gevuld en gevuld gehouden. 


(d) Indien ontplofbare stoffen in ruimen worden geborgen, moeten 
deze ruimen goed droog zijn, goed geventileerd kunnen worden en 
goed afsluitbaar zijn. 


Ventilatiekokers van deze ruimen moeten met gaas zijn afgeschermd 
tegen vonken en moeten zijn voorzien van een stevig metalen kruis 
tegen het binnendringen door onbevoegden. 


Indien ontplofbare stoffen in een ruim worden geborgen, mogen 
in datzelfde ruim geen stoffen, bedoeld in lid 10, zijn geborgen. Indien 
mogelijk moeten ook in de aangrenzende ruimen laatstgenoemde 
stoffen niet worden geladen. Ontplofbare stoffen, welke in ruimen 
worden geborgen, moeten zover mogelijk verwijderd blijven van de 
bewoonde gedeelten van het schip, van machine- en ketelruimen, 
van kolenbergplaatsen en van plaatsen, waar geregeld wordt gewerkt. 
Zij moeten ten minste 3 meter verwijderd blijven van wanden van 
ruimen, waarin steenkolen of stoffen, bedoeld in lid 10, geborgen zijn. 


Ontplofbare stoffen moeten in ieder compartiment het bovenste 
deel van de lading uitmaken en moeten door middel van houten krat­ 
ten, schotten of kleden deugdelijk van de overige lading zijn ge­ 
scheiden. Indien kratten worden gebruikt, mag de afstand tussen de 
latten, waaruit deze kratten zijn gemaakt, ten hoogste 10 centimeter 
bedragen. Aanraking van de colli ontplofbare stoffen met metalen 
scheepsdelen moet uitgesloten zijn. Ontplofbare stoffen moeten bij 
voorkeur worden geborgen in ruimen, gelegen vóór de brug. 


Op de in dit lid onder (a) genoemde lijst wordt aangegeven, welke 
ontplofbare stoffen op ten minste 2 meter afstand van het scheeps­ 
boord moeten worden gestuwd. 


(e) Indien ontplofbare stoffen worden gestuwd aan dek, moet 
zulks op overeenkomstige wijze geschieden als waarop de berging 
dezer stoffen onder dek plaats vindt. Bovendien moeten zij zodanig 
worden gestuwd, dat zij niet aan directe bestraling door de zon zijn 
blootgesteld. 


(ƒ) Indien voor het vervoer van ontplofbare stoffen gebruik wordt 
gemaakt van een kruitkamer, moet deze voldoen aan de eisen gesteld 
in artikel 100. 


( g ) Ontplofbare stoffen mogen met passagiersschepen slechts wor­ 
den vervoerd, indien zij worden geborgen in een kruitkamer of in een 
dieptank. 


Bovendien mogen met passagiersschepen worden vervoerd: 
1. veiligheidspatronen en veiligheidshoedjes; 
2. kleine hoeveelheden ontplofbare stoffen, ten hoogste 9 kilogram 
wegende, zonder in kruitkamer of dieptank geborgen te zijn en op 
passagiersschepen, welke een korte internationale reis ondernemen 
ten hoogste 450 kilogram ontplofbare stoffen in goedgekeurde ver­ 
pakking aan dek gestuwd. 


4. Samengeperste gassen, tot vloeistof verdichte en opgeloste 
gassen en onder druk in vloeistoffen opgeloste gassen moeten op 
zodanige wijze worden geborgen, dat de vaten, waarin zij verpakt zijn, 
niet door rollen of stoten beschadigd kunnen worden. Indien zij ge­ 
borgen zijn in metalen flessen, moeten deze van staal, aluminium of 
licht metalen legeringen zijn vervaardigd. De flessen moeten gekeurd 
zijn. De beproevingsdruk, het tarragewicht en de maximum gebruiks- 
druk of het vulgewicht moeten op deugdelijke wijze op de fles zijn 
aangegeven, evenals de data van de eerste en opvolgende keuringen 
en het waarmerk van het keuringslichaam in het land, waar de laatste 
beproeving is geschied, indien waarmerken aldaar gebruikelijk is. 


Afsluiters van dergelijke flessen moeten door een opschroefbare 
dop of op andere goedgekeurde wijze permanent zijn beschermd. De 
beproevingsdruk en de maximum gebruiksdruk of het vulgewicht 
van vaten, waarin de in dit lid bedoelde stoffen worden geborgen, 
moeten voldoen aan de eisen, gesteld in het in lid 15 bedoelde boek­ 
werk. 


De vaten mogen, indien zij aan dek worden geplaatst, niet aan 
directe bestraling door de zon zijn blootgesteld en moeten verwijderd 
blijven van de stoffen, bedoeld in lid 5. 


Indien de vaten onder dek worden geplaatst, moet aan de volgende 
voorwaarden worden voldaan: 


( a ) Zij moeten op een goed geventileerde plaats worden gestuwd; 


(b) Er mag geen lading op worden geplaatst; 
(c) Zij mogen niet worden geplaatst in ruimen, welke kolen be­ 
vatten of grenzen aan ruimen, welke kolen of stoffen, als bedoeld in 
lid 10, bevatten; 


(d) Zij moeten op ten minste 21 meter afstand van het scheeps­ 
boord en van het scheepsvlak verwijderd blijven, welke ruimte met 
stevige lading opgevuld moet zijn; 


(e) Zij moeten op veilige afstand worden geplaatst van schotten, 
welke aan verwarming kunnen blootstaan en van leidingen, welke 
warmte kunnen uitstralen; 


( f ) Zij moeten voldoen aan de voor elk afzonderlijk gas in het 
in lid 15 bedoelde boekwerk gestelde bijzondere eisen. 


De vaten mogen, zowel wanneer zij aan dek als onder dek worden 
vervoerd, niet in de nabijheid van verblijven worden geplaatst en 
moeten zover mogelijk verwijderd blijven van stoffen, welke brand 
gemakkelijk geleiden. 


De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte 
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 5, 7 en 10. 


5. Corrosieve en bijtende vloeistoffen en stoffen, welke door 
opneming van water of vocht uit de lucht in corrosieve of bijtende 
vloeistoffen kunnen overgaan, als ook stoffen, welke onder normale 


omstandigheden corrosieve dampen of nevels kunnen afgeven moeten 
xn deugdelijke gas- en vochtdichte verpakking, welke niet 'door de 
inhoud wordt aangetast, worden vervoerd. Indien de verpakking van 
deze stoffen uit glas of aardewerk bestaat, moet deze zijn omgeven 
door een bescherming van metaal, hout of vlechtwerk. Bij vervoer 
onder dek moeten de stoffen geplaatst worden op een voldoend dikke 
bedding van gebluste kalk of van een andere stof, welke bij breuk de 
inhoud van het gebroken vat neutraliseert of opneemt. 


De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte wor- 
en geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4 en 8 en voor zover 
het „sterke zuren" betreft ook niet als die, bedoeld in de leden 6 en 9. 


6. ( a ) Giftige, bedwelmende of prikkelende gassen en stoffen, 
we Ke hetzij direct, hetzij door inwerking van water of vocht uit de 
lucht deze gassen kunnen afgeven, moeten in gasdichte verpakking 
worden vervoerd. Worden deze stoffen onder dek vervoerd, dan 
moeten zij zijn geplaatst in een ruimte, welke door gasdichte schotten 
van andere delen van het schip is gescheiden en niet grenst aan be­ 
woonde gedeelten van het schip. Deze ruimte moet goed worden 
geventileerd. De hier bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte 
worden geborgen als stoffen, bedoeld in lid 7, en als „sterke zuren", 
vallende onder lid 5. 


( b ) Giftige stoffen, welke geen waarneembare, voor de gezond­ 
heid schadelijke, hoeveelheid damp afgeven, moeten zodanig zijn 
verpakt, dat geen uittreden van de inhoud kan plaatsvinden. Zij 
mogen niet in de nabijheid van voor menselijk of dierlijk gebruik 
bestemde stoffen worden geplaatst. De hier bedoelde stoffen mogen 
met in eenzelfde ruimte worden geborgen als „sterke zuren" vallende 
onder lid 5. 


7. ( a ) Het vervoer van koolwaterstoffen en vloeibare brand­ 
stoffen met een vlampunt van 55° Celsius of lager, welke niet in elke 
verhouding met water mengbaar zijn, moet geschieden in overeenstem­ 
ming met de in bijlage VII gestelde eisen. Als vloeibare brandstoffen 
worden beschouwd vloeistoffen, welke plegen te worden gebruikt om 
door verbranding warmte, licht of drijfkracht op te wekken. 


( b ) Andere dan de onder ( a ) genoemde brandbare vloeistoffen 
met een vlampunt van 55° Celsius of lager, moeten in gesloten metalen 
vaten of in daarmede uit een oogpunt van veiligheid gelijk te stellen 
verpakking worden vervoerd. De verpakking moet voldoende ruimte 
voor uitzetten van de vloeistof laten. Deze brandbare vloeistoffen 
moeten worden geplaatst op veilige afstand van de huid en van schot­ 
ten en leidingen, die aan verwarming kunnen blootstaan. Bovendien 
moeten ZIJ: 


le 
Indien zij in elke verhouding met water mengbaar zijn en 
het vlampunt 21 Celsius of lager is, zo mogelijk als deklading wor- 
S bïootgesteld m°8en 
^ dir6Cte bestralinS door de zon 


2e 
Indien zij niet in elke verhouding met water mengbaar zijn 
en het vlampunt 21° Celsius of lager is, aan dek worden vervoerd. 
Kan dit niet geschieden, dan mag het vervoer onder dek plaats hebben 
onder voorwaarden, nader door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
i n s p e c t i e a a n t e g e v e n . H e t v l a m p u n t d e r i n d i t l i d o n d e r ( a ) e n ( b ) 
bedoelde vloeistoffen wordt bepaald bij een barometerstand van 
760 millimeter kwik met het toestel van Abel-Pensky. 


De in dit lid onder ( a ) en ( b ) bedoelde stoffen mogen, niet wor­ 
den geplaatst in de nabijheid van stoffen, bedoeld in de leden 3, 4, 
8, 9 en 10. 


( c ) Vaste stoffen, welke gemakkelijk tot ontbranding kunnen 
worden gebracht en welke bij verwarming tot 70° Celsius brandbare 
gassen kunnen afgeven, moeten in gasdichte verpakking worden ver­ 


voerd- 
... 
r * 
J 
Deze stoffen moeten worden geplaatst op veilige afstand van 
schotten, welke aan verwarming bloot kunnen staan, en van leidin­ 
gen, welke warmte kunnen uitstralen. Worden zij aan dek geplaatst, 
dan mogen zij niet aan directe bestraling door de zon zijn bloot­ 
gesteld. 
. 
. 
,,, 
De in dit lid onder ( c ) bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde 
ruimte worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4, 8, 
9 en 10. 
8. Stoffen, welke ten gevolge van opneming van vocht ot con­ 
tact met water spontaan kunnen ontvlammen, dan wel brandbare 
of giftige gassen kunnen afgeven, moeten gas- en vochtdicht zijn 
verpakt. 
. 
,,, 
. 
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte 
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 5, 7 en 9. 


9. Zuurstofrijke stoffen, welke door zuurstofafgifte een brand 
kunnen onderhouden of bevorderen, moeten, indien zij onder dek 
worden gestuwd, gemakkelijk te bereiken zijn en zo nodig uit het 
ruim verwijderd kunnen worden. De verpakking van deze stoffen 
moet zodanig zijn, dat uittreden van de inhoud afdoende wordt 
voorkomen. 
. 
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte 
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 7, 8 en 10 en 
als „sterke zuren", vallende onder lid 5. 


10. 
( a ) Stoffen, welke onderhevig zijn aan ontbranding ten ge­ 
volge van broei, moeten op veilige afstand worden geplaatst van 
schotten, welke aan verwarming kunnen blootstaan, en van leidingen, 
welke warmte kunnen uitstralen. Indien zij niet gasdicht verpakt 
zijn, moeten zij zo mogelijk zodanig worden gestuwd, dat zij te allen 
tijde gemakkelijk te bereiken zijn en dat door opmeting van de 
temperatuur in de lading controle mogelijk is. 


(b) Stoffen, welke bij contact met lucht in zeer korte tijd aan 
ontbranding onderhevig zijn, moeten steeds in deugdelijke, gasdichte 
verpakking worden vervoerd en voor zover onder dek eerst na ver- 


kregen toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en 
volgens door deze te geven aanwijzingen. 


De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte 
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4, 6, 7 en 9. 


11. Stoffen, niet genoemd in de vorige leden, waarvan het ver­ 
voer om enigerlei reden gevaar oplevert, moeten worden verpakt en 
gestuwd overeenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie gegeven aanwijzingen. 


,,™2' 
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan aanvullende 
™r™fte" geven nopens de stuwage, de verpakking en de te 
zuïks™t h°7eelheden/an in dit artikel bedoelde stoffen, indien 
lks, met het oog op de bijzondere gevaren, aan het vervoer ver­ 
bonden, door hem nodig wordt geacht. 


or>levprt StH fh' waarvan..het vervoer om enigerlei reden een gevaar 
dnlnnJ 
f door de wijze van verpakken en stuwen niet in vol­ 
doende mate beperkt kan worden, kunnen, ook al zouden zij door 
ran^wT 
ei~ CCn, der voorafgaande leden van dit artikel ge­ 
in 
kunnen worden, door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie van het vervoer per schip worden uitgesloten. 
lic/van !r?ienrfT t6n verv°er aangeboden stof onder meer dan één 
vïn aHe hptrpff /e!"a?8SCh,,kt kan W°rden' moet met de bepalingen 
van alle betreffende leden rekening worden gehouden 
art?kd^nIiStVfrpliCht' V°°rdat met het laden van een onder dit 
val|ende stof een aanvang wordt gemaakt, tijdig van het aan- 


g boden vervoer schriftelijk kennis te geven aan de kapitein en zo 
het inladen in een Nederlandse haven of een haven van de Neder- 
lan de Schp6" 
heeft' t6Vens aan het betrokken Districtshoofd 
arHvl Scheepvaartinspectie, onder opgave van de leden van dit 
artikel, waaronder de stof valt. 


deDaeaidavaen ^eeft dezelfde verP1!chting tot kennisgeving, indien hem 
heeft L £ Jf 
!Hë bekeund ls' tenzii hiJ ^ch er van vergewist 
komen 
afzender zijn hiervoor bedoelde verplichting is nage- 


hw'l tYijfII r^nt de mate van gevaarlijkheid van een stof kan 
blader T 
/ Dlstnctshoofd een verklaring van de afzender of de 
mlader daaromtrent eisen en zo nodig de voorlichting van terzake 
deskundigen inroepen; in het buitenland kan zulks door de kapitein 
geschieden 
tUSSe"k°mst van de consulaire ambtenaar ter plaatse! 


Colli gevaarlijke stoffen moeten met een onderscheidingsetiket of 
merkplaat het gevaarlijke karakter betreffende, zijn aanfeduid 
gemerkt.0 
eenVOrmige verpakking behoeft slechts één stuk te zijn 


m^l' 
Aa" boord van een schip, hetwelk gevaarlijke stoffen vervoert 
moet een lijst, vermeldende de gevaarlijke stoffen, verdeeld naar dé 
verschillende leden van dit artikel, aanwezig zijn. 


15. Van de meest voorkomende, in dit artikel bedoelde stoffen 
wordt in een vanwege Onze Minister uit te geven boekwerk „Ge­ 
vaarlijke ladingen" een opsomming gegeven met nadere voorschriften, 
betreffende de wijze van vervoeren en stuwen, waarmede bij net 
vervoer rekening moet worden gehouden. 


16. Behalve voor het eigen scheepsgebruik mogen aan boord van 
passagiersschepen, als bedoeld in lid 2, geen gevaarlijke stoffen <*an~ 
wezig zijn, tenzij het vervoer van deze stoffen aan boord van deze 
schepen, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, is toegelaten, 
zoals zulks in het in lid 15 bedoelde boekwerk is aangegeven. 


Artikel 100 


Kruitkamer 
De kruitkamer moet benedendeks op een zo koel mogelijke plaats 


zijn gelegen. Zij moet op een afstand van ten minste 2 meter van de 
scheepswand en zover mogelijk, althans ten minste 6 meter van de 
machine- en ketelruimen en van de kolenbunkers zijn gelegen. 


De kruitkamer moet bovendien zo mogelijk op een voldoende 
afstand van de bewoonde gedeelten van het schip en bij voorkeur 
niet onder die gedeelten gelegen zijn. De kruitkamer moet bestaan 
uit een waterdichte ruimte, welke gesloten wordt door een water­ 
dichte deur met slot. Het inwendige van de kruitkamer moet zodanig 
zijn bekleed, dat vonkvorming bij plaatsing, verschuiving of lossing 
der lading uitgesloten is. De kruitkamer moet zodanig zijn ingericht, 
dat zij door het verrichten van een eenvoudige handeling door een 
vaste leiding met water kan worden gevuld en gevuld kan worden 
gehouden. 
, ,, 


De kruitkamer moet een inrichting ter ontluchting aan dek hebben, 
welke van dubbel veiligheidsgaas moet zijn voorzien. 


Voor de vaste verlichting van de kruitkamer mag slechts gebruik 
worden gemaakt van geheel gesloten armaturen, voorzien van be­ 
schuttingsglas en korf. Andere electrische toestellen van welke aard 
ook, mogen niet in kruitkamers zijn geplaatst. 


De groep van lampen in de kruitkamer moet buiten deze ruimte 
op een doelmatige plaats door middel van een dubbelpolige schakelaar 
spanningloos kunnen worden gemaakt. Een controlelamp, welke 
aangeeft of de groep al dan niet onder spanning staat, moet ter 
plaatse zijn aangebracht. Voor tijdelijke verlichting van bovenge­ 
noemde ruimte mogen slechts draagbare lampen, welke voldoen aan 
de eisen, gesteld in bijlage VI, hoofdstuk IX, artikel 32, sub ƒ, worden 
gebruikt. 


Artikel 101 


Deklasten 
1. Onverminderd het voor deklasten hout in artikel 95 bepaalde, 


moet, om deklast te mogen voeren, het dek ter plaatse waar deze 


gestuwd wordt, voldoende sterk gebouwd zijn. De nodige middelen 
moeten aanwezig zijn om het overgaan van de deklast te beletten. 


2. De deklast mag niet zo zwaar zijn, dat de stabiliteit van het 
schip er door in gevaar wordt gebracht. Bij deklast, die door het 
overnemen van water in gewicht toeneemt, moet met die toeneming 
rekening worden gehouden. 


3. De wijze van stuwen moet zodanig zijn, dat de bediening van 
sch'p, boten, lieren, peilkokers en lenspompen, de toegang tot ver­ 
blijven, enzovoort niet door de deklast worden belet. 


4. Indien de verschansing of reling van het schip niet hoog ge- 
noeg boven de deklast uitsteekt, moeten relings of stutten met keer- 
touwen worden aangebracht, zodat een veilig verkeer van de beman­ 
ning over de deklast verzekerd is. 


5. Indien de bovenzijde van de deklast niet vlak genoeg is om er 
over te kunnen lopen, moeten de nodige planken en handleiders wor- 
den aangebracht om de bemanning in staat te stellen de verschillen­ 
de delen van het schip zonder gevaar te bereiken. 


6. Deklasten moeten zodanig zijn gestuwd, dat overgenomen 
water gemakkelijk door de waterloospoorten kan wegvloeien. Op een 
deklast cokes mogen geen werkboten of andere zware voorwerpen 
worden geplaatst. 


Artikel 102 


1. Het vervoer van paarden, rundvee, varkens, schapen en geiten Dieren 
moet plaats vinden volgens de regelen, neergelegd in bijlage XIX. 


,i 
de inscheping in een Nederlandse haven of in een haven 


van de Nederlandse Antillen plaats heeft, moet het betrokken Dis­ 
trictshoofd tijdig vóór de inscheping worden gewaarschuwd. 


HOOFDSTUK IX 
Vervoer van passagiers 
Artikel 103 


Koi' ^an b0°/d van Passagiersschepen moeten de voor passagiers Eisen voor pasi 
bestemde ruimten, wat betreft de hoogte, de inhoud en de vrije dek- stasruimten 
rU1D1-te1V0'rï°en aan cle eisen> neergelegd in de bijlagen II en III 


Bij deze eisen wordt rekening gehouden met het al dan niet'aan­ 
wezig zijn van vaste slaapplaatsen voor de passagiers, met de duur 
heeft16126"' Z°mede met het gebied' waarbinnen het vervoer plaats 


2v J?e.in Hd, 1 genoemde ruimten moeten goed geventileerd en 
veriicnt zijn, ook dan wanneer de toegangen naar dek en de luiken 
gesloten zijn. 


3. De dekken boven en in voor passagiers bestemde ruimten 
moeten voldoen aan de in de bijlagen II en III gestelde eisen. 


4. Voor passagiers bestemde ruimten aan boord van andere dan 
passagiersschepen moeten in het algemeen aan dezelfde eisen vol- 


doen als die aan boord van passagiersschepen. In bijzondere geval­ 
len kan echter afwijking worden toegestaan, rekening houdende met 
de aard van het schip. 


Artikel 104 


Drinkwater 
Ten behoeve van de passagiers moet voldoende drinkwater ter 


beschikking worden gesteld, waarvan de hoedanigheid en de wijze 
van berging gelijk moeten zijn aan die, welke voor het drinkwater ten 
behoeve van de schepelingen in het Schepelingenbesluit zijn voorge­ 
schreven. 


Artikel 105 


Privaten en 
Bij het vervoer van passagiers, bedoeld in artikel 103, moeten voor 


waterplaatsen 
de passagjers privaten en waterplaatsen beschikbaar zijn overeen­ 
komstig het bepaalde in bijlagen II en III. 


Artikel 106 


Vervoer van 
gij het pelgrimvervoer naar en van havens aan de Rode Zee moet, 


pelgrims 
behalve hetgeen in dit besluit is vermeld, de hand worden gehouden 
aan de bepalingen van de van kracht zijnde Internationale Sanitaire 
Voorschriften. 


Artikel 107 


Vervoer van 
1. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland 


landverhuizers 
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen, moeten de ver­ 
blijven en de ziekenverblijven voor de landverhuizers voldoen aan de 
eisen, gesteld in bijlage II. 


2. De mannelijke ongehuwde landverhuizers, die de leeftijd van 
14 jaar hebben bereikt, wordt een verblijfplaats aangewezen, welke 
op afdoende wijze van de verblijven der andere landverhuizers is 
afgescheiden. 


3. Eveneens wordt een afzonderlijke verblijfplaats aangewezen aan 
de niet in gezinsverband aan boord vertoevende vrouwelijke land­ 
verhuizers. 


4. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland 
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen en waarop meer 
dan 75 landverhuizers zullen worden vervoerd, moet een genees­ 
kundige gemonsterd zijn. 


5. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland 
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen, moeten de nodige 
genees-, heel-, ontsmettings- en verbandmiddelen voorhanden zijn, 
welke aan onderzoek en goedkeuring, overeenkomstig de voorschriften 
van artikel 27 van de Wet van 1 luni 1865 (Staatsblad No. 61), zoals 
deze sedert is gewijzigd, zijn onderworpen. 


HOOFDSTUK X 
Verplichtingen van de kapitein 
Artikel 108 


1 
De kapitein » verplicht zorg te dragen, dat bij het ondernemen Uitwatering 
van een reis het schip een zodanig vrijboord heeft, dat de in bijlage IV 
voorgeschreven uitwateringslijn niet is ondergedompeld. 


2. De kapitein van een schip, dat gedurende een reis een ander 
vaargebied, als bedoeld in bijlage IV, bereikt, is verplicht zorg te 
dragen, dat het schip geen kleiner vrijboord heeft, dan in dit vaar­ 
gebied is toegelaten. 


3. De kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen, 


dat bij het ondernemen van een reis het schip een zodanig vrijboord 
heeft, dat het in de bijlagen II en III voorgeschreven merk, behorende 
bij de van toepassing zijnde indelingslastlijn, niet is ondergedompeld. 


U ï 'A 
1 sc'lePen pP een rivier of in een binnenwater worden 
beladen, is het de kapitein toegestaan dieper af te laden dan volgens 
de leden 1 en 3 geoorloofd is en Wel zoveel, als overeenkomt met het 
gewicht aan brandstof, enzovoort, dat verbruikt wordt tussen de plaats 
van vertrek en de plaats, waar het schip buitengaats komt. 


5. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat ook gedurende de 
reis het vrijboord, bedoeld in de leden 1, 2 en 3, niet wordt ver­ 
minderd. 


Artikel 109 


1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat bij het onder-stabiliteit,ge- 
nemen van een reis voldoende gegevens betreffende de stabiliteit van gevens 
het schip in onbeschadigde toestand aan boord zijn. 


2. Deze verplichting geldt niet voor: 
J a ) schepen, geen passagiersschepen zijnde, van minder dan 
500 ton; 


( b ) .schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 500 ton en meer 


doch minder dan 800 ton, voorzover vóór 19 November 1952 voor 
net eerst in de vaart gebracht; 


(c) 
schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 800 ton en meer 
waarvan de kiel voor 1 Januari 1933 werd gelegd. 


3: „ Pe kapitein van een passagiersschip, waarvan de kiel gelegd is 
na 18 November 1952 is verplicht zorg te dragen, dat hij bij het onder­ 
nemen van een reis voldoende gegevens aan boord heeft om te 
kunnen voldoen aan verplichtingen, die hem in verband met de 
lekstabiliteit in bijlage II zijn opgelegd. 


Artikel 110 


en'gedunde de reis: ,e'^iC'lt 
" dr"S<!n' 
V" 
— 


onSddtWTb™ïdëeS'ïfcn ,ansewezen b»'« 
vo°. 


( b ) de motoren van de motorreddingboten gereed zijn om on­ 
middellijk na de tewaterlating te kunnen werken; 


(c) de lopers der bootstakels klaar opgeschoten en voor gebruik 
gereed zijn en de sjorrings van de boten gemakkelijk kunnen worden 
losgemaakt; 


( d ) de davitpotten vrij van water en de bewegende delen, als 
davits, kranen, klampen en dergelijke, roestvrij en goed gangbaar zijn, 


(e) het drinkwater en de voedingsmiddelen in de boten aanwezig 
en te allen tijde voor het gebruik geschikt zijn; 


(ƒ) een stuurman of gediplomeerd sloepsgast belast is met het bevel 
over elke boot, de opvolgers in het bevel zijn aangewezen en de 
overige sloepsgasten over de boten zijn verdeeld, 


(e) hij die met het bevel over een boot is belast, een lijst van de 
bemanning van de boot heeft en toeziet, dat deze bemanning bekend 
is met haar plaats en werkzaamheden; 


( h ) voor elke motorboot iemand is aangewezen, die in staat is 
de motor te behandelen; 


( i ) voor elke reddingboot, voorzien van een radio telegraaf instal­ 
latie of van een zoeklicht, of van beide, iemand is aangewezen, die 
in staat is deze inrichtingen te bedienen; 


( j ) één of meer stuurlieden voor het dagelijks toezicht op de 
onmiddellijke gereedheid van de reddingboten en drijvende toestellen 
zijn aangewezen; 


( k ) geschikte middelen buiten de machinekamer aanwezig zijn, 
welke kunnen beletten dat binnenboordswater in te water liggende 
boten kan lopen. 


2. De kapitein is voorts verplicht zorg te dragen, dat: 
(a) elke boot ten minste eenmaal per vier maanden buiten boor 
wordt gedraaid en te water wordt gebracht, waarbij moet worden 
nagegaan of zij voldoende waterdicht is; 


( b ) de volgens de sloepenrol als roeiers aangewezen schepelingen 
ten minste eenmaal per vier maanden geoefend worden in het roeien, 


(c) in de boten geen andere zaken worden geborgen, dan die tot 
de uitrusting van de boot behoren; 
, , . 


( d ) de appèls van de bemanning voor oefeningen met de boten 
ten minste maandelijks worden gehouden, 


(e) bij achtereenvolgende oefeningen met boten verschillende groe­ 
pen van boten om beurten worden gebruikt en de oefeningen z°damg 
worden geregeld, dat de bemanning op de hoogte is van en geoefen 
is in de werkzaamheden, die zij in geval van nood moet verrichten en 
dat alle reddingmiddelen met de daarbij behorende uitrusting te allen 
tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; 


( f ) aan boord van schepen, waarvan de reis langer dan een week 
duurt, kort na het begin van de reis, appèls tot oefening van de 


passagiers worden gehouden met het oog op het zich verzamelen 
op de appelplaatsen en het juiste gebruik van de reddinggordels. 


3. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat indien één of meer 
draagbare radiotelegraaftoestellen voor reddingboten aan boord zijn 
voor elk toestel iemand is aangewezen, die in staat is het te bedienen 
en die m geval van nood het toestel in de daarvoor aangewezen boot 
brengt. 


Artikel 111 


De kapitein is verplicht zodanige maatregelen te nemen, dat: 
Eiectrische in- 


(et) in vochtige ruimten en in ruimten met ontploffingsgevaar geen richtiDSen 
werkzaamheden aan ongeïsoleerde delen van de eiectrische installatie 
worden uitgevoerd, zolang deze onder spanning staan; 


(b) in ruimten met ontploffingsgevaar geen werkzaamheden, waar­ 
bij vonkvorming kan optreden, geschieden en het openen, demonteren 
of dergelijke van machines, toestellen, transformatoren, schakel- en 
verdeelinrichtingen, lamparmaturen en toebehoren van leidingen 
slechts p aats vindt, nadat het desbetreffende gedeelte der installatie 
spanningloos is gemaakt; 


& 
andere dan in (a) en (b) genoemde ruimten slechts werk­ 
zaamheden aan blanke of daarmede gelijk te stellen onder spanning 
staande delen van de eiectrische installatie worden uitgevoerd, indien 
voor de veiligheid en bedrijfszekerheid van het schip dringende rede­ 
nen aanwezig zijn om deze onder spanning te verrichten, mits: 


1. alle zich in de nabijheid bevindende metalen delen deugdelijk 
tegen aanraking beschermd zijn; 


2' A metalen de!en van 
bij de werkzaamheden benodigde 
gereedschap voor zover mogelijk deugdelijk zijn geïsoleerd; 


• 'i' 
Zj' 
d? werkzaamheden uitvoeren zich op een deugdelijk 
isolerende laag bevinden; 
J 


vo°rzoveeldit in verband met de plaats en de omstandigheden 
nodig is ter voorkoming van ongevallen van niet met de werkzaam- 
gebracht 
16 perSOnen' duideliJk leesbare waarschuwingen zijn aan- 


tp (?.{u werkzaamheden in de nabijheid van blanke of daarmede gelijk 
te stellen delen van de eiectrische installatie slechts geschieden, indien 
deze spanningloos zijn gemaakt, tenzij zij om bedrijfstechnische rede- 
dfé™iTi11 
i" Ultgeschakeld'in welk geval alle maatregelen, 
^ genomen 
^ °°P 
^ 
kUnnen waarbor8en' moeten 


(e) bij voeding van het scheepsnet of een gedeelte daarvan vanaf 
de wal, geen spanningen en stroomsoorten en bij draaistroom boven- 
insfaifatip freq"entl®s en vo,Sorden der fazen, waarvoor de eiectrische 
installatie aan boord met geschikt is, worden gebezigd; 


(f) de isolatietoestand van het scheepsnet zowel in zijn geheel, als 
in onderdelen te allen tijde voldoende is en dat isolatiefouten zo 
spoedig mogelijk worden verholpen; 


(g) automatische omschakelinrichtingen, behorende tot de nood- 
installatie wekelijks beproefd worden; 


(h) 
de eiectrische noodverlichting tenminste éénmaal per drie 
maanden wordt beproefd. 


Artikel 112 


Gebruik van 
Dg kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de luiken en merkels 
luikenen merkels nje(. wor(jen gebruikt voor doeleinden, waarvoor zij niet zijn bestemd. 


Artikel 113 


Luisterdienst 
1. De kapitein is verplicht luisterdienst te doen houden volgens 


Ekctron'isehe na- de in artikel 83 gegeven voorschriften. 
vigatiemiddeien 
2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat een auto-alarm­ 
toestel, indien aan boord aanwezig, buitengaats steeds is ingeschakeld, 
wanneer geen radiotelegrafist op wacht is. 


3. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de calibratie van 
de richtingzoeker elk jaar wordt nagezien en dat gedurende het nemen 
van radiopeilingen antennes voor persoonlijk gebruik van de op­ 
varenden zijn weggenomen. Bovendien is de kapitein verplicht de 
calibratie te doen verifiëren, telkenmale als zich omstandigheden 
voordoen, welke de nauwkeurigheid van de richtingzoeker merkbaar 
kunnen beïnvloeden. 


4. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat door de stuurlieden 
regelmatig met de electronische navigatiemiddelen, waarmede het 
schip is uitgerust, wordt geoefend. 


Artikel 114 


Aiarmroi en 
1. De kapitein is verplicht vóór het ondernemen van een reis 


sioepenroi 
zorg te dragerlj dat een alarmrol en een sloepenrol zijn samengesteld. 


2. De alarmrol moet vermelden: 
(a) de plaatsen waarheen de leden van de bemanning zich moeten 
begeven en hunne plichten in verband met: 


(aa) het sluiten van waterdichte deuren en openingen in schotten 
en in het scheepsboord; 


(bb) het blussen van brand; 
(b) de plichten in het bijzonder van de leden der bemanning, die 
niet behoren tot de dek- of de machinedienst, in tijd van nood ten 
opzichte van de passagiers in verband met: 


(aa) het waarschuwen van de passagiers; 
(bb) het toezien, dat de passagiers zoveel doenlijk gekleed zijn en 
hun reddinggordels op de juiste wijze hebben aangetrokken; 


I, 


n 


S ï6t bewaren van orde in de gangen en op de trappen; 


eiden Vn^rTn1^ ^ 06 PaSSagierS °P de appèlplaatsen en het 
leiden naar boten en overige reddingmiddelen; 


(cc) het brengen van de nodige dekens in de boten; 
(c) bepaalde seinen voor het oproepen van alle leden der beman 
es s,reens dc 


ïan'rSrn'SKÏ8 °P " ^ 
Eeen 


de 
»= '«<« ™ 


drijvlde^l^rherjs™e?„;°i,rüStCn ™" " 
«• 


boten; ^ 
brengen Van de onder davits opgestelde redding- 


boK ™ed£eStSef,rnodi8 le watór bren8e° ™de >»*» 


verneld" * verschillende rollen 
<1= gehele bemanning worden 


seül" 5T V"blii,en Van de -«eieren en d« schels- 


Artikel 115 


dat?6 kapit6in V3n 6en Passagiersschip is verplicht zorg te dragen, s.uite, va„ 


/ \ 
waterdichie 


in teZlUWd°S,rUSenn 
^ 


rtó°5=iïS5 'MST!. UA r 


( f ) de deksels en kleppen van stortkokers voor as, vuil, enzovoort 
welke niet in gebruik zijn en welker binnenboordsopeningen geheel of 
gedeeltelijk beneden de indompelingsgrenslijn zijn gelegen, behoorlijk 
gesloten zijn. 


Artikel 116 


Oefeningen met 
j)e kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen, 


waterdichte 
, 


deuren, enz. 
aat: 


(a) oefeningen in het behandelen van waterdichte deuren, patrijs­ 
poorten, kleppen en afsluiters wekelijks plaats hebben en indien de 
reis langer dan een week duurt, bovendien, vóór het schip naar zee 
gaat, een volledige oefening wordt gehouden; 


( b ) alle werktuiglijk bewogen waterdichte deuren en alle water­ 
dichte draaideuren in hoofddwarsschotten, welke op zee open moeten 
zijn, éénmaal daags worden gesloten; 


(c) de waterdichte deuren en alle daarbij behorende bewegings­ 
inrichtingen en standaanwijzers, alle afsluiters, die gesloten moeten 
zijn om een afdeling waterdicht te maken, benevens alle afsluiters in 
dwarsscheepse overvloeiinrichtingen als bedoeld in bijlage II, gedu­ 
rende de reis geregeld ten minste éénmaal per week, worden nagezien. 


Artikel 117 


Appèls en oefe- 
De kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen, 


ringen met 
. . 


redding- en 
ücil- 
_ 
. 
J 
U 
* 


brandbiusmid- 
appèls van de bemanning voor oefening met de boten en 


rondedSnstd 
in het blussen van brand, gevolgd door oefeningen met de brand- 
blusmiddelen, rookmaskers en zuurstofapparaten zo mogelijk een­ 
maal per week en indien de reis langer dan een week zal duren 
bovendien zo spoedig mogelijk na het vertrek uit de haven worden 
gehouden; 


(b) als noodsein om de passagiers naar de appèlplaatsen te roepen 
een sein, bestaande uit meer dan zes opvolgende korte stoten, gevolgd 
door één lange stoot op de fluit of de sirene, wordt gebruikt en dat 
dit sein, behalve wanneer het schip op korte reizen wordt gebezigd, 
wordt aangevuld door andere seinen, welke langs electrische weg 
van de brug af door het gehele schip worden gegeven en als alarm­ 
sein bij brand de bellen op de brug, op de kampagne of op de bak 
al naar de omstandigheden, gedurende ongeveer 15 seconden worden 
geluid; 


(c) een duidelijke opgaaf nopens de betekenis van alle seinen, 
welke van belang zijn voor de passagiers en hoe daarbij moet worden 
gehandeld, in verschillende talen in de hutten en andere nachtver- 
blijven voor passagiers op in het oog lopende wijze is aangebracht, 


( d ) een doelmatige rondedienst wordt onderhouden om elk begin 
van brand zo spoedig mogelijk te kunnen ontdekken. 


Artikel 118 


*nn » De kapitem yan een schiP> geen passagiersschip zijnde, van Voorzorgsmaat- 
3UU ton en meer, is verplicht ten minste éénmaal per maand een 
brand8e" 
oefening met de brandblusmiddelen te doen houden. 
mLPI?n kapiteïn is verplicht zorg te dragen, dat de brandblus- 
middelen in zodanige staat blijven, dat zij gedurende de reis te allen 
tijde onmiddellijk gebruikt kunnen worden. 


rflr* ij?"? kapitfn.Jis vcrPlicht zorg te dragen, dat het gewicht van 
elke koolzuurcylinder voor de toelating van verstikkend gas in laad- 


M keKlr°in,en 
éénra»" P» i»» 


rui™me.ïa^ï " tverP'kh' ?or8 « «"gen, dat de voortstuwing,- 
• 
u k°mbmzen behoorlijk worden schoongehouden en 
\ Vr,Jgeh<?Ude",Van olieresten, Iekolie, met olie doordrenk" 
poetskatoen en dergelijke verontreinigingen. 


WJL D*kTem '? Verp,icht Z0TS te dragen, dat blikken en flessen, 
Z'H 
brandbare, vloeistoffen bevatten, op een veilige plaats ver- 
ïjderd van kombuizen en plaatsen, waar open vuur wordt gebezigd 


of brand 
en gf0rgen' dat ziJ bij een zware schok niet omvallen 
f brand veroorzaken en dat olie- en kaarslantaarns zodanig worden 


losraken 
611 gC 
gd' dat zij bij' een zware schok niet omvallen of 


Artikel 119 


pU?ht2™?SV,S„!ed°,fhiP' dat 
vaart, is ver- vjn-j-. 


20ïse'—** 


Jh), de verbhjven van de landverhuizers dagelijks worden gereinigd 
en steeds behoorlijk worden geventileerd; 


(c) de verblijven van de landverhuizers voldoende worden verlicht; 


„r 
de 'andverhuizers zindelijk en goed onderhouden beddegoed 
wordt verstrekt en dit beddegoed wordt gelucht; 
All in de verblijven van de landverhuizers slechts wordt geborgen 
hetgeen voor het dagelijks gebruik nodig is en dat de landverhuizers 
bagage" 
éenmaal per week toegang wordt verleend tot hun overige 


aan b°°rd g6en dieren worden vervoerd, tenzij zodanige maat- 
ond1rvinden;gen0men' ' ^ ,andverhuizers daarvan generlei hinder 


1 JjJ lndien VÓÓr het vertrek van het schip onder de in^escheeote 
lm" ner LU'ZerS,,emand lijdende aan een ziekte van gevaarlijk bï 
smettelijke aard wordt aangetroffen, deze wordt ontscheept. 


Artikel 120 


voeding, drink- 
De kapitein van een schip, dat met landverhuizers vaart, is ver- 
Unö'Jt" plicht zorg te dragen, dat: 


(a) in verband met de te ondernemen reis en het aantal opvaren­ 
den, voldoende drinkwater en waswater ten behoeve van de land­ 
verhuizers aan boord is, of aan boord kan worden gedistilleerd en 
dat daarvan dagelijks een voldoende hoeveelheid ter beschikking van 
de landverhuizers wordt gesteld; 


( b ) het drinkwater en de berging daarvan voldoen aan de desbe­ 
treffende eisen gesteld in het Schepelingenbesluit; 


(c) in verband met de te ondernemen reis en het aantal opvaren­ 
den, voldoende in goede staat verkerende voeding voor de land­ 
verhuizers aan boord is en dat daarvan dagelijks een voldoende 
hoeveelheid in behoorlijke afwisseling ter beschikking wordt gesteld, 


( d ) deze voeding geborgen wordt in behoorlijk van andere ruimten 
afgesloten bergplaatsen, zo gelegen en zo nodig zodanig geventileerd, 
dat de voeding in goede toestand blijft en dat deze bergplaatsen, 
voordat daarin voedsel wordt geborgen, afdoende zijn gereinigd en 
gedurende de reis behoorlijk worden schoongehouden; 


( e ) met de bereiding van het eten een scheepskok wordt belast 
en dat aan de bereiding de nodige zorg wordt besteed, 


(ƒ) de nodige hulpmiddelen voor het bereiden van het eten en 
het nodige kommaliewant ten behoeve van de landverhuizers aan 
boord zijn; 


(g) de landverhuizers geen sterke drank aan boord hebben. 


Artikel 121 


inspectie ver- 
De kapitein van een schip, dat met landverhuizers vaart, is ver­ 
blijven en keuring „Jicht" 
voeding van 
F 
* 
jij 


andverhuizers 
^ 
ten minste éénmaal per week de verblijven van de lanaver- 


huizers te inspecteren; 
, 
, 


2. dagelijks het bereide eten te keuren, bijgestaan door de ge­ 
neeskundige, indien deze zich aan boord bevindt. 


Artikel 122 


Vervoer gevaar- 
1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat geen brandbare 
ïijke stoffen 
vloeistoffen met een vlampunt van 55° Celsius (gemeten met net 
toestel van Abel-Pensky) of lager bij een barometerstand van 760 
millimeter kwikdruk, met uitzondering van die, welke in elke ver­ 
houding met water mengbaar zijn, in andere dan volgens bijlage Vil 
voor het bergen dezer stoffen goedgekeurde ruimten worden geladen. 


2. De kapitein van een schip, dat stoffen vervoert, als bedoeld 
in artikel 99, is verplicht die maatregelen te treffen, welke in ver­ 
band met de aard van de lading en de wijze van stuwen nodig zijn. 


Extra voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen bii het 
?Pfne" der luike" van ruimen, waarin stoffen als bedoeld in de 
lekkac 
T H' 
®toffen als bedoeld in lid 4 voor zover deze door 
har 
ft 
j 
kunnen geven tot het aanwezig zijn van ontplof­ 
bare giftige dampen of mengsels, zijn geborgen. 


Artikel 123 


5 SrcLTvan 
SChiP' ** 660 deklaSt hoUt van meer da° 
, 
zijn draagvermogen „op zomermerk" vervoert is ver-Iasten hou« 


plicht rekening te houden met het bepaalde in artikel 101 l d 2 en 


nemen van® £ 
^ M "aar zee na 
^aan boord 


laaTïV k vï 
T° h6t bepaalde in hoofdstuk V van bij­ 


zijn til 
, 6? da'een of meer dubbele-bodemtanks ledig 
ï ? ?eZ® tanks geurende de reis naar behoefte te kunnen 
knnnp'n h V i moeten gezamenlijk een gewicht aan zeewater 
kunnen bevatten, dat ten minste gelijk is aan het gehele gewicht van 
de hrannTff 
Verbruik van de in de dubbele bodem medegevoer- 
n ï 1 
H" !Iater' VCrmeerdcrd met de helft van het gewicht 
van het gedurende de reis te verwachten verbruik van vloeistoffen 
uit ruimten tussen het bovendek en de dubbele bodem en vervolgens 
verminderd met de helft van het gewicht van het gedurende de reis 
dek 
verbruik van vloeistoffen uit ruimten boven het boven- 


Artikel 124 


streeks^/inTte éeve^en^* H*5 beVelen aan, de roerganger in recht- Roereommaudo 
weatne 
W 
h 
" g6Ven' Zodat biJ vooruitgaande be- 
P T voorultwerkende machines bij het gevolg 
fn h?i w 
commando stuurboord het voorschip naar stuurboord 


naar bakhof JaS*™ *** 
1 commando bakboord het voorschip 


Artikel 125 


chge verklaringen 'ztjn.'1 art,kd 92 gen°emde n0g gddige geneeskun" 


Artikel 126 


1' ^[,is,de kapitein van een varend vissersvaartuig onder allp w u. 
omstandigheden verboden de wacht aan dek over te latln aan m/n- 
der dan 2 personen. Eén van deze personen moet in het beatzita 
van het bewijs van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming 


ker9rVanngCn °P ^ e" V3n de verklaringen, als bedoeld in arti- 


2. Voor een schip, liggende aan de haringnetten, kan op wacht 
W n Peru°,ün rrden V0lstaan' die in het bezit moet zijn van het 
varinsen^ bekendheld ™et de bepalingen ter voorkoming van aan- 
ngen op zee en van de verklaringen, als bedoeld in artikel 92. 


Artikel 127 


Alarm-, nood- 
j. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat ten aanzien van 
en spoedseinen 
ajarm_; n00{i- en spoedseinen de volgende regelen in acht worden 
genomen: 
, • 


(a) slechts hij is bevoegd bevel te geven tot het gebruik van de 


dit artikel genoemde seinen; 


<b) het alarm- en het noodsein mogen slechts worden gebruikt, 
indien het schip in ernstig en ogenblikkelijk dreigend gevaar verkeer 
en onmiddellijk hulp nodig heeft; 


(c) het spoedsein mag slechts worden gebruikt, indien het schip 
een zeer dringend bericht heeft over te brengen betreffende de veilig­ 
heid van het schip of van enig persoon aan boord of in zicht daar- 


(d) het alarmsein en de radiotelegrafische en radiotelefonische 
nood- en spoedseinen worden gegeven op de wijze als voorgeschreven 
in het van kracht zijnde internationaal Radio-Reglement; 


(e) de hierboven genoemde seinen worden geannuleerd op de 
wijze als aangegeven in het onder (d) genoemde Radio-Reglement, 


( f ) het gebruik van een noodsein anders dan om aan te geven, 
dat een schip in nood verkeert evenals het gebruik van enig sein, dat 
met een noodsein kan worden verward, is verboden; 


(,,) geen enkele bepaling van het onder (d) genoemde Radio-Regle- 
ment kan een beletsel zijn, dat een in nood verkerend schip jan alle 
middelen, waarover het beschikt, gebruik maakt om de aandacht 
trekken, zijn plaats bekend te maken en hulp te verkrijgen. 


2. De kapitein van een zich op zee bevindend schip, die onver­ 
schillig uit welke bron een sein ontvangt, dat aangeeft, dat een schip, 
een vliegtuig of daartoe behorende sloepen of vlotten in nood ver­ 
keren, is verplicht met de meeste spoed de in nood verkerende per­ 
sonen te hulp te komen en hun daarvan zo mogelijk te verwittigen. 
Hii is van deze verplichtingen ontheven, indien hij daartoe niet in 
staat is of, gezien de bijzondere omstandigheden van hel geval, 
hulpverlening niet redelijk of onnodig acht, dan wel, volgens het be­ 
paalde in de leden 4 en 5, van hulpverlening is vrijgesteld. 


3. De kapitein van een in nood verkerend schip heeft het recht 
om na de kapiteins van de schepen, die zijn oproep om hulp hebben 
beantwoord voor zover dit mogelijk is te hebben geraadpleegd een 
of meer dezer schepen, welke hij het meest geschikt acht om hulp te 
verlenen, daartoe op te vorderen. 
De kapitein van elk opgevorderd schip is verplicht aan de opvorde­ 
ring te voldoen door zich met de grootst mogelijke snelheid ter 
hulpverlening naar de in nood verkerende personen te begeven. 


4 
De kapitein is ontheven van de verplichting, hem in lid 2 op­ 
gelegd zodra hij verneemt, dat één of meer schepen, andere dan het 
zijne, opgevorderd zijn en aan de opvordering gevolg geven. 


5. De kapitein is ontheven van de hem in lid 2 en in de tweede 
volzin van lid 3 opgelegde verplichtingen, indien hem door een 
schip, dat de in nood verkerende personen heeft bereikt, wordt mede­ 
gedeeld, dat hulpverlening niet langer nodig is. 


6. De bepalingen, vervat in de leden 2 tot en met 5, maken geen 
inbreuk op het op 23 September 1910 gesloten Internationaal Ver­ 
drag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende 
hulp en berging. 


Artikel 128 


1. De kapitein is verplicht: 
(a) indien hij gevaarlijk ijs, een gevaarlijk wrak, een ander onmid- Berichten om- 
dellijk gevaar voor de scheepvaart of een tropische storm ontmoet, JStafidïïfc 
met alle middelen, waarover hij beschikt, de schepen in de nabijheid, 
zomede de bevoegde autoriteiten van het punt aan de vaste wal, waar­ 
mede hij het eerst verbinding kan verkrijgen, te waarschuwen; 


( b ) indien gevaarlijk ijs is gemeld op of in de nabijheid van de 
koerslijn van zijn schip, des nachts een matige vaart te lopen, of 
zodanig van koers te veranderen, dat hij ruimschoots buiten het ge­ 
vaarlijke gebied blijft; 


(c) berichten betreffende ijs, wrakken, tropische stormen of een 
ander onmiddellijk gevaar voor de scheepvaart, als bedoeld onder (a), 
te allen tijde te deen overseinen. 


2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat bij het overbrengen 
van de in lid 1 genoemde berichten de volgende regelen in acht wor­ 
den genomen: 


(a) alle berichten moeten worden ingeleid door het veiligheidssein 
als voorgeschreven in het van kracht zijnde internationaal Radio- 
Reglement. Slechts de kapitein is bevoegd bevel te geven tot het ge­ 
bruik van dit sein, hetwelk slechts mag worden gebezigd ter aankon­ 
diging van een door het schip te seinen bericht, dat betrekking heeft 
op de veiligheid van de navigatie of dat belangrijke meteorologische 
waarschuwingen bevat; 


( b ) de berichten, waarvan de vorm niet is voorgeschreven, worden 
in algemeen verstaanbare taal, bij voorkeur Engels, of met behulp 
van het Radiodeel van het Internationale Seinboek, in omroep uit­ 
gezonden; 


(c) bij het radiotelegrafisch omroepen van de berichten, moet de 
algemene oproep worden voorafgegaan door het veiligheidssein TTT 
en de seinwijze worden gevolgd als hiervoor in het van kracht zijnd 
internationaal Radio-Reglement is voorgeschreven; het bericht zelf 
bestaat uit het inleidende veiligheidssein TTT, gevolgd door een 
aanduiding van het gevaar en een nadere omschrijving daarvan, zoals 
dit in de voorbeelden van bijlage XX is aangegeven; 


( d ) bij het radiotelefonisch omroepen van de berichten moet de 
werkwijze worden gevolgd als aangegeven onder (c), met dien ver­ 
stande, dat het veiligheidssein in het radio-telefoonverkeer SECURITE 


(in het Frans uitgesproken), in de plaats treedt van het veiligheids- 
sein voor radiotelegrafie; 


( e ) de berichten worden tevens aan het eerste punt aan de wal, 
waarmede verbinding kan worden verkregen, geseind, onder bijvoe­ 
ging van het verzoek deze aan de bevoegde autoriteit door te geven. 


Artikel 129 


Certificaat onder- 
De kapitein van een bij een der door Ons erkende particuliere 
zoekingsbureau 
on(jerzoekingsbureaux geklasseerd schip, hetwelk langer dan een 
jaar buiten een Nederlandse haven of een haven van de Nederlandse 
Antillen verblijft, is verplicht eenmaal per jaar een nog geldig certifi­ 
caat van het betrokken bureau of een gewaarmerkt afschrift daarvan 
door bemiddeling van het betrokken Districtshoofd aan het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie op te zenden. 


Artikel 130 


Kennisgeven van 
De kapitein van een in een Nederlandse haven of in een haven 
averijen en onge- yan de Nederlandse Antillen binnengekomen schip is verplicht zo 
spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen drie dagen (Zon- en 1 eest- 
dagen niet medegerekend) na binnenkomst aan het Districtshoofd 
van de Scheepvaartinspectie kennis te geven van op de afgelopen 
reis voorgekomen averijen en ongevallen. Inzenden van de dagboe­ 
ken, onder schriftelijke verwijzing naar de aantekening omtrent de 
averij of het ongeval, wordt als zodanige kennisgeving beschouwd. 


Artikel 131 


Dagboeken 
j. Behoudens hetgeen betreffende het houden van scheeps- en 


machinedagboeken in het Wetboek van Koophandel en in het Ko­ 
ninklijk Besluit van 4 November 1926, Staatsblad no. 369 zoals dit 
sedert is gewijzigd of, voor wat betreft schepen, varende met een 
zeebrief van de Nederlandse Antillen, in het aldaar geldende Wet­ 
boek van Koophandel is bepaald, is de kapitein verplicht in het 
scheeps- of machinedagboek aantekening te doen houden: 


(a) van de diepgang van het schip, telkenmale na het innemen 


van lading en van brandstoffen; 


(,b) van het periodiek te water brengen van boten en van de toe­ 
stand, waarin deze boten met hun uitrusting zich bevinden; 


(c) van de dagelijkse peilingen van tanks, kofferdammen en 


vullings; 
. 
, 
(d) van de gehouden appèls en, wanneer deze niet op de voor­ 
geschreven tijden zijn gehouden, van de reden waarom dit niet is ge­ 
schied, benevens van de in artikel 110, lid 2, onder (b) bedoelde 
roeioefeningen; 
, 
... .. 


(e) aan boord van passagiersschepen, van de tijdstippen van 
openen en sluiten van waterdichte deuren, patrijspoorten, toegangs-, 
laad- en kolenpoorten en andere openingen in het scheepsboord, dan 
wel het afnemen en aanbrengen van wegneembare platen, welke 


volgens het bepaalde in artikel 115 gesloten dan wel aangebracht 
moeten zijn; 


(ƒ) aan boord van passagiersschepen, van alle oefeningen met en 
alle inspecties van waterdichte deuren, patrijspoorten, kleppen en af­ 
sluiters, als voorgeschreven in artikel 116, en van de daarbij te voor­ 
schijn gekomen gebreken; 


(g) aan boord van passagiersschepen, indien gevaarlijke stoffen 
als bedoeld in artikel 99 zijn geladen, van al hetgeen bij het laden 
voor zover dit in een haven buiten Nederland of de Nederlandse 
Antillen gelegen is geschied en overigens al hetgeen gedurende de 
reis is gedaan om ongevallen als gevolg van de aanwezigheid van 
deze stoffen te voorkomen; 


(h) aan boord van schepen, bij vervoer van een deklast hout, van 
de hoogte van de deklast en van de peilingen van de ballasttanks bij 
het begin van en gedurende de reis; 


(i) aan boord van schepen, voorzien van een radiotelegraaf- of 
radiotelefooninstallatie, dagelijks van de staat, waarin zich de nood- 
krachtbron bevindt; 


(j) aan boord van alle schepen in voorkomende gevallen van de 
redenen waarom hij, na het waarnemen van een noodsein, heeft na­ 
gelaten de in nood verkerende personen te hulp te komen; 


( k ) aan boord van schepen, voorzien van een auto-alarmtoestel 
van de dagelijkse beproeving daarvan; 


(/) aan boord van schepen voorzien van electrische noodver­ 
lichting, van de beproeving daarvan; 


(m) aan boord van schepen voorzien van koolzuur als brand- 
blussend middel van de periodieke weging der koolzuurcylinders; 


(n) van het onderzoek en de beproeving van de hulp'stuurinrich- 
üng. 


2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat door de wacht- 
doende stuurman en de wachtdoende machinist nauwkeurig schrifte­ 
lijk alles wat nodig is voor een goede invulling van het scheepsdag- 
boek, onderscheidenlijk het machinedagboek, wordt bijgehouden 


3. De kapitein is verplicht de laatste data van periodieke inspec­ 
ties, appels en oefeningen en die van het te water brengen van boten 
alsmede die van de periodieke weging der koolzuurcylinders en die van 
de beproeving van de hulpstuurinrichting bij het in gebruik nemen van 
een nieuw dagboek uit het vorige dagboek te doen overnemen. 


4. De kapitein is verplicht binnen drie dagen na binnenkomst van 
het schip in een Nederlandse haven of de haven van Willemstad 
(Curafao) en in ieder geval vóór het vertrek het scheepsdagboek aan 
het Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, waarin het schip zich 
bevindt, of aan de door deze aan te wijzen ambtenaar ter inzage te 
zenden. 
b 


Indien het Districtshoofd daartoe het verzoek doet, moeten het 
machinedagboek en het radiodagboek mede ter inzage worden ge­ 
geven. Blijft het schip langer dan één jaar buiten Nederland of de 


haven van Willemstad (Cura?ao) dan is de kapitein verplicht de dag­ 
boeken van de afgelopen reizen, telkenmale na verloop van ten 
hoogste één jaar, te zenden aan het Districtshoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie, waar het schip thuis behoort. 


Wordt het schip in een haven buiten Nederland of de Nederlandse 
Antillen gelegen opgelegd, dan is de kapitein verplicht de dagboeken 
binnen acht dagen te zenden aan het hoofd van het district, waar het 
schip thuis behoort. 
Van de naleving van de in dit lid gegeven voorschriften kunnen 


de Districtshoofden al dan niet onder bepaalde voorwaarden in 
verband met de korte duur van de reis of op grond van bijzondere 
omstandigheden, vrijstelling verlenen. 


De kapitein ontvangt de ingezonden dagboeken zo spoedig mogelijk 
terug voorzien van een gedagtekende en ondertekende verklaring, 
dat zij door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie zijn gezien. 


Artikel 132 


Radiodagboek 
1. Op schepen, voorzien van een radio-installatie, is de kapitein 
verplicht door de chef van het scheepsstation een radiodagboek 
(telegrafie en/of telefonie) te doen bijhouden in een stevig ingebonden 
boek, samengesteld van duurzaam papier, overeenkomstig de modellen 
als aangegeven in bijlage XXI, welke modellen door de Districts­ 
hoofden van de Scheepvaartinspectie op verzoek kosteloos word 
verstrekt 
« 
De kapitein is verplicht het dagboek dagelijks voor gezien af te 


tekenen 


2 
Het radiodagboek (telegrafie) moet gedurende de reis in de 
radiohut bewaard worden. Evenzo het radiodagboek (telefonie), in­ 
dien de telegrafist, chef van het radiotelegraafstation, tevens optreedt 
als chef van het radiotelefoonstation; in alle andere gevallen moet 
dit dagboek onder berusting van de kapitein blijven. 


3. De kapitein van een schip, voorzien van een radio telegraaf- 


onderscheidenlijk radiotelefooninstallatie, is verplicht zorg te dragen, 
dat iedere radiotelegrafist onderscheidenlijk -telefonist, in het betref­ 
fende dagboek invult, hetgeen daarin overeenkomstig de in du; dag­ 
boeken dienaangaande opgenomen instructies, moet worden vermeld. 


4. De kapitein van een schip, voorzien van een radiotelegraaf- 
installatie, is verplicht zorg te dragen, dat in het radiodagboek 
(telegrafie), naast hetgeen daarin krachtens het Radio-Reglement en 
de in lid 3 bedoelde instructies moet worden ingevuld, het volgende 
wordt opgenomen: 


( a ) nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van 


de accumulatoren-batterijen; 


(b) dagelijks een verklaring, inhoudende, dat alle tot de hoold- 
dan wel de nood- (reserve-) installatie behorende accumulatoren­ 
batterijen, ten volle zijn geladen; 


(c) dagelijks een nauwkeurige aantekening omtrent het die dag 
beproeven of voor het verkeer benutten van de noodzender en van 
de noodkrachtbron; 


(d) dagelijks bijzonderheden omtrent elke beproeving van het aan 
boord aanwezige auto-alarmtoestel; 


(e) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het 
laden van de accumulatoren-batterijen behorende tot de radio-instal­ 
laties in de motorreddingboten, indien die batterijen van een type zijn 
dat laden vereist en omtrent het beproeven dier radio-installaties; 


( f ) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het 
laden van de accumulatoren-batterijen behorende tot de draagbare 
radiotoestellen voor reddingboten, indien die batterijen van een type 
zijn dat laden vereist en omtrent het beproeven dier toestellen; 


(s) bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker. 


5. De kapitein van een schip, voorzien van een radiotelefoon- 
ïnstallatie, is verplicht zorg te dragen, dat in het radiodagboek 
(telefonie) naast hetgeen daarin krachtens het Radio-Reglement en 
de in lid 3 bedoelde instructies moet worden ingevuld, het volgende 
wordt opgenomen: 


. 
(a) nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van 
de accumulatoren-batterijen; 


(b) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het 
laden van de accumulatoren-batterijen behorende bij de draagbare 
radiotoestellen voor reddingboten en omtrent het beproeven dier 
toestellen; 


(c) 
bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker. 


6. Ingeval met betrekking tot het onderhoud en het laden der 
ac c u mulatoren-batterijen als bedoeld in de punten (a), (e) en (f) van 
lid 4 en de punten (a) en (b) van lid 5, afzonderlijke, door of namens 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde, accumulatoren- 
rapporten worden bijgehouden, kan telkenmale in het dagboek daar­ 
naar worden verwezen. Deze rapporten worden geacht deel uit te 
maken van het radiodagboek en zijn onderworpen aan de hierop 
van toepassing zijnde voorschriften. 


7. De radiodagboeken moeten op verzoek aan een ambtenaar van 
de Scheepvaartinspectie ter inzage worden gegeven. 


Artikel 133 


De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat wanneer een loods aan iood,|a()d.r 
boord komt of van boord gaat, de loodsladder wordt gebruikt en de 
loods van het boveneinde van de ladder veilig het dek kan bereiken. 
De ladder met de omgeving binnen- en buitenboord moeten dan be­ 
hoorlijk zijn verlicht. 


Artikel 134 


Wettelijke voor- 
j. 
£)e kapitein is verplicht zorg te dragen, dat aan boord een 


?mhcateen e" 
afdruk van de Schepenwet en van dit besluit aanwezig zijn. 


2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de voor zijn schip 
krachtens dit besluit afgegeven certificaten, met uitzondering van de 
certificaten van vrijstelling, of gewaarmerkte afschriften daarvan, op 
een voor ieder opvarende toegankelijke plaats zijn opgehangen. 


HOOFDSTUK XI 


Voorschriften met betrekking tot oorlog en oorlogsgevaar 


Artikel 135 


Permanente 
Teneinde in het belang van de veiligheid van schepen en hun 


voorzieningen 
opvarenden in tijden van oorlog of oorlogsgevaar de oorlogsuitrusting 
van schepen op eenvoudige wijze te kunnen aanbrengen, moeten de 
constructie en inrichting van schepen van meer dan 300 ton ten 
aanzien van de plaatsing van de defensieve uitrusting, de bergplaatsen 
van de bijbehorende munitie, de kanonniersaccommodatie, alsmede 
de inrichting voor de demagnetisering, voldoen aan de eisen, daartoe 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, in overeenstemming met 
de Chef van de Marinestaf, gesteld. 


Artikel 136 


Marinebe- 
1. De kapitein is verplicht de hem vanwege de Chef van de 


scheiden 
Marinestaf ter hand te stellen bescheiden te aanvaarden, daarvan 
kennis te nemen en de daarbij gegeven aanwijzingen op te volgen. 


2. De kapitein is verplicht deze bescheiden op een doelmatige 
plaats te bewaren. 


Artikel 137 


Oorlogsuit- 
1. In geval van oorlogsgevaar en gedurende een oorlog, waarin 


rus,in8 
het Koninkrijk der Nederlanden al of niet is betrokken, moet aan 
boord van alle schepen, daartoe aangewezen door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie, in overeenstemming met de Chef van de Marine­ 
staf, de vereiste oorlogsuitrusting worden aangebracht en in stand 
gehouden, overeenkomstig de daartoe door genoemd Hoofd, in over­ 
eenstemming met de Chef van de Marinestaf, gestelde eisen. 


2. De kapitein is verplicht de aanwijzingen op te volgen, welke 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven worden ter 
voorkoming van ongevallen, tengevolge van na een oorlog nog aan­ 
wezige oorlogsgevaren. 


Artikel 138 


Verplichtingen 
In geval van oorlogsgevaar en gedurende een oorlog, waarin het 
van de kapitein Koninkrijk der Nederlanden al of niet is betrokken, moeten de kapi­ 
teins van alle schepen, welke door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie, in overeenstemming met de Chef van de Marinestaf, daar- 


toe zijn aangewezen, voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van 
de veiligheid en de constructie door genoemd Hoofd, in overeen­ 
stemming met de Chef van de Marinestaf, aan hen opgelegd. 


Artikel 139 


De aanwijzingen en eisen, krachtens de artikelen 137 en 138 ge- Geldigheidsduur 
geven en gesteld, treden na verloop van drie maanden buiten werking 
tenzij zij inmiddels door Ons zijn goedgekeurd. 


HOOFDSTUK XII 


Van de eigenaar 


Artikel 140 


, T'' ,^e eigenaar van schepen, waarmede een lijndienst over de Noord-Atian- 
INoord-Atlantische Oceaan benoorden de 36ste breedtegraad wordt lische routes 
onderhouden, is verplicht de routes, welke deze schepen zullen volgen 
en de wijzigingen daarin, bekend te maken. 


2. Deze bekendmaking geschiedt door plaatsing in de Berichten 
aan Zeevarenden, waartoe de in lid 1 bedoelde eigenaar, bij het in­ 
stellen van een nieuwe lijndienst en bij het brengen van wijziging in 
een route van een bestaande lijndienst de nodige gegevens aan de 
Chef der Hydrografie, Ministerie van Marine, doet toekomen. 


Artikel 141 


De eigenaar van een schip is verplicht zorg te dragen, dat het schip Droogzetten 
overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 wordt drooggezet. 


Artikel 142 


te Verschaffen 
iS Verp'ich<, aan de kapitein de middelen Verschaffen nodi- 
schatten, welke deze, in verband met de uitvoering van de %Q middeien 
taak hem in dit besluit opgedragen, behoeft. 


HOOFDSTUK XIII 
Vrijstellingen en aanvullende voorschriften 
Artikel 143 


1. Door Ons kan geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstel-vriisteiiinaen 
ng worden verleend van het naleven van één of meer bepalingen 
van dit besluit. 


In Onze naam kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling verlenen van één of 
meer bepalingen, indien bijzondere omstandigheden dit zonder gevaar 
voor schip en bemanning veroorloven. 


3. 
Bij het verlenen van vrijstellingen, als bedoeld in de vooraf- 
gaande leden van dit artikel, zal slechts zover mogen worden gegaan, 


dat daardoor niet in strijd met de voorschriften van de terzake van 
kracht zijnde internationale verdragen wordt gehandeld. 


4. Voor zover internationale verdragen dit voorschrijven, zullen 
bij het verlenen van vrijstellingen hiervan door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie certificaten in twee exemplaren worden afge­ 
geven. 


Artikel 144 


Gevallen van 
Indien één of meer bepalingen van dit besluit op het ogenblik, 


overmacht 
^ een reis wordt ondernomen, niet op een schip van toepassing zijn, 
zullen zij, indien en voor zover het schip tengevolge van slecht weer 
of tengevolge van een ander geval van overmacht genoodzaakt is 
van de voorgenomen reis af te wijken, niet op dit schip van toepas­ 
sing worden. 


2. 
Bij de beoordeling van de vraag of een bepaling van dit besluit 
al dan niet op een schip van toepassing is, wordt met personen, die 
zich daar aan boord bevinden tengevolge van overmacht of tengevolge 
van een wettelijke verplichting van de kapitein om hetzij schip­ 
breukelingen, hetzij andere personen over te voeren, geen rekening 
gehouden. 


Artikel 145 


Aanvullende 
De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet, kunnen 


voorschriften 
-n g]k bijzonder geVal, rekening houdende met de terzake door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven algemene aanwijzingen, 
voorschriften geven ter bevordering van de juiste naleving van het 
bepaalde in de artikelen 25 t/m 27, 29 t/m 47, 49 t/m 64, 66 t/m 80, 
82 t/m 87, 94 t/m 107, 114, 118 t/m 120, 122, 134, 135 en 137 van dit 
besluit. 
HOOFDSTUK XIV 
Strafbepalingen 


Artikel 146 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de eigenaar, die nalaat, 
overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, tijdig kennisgeving te doen. 


Artikel 147 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hij, die nalaat, overeen­ 
komstig het bepaalde in artikel 99, lid 13, kennisgeving te doen. 


Artikel 148 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein van een pas­ 
sagiersschip, die in strijd met het bepaalde in artikelen 99, lid 16, 
gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 99 als lading inneemt. 


Artikel 149 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be­ 
paalde in artikel 102 niet nakomt. 


Artikel 150 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de ver­ 
plichtingen van artikel 110 niet nakomt. 


Artikel 151 


Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten 
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de verplich­ 
tingen van de artikelen 115, 116 of 117 niet nakomt. 


Artikel 152 


Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten 
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de verplich­ 
tingen van artikel 125 niet nakomt. 


Artikel 153 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be­ 
paalde in artikel 126 niet naleeft. 


Artikel 154 


Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten 
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die handelt in 
strijd met het bepaalde in artikel 131, lid 4. 


Artikel 155 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be­ 
paalde in de artikelen 136, 137 of 138 niet naleeft. 


Artikel 156 


Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten 
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de eigenaar, die de ver­ 
plichtingen van de artikelen 141 of 142 niet nakomt. 


Artikel 157 


De in dit hoofdstuk gestekle geldboeten worden, voor zover zij door 
de strafrechter in de Nederlandse Antillen worden opgelegd geacht 
te luiden in het betaalmiddel van de Nederlandse Antillen. 


HOOFDSTUK XV 
Slotbepalingen 
Artikel 158 


Het Koninklijke besluit van de 26e November 1932, Staatsblad 
No. 563 (Schepenbesluit), zoals dat sedert is gewijzigd, wordt inge­ 
trokken. 


Artikel 159 


Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel van „Schepen­ 
besluit 1952". Het treedt in werking op een door Ons te bepalen 
tijdstip. 


Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit­ 
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst 
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 


Sankt Anton, 31 December 1952. 


JULIANA. 


De Minister van Verkeer en Waterstaat, 


J. ALGERA. 


De Minister voor Uniezaken 
en Overzeese Rijksdelen, 


W. J. A. KERNKAMP. 


Uitgegeven de drie en twintigste Januari 1953. 


De Minister van Justitie, 
L. A. DONKER. 


BIJLAGE I 


VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE KEURING VAN 
MATERIALEN, ANKERS EN KETTINGEN 


HOOFDSTUK I 


Algemene bepalingen 


Artikel 1 


Indien materialen, bestemd voor de bouw of de herstelling van Toepassing 
schepen of scheepswerktuigen, dan wel ankers en kettingen niet zijn 
gekeurd door of vanwege een der door Ons erkende particuliere 
onderzoekingsbureaux, geschiedt de keuring daarvan door de ambte- 
naren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de volgende voor­ 
schriften in acht nemen. 


Artikel 2 


in 
beproevinê yan het materiaal naar de hoedanigheid geschiedt Beproeving naar 
in een beproevingstoestel, dat blijkens een certificaat, afgegeven door hoedanisheid 
het Centraal Instituut voor Materiaalonderzoek of door een keurines- 
geijkta 10r'um' dat daartoe door dit instituut is bevoegd verklaard,"is 


Artikel 3 


1. De kosten van de beproeving komen ten laste van de betrok-Kosten beproe- 
ken scheepsbouwmeester of machinefabrikant. 
ving 


2 
Wenst de scheepsbouwmeester of de machinefabrikant, dat het 
materiaal in een buitenslands gelegen inrichting wordt gekeurd dan 
komen de reis- en verblijfkosten van de ambtenaar van de Scheep­ 
vaartinspectie, die belast is met het waarmerken der proefstaven en 
met de keuring, volgens een door Onze Minister vastgesteld tarief, 
mede voor zijn rekening. 


Deze beproevingsinrichting moet door een in het betrokken land 
bevoegde instantie geijkt zijn. Een geldig bewijs moet hiervan wor­ 
den overgelegd. 


Artikel 4 


Elke beproeving of keuring mag door de betrokken scheepsbouw-Bijwonen 
meester of machinefabrikant of zijn gemachtigde worden bijgewoond, beproeving 


HOOFDSTUK II 


Keuren, afkeuren en herkeuren 


Artikel 5 


1. De voorschriften betreffende maatafwijkingen, keuze en aan- ™ 
,M , 
wijzing van proefstukken, keuring, afkeuring, herkeuring, wijze en" 
middelen van beproeving, keuringseisen en al wat daarbij behoort, 


Bijlage I 


zoals deze zijn vastgesteld door de Hoofdcommissie voor de Nor­ 
malisatie in Nederland op de desbetreffende normaalbladen, zijn van 
gelijke kracht als de bepalingen van dit besluit, voorzover zij daar 
mede niet in strijd zijn. 


2. Waar in de normaalbladen wordt gesproken van de „besteller 
of diens gemachtigde", moet voor de toepassing van deze bijlage 
worden gelezen „ambtenaar van de Scheepvaartinspectie", terwijl de 
„leverancier" volgens voornoemde bepalingen de „scheepsbouwmees­ 
ter of machinefabrikant" is. 


Artikel 6 


Merken proef- 
De proefstukken, zowel als de stukken, waaraan deze zijn ont- 
stukken 
leend, worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van 
het hiernavolgend slagmerkteken. 


Artikel 7 


Afkeuringsmerk 
Afgekeurde voorwerpen worden door de met de keuring belaste 
ambtenaar voorzien van het in artikel 6 bedoelde slagmerkteken, 


waardoor een 
geslagen wordt. 


Artikel 8 


Gevallen, waarin 
Het betrokken Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor 
niet wordt ge- 
Gepaaide gevallen, met het oog op de aard van het werk, waarvoor 
het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van 
proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen 
betreft, kan door hem de keuring achterwege worden gelaten. 


Artikel 9 


Regeling voor be- 
1. Al het walsmateriaal, dat door de met de keuring belaste 
proeving op « ais- ambtenaar direct op het walswerk wordt gekeurd, moet vanwege 
werken 
walswerk worden voorzien van ingeslagen merken, waardoor het wals­ 
werk en het nummer van gieting (charge) van het materiaal, waarui 
elk stuk gewalst is, worden aangegeven. 


2. Tevens wordt het materiaal voorzien van duidelijk met oheveri 
geschilderde merken en nummers, zodat voor vergelijking met de 


Bijlage I 


gespecificeerde walslijsten de identiteit van elk stuk onomstotelijk 
kan worden vastgesteld. 


3. Afschriften van deze lijsten worden voor elke vanwege de 
Scheepvaartinspectie te keuren partij in tweevoud aan de met de 
keuring belaste ambtenaar ter hand gesteld. 


4. Mede moet aan die ambtenaar een door de directie of door de 
verantwoordelijke bedrijfsleider van het werk, waar de gieting plaats 
vond, ondertekende verklaring worden overhandigd, inhoudende, dat 
het ter keuring aangeboden materiaal vervaardigd is volgens het 
open-haardproces (dus in generatorovens of volgens een gelijk­ 
waardig proces) vergezeld van de opgaaf, betreffende de nummers 
van de gieting. Indien de ambtenaar zulks verlangt, moet hem inzage 
verleend worden van de lijsten der gietingen, indien althans het mate­ 
riaal gegoten werd op dezelfde plaats als waar het walswerk is ge­ 
legen. Had de gieting elders plaats, dan heeft hij het recht ook daar 
inzage van deze lijsten te verlangen. 


5. Alle platen en staven, behorende tot de te keuren partijen 
moeten zodanig gereed gelegd worden, dat de aanwijzing van de proef­ 
stukken en de afstempeling vlot kunnen verlopen. 


6. Zij moeten ten bewijze, dat aan de beproeving voldaan is, elk 
op twee plaatsen duidelijk worden gemerkt met het in artikel 6 be­ 
doelde slagmerkteken. 


7. Wordt de partij geheel of gedeeltelijk afgekeurd, dan wordt ten 
teken daarvan door elk der ingeslagen merken van de Scheepvaart­ 
inspectie op ieder stuk van de afgekeurde hoeveelheid op duidelijke 
wijze een kruis van centerpunten ingeslagen, als aangegeven in 
artikel 7. 


8. 
Na afloop van de beproeving voorziet de met de keuring belaste 
ambtenaar de hem in tweevoud verstrekte gespecificeerde walslijsten 
van de mededeling, dat het daarop aangegeven materiaal voldoet aan 
de gestelde eisen, dan wel welk gedeelte daarvan niet voldoet, onder­ 
tekent deze en geeft van elke lijst een exemplaar terug aan de ver­ 
tegenwoordiger van de directie van het walswerk, ter doorzending 
naar de werf of fabriek van aanbouw, die het materiaal besteld heeft. 
Het andere exemplaar wordt door de ambtenaar gezonden aan het 
Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, onder wiens toezicht de 
betreffende bouw of herstelling plaats heeft. 


Artikel 10 


Afkeuring van elk onderdeel der levering kan te allen tijde, ook Afkeuring 
tijdens en na de bewerking, plaats hebben bij elk voorwerp, dat ge­ 
breken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn, 
welke bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt. 


Bijlage I 


HOOFDSTUK III 


Ankers en kettingen 
Artikel 11 


Ankers 
1, Elk ter beproeving aangeboden anker moet voorzien zijn van 


een goed leesbaar slagmerk en ingeslagen nummer, onderscheidenlijk 
aanduidend de naam van de fabrikant en het doorlopend fabrikatie- 
nummer. 


2. Tevens moeten het gewicht van het anker (zonder stok) en dat 
van de eventueel bijbehorende stok (beide afzonderlijk gewogen) 
duidelijk op de schacht van het anker zijn ingeslagen. 


3. Ankers van een gewicht, 70 kilogram niet te boven gaande, 
worden in de regel niet beproefd. 


4. Nadat de voorgeschreven belastingproef met goed gevolg heeft 
plaats gehad, wordt onder de in lid 2 genoemde merken door of 
ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar het merk­ 
teken van de Scheepvaartinspectie ingeslagen. 


5. Waar in deze bijlage van het gewicht van het anker wordt 
gesproken, rekent men het gewicht zonder stok. 


Artikel 12 


Beproeving van 
i. Ankerdelen van gegoten staal zijn, wat de materiaalproeven 
ankers 
betreft, onderworpen aan de proeven, welke door de Hoofdcommissie 
voor de Normalisatie in Nederland in de normaalbladen voor giet­ 
stalen voorwerpen zijn vastgesteld. 


2. Bovendien moeten alle delen van gegoten staal onderworpen 
worden aan een valproef, welke zij zonder te breken, te scheuren of 
andere belangrijke beschadiging moeten kunnen doorstaan. Hierbij 
laat men zulk een gegoten stalen onderdeel (of indien het anker uit 
één stuk gegoten is, het gehele anker) vallen over een vrije valhoogte 
van 4,50 meter voor ankers lichter dan 750 kilogram, over een hoogte 
van 4 meter voor ankers van 750 tot 1500 kilogram en over een hoogte 
van 3 meter voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij die val 
neerkomen op een zo zware ijzeren of stalen grondplaat, dat deze 
niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemet­ 
selde of betonnen fundatie worden gesteund. 


3. 
Een hamerproef moet op de in lid 2 bedoelde valproef volgen, 
waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer 
van drie kilogram worden beklopt tot onderzoek naar niet zichtbare 
gebreken. 


4. Indien uit een overgelegd certificaat blijkt, dat de in de vorige 
leden van dit artikel genoemde proeven ten aanzien van onderdelen 
van overigens niet onder toezicht van een erkend particulier onder 
zoekingsbureau geleverde ankers, reeds met goed gevolg ten overstaan 


Bijlage I 


van een vertegenwoordiger van zulk een bureau hebben plaats gehad, 
worden deze proeven niet herhaald. 


5. Echter worden alle ankers (onverschillig uit welk materiaal 
vervaardigd), uitgezonderd dreggen en, indien zulks speciaal verzocht 
wordt, die bedoeld in artikel 11, lid 3, onderworpen aan een be- 
lastingproef. Deze proef wordt genomen op een kettingtrekbank 
of andere geschikte gelegenheid. 


Tabel I geeft in verband met het gewicht van het anker de belas­ 
ting aan. Artikel 2 is hier eveneens van toepassing. 


6. 
Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig 
opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de 
roering (dus bij het boveneind van de schacht) en aan de andere 
zijde aan één der vloeien (bij stokloze ankers aan beide vloeien) op 
1/3 van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei 
gemeten. Met deze lengte wordt de afstand bedoeld van de punt van 
de vloei tot het snijpunt van de hartlijn der schacht met ondereind 
anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze 
lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn 
van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste 
beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de 
andere vloeiarm belast wordt en bij stokloze ankers beide vloeien aan 
de keerzijde belast worden. 


7. Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker 
nagezien om te constateren of zich gebreken, als scheuren, blijvende 
vormveranderingen, enz., voordoen. Indien dit het geval is, wordt het 
anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt boven­ 
dien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Zo niet 
dan wordt dit hersteld en de proef herhaald. 


Artikel 13 


1. Behalve de eindschalmen en de onmiddellijk daarop aan- Ankerkettingen 
sluitende grote schalmen aan elk kettingeind, moeten alle overige 
schalmen van gelijke grootte zijn. In de lengte- en breedte-afmetingen 
wordt voor de gewone schalmen ten hoogste 3 percent, voor de overige 
schalmen en de sluitings tussen de kettingeinden 2 percent speling in 
meer of minder toegestaan. De speling van de middellijnen van de 
schalmdoorsnede mag naar beneden niet meer bedragen dan: 


voor ketting van kettingijzer met een middellijn kleiner dan 50 
millimeter: 1 millimeter; 


voor idem van 50 tot en met 75 millimeter: 1,5 millimeter; 
voor idem groter dan 75 millimeter: 2 millimeter. 
2. 
Elk kettingeind moet uit een oneven aantal schalmen bestaan. 


3. 
Wartels mogen alleen aan de uiteinden van de gehele ketting 
voorkomen; plaatsing in een afzonderlijke voorloopketting verdient 
de voorkeur. 


Bijlage I 


4. De kettingen mogen vóór de beproeving noch geschilderd, noch 
geolied, noch met enig ander smeersel bedekt zijn. 


5. 
Elk kettingeind van ongeveer 15 vadem of korter wordt, zodra 
het blijkt voldaan te hebben aan de voorschriften, op beide eind- 
schalmen en op alle sluitings, eindharpen en wartels door of ten 
overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar met het slagmerk­ 
teken van de Scheepvaartinspectie duidelijk gemerkt. Is het kettingemd 
langer dan ongeveer 15 vadem, dan wordt bovendien ongeveer om 
de 8 meter een van de gewone schalmen op deze wijze gemerkt. 


Artikel 14 


Beproeving van 
\ Alle kettingeinden, ook voorloopkettingen, behorende tot het 


anke,kettingen 
ank' 
rei van een schip, moeten worden beproefd. Hiertoe worden 
alle schalmen, wartels, sluitings en eindharpen, welke tot zulk een eind 
behoren, alsmede de bij de ketting eventueel behorende reserve- 
sluitings en harpen, onderworpen aan een rekproef, zoals in tabel 
voor de verschillende zwaarten van ketting is voorgeschreven. Enigs­ 
zins belangrijke vormveranderingen, breuken of andere uitwendige 
tekenen van beschadiging mogen zich daarbij niet voordoen. Indien 
zulks het geval mocht zijn, wordt het betrokken eind ketting of reserve- 
deel afgekeurd. Artikel 2 is hier eveneens van toepassing. 


2. Voordat tot deze rekproef wordt overgegaan, kunnen door de 
keuringsambtenaar, overal waar deze zulks wenselijk acht, drie op­ 
volgende gewone schalmen uit een kettingeind voor een proef met ver­ 
hoogde belasting, de zogenaamde breekproef, worden aangewezen. 
Echter wordt nimmer uit elke 15 vadem meer dan een eerste breek­ 
proef aangewezen, terwijl het in de regel ook met nodig zal zijn in 
elk kettingeind zulk een breekproef aan te wijzen. Bij deze breek­ 
proef mogen de schalmen niet breken beneden of bij een belasting als 
in de in het eerste lid bedoelde tabel is aangegeven voor elke zwaarte 
van ketting. Breekt één van de drie schalmen voordat de belasting 
overschreden is, dan moet een tweede serie van drie opvolgende 
schalmen uit hetzelfde eind worden onderworpen aan dezelfde proel 
Treedt er dan nogmaals een breuk op, dan wordt het betrokken 
kettingeind afgekeurd. 


3. 
Na afloop van de breekproef worden de drie hoogbelaste ^bal- 
men uit het kettingeind verwijderd en de ketting weder tot een gehee 
gemaakt, door één of drie nieuwe schalmen tussen beide gedeelten te 
brengen. Daarna kan tot de in het eerste lid van dit artikel genoemde 
rekproef worden overgegaan. 


4 
Na afloop van de rekproef wordt elk kettingeind grondig 
nagezien om vast te stellen of de lassen in orde zijn de verschillende 
delen de vereiste vorm en de vereiste afmetingen hebben en gebreken 
afwezig zijn. Bij het voorkomen van gebreken, moeten deze worden 
hersteld en het kettingeind daarna opnieuw aan de rekproef worden 
onderworpen. 


Bijlage I 


Tabel I 


ANKERS 


Gewicht van het 
Belastingproef 
Gewicht van het 
Belastingproef 
anker *) zonder 
in tonnen van 
anker l) zonder 
in tonnen van 


stok in kg 
1000 kg 
stok in kg 
1000 kg 


75 
3,38 
1 000 
21,10 


80 
3,55 
1 050 
21,97 


90 
3,82 
1 100 
22,70 


100 
4,09 
1 150 
23,50 


110 
4,36 
1 200 
24,25 


120 
4,62 
1 250 
25,14 


130 
4,88 
1 300 
26,03 


140 
5,12 
1 350 
26,80 


150 
5,36 
1 400 
27,56 


165 
5,71 
1 450 
28,32 


180 
6,06 
1 500 
29,08 


200 
6,49 
1 550 
30,10 


225 
7,02 
1 600 
30,73 


250 
7,54 
1 650 
31,37 


275 
8,03 
1 700 
32,13 


300 
8,51 
1 750 
32,90 


325 
8,98 
1 800 
33,65 


350 
9,43 
1 850 
34,39 


375 
9,88 
1 900 
35,05 


400 
10,31 
1 950 
35,70 


425 
10,80 
2 000 
36,30 


450 
11,30 
2 050 
37,08 


475 
11,78 
2 100 
37,72 


500 
12,20 
2 150 
38,48 


525 
12,60 
2 200 
39,24 


550 
13,08 
2 250 
39,88 


575 
13,59 
2 300 
40,50 


600 
14,10 
2 350 
41,10 


650 
14,98 
2 400 
41 60 


700 
15,87 
2 450 
42,20 


750 
16,76 
2 500 
42 8 


800 
18,00 
2 550 
43 4 


850 
18,50 
2 600 
44 0 


900 
19,30 
2 650 
44 6 


950 
20,20 
2 700 
45 2 


') Bij stokloze ankers gewicht van het anker. 


Bijlage I 


Gewicht van het 
Belastingproef 
Gewicht van het 
Belastingproef 
ankerl) zonder 
in tonnen van 
anker 1) zonder 
in tonnen van 


stok in kg 
1000 kg 
stok in kg 
1000 kg 


2 750 
45,7 
4 500 
64,0 


2 800 
46,2 
4 550 
64,5 


2 850 
46,8 
4 600 
65,0 


2 900 
47,3 
4 650 
65,5 


2 950 
47,8 
4 700 
66,0 


3 000 
48,4 
4 800 
66,9 
3 050 
49,0 
4 900 
67,8 
3 100 
49,6 
5 000 
68,7 
3 150 
50,1 
5 100 
69,5 
3 200 
50,6 
5 200 
70,3 


3 250 
51,2 
5 300 
71,1 


3 300 
51,7 
5 400 
71,9 


3 350 
52,2 
5 500 
72,7 


3 400 
52,7 
5 600 
73,5 


3 450 
53,2 
5 700 
74,3 


3 500 
53,7 
5 800 
75,1 


3 550 
54,3 
5 900 
75,8 


3 600 
54,9 
6 000 
76,5 


3 650 
55,4 
6 100 
77,2 


3 700 
56,0 
6 200 
77,9 


3 750 
56,5 
6 300 
78,6 


3 800 
57,0 
6 400 
79,3 


3 85° 
57,5 
6 500 
80,0 


3 900 
58,0 
6 600 
80,7 


3 950 
58,5 
6 700 
81,4 


4 000 
59,0 
6 800 
82,0 
4 050 
59,5 
6 900 
82,6 
4 100 
60,0 
7 000 
83,2 
4 150 
60,5 
7 100 
83,8 
4 200 
61,0 
7 200 
84,4 


4 250 
61,5 
7 300 
85,0 


4 300 
62,0 
7 400 
85,6 


4 350 
62,5 
7 500 
86,2 


4 400 
63,0 
7 600 
86,7 


4 450 
63,5 
7 700 
87,2 


') Bij stokloze ankers gewicht van het anker. 


Bijlage I 


Gewicht van het 
Belastingproef 
Gewicht van het 
Belastingproef 


anker ]) zonder 
in tonnen van 
anker ') zonder 
in tonnen van 


stok in kg 
1000 kg 
stok in kg 
1000 kg 


7 800 
87,7 
9 800 
97 3 


8 000 
88,7 
10 000 
982 
8 200 
89,7 
10 300 
99's 
8 400 
90,7 
10 600 
100*8 
8 600 
91,7 
10 900 
102,1 


8 800 
92,7 
11 200 
103 3 


9 000 
93,7 
11 500 
104 5 
9 200 
94,6 
11 800 
105,6 
9 400 
95,5 
12 100 
106,7 
9 600 
96,4 
12 400 
107 8 


*) 
Bij stokloze ankers gewicht van het anker. 


Bijlage I 


Tabel II 


KETTINGEN 


Kettingen met dam 
Kettingen zonder dam 


Ketting- 
~~ 


ijzer 
Breekproef 
Rekproef Gewicht per Breekproef 
Rekproef 


diameter 
tonnen van tonnen van strekkende tonnen van tonnen van 


in mm 
1000 kg 
1000 kg 
meter in kg 
1000 kg 
1000 kg 


11 
4,57 
2,29 


12 
5,44 
2,72 


13 
6,39 
3,19 


14 
7,41 
3,70 


15 
9,57 
6,15 
4,8 
8,50 
4,25 


16 
10,89 
7,09 
5,5 
9,67 
4,84 


17 
12,29 
8,13 
6,2 
10,92 
5,46 


18 
13,78 
9,14 
7,0 
12,25 
6,12 


19 
15,35 
10,19 
7,8 
13,65 
6,82 


20 
17,01 
11,25 
8,6 
15,12 
7,56 


21 
18,75 
12,45 
9,5 
16,67 
8,33 


22 
20,58 
13,62 
10,4 
18,30 
9,15 


23 
22,50 
14,94 
11,4 
20,00 
10,00 


24 
24,50 
16,26 
12,4 
21,77 
10,88 


25 
26,58 
17,68 
13,5 
23,63 
11,81 


26 
28,75 
19,11 
14,6 
25,55 
12,78 


27 
31,00 
20,62 
15,7 
27,56 
13,78 


28 
33,34 
22,20 
16,9 
29,64 
14,82 


29 
35,77 
23,86 
18,1 
31,79 
15,89 


30 
38,27 
25,52 
19,4 
34,02 
17,00 


31 
40,87 
27,21 
20,7 
36,33 
18,16 


32 
43,58 
29,06 
22,1 
38,37 
19,37 


33 
46,31 
30,87 
23,5 
41,17 
20,58 


34 
49,16 
31,34 
24,9 
43,70 
21,85 


35 
52,10 
34,65 
26,4 
46,31 
23,15 


36 
55,11 
36,63 
27,9 
48,99 
24,49 


37 
58,20 
38,71 
29,5 
51,71 
25,86 


38 
60,30 
40,84 
31,1 
54,55 
27,28 


39 
61,40 
42,92 
32,8 
57,46 
28,73 


40 
i 
63,50 
45,26 
34,5 
60,44 
30,22 


Onder breekproef wordt verstaan de proef, waarbij drie opvolgende 
schalmen belast worden, zonder dat een breuk beneden of bij de aange­ 
geven belasting mag ontstaan. 


Onder rekproef wordt verstaan de proef, waarbij elk geheel eind ketting 
belast wordt zonder dat een breuk of nadelige vormverandering zich bene­ 
den of bij de aangegeven belasting mag voordoen. 


Bijlage I 


Ketting- 
Kettingen met dam 
| Kettingen zonder dam 


ijzer 
Breekproef 
Rekproef Gewicht per Breekproef 
Rekproef 


diameter 
tonnen van tonnen van strekkende tonnen van tonnen van 


in mm 
1000 kg 
1000 kg 
meter in kg 
1000 kg 
1000 kg 


41 
66,70 
47,58 
36,2 
63,51 
31,76 


42 
70,00 
49,99 
38,0 
66,64 
33,32 


43 
73,40 
52,43 
39,8 
69,85 
34,93 


44 
76,80 
54,86 
41,7 
73,14 
36,57 


45 
80,40 
57,40 
43,6 
76,50 
38,25 


46 
84,00 
59,96 
45,6 
79,94 
39 97 


47 
87,70 
62,59 
47,6 
83,45 
4L73 


48 
91,40 
65,26 
49,6 
87,04 
43,52 


49 
95,30 
67,95 
51,7 
90,70 
45,35 


50 
99,20 
70,77 
53,9 
94,44 
47,22 


51 
103,20 
73,68 
56,1 
98,26 
49 13 


52 
107,30 
76,61 
58,3 
102,15 
51,08 


53 
Ul.50 
78,84 
60,5 
106,12 
53,06 


54 
H5,70 
82,70 
62,8 
110,16 
55,08 


55 
120,00 
85,85 
65,2 
114,28 
57,14 


Kettingen met dam 


Kettingijzer 


diameter 
Breekproef 
Rekproef 
Gewicht per 


in mm 
tonnen van 
tonnen van 
strekkende meter 


1000 kg 
1000 kg 
in kg 


56 
124,4 
89,00 
67,7 


57 
128,9 
92,15 
70,0 


58 
133,5 
95,40 
72 5 


59 
138,1 
98,65 
75,0 


60 
142,9 
102,01 
77,6 


61 
147,7 
105,46 
80,2 


62 
152,5 
108,92 
82,8 


63 
157,5 
112,47 
85,5 


64 
162,0 
115,62 
88,3 


65 
165,7 
118,56 
91,1 


66 
169,4 
121,11 
93,9 


67 
173,2 
123,64 
96,7 


68 
177,0 
126,39 
99 6 


69 
180,8 
129,03 
102,6 


70 
184,6 
131,27 
105,6 


Bijlage I 


Kettingen met dam 


diameter61 
Breekproef 
Rekproef 
Gewicht per 
in mm 
tonnen van 
tonnen van 
strekkende meter 


1000 kg 
1000 kg 
in kg 


71 
188,3 
134,42 
108,6 


72 
192,0 
137,06 
111,7 


73 
195,8 
139,70 
114,8 


74 
199,5 
142,34 
118,0 


75 
203,1 
144,98 
121,2 


76 
206,8 
147,62 
124,5 


77 
210,4 
150,27 
127,8 


78 
214,0 
152,81 
131,1 


79 
217,4 
155,35 
134,5 


80 
221,0 
157,89 
137,9 


81 
224,5 
160,32 
141,4 


82 
228,0 
162,86 
144,9 


83 
231,4 
165,30 
148,4 


84 
234,8 
167,64 
152,0 


85 
238,1 
170,08 
155,7 


86 
241,4 
172,42 
159,4 


87 
244,7 
174,75 
163,1 


88 
248,0 
177,20 
166,9 


89 
251,2 
179,43 
170,6 


90 
254,4 
181,66 
174,5 


91 
257,5 
183,86 
178,4 


92 
260,6 
186,04 
182,3 


93 
263,6 
188,07 
186,2 


94 
266,6 
190,36 
190,2 


95 
269,5 
192,35 
194,2 


96 
272,2 
194,40 
198,2 


97 
274,9 
196,30 
202,3 


98 
277,6 
198,30 
206,5 


99 
280,2 
200,20 
210,7 
100 
282,7 
202,00 
215,0 


BIJLAGE II 


CONSTRUCTIE VAN PASSAGIERSSCHEPEN 


HOOFDSTUK I 


Voorschriften in verband met de waterdichte indeling 


Artikel 1 


Deze bijlage is van toepassing op schepen, welke een internationale Toepassing 
reis maken en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan 12 passa­ 
giers, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 van 
bijlage III. 


Artikel 2 


Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder: 
Omschrijvingen 


indelingslastlijn: de waterlijn, gebruikt bij de vaststelling van de 
waterdichte indeling van het schip; 


bovenste indelingslastlijn: de waterlijn, welke bij de grootste toe­ 
gelaten diepgang behoort; 


lengte van het schip: de lengte, gemeten tussen de loodlijnen aan 
de einden van de bovenste indelingslastlijn; 


breedte van het schip: de grootste breedte, gemeten op de buiten­ 
kant van de spanten, op of beneden de bovenste indelingslastlijn; 


schottendek: het bovenste dek tot hetwelk de waterdichte dwars- 
schotten zijn opgetrokken; 


indompelingsgrenslijn: een lijn gedacht op het scheepsboord even- 
wïjdig aan en op een afstand van 76 millimeter onder de aansnijding 
van de bovenzijde van het schottendek met dit boord; 


diepgang: de verticale afstand van de lijn van onderkant spanten 
tot de indelingslastlijn, gemeten op het midden van de lengte; 


permeabiliteit van een ruimte: het aantal percenten van de inhoud 
van die ruimte, dat door water kan worden ingenomen; 


voortstuwingsgedeelte: het gedeelte van het schip, dat zich uitstrekt 
van de lijn van onderkant spanten tot het vlak van de indompelings­ 
grenslijn en in lengterichting begrensd wordt door de uiterste water­ 
dichte hoofddwarsschotten van de afdelingen, waarin zich de hoofd­ 
en hulpwerktuigen voor de voortstuwing bevinden met de eventueel 
daarvoor aanwezige stoomketels en permanente kolenruimen. 


Bijlage II 


Indien het voortstuwingsgedeelte niet op de gebruikelijke wijze 
is ondergebracht, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepalen, 
welke ruimten daartoe moeten worden gerekend; 


passagiersruimten: de ruimten, die zijn ingericht voor de huisvesting 
van en voor het gebruik door passagiers. Hieronder worden echter 
de ruimten, bestemd voor bagage, levensmiddelen en andere voorraden, 
zomede de post, niet gerangschikt. 


Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 worden tevens de 
ruimten, welke onder de indompelingsgrenslijn voor de huisvesting 
van en het gebruik door de bemanning zijn ingericht, als passagiers­ 
ruimten beschouwd. 


Artikel 3 


Inzenden van de 
1. De volledige berekening betreffende de waterdichte indeling 
berekening 
mgt bjjbehoren(je plan- en lijnentekeningen, diagrammen en schotten- 
krommen, volgens een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
goed te keuren methode en in een door deze bepaalde vorm, moeten 
aan hem in drievoud ter goedkeuring worden ingezonden. 


2. In alle berekeningen worden inhouden bepaald tot buitenkant 
spanten en verstijvingen. 


Artikel 4 


Vulbare lengte 
1. De vulbare lengte moet voor elk punt van de scheepslengte 
worden bepaald door een wijze van berekening, waarbij de vorm, de 
diepgang en andere bijzondere kenmerken van het schip in aanmerking 
worden genomen. 


De vulbare lengte op zeker punt van de scheepslengte is voor een 
schip met een doorlopend schottendek dat deel der scheepslengte, dat 
als midden het bedoelde punt heeft en waarover het schip onder de 
in artikel 5 aangenomen en omschreven omstandigheden moet vol­ 
lopen om tot de indompelingsgrenslijn in te zinken. 


2. De bepaling van de vulbare lengte op elk punt van de 
scheepslengte geschiedt door de constructie van een schottenkromme. 
Hierbij moet worden gebruik gemaakt van de permeabiliteit van de 
verschillende ruimten, zoals deze volgens artikel 5 wordt bepaald. 


3. 
De vaststelling van de waterdichte indeling geschiedt op de 
in artikel 6 bepaalde wijze met behulp van de in lid 2 bedoelde vul­ 
bare lengten. 


4. 
Voor een schip,'dat geen doorlopend schottendek heeft, moet 
de vulbare lengte op zeker punt worden bepaald tot een aangenomen 
doorlopende indompelingsgrenslijn. Deze wordt op het scheepsboord 
getrokken gedacht op een bepaalde afstand onder de aansnijding in 
de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek, tot hetwelk de 
in aanmerking komende schotten en de scheepshuid waterdicht zijn 
opgetrokken. Deze afstand mag op geen enkel punt kleiner zijn dan 
76 millimeter. 


Bijlage II 


5. Indien een aangenomen indompelingsgrenslijn over een zekere 
lengte op een behoorlijke afstand is gelegen onder de aansnijding 
in de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek, tot hetwelk 
de in aanmerking komende schotten zijn opgetrokken, kan het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie een beperkte vrijstelling verlenen voor 
zover betreft de waterdichtheid van deze schotten boven de indom­ 
pelingsgrenslijn onmiddellijk onder genoemd dek. 


Artikel 5 


1. De in lid 2 van artikel 4 genoemde permeabiliteit heeft uit-Permsabiliteit 
sluitend betrekking op onder het vlak van de indompelingsgrenslijn 
gelegen ruimten of gedeelten van ruimten. Bij de bepaling van de vul- 
bare lengten moet men een gemiddelde permeabiliteit aannemen voor 
de gehele lengte van elk van de volgende gedeelten van het schip onder 
de indompelingsgrenslijn: 


(a) het voortstuwingsgedeelte; 
(b) het gedeelte vóór het voortstuwingsgedeelte, 
(c) het gedeelte achter het voortstuwingsgedeelte. 
2. (a) Voor stoomschepen moet de gemiddelde permeabiliteit 
voor het gehele voortstuwingsgedeelte worden bepaald door de for­ 
mule: 


80 + 12,5 
waarin 
v 


a = de inhoud van de passagiersruimten, als omschreven in artikel 
2, welke binnen de begrenzing van het voortstuwingsgedeelte onder 
de indompelingsgrenslijn zijn gelegen; 


c=de totale inhoud van de tussendeksruimten, welke binnen de be­ 
grenzing van het voortstuwingsgedeelte onder de indompelingsgrens­ 
lijn zijn gelegen en bestemd zijn voor de berging van lading, steen­ 
kolen of voorraden; 


v = de totale inhoud van het voortstuwingsgedeelte onder de in­ 
dompelingsgrenslijn. 


(b) Voor motorschepen moet het getal, dat de gemiddelde per­ 
meabiliteit volgens de in (a) genoemde formule aangeeft, met 5 wor­ 
den vermeerderd. 


(c) Indien ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie wordt aangetoond, dat de door rechtstreekse berekening 
bepaalde gemiddelde permeabiliteit kleiner is dan die, welke door de 
formule wordt verkregen, mag de rechtstreeks berekende waarde in 
plaats van deze laatste worden ingevoerd. 


Bij deze rechtstreekse berekening moet de permeabiliteit van onder 
de indompelingsgrenslijn gelegen passagiersruimten, als omschreven 


Bijlage II 


in artikel 2 op 95 worden gesteld, die van alle ruimten bestemd voor 
lading, kolen en voorraden op 60 en die van dubbele-bodem-, brand- 
stofolie- en andere tanks op zodanige waarde, als voor elk geval door 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zal worden goedgekeurd. 


3. Behalve in het in lid 4 omschreven geval moet de gemiddelde 
permeabiliteit over de gehele lengte van het gedeelte vóór dan wel 
achter het voortstuwingsgedeelte worden bepaald met behulp van de 
formule: 


a 
63 + 35 —, waarin 
v 


a = de inhoud van de passagiersruimten, als omschreven in artikel 
2, welke vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte onder de in­ 
dompelingsgrenslijn zijn gelegen; 


v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip, dat onder 
de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwings­ 
gedeelte is gelegen. 


4. Voor een schip, dat ingevolge artikel 56 onder ( d ) van het 
Schepenbesluit meer passagiers mag vervoeren dan waarvoor ruimte in 
de reddingboten beschikbaar is en dat aan ds bijzondere standaard 
voor de waterdichte indeling volgens lid 4 van artikel 6 van dit hoofd- 
stuk moet voldoen, moet de gemiddelde permeabiliteit over de gehele 
lengte van het gedeelte vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte 
worden bepaald met behulp van de formule. 


b 
95 — 35 —, waarin 
v 


b = de inhoud van de ruimten vóór, dan wel achter het voort­ 
stuwingsgedeelte tussen de indompelingsgrenslijn en de bovenkant van 
de vrangen, de top van de dubbele bodem of van de piektanks, naar 
gelang van de constructie en die bestemd zijn en gebruikt worden 
voor lading, steenkolen of brandstofolie, voorraden, bagage en post, 
ankerkettingen of zoetwater; 


v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip, dat onder 
de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwings­ 
gedeelte is gelegen. 
. 
. 


Indien het schip wordt gebruikt in een dienst, waarin de laadruimen 
in het algemeen niet door lading van enige omvang worden in­ 
genomen, mag geen van deze ruimen voor de bepaling van de inhoud 
volgens b in aanmerking worden genomen. 


5. Indien de inrichting van de gedeelten vóór of achter het voort­ 
stuwingsgedeelte afwijkt van de normale kan het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie toestaan of eisen, dat de gemiddelde permea- 


biliteit van deze gedeelten door gedetailleerde berekening wordt be­ 
paald. Bij deze gedetailleerde berekening moet de permeabiliteit van 
passagiersruimten, als omschreven in artikel 2, worden gesteld op 95, 
die van ruimten, ingenomen door machines, welke voor het bedrijf 
aan boord nodig zijn, op 80, die, ingenomen door lading, kolen of 
voorraden op 60 en die van dubbele-bodem-, brandstofolie- en 
andere tanks op zodanige waarde, als voor elk geval door het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie wordt goedgekeurd. 


6. Indien een tussendeksafdeling tussen twee waterdichte schotten 
een passagiers- of bemanningsruimte bevat, moet deze gehele tussen­ 
deksafdeling als passagiersruimte worden beschouwd, met uitzonde­ 
ring van die gedeelten, welke volkomen door vaste stalen schotten zijn 
ingesloten en voor andere doeleinden zijn bestemd. Indien echter 
de bedoelde passagiersruimte volkomen binnen vaste stalen schotten 
is ingesloten, moet slechts de aldus ingesloten ruimte als passagiers­ 
ruimte worden beschouwd. 


Artikel 6 


1. 
De toelaatbare lengte van een afdeling, welke haar midden in Toelaatbare leng- 
enig punt van de lengte van het schip heeft, moet uit de vulbare lenate -"MT af<Jd'"gcn, 
worden verkregen door deze te vermenigvuldigen met een bepaalde m c,ngsactor 
factor, welke de indelingsfactor wordt genoemd. Deze factor is op 
hierna aangegeven wijze afhankelijk van de lengte van het schip 
zodanig dat hij bij toenemende lengte geleidelijk kleiner wordt! 
De indelingsfactor is tevens op de hierna aangegeven wijze afhanke­ 
lijk van het criterium van dienst. Indien de lengte 131 meter of groter 
is, worden de grenzen, waartussen de indelingsfactor voor een schip 
van gegeven lengte ligt, gevormd door een factor A, welke van toe­ 
passing is op schepen, die slechts weinig passagiers en hoofdzakelijk 
vracht vervoeren en een factor B, welke van toepassing is op schepen, 
die hoofdzakelijk passagiers vervoeren. Indien de lengte kleiner is dan 
131 meter, doch niet kleiner is dan 79 meter, geschiedt de bepaling 
van de indelingsfactor voor een schip van gegeven lengte op de in 
, ? aangegeven wijze, in welk geval van de beide factoren A en B 
slechts factor B behoeft te worden berekend. De grootte van de 
factoren A en B wordt uitgedrukt door de volgende formules (1) 
en (2), waarin L de lengte van het schip in meters voorstelt, als aan­ 
gegeven m artikel 2. 


58>2 


A ~ l 60 + °'18 
= 131 meter en groter) 
(1) 


D 
30,3 
a — l 42 + 0,18 (L = 79 meter en groter) 
(2) 


Indien de lengte kleiner is dan 79 meter, geschiedt de bepaling van 
le indelingsfactor zoals in lid 3 onder (c) is voorgeschreven. 


Bijlage II 


Bijlage II 


2 
Criterium van dienst. Nadat voor een schip van gegeven lengte 
de factoren A en B zijn vastgesteld, wordt de juiste waarde van de 
indelingsfactor bepaald met behulp van een getal, dat het criterium 
van dienst aangeeft. Dit getal is het criteriumgetal, dat bepaald wordt 
door de formule: 


C = 72 ^ 
^ ^— indien Pi groter is dan P, 
(3) 


v + Pi —P 


en in andere gevallen door de formule: 


M + 2P 
(4) 
Cs = 72 ——, 
w 


waarin: 
Cs = het criteriumgetal; 
M = de inhoud van het voortstuwingsgedeelte, als omschreven in 
artikel 2, vermeerderd met de inhoud van alle vaste brandstofolie- 
ruimen, welke zich boven de dubbele bodem en voor of achter het 
voortstuwingsgedeelte bevinden; 


P = de gezamenlijke inhoud van de passagiersruimten als om­ 
schreven in artikel 2, gelegen onder de indompelingsgrenslijn; 


V = de gehele inhoud van het schip onder de indompelingsgrens­ 
lijn; 


Pi = KN, waarin: 
N = aantal passagiers, waarvoor het schip bestemd is, 


K = 0,056 L, waarin: 
L = de lengte van het schip in meters, als in artikel 2 is om- 


0IIWanneer de waarde van KN groter is dan de som van P en de 
gehele inhoud van de werkelijke passagiersruimten boven de mdompe- 
lingsgrenslijn, moet voor P, die som of de waarde van 2/3 KN wor 
Hf»n ppnomen welke van de twee de grootste is. 


Voor schepen welke geen doorlopend schottendek hebben, moeten 
voor de bepaling van de vulbare lengten, de inhouden tot de aan­ 
genomen indompelingsgrenslijn worden genomen. 


3 
Bepalingen betreffende de waterdichte indeling van schepen, 
met uitzondering van die, bedoeld in lid 4 van dit artikel. 


( a ) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met 


Bijlage II 


factor B volgens formule (2) worden geregeld en die van zulke schepen 
met een criteriumgetal tussen 23 en 123 door een factor F, welke door 
lineaire interpolatie tussen de factoren A en B wordt verkregen 
volgens de formule: 


F _ A _ < A - B ) ( C , - 2 3 ) 
( 5 I 


100 


Indien de factor F kleiner is dan 0,4 en ten genoegen van het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat het ten 
aanzien van een voortstuwingsgedeelte praktisch onuitvoerbaar is 
de factor F toe te passen, mag de schottenindeling van zulk een ge­ 
deelte door een grotere factor worden geregeld, mits deze niet groter 
dan 0,4 wordt genomen. 


(b) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met 
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 79 meter, 
waarvan het criteriumgetal een grootte heeft, gelijk aan S, waarbij 


3574 — 25L „ . 
= 
— 
(L m meters), 


wordt geregeld door middel van de factor één. 
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte = 123 of 
groter is, wordt de waterdichte indeling door de factor B volgens for­ 
mule (2) geregeld. 


Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte 
heeft tussen S en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door 
de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen één en de factor 
B wordt bepaald door middel van de formule: 


D 
, 
(1 — B) (Cs — S) 


F = 1 


(c) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met 
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 79 meter 
en met een criteriumgetal, dat kleiner is dan S en voorts van alle 
schepen, waarvan de lengte kleiner is dan 79 meter, wordt geregeld 
door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor het gehele 
schip of voor één of meer gedeelten daarvan praktisch onuitvoerbaar 
is in welk geval genoemd Hoofd, nadat met alle omstandigheden 
rekening is gehouden, zodanige verzachting kan toestaan als gerecht­ 
vaardigd blijkt. 


(d) De bepalingen, onder (c) vermeld, zijn ook van toepassing 
op schepen van onverschillig welke lengte, die een aantal passagiers 
mogen vervoeren, dat groter is dan 12, doch niet groter dan de waarde 


Bijlage II 


van •,-« (L in meters), waarbij het aantal 50 echter niet mag wor- 
650 


den overschreden. 


4. 
Bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling van 
schepen, welke ingevolge artikel 56, onder d van het Schepenbesluit 
meer passagiers mogen vervoeren dan waarvoor ruimte in de redding­ 
boten beschikbaar is. 


( a ) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen, welke 
in de eerste plaats bestemd zijn voor het vervoer van passagiers, 
wordt geregeld door middel van de factor 0,50 of door middel van 
de factor, welke overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3 van 
dit artikel is vastgesteld, indien deze laatste kleiner is dan 0,50. 


Indien voor zulke schepen de lengte kleiner is dan 91,5 meter en 
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aan­ 
getoond, dat de toepassing van zulk een factor voor een afdeling in 
verband met de eisen van de praktijk onuitvoerbaar is, kan genoemd 
Hoofd toestaan, dat de lengte van deze afdeling wordt geregeld door 
middel van een grotere factor, mits deze de kleinst mogelijke is, 
welke, rekening houdend met de omstandigheden, redelijkerwijze kan 
worden vastgesteld. 


( b ) Indien schepen, ongeacht van welke lengte, bovendien ingericht 
zijn om grote hoeveelheden lading te vervoeren, in verband waarmede 
toepassing van de factor gelijk aan of kleiner dan 0,50 voor de 
bepaling van de waterdichte indeling achter de voorpiek niet mogelijk 
is door de eisen, welke het praktisch gebruik stelt, moet de standaard 
voor de waterdichte indeling in overeenstemming zijn met hetgeen 
hiernavolgend onder (I) tot en met (V) wordt bepaald. Het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie kan een afwijkende plaatsing van de 
waterdichte schotten goedkeuren, welke geen afbreuk doet aan de 
algemene doeltreffendheid van de waterdichte indeling, indien ten 
genoegen van genoemd Hoofd wordt aangetoond, dat strikte toepas­ 
sing van het onder (I) tot en met (V) bepaalde niet in overeenstem­ 
ming is te brengen met de eisen, welke de praktijk stelt. 


(1) Het criteriumgetal moet worden vastgesteld op de wijze, zoals 
in lid 2 is bepaald. 


Echter heeft K in de berekening van de waarde van Pt voor passa­ 
giers, waarvoor vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, de waarde zoals 
is voorgeschreven in lid 2 of van 3,55 kubieke meter, welke van de 
twee de grootste is, terwijl voor passagiers, voor wie geen vaste slaap­ 
plaatsen aanwezig zijn, K de waarde heeft van 3,55 kubieke meter. 


Bijlage II 


oin) ,P6 fact10r,B in lid 1 moet vervangen worden door de factor 
BB, welke wordt bepaald door middel van de volgende formule: 


17 6 


BB = £ 
32 + °'20 
= 55 metcr en groter) 


(III) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met 


iT Hf 
Va"u ll1 meter en groter' welke een criteriumgetal van 
-3 of kleiner hebben, wordt geregeld door middel van de factor A 
volgens formule (1) in lid 1; die van schepen van die lengte welke een 
criteriumgetal van 123 of groter hebben, wordt met behulp van de 
factor BB volgens de formule in lid 4, onder (b) (II) geregeld; en die 
van zulke schepen, welke een criteriumgetal hebben tussen 23 en 123 
met behulp van de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen 
de factoren A en BB wordt verkregen volgens de formule: 


p _ A _ (A — BB) (Cs — 23) 


100 


Indien de aldus bepaalde factor F kleiner is dan 0,50 zal de toe 
te passen factor hetzij 0,50, hetzij gelijk moeten zijn aan de berekende 
factor overeenkomstig de bepalingen van lid 3 onder (a) van dit 
artikel, welke van de twee de kleinste is. 


(IV) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen 
met een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 55 
waarbijWaarVan het cnterlumgetal een grootte heeft gelijk aan S„ 


_ 
3712 — 25 L 
^ 
(L in meters), 


moet geregeld worden door middel van de factor één. 


*ndien hfl cnteriumgetal voor schepen van die lengte gelijk aan 
123 of groter is, wordt de waterdichte indeling door de factor BB 
volgens de formule uit lid 4 onder (b) (II) van dit artikel geregeld. 
, J" 'en het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte 
heeft tussen St en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door 
de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen één en de factor 
BB wordt bepaald door middel van de formule: 


p _ j 
(' -BB) (Cs — SJ 


123 — 


Indien de aldus bepaalde factor F in elk van de twee laatste 
gevallen kleiner is dan 0,50, mag de waterdichte indeling geregeld 
worden door middel van een factor, welke niet groter is dan 0,50. 


Bijlage II 


( V ) D e waterdichte indeling achter d e v o o r p i e k van schepen met 
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 55 meter, 
met een criteriumgetal, dat kleiner is dan Si en voorts van alle sche­ 
pen, waarvan de lengte kleiner is dan 55 meter, moet geregeld worden 
door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hootd 
van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor bepaalde 
afdelingen praktisch onuitvoerbaar is, in welk geval genoemd Hootd, 
nadat met alle omstandigheden rekening is gehouden, voor zmke af­ 
delingen zodanige verzachting kan toestaan, als hij gerechtvaardig 


aC De lengte van de achterste afdeling en, voor zover mogelijk, die van 
de voorste afdelingen (tussen de voorpiek en de achterkant van de 
voortstuwingsruimte) mag de vulbare lengte echter niet overschrijden. 


Artikel 7 


Bijzondere bepa- 
l. Wanneer in een gedeelte of in gedeelten van een schip de water- 
ungen nopens de djchte schotten tot een hoger gelegen dek zijn opgetrokken dan in net 
wa,erd,chte in- 
overblijyende gededte of in de overblijvende gedeelten mogen voor 
de berekening van de vulbare lengten voor elk gedeelte, waar zulks 
het geval is, afzonderlijke indompelingsgrenslijnen worden gebruikt, 
mits: 


( a ) de huidbeplating over de gehele lengte van het schip is op­ 
getrokken tot aan het dek, waarmede de bovenste ïndompelings- 
grenslijn correspondeert, waarbij voor de toepassing van artikel 17 
alle openingen in de scheepshuid beneden dit dek over de Sel\e 
lengte van het schip beschouwd worden als te zijn openingen beneden 
de indompelingsgrenslijnen; 


(b) de lengte van elk der beide afdelingen ter plaatse waar het 
schottendek trapsgewijze verspringt, de toelaatbare lengte, rekening 
houdende met hun respectievelijke ïndompelingsgrenslijnen, niet ov - 
schrijdt en hun gezamenlijke lengte niet groter is dan tweemaal de 
toelaatbare lengte, gebaseerd op de laagst gelegen indompelingsgrens 
lijn. 


2. 
Een afdeling mag langer zijn dan de toelaatbare lengte, zoals 
deze volgens de bepalingen van artikel 6 is berekend, mits de gezamen­ 
lijke lengte van elk paar aangrenzende afdelingen waarvan de be­ 
doelde afdeling deel uitmaakt, noch groter is dan de vulbare lengte, 
noch groter dan het tweevoud van de toelaatbare lengte. Hierbij m 
, 
voor zover nodig, met het volgende rekening worden gehouden: 


( a ) indien één van de twee aangrenzende afdelingen binnen het 


voortstuwingsgedeelte is gelegen en de gemiddelde permeabiliteit van 
het gedeelte van het schip, waarin de andere afdelmg !s «eleg , 
niet gelijk is aan die van het voortstuwingsgedeelte, mag de gezamen­ 
lijke lengte van de beide afdelingen ten hoogste gelijk zijn aan de 


Bijlage II 


lengte, bepaald met toepassing van de gemiddelde permeabiliteit van 
beide afdelingen gezamenlijk onder gebruikmaking van de volumina 
der afdelingen en de permeabiliteit van elk van de beide gedeelten van 
het schip, waarin de afdelingen zijn gelegen; 


(b) indien de beide aangrenzende afdelingen verschillende inde- 


worden bepaald 
D' m°et 06 gezamenl'jke len§te naar evenredigheid 


3' ^ slepen met een lengte van 131 meter of groter moet één 
van de hoofddwarsschotten achter de voorpiek worden aangebracht 
laatbare^engte ^ ^ VÓÓrloodlijn' welke niet groter is dan de toe- 


4. In een hoofddwarsschot mag een nis voorkomen, mits alle 
delen van de nis binnenwaarts zijn gelegen van vlakken, welke aan 
beide zijden van het schip loodrecht op het vlak van de bovenste 


r WOrden .gedacht en welke op een afstand van de 
huidbeplating liggen, gelijk aan één vijfde van de scheepsbreedte, als 
omschreven in artikel 2, waarbij die afstand loodrecht op het vlak 
van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste indelingslastlijn wordt 
geineien. 


?an "I niS' dat buiten deze be8renzing ligt, moet worden 
behandeld als een deel van een schot, hetwelk trapsgewijze verspringt 
zodat het volgende lid daarop van toepassing is. 


5. Een hoofddwarsschot mag trapsgewijze verspringen, mits: 
(a) de gezamenlijke lengte van de beide afdelingen, welke door het 
verspringende schot worden gescheiden, noch 90 percent van de vul- 
bare lengte noch tweemaal de toelaatbare lengte overschrijdt, be­ 
halve in schepen met een indelingsfactor, welke groter is dan 0 9 
waar de gezamenlijke lengte van de beide betreffende afdelingen niet 
groter dan de toelaatbare lengte mag zijn, of 


(b) een aanvulling in de waterdichte indeling aanwezig is ter ver­ 
krijging van dezelfde mate van veiligheid als bij een vlak schot, of 


(c) de lengte van de afdeling, over welke het horizontale deel 
van het verspringende schot zich uitstrekt, niet groter is dan de toe­ 
laatbare lengte, behorende bij een indompelingsgrenslijn, welke 76 
millimeter beneden de aansnijding van dat horizontale deel van het 
schot met de scheepshuid op het boord is gedacht. 


6. Indien een hoofddwarsschot van een nis is voorzien dan wel 
rapsgewijze verspringt, moet het, ter bepaling van de waterdichte 
indeling, door een denkbeeldig gelijkwaardig vlak schot worden 
vervangen. 


7 
Indien de afstand tussen twee opvolgende hoofddwarsschotten 
tussen de daarmede gelijkwaardige vlakke schotten, als bedoeld 


Bijlage II 


in lid 6 dan wel de afstand tussen de dwarsvlakken, gaande door c.e 
dichtst bij elkaar gelegen vlakken van trapsgewijs verspringende schot­ 
ten, minder is dan 3,05 meter, vermeerderd met 3 percent van de 
lengte van het schip, of 10,67 meter, indien dit kleiner is mag slechts 
één dezer schotten volgens de bepalingen van artikel 6 beschouwd 
worden deel uit te maken van de waterdichte indeling van het schip. 


8 
Indien een dwarsscheepse waterdichte hoofdafdeling plaatselijk 
onderverdeeld is en ten genoegen van het Hoofd van de 1S^e~P™ar ~ 
inspectie kan worden aangetoond, dat de gehele hoofdafdeling niet 
volloopt bij beschadiging in de zijde, welke zich uitstrekt over een 
lengte van 3,05 meter, vermeerderd met 3 percent van de len8te,^ 
het schip of 10,67 meter, indien dit kleiner is, zal naar verhouding 
een vergroting van de voorgeschreven toelaatbare lengte worden toe- 


ëCÏnneen dergelijk geval mag het drijfvermogen, dat verondersteld 
wordt aan de onbeschadigde zijde aanwezig te zijn, niet groter zijn 
dan dat aan de beschadigde zijde. 


Artikel 8 


c u i , , 
1 
D e s t a b i l i t e i t m o e t i n a l l e v o o r k o m e n d e o m s t a n d i g h e d e n v a n 


schepèï' i™Qbe-beladen toereikend zijn, opdat het schip de eindtoestand kan door- 
stand'8de '°e" staan na het lek worden van enige hoofdafdeling, waarvan de lenste 


binnen die van de vulbare lengte blijft. 


Wanneer twee aangrenzende hoofdafdelingen zijn gescheiden 
een schot dat trapsgewijze verspringt volgens de bepalingen van 1 
onder (a) van artikel 7, moet de stabiliteit voldoende zijn om het hoofd 
te kunnen bieden aan het gelijktijdig lek worden van deze twee aan 


e,w"„»rr':XtSrweli„gs(«c.or gelijk aa» of kleiner 
is dan 0 50 moet de stabiliteit voldoende groot zijn, opdat het schip 
het lek worden van elke twee aan elkaar grenzende hoofdafdelingen 
kan doorstaan. 


2 
Ter voldoening aan het bepaalde in het voorgaande lid moeten i 
volledige berekeningen, in overeenstemming met de leden 3, 4 en 6 
van dit artikel, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in drievoud i 
ter goedkeuring worden ingezonden. 


In deze berekeningen moeten de bijzondere kenmerken van het! 
schip zomede de inrichting en de vorm van de beschadigde afdelingen, 


in^TS^:a^men, dat het schip in de voor de 
büiteit meest ongunstige bedrijfstoestand verkeert, welke kan voor-, 


k0Wanneer voorgesteld wordt dekken, een dubbele huid of langs-) 
«rhotten aan te brengen, welke het overvloeien van water in ernstige 
mate zouden belemmeren, moet de invloed hiervan op de bereke- 
ningen nauwkeurig worden nagegaan. 


Bijlage II 


3. Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit moeten 
de volgende inhouds- en oppervlakte-permeabiliteiten worden toe­ 
gepast: 


ingenomen door lading, kolen of voorraden 
60 


ingenomen door passagiers- en bemanningsverblijven 
95 


ingenomen door machines 
85 


bestemd voor vloeistoffen 
0 óf 95 


welke van deze twee de ongunstigste invloed heeft. 


4. Als minimum omvang van de beschadiging moet worden aan­ 
genomen: 


Langsscheeps: een lengte van 3,05 meter, vermeerderd met 3 per­ 
cent van de lengte van het schip of een van 10,67 meter, welke van 
de twee de kleinste is. 


Dwarsscheeps: (binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid lood­ 
recht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste in- 
delingslast hjn): een afstand van een vijfde van de breedte van het 
schip, zoals deze laatste is omschreven in artikel 2. 


grenslijnöa/' ^ ^ tOP Va° de dubbele bodem tot de indompelings- 


°? eKen bepaalde plaats een beschadiging van kleinere om- 
g dan hierboven wordt verondersteld een gevaarlijker toestand zou 


hoo°rtfamonetT bHrekukh?.g.t0t s'a8zij of verlies aan metacenter- 
worden gdegd 
gmg aan de berekeningen ten grondslag 


moet zoveel m°8elijk beperkt worden. 
Daartoe moeten doeltreffende overvloeunrichtingen aangebracht zijn 
welke, evenals de maximum slagzij, welke vóór het overvloeien tot 
stand gekomen is aan de goedkeuring van het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie onderworpen zijn. Aan de kapitein moet een doel- 


wordgeenggeesteiÏSaanW,JZlng ^ ^ inrichtinSe* ter beschikking 


n;,6hPJhei!i-aanZien V3n, de toestand> waarin het schip zich bevindt 
het volgende8-"18 ** 
* overvloeimaatregelen getroffen zijn, geldt 


Pi„1 ^'j jymmetrlsch. voll°Pen moet de metacenterhoogte in de 
eindtoestand positief zijn, doch het Hoofd van de Scheenvaart 
Smet 
tlnhblJZ(^ndrre gevallen genoegen nemen met een nega­ 
tieve metacenterhoogte (in rechte stand), welke slagzij van niet meer 
dan zeven graden tot gevolg heeft; 


( b ) Bij onsymmetrisch vollopen mag de slagzij niet groter ziin dan 
zeven graden, doch het Hoofd van dl ScheepviartinfpeSe kan m 
bijzondere gevallen een grotere slagzij toestaan, indien het kenterend 


i!f°e n 
Zaakt; ln geen Seval mag deze slagzij in de eind­ 
toestand echter groter zijn dan vijftien graden; 


Bijlage II 


(c) Onder geen voorwaarde mag de indompelingsgrenslijn in de 
eindtoestand onder water komen. Indien met de mogelijkheid reke­ 
ning moet worden gehouden, dat de indompelingsgrenslijn gedurende 
het vollopen tijdelijk onder water komt, kan het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie een onderzoek naar deze mogelijkheid gelasten en 
zulke maatregelen voorschrijven, als hij voor de veiligheid van het 
schip noodzakelijk acht. 


7. Aan de kapitein van het schip moeten de gegevens ter beschik­ 
king worden gesteld, welke nodig zijn om in alle voorkomende omstan­ 
digheden van beladen voor een voldoende stabiliteit in onbeschadigde 
toestand te kunnen zorgdragen, opdat het schip de meest gevaarlijke 
beschadiging zal kunnen doorstaan. 
, 


De kapitein van een schip, voor hetwelk in geval van beschadiging 
dwarsscheeps overvloeien noodzakelijk is, moet worden ingelicht om­ 
trent de stabiliteitstoestanden, waarop de slagzijberekeningen zijn ge­ 
baseerd en worden gewaarschuwd, dat, in geval van ongunstiger be­ 
ladingstoestand, bij beschadiging een overmatige slagzij zal kunnen 
optreden. 


8. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd verzachting 
in de eisen voor lekstabiliteit in overweging te nemen, indien aan­ 
getoond kan worden, dat de metacenterhoogte van het onbeschadigde 
schip in enige toestand van beladen, welke noodzakelijk is om te kun­ 
nen voldoen aan die eisen, te groot zou zijn voor de voorgenomen 


dl Deze verzachting zal echter slechts in die uitzonderingsgevallen 
mogen worden toegestaan, waarbij aan genoemd Hoofd kan worden 
aangetoond, dat de afmetingen, inrichting en de andere bijzondere 
kenmerken van het schip de meest gunstige zijn, welke op praktische j 
en aannemelijke gronden voor de stabiliteit na een beschadiging kun- ij 
nen worden aanvaard. 


Artikel 9 


piekschotten, 
1. Elk schip moet een voorpiek- of aanvaringschot hebben dat È 


schotten, welke 
* ^ ^et schottendek waterdicht opgetrokken is. Dit schot moet op een . 


stuwingsgedeelte afstand, niet kleiner dan 5 percent van de lengte van het schip en met , 
begrenzen, 
eroter dan 3,05 meter, vermeerderd met 5 percent van de lengte van 


astunneis, enz. ^ 
schip> van de vóór-loodlijn zijn aangebracht. 
Indien het schip een lange bovenbouw op het voorschip heeft, i 
moet het voorpiekschot doorlopen tot het dek boven het schottendek 
en aldaar dicht zijn tegen weer en wind. Deze voortzetting van het I 
schot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot 
te worden aangebracht, mits zij tenminste 5 percent van de lengte van 
het schip van de vóór-loodlijn is verwijderd en het gedeelte van het 
dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en 
wind. 


. 


Bijlage II 


2. Tevens moeten een achterpiekschot zijn aangebracht en schot­ 
ten, welke het voortstuwingsgedeelte, als aangegeven in artikel 2, 
van de vracht- en passagiersruimten vóór en achter afscheiden. 


Deze schotten dienen tot het schottendek waterdicht te zijn. Het 
achterpiekschot mag echter beneden het schottendek eindigen, mits 
daardoor de veiligheid van het schip, wat de waterdichte indeling 
betreft, niet wordt verminderd. 


3. 
De schroefaskokers moeten steeds waterdicht zijn ingesloten. 
De pakkingbus moet geplaatst zijn binnen een waterdichte astunnel 
of andere waterdichte ruimte, afgescheiden van de afdeling waarin de 
schroefaskoker is ingesloten en van zodanige inhoud, dat de indompe­ 
lingsgrenslijn niet onder water komt, wanneer deze ruimte door lek­ 
kage van de pakkingbus zou vollopen. 


Artikel 10 


1. Een lastlijn, overeenkomende met de diepgang, welke is goed- vaststellen mer 
gekeurd, als behorende bij de vereiste waterdichte indeling moet wor- nen'van inde-**' 
den vastgesteld en het merk daarvoor moet op de zijden van het schip ïingsiastiijnen 
worden geplaatst. 


Indien een schip ruimten heeft, welke zijn ingericht om nu eens 
voor de huisvesting van passagiers, dan weer voor het bergen van 
lading te worden gebruikt, is het, indien de eigenaar zulks wenst, ge­ 
oorloofd één of meer extra lastlijnen vast te stellen en merken daar­ 
voor te plaatsen. Deze lastlijnen moeten overeenkomen met die diep­ 
gangen, die, als behorend bij de waterdichte indeling, door het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie voor de verschillende gebruikstoestanden 
zijn goedgekeurd. 


2. Het vrijboord, behorende bij de verschillende indelingslast­ 
lijnen, volgens de in het vorige lid gegeven bepalingen vastgesteld en 
op de zijden van het schip door merken aangegeven, moet duidelijk 
op het veiligheidscertificaat zijn vermeld en moet worden onderschei­ 
den door de aanwijzing Cj voor de toestand, waarbij het grootste 
aantal passagiers en C2, C3, enz. voor die toestanden, waarbij telkens 
een kleiner aantal passagiers wordt vervoerd. 


3. Het vrijboord, dat met elk van deze lastlijnen overeenkomt en 
in het veiligheidscertificaat is aangegeven, moet op dezelfde plaats 
en van dezelfde deklijn worden gemeten als het minimum vrijboord, 
dat volgens bijlage IV wordt bepaald. 


4. In geen geval mag het vrijboord, dat in verband met de schot- 
tenindeling wordt vastgesteld, kleiner zijn dan het kleinste minimum 
zoutwater vrijboord, vastgesteld volgens de bepalingen van bijlage IV. 


5. Een schip zal in geen geval zodanig geladen mogen zijn, dat 
het in zout water dieper inzinkt dan tot de bovenkant van het schot- 
tenuitwateringsmerk, hetwelk behoort bij de betreffende gebruikstoe- 
stand. Evenmin zal het dieper in mogen zinken dan het uitwaterings- 


Bijlage II 


merk behorende bij vaargebied en seizoen, als bepaald volgens bij­ 
lage IV. 
Artikel 11 


Constructie en 
1 
Zowel de langsscheepse, als de dwarsscheepse waterdichte in- 
vanStewaterdichte delingsschotten moeten zó sterk zijn, dat zij met voldoende zekerheid 
schotten, enz. 
een waterdruk tot de hoogte van de indompelingsgrenslijn ter plaa se 
van elk schot kunnen weerstaan. De constructie van deze schotten 
moet door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd. 


2. De sprongen en nissen in schotten moeten waterdicht en zo 
sterk zijn als een schot ter plaatse van de sprong of nis zou moeten 
zijn. 


Indien spanten of balken door een waterdicht dek of schot zijn 
gevoerd, moet de doorvoering zonder toepassing van hout of cement 
waterdicht zijn uitgevoerd. 


3. De waterdichte schotten moeten zorgvuldig worden nagezien 
en de waterdichtheid moet door bespuiten worden aangetoond. 


4. De voorpiek moet worden beproefd met een waterdruk tot de 
hoogte van de bovenste indompelingsgrenslijn. 


5 
De dubbele bodem, met inbegrip van kokervormige kielcon- 
structies (kokerkiel) en een dubbele huid, moeten met een waterdruk 
tot de hoogte van de indompelingsgrenslijn worden beproefd. 


6. De tanks, welke bestemd zijn om vloeistoffen te bevatten en 
deel uitmaken van de scheepsconstructie, moeten worden beproefd 
met een waterdruk, hetzij tot de hoogte van de bovenste mdehngs- 
lastlijn, hetzij tot een hoogte, gelijk aan twee derden van de verticale 
afstand van bovenkant kielplaat tot de indompelingsgrenslijn, gemeten) 
van bovenkant kielplaat ter plaatse van deze tanks, hetzij tot een: 
hoogte van 0,92 meter boven het hoogste punt van de tank, waarbij' 
de grootste van deze drukken moet worden toegepast. 
I 


7 
De beproevingen, bedoeld in de leden 4, 5 en 6 hebben slechts 
ten doel een voldoende waterdichtheid te verzekeren van constructiesi 
behorende tot de waterdichte indeling. 


Artikel 12 


Openingen in 
1. 
Het aantal openingen in waterdichte schotten moet beperk 
waterdichte 
worden tot het minimum, dat verenigbaar is met de algemene in 
schotten 
richting en de goede uitoefening van de dienst aan boord; deze 
openingen moeten van deugdelijke middelen tot afsluiting zijn voor 
zien. 
. 


2 
Indien pijpen, spuipijpen, kabels voor electrisch licht, enz. 
door de waterdichte schotten worden gevoerd, moeten de doorvoering 
gen waterdicht zijn. 


3. Afsluiters en kranen, welke geen deel uitmaken van een pijp 
leidingsysteem, mogen aan waterdichte schotten niet voorkomen. 


7 
De beproevingen, bedoeld in de leden 4, 5 en 6 hebben slechtM 
. . 
« 
i • i 
• J a_ 
xjon r»r\netrnrtiP^ II 


K 


Bijlage II 


4. Wegneembare platen in waterdichte schotten mogen slechts tn 
voortstuwingsruimten worden toegepast. 


5. 
Indien verkeersgangen of tunnels voor de verbinding tussen de 
verblijven van de bemanning en de stookplaats, voor pijpleidingen of 
voor enig ander doel door waterdichte hoofddwarsschotten leiden, 
moeten zij waterdicht zijn. Indien dergelijke tunnels of verkeersgangen 
gedurende de reis als doorgang worden benut, moet tenminste één uit­ 
einde waterdicht aansluiten aan een schacht, welke tot boven de in­ 
dompelingsgrenslijn waterdicht is opgetrokken en waarvan de uitgang 
boven deze grenslijn is gelegen. De opening aan het andere einde van 
deze verkeersgangen of tunnels mag gesloten worden door middel 
van een waterdichte deur van de soort, als op grond van de plaats in 
het schip volgens artikel 13 wordt vereist. Dergelijke verkeersgangen 
of tunnels mogen niet door het eerste achter het aanvaringschot ge­ 
legen dwarsschot, dat deel uitmaakt van de waterdichte indeling, wor­ 
den gevoerd. Tunnels of gangen ten behoeve van geforceerde trek, 
welke door waterdichte hoofddwarsschotten leiden, mogen worden 
toegepast, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie wordt aangetoond, dat afdoende maatregelen zijn genomen 
om de waterdichtheid van de betreffende schotten te verzekeren. 


6. (a) Deuren, mangaten en andere toegangsopeningen mogen 
niet voorkomen in: 


(1) 
het aanvaringschot onder de indompelingsgrenslijn; 


(2) waterdichte dwarsschotten, welke een laadruim afscheiden van 
een belendend laadruim, van een permanent kolenruim of van een 
reservekolenruim behalve in het geval, aangegeven in lid 2 van 
artikel 14. 


(b) Het aanvaringschot onder de indompelingsgrenslijn mag slechts 
door een pijp doorboord zijn, wanneer de voorpiektank tot het bergen 
van vloeistoffen wordt gebruikt, doch, behalve in het geval aan­ 
gegeven onder (c) van dit lid, niet door meer dan één pijp. De pijp 
moet zijn voorzien van een afsluiter met neerschroefbare klep, welke 
boven het schottendek kan worden bewogen en in de voorpiek tegen 
het aanvaringschot moet zijn bevestigd. 


(c) Wanneer de voorpiek is ingericht voor de berging van twee 
verschillende soorten vloeistoffen, kan het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie toestaan, dat het aanvaringschot onder de indompelingsgrens­ 
lijn door twee pijpen wordt doorboord, elk voorzien van een afsluiter 
op de wijze zoals onder (b) van dit lid is voorgeschreven, indien een 
andere oplossing, volgens welke met één pijp kan worden volstaan, 
op praktische gronden onmogelijk is en in verband met de onderver­ 
deling dezelfde mate van veiligheid blijft gehandhaafd. 


7. Waterdichte deuren, welke in schotten tussen permanente kolen- 
ruimen en reservekolenruimen zijn aangebracht, moeten steeds toe­ 
gankelijk zijn, behalve in het geval, vermeld in lid 3 van artikel 15, 
voor zover betreft kolenschuiven in het tussendek. 


Bijlage II 


Afdoende voorzieningen door middel van schermen als anderszins 
moeten worden getroffen, teneinde te verhinderen dat de kolen het 
sluiten van waterdichte kolenschuiven beletten. 


8. In het voortstuwingsgedeelte mag niet meer dan één deur in 
elk hoofddwarsschot voorkomen. Kolenschuiven en astunneldeuren 
worden hierbij niet medegerekend. De bovenkant van de drempels 
van deze deuren moet zo hoog zijn gelegen, als praktisch mogelijk is. 


De bewegingsinrichting voor handkracht moet boven het schotten- 
dek bediend kunnen worden en, indien uitvoerbaar, buiten het voort­ 
stuwingsgedeelte worden aangebracht. 


Artikel 13 


Soorten van 
J # 
In waterdichte schotten mogen slechts draaideuren, schuif- 


deuren'chte 
deuren of deuren van een daarmede gelijkwaardig type zijn aange­ 
bracht. In geen geval zijn deuren toegelaten, welke slechts door middel 
van bouten worden bevestigd en deuren, welke door het eigen gewicht 
of door middel van een valgewicht gesloten moeten worden. 


2. 
Een draaideur moet zijn voorzien van knevels, welke aan beide 
zijden van het schot kunnen worden bewogen. 


3. 
Een schuifdeur mag voor horizontale of verticale beweging 
zijn ingericht. Indien zulk een deur slechts met de hand beweegbaar 
is, zie artikel 15, 1 (II) (a), moet de bewegingsinrichting zodanig zijn, 
dat de deur zowel ter plaatse als op een toegankelijke plaats boven 
het schottendek door middel van een handwiel kan worden behandeld. 
De beweging ter plaatse moet aan beide zijden mogelijk zijn. 


4. Een deur, welke van een centraal punt uit werktuiglijk gesloten 
kan worden, moet van een zodanige bewegingsinrichting voorzien 
zijn, dat de deur ook ter plaatse werktuiglijk bewogen kan worden. 


De inrichting moet zo zijn, dat de deur automatisch weer wordt 
gesloten, indien zij, nadat zij van het centrale punt uit is gesloten, ter 
plaatse wordt geopend en voorts zodanig, dat ter plaatse de mogelijk­ 
heid bestaat haar gesloten te houden, zonder dat zij van het centrale 
punt uit geopend kan worden. 


Aan beide zijden van het schot moeten bedieningshefbomen, ver­ 
bonden aan de werktuiglijke bewegingsinrichting, aanwezig zijn, zodat 
personen, die de deuropening passeren, deze in de open stand kunnen 
houden. Zulke werktuiglijk bewogen deuren moeten zowel bij de deur, 
als op een toegankelijke plaats boven het schottendek, ook door hand­ 
kracht bewogen kunnen worden. Op de laatstgenoemde plaats moet 
de handbewegingsinrichting voorzien zijn van een handwiel. Een ge­ 
luidsignaal moet met een veilig tijdsverschil aan de sluiting van de 
deur voorafgaan. 


5. Schuifdeuren van elke soort moeten voorzien zijn van stand­ 
aanwijzers, welke op alle plaatsen, waar de deur kan worden bewogen, 


Bijlage II 


behalve bij de deur zelve, aangeven of de deur geopend dan wel ge­ 
sloten is. 


Artikel 14 


1. Waterdichte draaideuren kunnen worden toegelaten in gedeel-PIaatsen-waar 
ten van het schip, welke bestemd zijn voor de passagiers en de be- wïtefdS van 
manning en in dienstruimten, onder voorwaarde, dat zij zijn aange- draaideuren is 
bracht boven een dek, waarvan de onderzijde op het laagste punt8eoorloofd 
in de zijde, ten minste 2,13 meter boven de bovenste indelingslast­ 
lijn ligt. 


2. Waterdichte draaideuren mogen, onder door het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden, in schotten wor­ 
den aangebracht, welke tussendekslaadruimten van elkaar scheiden, 
doch niet dan op het hoogste niveau dat mogelijk is, met inacht­ 
neming van de eisen, welke uit praktische overwegingen aan de ver­ 
binding van de betreffende ruimten moeten worden gesteld. 


Geen der verticale zijden van een dergelijke deur mag gelegen zijn 
op een afstand van de huidbeplating, welke minder is dan een vijfde 
van de scheepsbreedte, als in artikel 2 omschreven, waarbij die afstand 
loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste 
indelingslastlijn wordt gemeten. 


Deze deuren moeten gesloten worden vóórdat de reis begint en 
tijdens de vaart gesloten blijven; de tijdstippen, waarop deze deuren 
in de haven worden geopend en, vóórdat het schip de haven verlaat, 
worden gesloten, moeten in het scheepsdagboek worden vermeld. 


Indien men dergelijke deuren wenst aan te brengen, moet men een 
schriftelijke verklaring, welke de absolute noodzakelijkheid daarvan 
aantoont, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overleggen. 


3. 
Op andere plaatsen mogen in waterdichte schotten geen draai­ 
deuren worden aangebracht. 


Artikel 15 


1. Indien waterdichte schuifdeuren, welke somtijds op Zee ge- Inrichtingen tot 
Dpend moeten zijn, met uitzondering van die aan de ingangen van waterSe" Van 
tunnels, in de hoofddwarsschotten op zodanige hoogte zijn aange- schuifdeuren 
bracht, dat hun drempels onder de bovenste indelingslastlijn zijn ge­ 
legen, gelden de volgende bepalingen: 


(I) 
Indien het aantal van zulke deuren groter is dan 5, moeten 
ille waterdichte schuifdeuren werktuiglijk beweegbaar zijn en moeten 
sij gelijktijdig van de brug uit gesloten kunnen worden; 


(II) 
Indien het aantal van zulke deuren niet groter is dan 5, en 
het criteriumgetal, bedoeld in artikel 6, lid 2: 


fa) 
niet groter is dan 30, mogen alle waterdichte schuifdeuren 
litsluitend met de hand beweegbaar zijn; 


Bijlage II 


( b ) groter is dan 30, moeten alle waterdichte schuifdeuren werk­ 
tuiglijk beweegbaar zijn. 


2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien er behalve 
de tunneldeur nog slechts één waterdichte deur is en deze zich bevindt 
in het voortstuwingsgedeelte, toestaan dat deze beide deuren, ongeacht 
de grootte van het criteriumgetal, uitsluitend met de hand beweeg­ 
baar zijn. 


3. Indien waterdichte deuren, welk somstijds op zee met het oog 
op het verwerken van steenkolen moeten worden geopend, tussen 
tussendekskolenruimen onder het schottendek zijn aangebracht, moe­ 
ten deze werktuiglijk beweegbaar zijn. Het openen en sluiten van 
deze deuren moet in het scheepsdagboek worden aangetekend. 


4. Indien verkeersgangen in verband met in koelruimen geborgen 
lading door meer dan één waterdicht hoofddwarsschot leiden en de 
drempels van de openingen minder dan 2,13 meter boven de bovenste 
indelingslastlijn zijn gelegen, moeten de waterdichte deuren, welke 
zodanige openingen afsluiten, werktuiglijk kunnen worden bewogen. 


Artikel 16 


Openingen in het 
Het aantal openingen in de scheepshuid moet beperkt worden tot 
onder'deTndom- het minimum, dat verenigbaar is met de algemene inrichting van het 
peiingsgrensiijn schip en de goede uitoefening van de dienst aan boord. 


Artikel 17 


Patrijspoorten 
1. (a) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening 
en vaste 
van een patrijspoort lager zou zijn gelegen dan een lijn, welke even­ 
wijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en welke 
haar laagste punt heeft op een hoogte boven de bovenste indelings­ 
lastlijn, overeenkomend met 2i percent van de breedte van het schip, 
mogen in dit tussendek geen patrijspoorten, doch slechts vaste licht- 
randen worden aangebracht. 


(b) Alle patrijspoorten, andere dan die, welke krachtens dit lid 
onder (a) vaste lichtranden moeten zijn en waarvan het laagste punt 
lager dan de indompelingsgrenslijn is gelegen, moeten zodanig zijn 
uitgevoerd, dat zij niet door onbevoegden kunnen worden geopend. 


(c) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening van 
een patrijspoort, als bedoeld in dit lid onder (b), lager is gelegen dan 
een lijn, welke evenwijdig aan het schottendek op het scheepsboord is 
getrokken en welke haar laagste punt heeft op een hoogte, gelijk aan 
1,37 meter, vermeerderd met 2i percent van de breedte van het schip 
boven de lastlijn, waarop het schip bij vertrek uit de haven ligt, moe­ 
ten alle patrijspoorten in dat tussendek, vóór het schip de haven ver­ 
laat, met behulp van een sleutel waterdicht zijn afgesloten. Zij mogen 
gedurende de reis niet worden geopend. Bij de toepassing van dit lid 


Bijlage II 


mag zonodig met de grotere diepgang in zoet water rekening ge­ 
houden worden. 


Het tijdstip, waarop deze patrijspoorten in de haven geopend, 
alsmede het tijdstip, waarop zij met een sleutel gesloten worden, 
moeten in het scheepsdagboek worden ingeschreven. 


( d ) Voor een schip met een of meer patrijspoorten, die zo gelegen 
zijn, dat de bepalingen van dit lid onder (c) van kracht zouden zijn, 
indien het was ingezonken tot de bovenste indelingslastlijn, is het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie bevoegd de grootste gemiddelde 
diepgang aan te geven, bij welke deze patrijspoorten met het laagste 
punt van de opening moeten blijven boven de lijn, welke evenwijdig 
aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en welke haar 
laagste punt heeft op een hoogte, gelijk aan 1,37 meter, vermeerderd 
met 2|- percent van de scheepsbreedte, boven de waterlijn, welke be­ 
hoort bij de grootste gemiddelde diepgang en op welke diepgang 
het geoorloofd is uit esn haven te vertrekken, zonder dat bedoelde 
poorten te voren met een sleutel waterdicht gesloten zijn en op zee, 
onder de verantwoordelijkheid van de kapitein, geopend mogen 
worden. 


In de tropische vaargebieden, zoals deze zijn omschreven in bij­ 
lage IV, mag deze grootste diepgang met 0,305 meter worden ver­ 
meerderd. 


(e) Deugdelijke scharnierende, binnen boord aangebrachte blin­ 
den, welke zodanig zijn ingericht, dat zij gemakkelijk en afdoend 
gesloten en waterdicht aangedrukt kunnen worden, moeten op alle 
onder de indompelingsgrenslijn gelegen patrijspoorten worden aan­ 
gebracht, met de uitzondering, dat voor partijspoorten, welke achter 
een achtste van de lengte van het schip van de vóór-loodlijn zijn ge­ 
legen boven een lijn, welke evenwijdig aan het schottendek op het 
scheepsboord is getrokken en welke haar laagste punt heeft op een 
hoogte, gelijk aan 3,66 meter, vermeerderd met 2,5 percent van de 
breedte van het schip, boven de bovenste indelingslastlijn, de blinden 
in verblijven voor passagiers, geen tussendekspassagiers zijnde, weg- 
neembaar mogen zijn, tenzij in bijlage IV vast aangebrachte blinden 
zijn voorgeschreven. Wegneembare blinden moeten in de onmiddel­ 
lijke nabijheid van de patrijspoorten geborgen worden. Zij moeten van 
plaatstaal, gegoten staal of gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd. 


Wanneer zij niet naast of onder de poorten zijn opgehangen, moeten 
de plaatsen, waar zij zijn geborgen, duidelijk zijn aangegeven. 


( f ) Patrijspoorten en hun blinden, welke gedurende de vaart niet 
bereikbaar zijn, moeten vóór het schip de haven verlaat, gesloten en 
vastgezet zijn. 


2. In ruimten, welke uitsluitend voor het vervoer van lading of 
het bergen van kolen zijn bestemd, mogen geen patrijspoorten zijn 
aangebracht. 


Bijlage II 


In ruimten, welke afwisselend bestemd zijn voor het vervoer van 
passagiers en lading, mogen echter patrijspoorten zijn aangebracht, die 
zodanig zijn gemaakt, dat zij en de daarbij behorende blinden niet 
door onbevoegden geopend kunnen worden. 


Indien in deze ruimten lading wordt vervoerd, moeten de patrijs­ 
poorten en de blinden met behulp van een sleutel waterdicht zijn 
afgesloten en vastgezet. 


3. Patrijspoorten met automatische ventilatie mogen zonder mach­ 
tiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet onder de in­ 
dompelingsgrenslijn in het scheepsboord worden aangebracht. 


Artikel 18 


Buitenboord- 
1, Alle buitenboordopeningen moeten zodanig zijn ingericht, dat 
openingen 
elk ongewenst binnendringen van water wordt voorkomen. 


2. Het aantal spuigaten, afvoerpijpen en andere soortgelijke ope­ 
ningen in het scheepsboord moet tot een minimum beperkt worden, 
hetzij door elke uitlaatopening voor het grootst mogelijk aantal sani­ 
taire en andere leidingen te doen dienen, hetzij op een andere af­ 
doende wijze. 


3. Met uitzondering van het bepaalde in lid 4 moeten de door 
het scheepsboord gaande afvoerpijpen, waarvan de binnenboord­ 
opening lager is gelegen dan de indompelingsgrenslijn, van doelmatige 
en bereikbare afsluitingsmiddelen aan het scheepsboord zijn voor­ 
zien. Men mag voor elke afzonderlijke uitlaatopening, hetzij een terug­ 
slagklep, welke voorzien is van een inrichting, waardoor de klep recht­ 
streeks van boven het schottendek af dichtgezet kan worden, hetzij; 
twee zelfsluitende terugslagkleppen, zonder zulk een inrichting ge-; 
bruiken, waarbij één klep hoger dan de bovenste indelingslastlijn 
zodanig is gelegen, dat zij steeds bereikbaar is om gedurende de nor-dj 
male dienst te worden nagezien. 


Indien een klep wordt aangebracht welke rechtstreeks kan worden 
dichtgezet moet de plaats, waar deze boven het schottendek wordt 
bediend, steeds gemakkelijk toegankelijk zijn en moet een inrichting,n 
welke aanwijst of de klep open dan wel gesloten is, aldaar zijn aan-! 
gebracht. 


4. Hoofdin- en uitlaten en hulpin- en uitlaten voor de voortstu­ 
wingswerktuigen moeten zijn voorzien van gemakkelijk bereikbare 
kranen of afsluiters tussen de leidingen en de scheepshuid of tussen 
de leidingen en de op de huid gebouwde stalen kasten. 


Artikel 19 


Toegangs-, laad- 
i, Toegangs-, laad- en kolenpoorten in het scheepsboord, welke 


ahmed^openin-'onder de indompelingsgrenslijn zijn aangebracht, moeten van vol- 
gen van stort- 
doende sterkte zijn. 


kokers. 


. 


Bijlage II 


Het laagste punt van de opening van deze poorten mag niet lager 
gelegen zijn dan de bovenste indelingslastlijn. 


Zij moeten, vóór het schip de haven verlaat, waterdicht gesloten 
zijn en gedurende de vaart gesloten blijven. 


2. De binnenboordopening van elke stortkoker voor as, vuil, enz. 


moet van een deugdelijk deksel zijn voorzien. Indien de binnenboord­ 
opening onder de indompelingsgrenslijn is gelegen, moet het deksel 
waterdicht afsluiten en moet bovendien een terugslagklep in de koker 
op een gemakkelijk toegankelijke plaats boven de bovenste indelings­ 
lastlijn zijn aangebracht. Wanneer de koker niet in gebruik is, moeten 
zowel het deksel als de klep gesloten en geborgd zijn. 


Artikel 20 


1. De constructie en de afwerking van alle waterdichte deuren, Constructie en. 
patrijspoorten, toegangs-, laad- en kolenpoorten, kleppen, pijpen, ^n'^^urdlchle 
as- en vuilnisstortkokers, welke in de voorafgaande artikelen zijn ver- deuren, 
patrijs- 
meld, alsmede de materialen, waarvan deze zijn vervaardigd, moeten poor,en'enz' 
voldoen aan de eisen, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
gesteld. 


2. De onderkant van het raamwerk van verticaal bewegende 
waterdichte deuren mag geen groef vormen, waarin zich vuil zou kun­ 
nen verzamelen, dat de goede sluiting zou kunnen beletten. 


3. Indien waterdichte deuren directe toegang verlenen naar een 
ruimte, waarin zich bunkerkolen bevinden, moeten het raamwerk en 
de deuren zelve gemaakt zijn van gietstaal of smeedstaal. 


4. Kranen en afsluiters, ongeacht de doorlaat, welke op de 
scheepshuid onder het schottendek zijn aangebracht of voor de water­ 
dichte indeling van belang kunnen zijn, mogen niet in gietijzer worden 
uitgevoerd. 


5. Kranen of afsluiters voor de hoofdin- en uitlaten en voor de 
hulpin- en uitlaten voor de voortstuwingswerktuigen met een door­ 
laat, welke groter is dan 76 millimeter, moeten uitgevoerd zijn in 
brons, staal of ander goedgekeurd smeedbaar materiaal. 


6. Elke waterdichte deur moet met een waterdruk tot de hoogte 
van de indompelingsgrenslijn worden beproefd. De proef moet wor­ 
den genomen, hetzij vóór, hetzij na het aanbrengen van de deur. 


Artikel 21 


1. Waterdichte dekken, kokers, tunnels, kokerkielen en lucht-Constructie en 
schachten moeten even sterk zijn als de waterdichte schotten op over- 
eenkomstige hoogte. 
dichte dekken, " 


Waterdichte luchtschachten en kokers moeten ten minste tot hetkokers'enz- 
schottendek zijn opgetrokken. 


2. Na gereedkomen moeten de waterdichte dekken door bespuiten 
of onder water zetten op waterdichtheid beproefd worden, terwijl de 


Bijlage II 


waterdichte kokers, tunnels en luchtschachten door bespuiten moeten 
worden beproefd. 


Artikel 22 


Dubbele bodems 
i. Er moet een dubbele bodem zijn, welke zich uitstrekt van het 
voorpiekschot tot het achterpiekschot. Voor zover dit niet verenigbaar 
is met de algemene inrichting van het schip en met de goede uit­ 
oefening van de dienst aan boord, mag hiervan worden afgeweken, 
zoals in de volgende leden nader wordt bepaald. 


2. In schepen, welker lengte 61 meter of meer bedraagt, doch 
minder dan 76 meter, moet de dubbele bodem in ieder geval onaf­ 
gebroken doorlopen van het voortstuwingsgedeelte tot het voorpiek­ 
schot of althans tot een zo dicht mogelijk daarbij gelegen punt. 


3. In schepen, welker lengte 76 meter of meer bedraagt, doch 
minder dan 100 meter, moet de dubbele bodem in elk geval buiten 
het voortstuwingsgedeelte onafgebroken doorlopen tot het vóór- en 
het achterpiekschot of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen 
punten. 


4. In schepen, welker lengte 100 meter of meer bedraagt, moet de 
dubbele bodem over de gehele lengte van het vóór- tot het achter­ 
piekschot of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen punten 
onafgebroken doorlopen. 


5. De in de vorige leden bedoelde dubbele bodems moeten in de 
zijden op zodanige hoogte op de huid aansluiten, dat het vlak van 
het schip tot de ronding van de kimmen beschermd is. 


Deze bescherming wordt geacht aanwezig te zijn, indien de lijn 
van aansnijding van de kantplaat met de huid nergens lager ligt dan 
een horizontaal vlak, dat gaat door het punt van aansnijding tussen 
de spantlijn op het grootspant en een dwarsscheepse diagonaal, welke 
onder een hoek van 25 graden met de basislijn getrokken is uit het 
snijpunt van deze basislijn met de verticale raaklijn aan genoemde 
spantlijn. 


6. In de dubbele bodem aangebrachte lensputten mogen niet die­ 
per zijn dan nodig is. De afstand van hun bodem tot het scheepsvlak 
of tot de binnenste aansnijding van de kantplaat, mag niet kleiner 
zijn dan 46 centimeter. 


In het achtergedeelte van een astunnel mag een lensput tot de 
huid doorlopen. 


Andere putten, zoals voor het opvangen van smeerolie onder de 
hoofdvoortstuwingswerktuigen, kunnen door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie worden goedgekeurd, indien wordt aangetoond, 
dat de beveiliging niet achter staat bij die, welke een dubbele bodem, 
geconstrueerd in overeenstemming met dit artikel, biedt. 


7. Ter plaatse van een waterdichte afdeling van niet te grote in­ 
houd, welke uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van vloei- 


Bijlage II 


stoffen, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht, indien 
de veiligheid van het schip bij een bodem- of zijbeschadiging naar het 
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daardoor niet 
vermindert. 


8. Voor een passagiersschip, dat in gevolge artikel 56, onder (d) 


van het Schepenbesluit, een groter aantal personen vervoert dan er 
plaatsen in de reddingboten beschikbaar zijn en hetwelk een geregelde 
lijndienst onderhoudt binnen de begrenzing van een korte internatio­ 
nale reis, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dispensatie ver­ 
lenen van de eis, dat een dubbele bodem aanwezig moet zijn, voor 
zover betreft enig deel van het schip, waarvoor de waterdichte indeling 
is geregeld door middel van een factor, welke niet groter is dan 0,5, 
indien tot zijn genoegen is aangetoond, dat het aanbrengen van een 
dubbele bodem in dat deel niet verenigbaar zou zijn met de eisen, 
welke de algemene inrichting van het schip en een goede uitoefening 
van de dienst aan boord stellen. 


Artikel 23 


1. 
Patrijspoorten, toegangs-, laad- en kolenpoorten en andere °Phëtnfchee"sZ 
middelen om openingen in het scheepsboord boven de indompelings- boord en elders- 
grenslijn te sluiten, moeten deugdelijk ontworpen en uitgevoerd en p°K„nsdee^[]?nm 
voldoende sterk zijn, rekening houdend met de ruimten, waarin zij pe 'n8SS ens 'Ja 
zijn aangebracht en met hun plaats ten opzichte van de bovenste 
indelingslastlijn. 


2. Het schottendek of een daar boven gelegen dek moet dicht 
zijn tegen weer en wind, met dien verstande, dat er geen water door 
kan dringen. 


Alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde dek moeten 
van hoofden van voldoende hoogte en sterkte zijn voorzien en van 
doelmatige middelen, om deze snel tegen weer en wind af te sluiten. 


Artikel 24 


1. 
Elk schip moet voorzien zijn van een doeltreffende pomp- Lensinrichting, 
inrichting, welke in staat is elke waterdichte afdeling lens te pompen 'eïléidtagen e° 
onder de na een ramp te verwachten omstandigheden, hetzij het schip 
recht ligt dan wel slagzijde heeft. Behalve in smalle afdelingen in vóór- 
en achterschip, waar één lensfles voldoende kan zijn, moeten daartoe 
zuigleidingen naar de zijden aangebracht worden. 


In afdelingen van bijzondere vorm kan het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie aanvullende lensflessen voorschrijven. Het water moet 
gemakkelijk naar de lensflessen kunnen vloeien. 


Uit de koelruimen moet het water op doelmatige wijze kunnen 
worden verwijderd. 


2. Aan boord van een schip moeten ten minste vier op de hoofd- 
lensleiding aangesloten werktuiglijk gedreven pompen opgesteld zijn, 


Bijlage II 


van welke één door het hoofdvoortstuwingswerktuig mag worden 
gedreven. 


Indien het criteriumgetal kleiner is dan 30 mag één der onafhanke­ 
lijke werktuiglijk gedreven pompen worden weggelaten en indien de 
lengte van het schip bovendien kleiner is dan 91,5 meter mag één 
der andere onafhankelijke werktuiglijk gedreven pompen door twee 
doelmatige handpompen met krukbeweging worden vervangen, waar­ 
van de ene in het voorschip, de andere in het achterschip moet zijn 
opgesteld. 


Sanitaire en ballastpompen worden evenals algemene dienstpompen 
als onafhankelijke werktuiglijk gedreven lenspompen beschouwd, in­ 
dien zij van de nodige aansluitingen aan de lensleiding zijn voorzien. 
Elke pomp, die bestemd is als lenspomp gebruikt te worden, moet 
zelfaanzuigend zijn. 


3. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten de werk­ 
tuiglijk gedreven lenspompen in verschillende waterdichte afdelingen 
zijn opgesteld, welke afdelingen zodanig gelegen moeten zijn, dat 
het onwaarschijnlijk is, dat zij door een zelfde averij vol kunnen 
lopen. Indien de machines voor de voortstuwing en de ketels in twee 
of meer waterdichte afdelingen zijn geplaatst, moeten de pompen, 
welke als lenspomp moeten kunnen dienen, zoveel als praktisch moge­ 
lijk is, over deze afdelingen zijn verdeeld. 


4. Indien de scheepslengte gelijk is aan of groter is dan 91,5 
meter of indien het criteriumgetal 30 of groter is, moet de inrichting 
zodanig zijn, dat tenminste één werktuiglijk gedreven pomp beschik­ 
baar is voor het gebruik in alle voor de hand liggende omstandigheden, 
waaronder een schip op zee gedeeltelijk kan vollopen. 


Aan deze voorwaarde zal voldaan zijn, wanneer: 
(a) één van de voorgeschreven pompen een noodpomp is, welke 
onder water op betrouwbare wijze werkt; deze moet in normale om­ 
standigheden op dezelfde wijze als de overige hulpwerktuigen en in 
geval van nood door een zich boven het schottendek bevindende 
krachtbron kunnen worden gedreven, of 


( b ) de pompen met hun krachtbronnen op een zodanige wijze ver­ 
deeld over het schip zijn opgesteld, dat in alle omstandigheden, waar­ 
onder gedeelten van het schip moeten kunnen vollopen, zonder dat dit 
zinkt, tenminste één pomp in een onbeschadigde afdeling beschik­ 
baar is. 


5. Alle lenspompen, behalve die, welke uitsluitend op piek- 
afdelingen zijn aangesloten, moeten elk ruim en elke voortstuwings­ 
afdeling van het schip lens kunnen pompen. 


6. Een onafhankelijke werktuiglijk gedreven lenspomp moet op 
elk boord van de afdeling, waarin zij is opgesteld, kunnen pompen 
door een afzonderlijke rechtstreekse zuigleiding met een middellijn, 
welke niet kleiner is dan die van de hoofdlensleiding. 


Bijlage II 


Wanneer meer dan één onafhankelijke werktuiglijk gedreven lens- 
pomp in een afdeling is opgesteld, behoeft slechts één der pompen 
aan deze voorwaarde te voldoen. 


Op kolenstokende schepen moet het ketelruim, behalve van de 
overige in dit artikel voorgeschreven zuigaansluitingen, voorzien zijn 
van een buigzame zuigslang van voldoende lengte, welke ingericht 
is om op de zuigzijde van een onafhankelijke werktuiglijk gedreven 
pomp aangesloten te worden. 


7. 
Hoofdcirculatiepompen moeten rechtstreekse zuigverbindingen 
hebben, welke van terugslagkleppen zijn voorzien, naar het laagste 
punt in de voortstuwingsruimte leiden en een middellijn van ten minste 
twee derde van die der hoofdcirculatie-inlaat hebben. Indien steen­ 
kool als brandstof kan worden gebruikt en machine- en ketelruim 
niet door een waterdicht schot zijn gescheiden, moet van ten minste 
één circulatiepomp een rechtstreekse uitlaat naar buitenboord of een 
rechtstreekse aansluiting op de circulatie-uitlaatleiding zijn aange­ 
bracht. De draadstangen van de buitenboordafsluiter en van de af­ 
sluiters van de rechtstreekse zuigverbindingen moeten tot boven het 
machinekamerplatform reiken. 


8. De lensleiding en de ballastleiding moeten zo zijn ingericht, dat 
geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimen 
naar laad- en voortstuwingsruimten of uit de ene afdeling naar een 
andere kan vloeien. Bijzondere voorzorgen moeten zijn genomen om 
te voorkomen, dat een dieptank, met aansluiting zowel aan de lens­ 
leiding als aan de ballastleiding, door onachtzaamheid óf met zeewater 
volloopt, indien zij lading bevat óf door een lenspijp wordt leeg­ 
gepompt, indien zij waterballast bevat. Bij een aanvaring of bij aan 
de grond lopen en daarmede gepaard gaand breken of beschadigen 
van de lenspijp, mag een intact gebleven afdeling niet kunnen vol­ 
lopen. Deze pijp dient daartoe binnen de afdeling waarin het open 
zuigeind uitkomt, voorzien te zijn van een terugslagklep of van een 
afsluiter — deze laatste van een plaats boven het schottendek te be­ 
handelen —, indien de leiding achter de klep of afsluiter zich op 
een der volgende plaatsen bevindt: 


(a) overal waar het spant boven of onder de bovenste indelingslast- 
lijn ten opzichte van deze lijn naar binnen valt: buiten de lijn, welke 
in het vlak van het spant kan worden getrokken op een binnenwaartse 
afstand, horizontaal gemeten, van een vijfde van de scheepsbreedte 
uit de spantlijn; 


( b ) overal waar het spant boven of onder de bovenste indelings­ 
lastlijn ten opzichte van deze lijn naar buiten valt: buiten de lijn, 
welke in het vlak van het spant loodrecht op de bovenste indelingslast­ 
lijn kan worden getrokken op een afstand binnenwaarts van een vijfde 
van de scheepsbreedte afgezet op deze lastlijn. 


Bijlage II 


Deze terugslagkleppen of afsluiters behoeven niet te worden aan­ 
gebracht in lensleidingen, welke in tunnels zijn gelegd. Zij zijn echter 
wel vereist in de lensleiding op het scheidingsschot van kokerkiel en 
het te lenzen ruim, indien de leidingen in een kokerkiel zijn onder­ 
gebracht. 


9. Verdeelkasten, kranen en afsluiters, welke een onderdeel vor­ 
men van de lensinrichting, moeten onder normale omstandigheden 
te allen tijde bereikbaar zijn. Een en ander moet zo zijn ingericht, 
dat in alle omstandigheden, waaronder het schip moet kunnen vol­ 
lopen zonder dat het ten onder gaat, één van de lenspompen op elke 
afdeling kan pompen. Indien slechts één pijpleidingstelsel door alle 
pompen wordt bediend, moeten de nodige kranen of afsluiters, welke 
de verdeling van de werking der lensleiding regelen, boven het schot- 
tendek bewogen kunnen worden. Indien naast de hoofdlensinrichting 
een noodlensinrichting is aangebracht, moet deze daarvan onafhan­ 
kelijk zijn en zó zijn ingericht, dat de noodlenspomp in staat is op 
elke afdeling te pompen; in dat geval behoeven slechts de nodige 
kranen en afsluiters, welke de verdeling der noodlensleiding regelen, 
boven het schottendek bewogen te kunnen worden. 


HOOFDSTUK II 


Brandbescherming in verblijven en dienstruimten 
Artikel 25 


Omschrüvingen 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder. 
Onbrandbaar materiaal: 
materiaal, dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende 
hoeveelheid afgeeft, om deze bij verhitting tot ongeveer 750° Cel­ 
sius vlam te doen vatten aan een proefvlam; 


Brandbaar materiaal: 
elk ander materiaal; 
Een standaard brandproef: 
een proef, in het verloop waarvan in de proef oven ongeveer de 
volgende temperaturen als functie van de tijd worden verkregen: 
aan het einde van de eerste 5 minuten - 538 Celsius, 
aan het einde van de eerste 10 minuten - 704° Celsius, 
aan het einde van de eerste 30 minuten - 843° Celsius, 
aan het einde van de eerste 60 minuten - 927° Celsius; 


Schotten van klasse „A" of brandwerende schotten: 
schotten en dekken, welke aan de volgende voorwaarden voldoen: 
(a) zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander gelijk­ 
waardig materiaal; 


Bijlage II 


(b) zij moeten voldoende verstijfd zijn; 
(c) zij moeten tot aan het einde van de standaard brandproef 
van één uur de doortocht van rook en vlammen verhinderen; 


(d) zij moeten met inachtneming van de aard van de belendende 
ruimten een isolerend vermogen hebben, dat ten genoegen van het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. 


In het algemeen moeten de brandwerende schotten en dekken, waar 
deze de scheiding moeten vormen tussen ruimten, welke aangrenzend 
houtwerk, houten beschieting of ander brandbaar materiaal bevatten, 
zodanig geïsoleerd zijn, dat, indien welke der beide zijden ook, wordt 
onderworpen aan de standaard brandproef van één uur, de gemid­ 
delde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde gedurende de proef 
niet meer dan 139° Celsius en de temperatuur op gesn enkel punt 
meer dan 180" Celsius boven de begintemperatuur stijgt; 


Schotten van klasse ,,B" of brandvertragende schotten: 


schotten, welke in staat zijn tot aan het einde van het eerste half 
uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen te ver­ 
hinderen. 


Bovendien moet het isolerend vermogen met inachtneming van de 
aard van de belendende ruimten naar genoegen van het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie zijn. 


In het algemeen moeten de brandvertragende schotten, waar deze 
de scheiding moeten vormen tussen hutten, van zodanig materiaal 
zijn, dat, indien welke der beide zijden ook, wordt blootgesteld, het 
eerste halfuur van de standaard brandproef kan worden doorstaan, 
zonder dat de temperatuur op de niet blootgestelde zijde gedurende 
de proef meer dan 139° Celsius boven de begintemperatuur stijgt. 
Gedeelten van schotten, welke in onbrandbaar materiaal zijn uit­ 
gevoerd, behoeven slechts aan de voorwaarde te voldoen, dat de 
bovengenoemde temperatuurstijging niet intreedt gedurende de eerste 
15 minuten van de standaard brandproef. De proef moet echter 
voortgezet worden tot aan het einde van het eerste halve uur, waarna 
het schot de doortocht van vlammen nog moet verhinderen; 


Verticale hoofdsecties: 
secties, waarin de romp, de bovenbouw en de dekhuizen door 
hoofdbrandschotten zijn verdeeld; de gemiddelde lengte boven het 
schottendek van elke sectie mag in het algemeen niet groter zijn dan 
40 meter; 


Controle-stations: 
ruimten, in welke de radio-installatie, de voornaamste navigatie­ 
middelen, de inrichting voor de centrale brandmelding of de nood- 
generator ondergebracht zijn; 


Bijlage II 


Ruimten voor accommodatie: 
hutten, ruimten bestemd voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, 
kantoren, verblijven voor de bemanning, kapperssalons, afzonderlijke 
pantries en kasten en soortgelijke ruimten; 


Ruimten voor algemeen gebruik: 
die delen van de accommodatie, welke in gebruik zijn als vesti­ 
bules, eetzalen, salons en soortgelijke permanent ingesloten ruimten; 


Dienstruimten: 
ruimten, welke gebruikt worden voor kombuizen, hoofdpantries, 
voorraden (met uitzondering van afzonderlijke pantries en kasten), 
post- en specieruimen en soortgelijke ruimten, zomede de bijbe­ 
horende schachten; 


Laadruimten: 
alle ruimten, welke gebruikt worden voor lading (met inbegrip van 
ladingolietanks) en de bijbehorende schachten; 


Ruimten voor machines: 
alle ruimten, welke gebruikt worden voor de werktuiglijke voort­ 
stuwing, hulpwerktuigen en koelinstallaties, ketels, accumulatoren, 
pompen, werkplaatsen, generatoren, luchtverversings- en luchtbe­ 
handelingsinstallaties, vulstations voor brandstofolie en soortgelijke 
ruimten, zomede de bijbehorende schachten; 


Aan staal gelijkwaardig materiaal: 
elk materiaal, dat zelf of door middel van isolatiemateriaal een 
weerstandsvermogen heeft tegen brand, dat gelijkwaardig is aan dat É 
van staal, tot aan het einde van de brandproef, welke van toepas­ 
sing is. 


Artikel 26 


Beperking van de 
Voor een schip, dat is ingericht voor niet meer dan 36 passagiers, 
toepassing 
zijn siec]-,ts de artikelen 29 en 30 van dit hoofdstuk van toepassing, 
mits een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde j 
inrichting wordt aangebracht, welke automatisch op een of meer ! 
plaatsen of contrölestations, waar zulks het vlugst door de bemanning i 
kan worden opgemerkt, het bestaan en de plaats van brand kan aan- 1 
tonen in elke gesloten ruimte, bestemd voor het gebruik van passa- s 
giers en bemanning, dan wel voor dienstruimten, met uitzondering r 
van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis opleveren. 


Artikel 27 


Algemene be- 
Een schip moet zijn verdeeld in verticale hoofdsecties door o 
palingen 
middel van schotten van klasse „A". Binnen de hoofdsecties moeten o 


. 


Bijlage II 


verder gelijksoortige schotten de trapopeningen beschermen en de 
ruimten voor accommodatie scheiden van die voor de voortstuwing, 
voor lading, voor dienstgebruik en dergelijke. Ongeacht de ronde­ 
diensten, alarmsystemen en de voorzieningen voor het blussen van 
brand, zoals deze zijn voorgeschreven in bijlage V, moeten bovendien, 
hetzij één van de volgende methoden voor beveiliging, hetzij een com­ 
binatie van deze methoden, ten genoegen van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie, voor ruimten voor accommodatie en dienst­ 
ruimten worden gevolgd. 


Methode 1 
Het toepassen van schotten van klasse ,,B", zoals nader omschreven 
in lid 1 van artikel 31, zonder de inrichting van een brandmelding- 
of sprinklersysteem in de ruimten voor accommodatie of dienst­ 
ruimten. 


Methode II 
Het installeren van een automatisch sprinkler- en brandmelding­ 
systeem voor de ontdekking en de blussing van brand in alle ruimten, 
in welke een brand kan ontstaan, waarbij geen beperkende bepaling 
geldt ten aanzien van de klasse of het materiaal van de schotten 
der aldus beschermde ruimten. 


Methode III 
Het onderverdelen van elke verticale hoofdsectie door schotten van 
klasse „A" en „B", afhankelijk van de belangrijkheid, de afmetingen 
en de aard van de verschillende afdelingen, met toepassing van een 
automatisch brandontdekkingsysteem in alle ruimten, waar een 
brand kan ontstaan, in het algemeen zonder de installatie van een 
sprinklersysteem en waarbij het gebruik van brandbare en in hoge 
mate ontvlambare materialen en stoffering, in beperkte mate is toe­ 
gestaan. 


Artikel 28 


Methoden I, II en III 
De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen Constructie 
moeten van staal vervaardigd zijn, tenzij het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie het gebruik van ander materiaal goedkeurt. 


Artikel 29 


Methoden I, II en III 
1. De romp, de bovenbouw en de dekhuizen moeten door schotten Verticale hoofd- 
van klasse „A" in verticale hoofdsecties worden verdeeld, van elk secties 
waarvan de gemiddelde lengte boven het schottendek in het alge­ 
meen niet groter mag zijn dan 40 meter. 


Bijlage II 


De schotten moeten zich uitstrekken van dek tot dek en tot de 
scheepshuid of tot andere grensschotten. 


Wanneer trapsgewijs verspringen van een schot noodzakelijk is, 
moet ook het horizontale deel als een schot van klasse „A" worden 
uitgevoerd. 


2. Zoveel mogelijk moeten de gedeelten van de in lid 1 bedoelde 
schotten boven het schottendek in één vlak liggen met de hoofd­ 
schotten voor de waterdichte indeling onmiddellijk onder het schot­ 
tendek. 


3. Op schepen, welke voor bijzondere doeleinden zijn ontworpen, 
zoals veerboten voor het vervoer van automobielen of treinen, waar 
het plaatsen van de in lid 1 bedoelde schotten het beoogde doel zou 
belemmeren, moeten gelijkwaardige middelen voor het onder controle 
houden en het voorkomen van uitbreiding van brand in de plaats van 
de schotten worden gesteld, welke middelen door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie moeten zijn goedgekeurd. 


Artikel 30 


Methoden I, II en III 


Openingen in 
1. Wanneer schotten van verticale hoofdsecties doorboord zijn 


verticale hoofd" voor het doorlaten van electrische leidingen, pijpen, kokers, enz. of 
secties 
voor langsdragers of andere verbanddelen, moeten zodanige maat­ 
regelen getroffen worden, dat het brandwerend vermogen van de 
schotten niet vermindert. 


2. In kokers, welke door schotten van verticale hoofdsecties 
gaan, moeten dempers worden aangebracht, welke aan beide zijden 
van het schot bediend moeten kunnen worden. De bedieningsplaatsen 
moeten gemakkelijk bereikbaar en met een rode kleur aangegeven 
zijn. Standaanwijzers, welke aangeven of de demper de doorgang 
open laat dan wel afsluit, moeten aanwezig zijn. 


3. Alle openingen moeten van vast aangebrachte sluitingsmid­ 
delen voorzien zijn, welke tenminste even doeltreffend zijn voor het 
weren van brand als de schotten, waarin zij voorkomen. 


4. De constructie van alle deuren in schotten van verticale 
hoofdsecties en de middelen, welke deze deuren gesloten houden, 
moeten ten minste even doeltreffend zijn voor het weren van brand 
als de schotten, waarin zij zijn aangebracht. 


Waterdichte deuren behoeven niet geïsoleerd te zijn. 
5. Elke deur moet aan beide zijden van het schot door één per­ 
soon geopend en gesloten kunnen worden. Branddeuren, andere dan 
waterdichte deuren, moeten zelfsluitend zijn en op eenvoudige en ge­ 
makkelijke wijze vrijgemaakt kunnen worden, indien zij op enigerlei 
wijze in geopende stand zijn vastgezet. 


Bijlage II 


Artikel 31 


1. Methode 1 
(a) In de ruimten voor accommodatie moeten alle schotten, welke bjj°e"e"erticale 
afzonderlijke ruimten vormen, andere dan die, welke schotten van hóoMsectiese 
klasse „A" moeten zijn, geconstrueerd worden als schotten van klasse 
„B" en zodanig aaneengebouwd zijn, dat zij afzonderlijke brandvrije 
eenheden vormen. 


Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een samenstel van 
schotten, welke een afzonderlijke ruimte vormen, aan een proef doen 
onderwerpen. Op schepen, welke voor meer dan 100 passagiers zijn 
ingericht, moeten de schotten van klasse „B" van onbrandbaar mate­ 
riaal gemaakt zijn, met dien verstande, dat zij, in overeenstemming 
met het bepaalde in artikel 40, met brandbare materialen bekleed 
mogen zijn. 


(b) Alle schotten van gangen moeten worden opgetrokken van 
dek tot dek. Ventilatieopeningen in deze schotten zijn toegelaten, 
doch bij voorkeur moeten zij in het onderste deel worden aange­ 
bracht. Alle andere schotten, welke afzonderlijke ruimten vormen, 
moeten worden opgetrokken van dek tot dek en zich uitstrekken tot 
de scheepshuid of tot andere begrenzende schotten, tenzij onbrand­ 
bare plafonds of wanden aangebracht zijn, in welk geval de schotten 
mogen eindigen bij de plafonds of wanden. 


2. 
Methode III 


(a) In de ruimten voor accommodatie, met uitzondering van die 
voor algemeen gebruik, moet, buiten de schotten welke van klasse „A" 
moeten zijn, een onafgebroken samenstel van brandvertragende schot­ 
ten worden aangebracht, waarbij de vloeroppervlakte van enige 
afdeling in het algemeen niet groter mag zijn dan 120 vierkante meter, 
doch nooit groter dan 150 vierkante meter. Deze schotten moeten 
geconstrueerd worden als schotten van klasse „B". 


(b) Alle ruimten voor algemeen gebruik zonder inwendige onder­ 
verdeling moeten omgeven zijn door schotten van klasse „B". 


De schotten van klasse „A" en die van klasse ,,B", met uitzonde­ 
ring van die, welke de begrenzing vormen van de verticale hoofd­ 
secties, de contrölestations, de trappenhuizen en de gangen, behoeven 
niet van isolatie voorzien te zijn, indien zij de buitenzijde van het 
schip vormen of, indien de belendende afdeling geen brandgevaar 
medebrengt. 


(c) Alle schotten van gangen moeten schotten van klasse „B" zijn 
en moeten worden opgetrokken van dek tot dek. Indien er geen pla­ 
fonds zijn of indien de plafonds van onbrandbaar materiaal zijn, 
mogen ventilatie-openingen met roosters van onbrandbaar materiaal 
toegepast worden. Alle andere soorten schotten, welke afzonderlijke 


Bijlage II 


ruimten vormen, moeten eveneens van dek tot dek worden opge­ 
trokken. 


(d) De schotten van klasse „B" moeten van een onbrandbare kern 
zijn voorzien of moeten bestaan uit verschillende lagen, van welke 
de binnenliggende van asbestplaat of soortgelijk onbrandbaar mate­ 
riaal moeten zijn, terwijl de beperking van de temperatuurstijging, be­ 
doeld in de laatste alinea van de omschrijving van schotten van klasse 
„B" in artikel 25, geldt op het einde van de proef van een half uur. 


Artikel 32 


Methoden I, II en III 


Scheiding tussen 
De begrenzingschotten en dekken, welke de scheiding vormen 
commodade' en tussen de ruimten voor accommodatie en de ruimten voor machines, 
ruimten voor ma- lading, zomede dienstruimten, moeten schotten van klasse „A" zijn; 
mèdeS'dkns°-'Z°* het isolerend vermogen van deze schotten en dekken moet ten ge- 
ruimten 
noegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn, waarbij 
rekening wordt gehouden met de aard van de belendende ruimten. 


Artikel 33 


Methoden I, II en III 


Dekbedekkingen 
De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommo­ 
datie, contrölestations, trappen en gangen moet van materiaal zijn, 
dat niet licht ontvlambaar is en door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie is goedgekeurd. 


Artikel 34 


Bescherming van 
1. Methoden I, II en III 


trappen 
. 
, 
„ 
. . 
Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn. 
Trappen moeten in trappenhuizen of gesloten ruimten zijn onder­ 
gebracht, welke door schotten van klasse „A" omgeven zijn. Alle 
openingen in deze schotten vanaf het onderste dek, waarop ruimten 
voor accommodatie zijn, tot aan ten minste de hoogte, waar het open 
dek direct toegankelijk is, moeten van middelen tot sluiting voorzien 
zijn, met inachtneming van de volgende uitzonderingen: 


(a) een trap, welke slechts twee dekken bedient, behoeft niet in 
een trappenhuis of gesloten ruimte te zijn ondergebracht, indien de 
brandwerende waarde van het dek wordt behouden door het aan­ 
brengen van doelmatige schotten en deuren op één dek; 


(b) een trap, welke uitkomt in een ruimte voor algemeen ge­ 
bruik, behoeft ter plaatse niet door schotten omgeven te zijn, indien 
zij zich geheel in die ruimte bevindt. 


De gangen moeten in directe verbinding staan met de trappen­ 
huizen of de gesloten ruimten, waarin zich de trappen bevinden en 
deze trappenhuizen of ruimten moeten van voldoende oppervlakte zijn 
om opstopping te kunnen voorkomen, waarbij rekening moet worden 


Bijlage II 


gehouden met het aantal personen, dat in geval van nood van de 
trappen gebruik moet maken; de genoemde huizen of ruimten moeten 
zo weinig mogelijk accommodatie- of andere ingesloten ruimten 
bevatten, waarin brand zou kunnen ontstaan. 


Schotten van ruimten, waarin zich trappen bevinden, moeten een 
isolerend vermogen bezitten, hetwelk ten genoegen is van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met de aard van de 
belendende ruimten. De middelen tot sluiting van de openingen in 
deze schotten moeten ten minste hetzelfde brandwerend vermogen 
bezitten als de schotten zelve. 


Deuren, andere dan waterdichte deuren, moeten van dezelfde aard 
zijn als die genoemd in lid 5 van artikel 30. 


2. 
Methode II 


Trappen, welke volgens het oordeel van het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie als hulptrappen kunnen worden beschouwd, behoeven 
niet in trappenhuizen of gesloten ruimten te zijn ondergebracht, mits 
de brandwerende waarde van het dek gehandhaafd wordt door het 
aanbrengen van sprinklers ter plaatse. 


Artikel 35 


Methoden I, II en III 


1. Schachten van liften voor passagiers en voor dienstgebruik, Bescherming van 
verticale kokers voor licht en lucht ten behoeve van passagiersruim- "e™ v°°r p*ssa" 
ten en dergelijke moeten worden gebouwd van schotten van klasse dienstgebruik. 
„A". Deuren moeten van staal zijn of van ander onbrandbaar mate- ^0"T,cht kïucht 
riaal en in gesloten toestand een weerstand tegen brand kunnen en°.r 'c ' uc 
bieden, welke ten minste even doeltreffend is als die, welke geboden 
wordt door de schacht- of kokerwanden, waarin zij zijn aangebracht. 


2. Liftschachten moeten zodanig zijn aangebracht, dat rook en 
vlammen niet van het ene dek naar het andere kunnen doordringen. 
Zij moeten van sluitingsmiddelen zijn voorzien, waarmede de trek 
en de doorgang van rook onder controle kunnen worden gehouden. 
Isolatie van schachtwanden van liften, welke zich bevinden in trap­ 
penhuizen of in gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht, 
is niet verplicht. 


3. Wanneer een licht- of luchtkoker met meer dan één dek in 
verbinding staat en volgens het oordeel van het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie rook en vlammen van het ene dek naar het andere 
kunnen doordringen, moeten doelmatig geplaatste rookkleppen wor­ 
den aangebracht, opdat elke ruimte tussen twee dekken ingeval van 
brand geïsoleerd kan worden. 


4. Alle andere kokers (b.v. voor electrische leidingen) moeten op 
zodanige wijze gebouwd zijn, dat het niet mogelijk is, dat een brand 
zich van het ene dek naar het andere verplaatst. 


Bijlage II 


Artikel 36 


Methoden I, II en lil 


Bescherming van 
j)e controle-stations moeten van de andere delen van het schip 
controle-stations gescjiei(jen zjjn door schotten en dekken van klasse „A". 


Artikel 37 


Methoden 1, II en III 


Bescherming van 
De schotten van bagageruimen, postkamers, bergplaatsen, verf- en 
bagageruimen. 
lampenhutten) kombuizen en soortgelijke ruimten moeten van klasse 
„A" zijn. Ruimten, in welke licht ontvlambare voorraden worden 
medegevoerd, moeten zodanig zijn gelegen, dat het gevaar voor passa­ 
giers en bemanning in geval van brand tot een minimum beperkt 
blijft. 


Artikel 38 


1. Methoden 1 en UI 


Ramen en patrijs- 
j)e randen van alle ramen en patrijspoorten in ruimten voor accom- 
poorten 
modatie moeten van metaal of gelijkwaardig materiaal zijn. Het glas 
moet in een metalen rand gevat zijn of op gelijkwaardige wijze zijn 
bevestigd. 


2. 
Methoden l, 11 en UI 


Alle ramen of patrijspoorten, welke openen naar gangen, trappen­ 
huizen of gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht, moe­ 
ten eenzelfde weerstand bieden tegen brand als die, welke voor de 
schotten is voorgeschreven, waarin zij zijn aangebracht. 


Artikel 39 


Methoden 1, II en 111 


Ventilatie- 
1. De hoofdinlaat en de uitlaat van alle ventilatiesystemen moeten 


systemen 
gemakkelijk bereikbare afsluitmiddelen hebben, welke in geval van 
brand gesloten kunnen worden. 
_ 


In het algemeen moeten de fans voor ventilatie zodanig geplaatst 
zijn, dat de ventilatiekanalen voor de verschillende ruimten binnen 
dezelfde verticale hoofdsectie blijven. 


2. Alle toestellen voor mechanische ventilatie, met uitzondering 
van die voor ruimten voor machines, moeten op twee bedienings­ 
plaatsen centraal buiten werking gesteld kunnen worden; de twee 
plaatsen moeten zo ver als praktisch mogelijk is, van elkaar verwij­ 
derd zijn. Eén van de hoofdbedieningsmiddelen van de mechanische 
ventilatie van ruimten voor machines moet vanaf een plaats buiten 
die ruimten behandeld kunnen worden. Afvoerkanalen van kombuis­ 
fornuizen, welke door ruimten voor accommodatie gaan, moeten 
doeltreffend geïsoleerd zijn. 


Bijlage II 


Artikel 40 


1. Methode I 
Behalve in laadruimen, postkamers, bagageruimen of koel- en vries- Constructie- 
ruimen voor scheepsgebruik, moeten alle beschietingen, stijlen, pla- details 
fonds en isolaties van onbrandbaar materiaal zijn, doch op schepen, 
welke niet meer dan 100 passagiers vervoeren, behoeven de beschie­ 
tingen, stijlen en plafonds niet van onbrandbaar materiaal te zijn, in­ 
dien zij overigens aan de voorwaarden voldoen, welke van toepassing 
zijn op de schotten van de ruimten, waarvan zij deel uitmaken. 


De gezamenlijke inhoud van brandbare bekleding, lijstwerk, deco­ 
ratieve versieringen en fineerhout in een ruimte voor accommodatie 
of voor algemeen gebruik, mag niet groter zijn dan het volume, dat 
overeenkomt met een fineerbekleding van 2,54 millimeter op de totale 
oppervlakte van de wanden en het plafond. 


Brandbare bekledingen, lijsten, decoratieve versieringen of fineer­ 
hout mogen niet gebruikt worden in gangen, in trappenhuizen of in 
gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht. 


2. 
Methode III 


Het gebruik van brandbare materialen van elke soort, zoals niet- 
geïmpregneerd hout, fineerhout, plafonds, gordijnen, karpetten, enz. 
moet, zoveel als redelijkerwijze mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, 
worden beperkt. In grote ruimten voor algemeen gebruik moeten de 
stijlen en balken van de wanden en van het plafond van staal of ge­ 
lijkwaardig materiaal zijn. 


Artikel 41 


Methoden I, II en III 
1. In de luchtruimten tussen het plafond en het dek en achter verschillende 
wandbekledingen moeten afstoppingen worden aangebracht, welke de details 
trek tegengaan en in langsscheepse richting niet verder dan 13,73 
meter uit elkaar liggen. 


In verticale richting moeten zulke ruimten, met inbegrip van die 
achter de beschietingswanden van trappenhuizen, schachten en der­ 
gelijke, op elk dek worden afgestopt. 


2. De constructie van de plafonds en schotten moet zodanig zijn, 


dat de brandrondedienst elke rookontwikkeling kan opsporen, zonder 
dat de doeltreffendheid van de brandbeveiliging er door wordt ver­ 
minderd. 


3. Verven, vernissen en soortgelijke stoffen op nitrocellulose basis 
mogen niet toegepast worden. 


4. Lood mag niet worden toegepast voor spuipijpen, vuilwater-, 


toilet- en andere uitlaten dicht bij de indelingslastlijn gelegen of daar 
waar de toepassing door smelten ingeval van brand, gevaar voor in­ 
stromen van water zou medebrengen. 


Bijlage II 


5. Methode III 
Het vlamverspreidend vermogen van alle blootgestelde oppervlak­ 
ken in ruimten voor accommodatie en van de zich daarop bevindende 
verflagen moet beperkt zijn ten genoegen van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie. 


Artikel 42 


Methode II 


Automatische 
Op schepen, waar methode II wordt toegepast, moet een auto- 
sprinkier-, brand- ma(jsch sprinkler- en brandalarmsysteem van een door het Hoofd van 
ontdekking^ '"' de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type geïnstalleerd zijn, dat vol- 
systemen 
,joet aan de bepalingen van artikel 4 van bijlage V en zodanig is 
aangebracht, dat alle gesloten ruimten, bestemd voor het gebruik of 
de bediening van passagiers en bemanning, worden beschermd, met 
uitzondering van ruimten, welke vrijwel geen brandgevaar opleveren. 


Artikel 43 


Methode III 


Automatisch 
Op schepen, waar methode III wordt toegepast, moet een brand- 
brandmeiding- 
meldingsysteem van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
systeem 
goedgekeurd type zodanig aangebracht worden, dat de aanwezigheid 
van brand wordt ontdekt in alle gesloten ruimten, bestemd voor het 
gebruik en de bediening van passagiers en bemanning, met uitzon­ 
dering van ruimten, welke vrijwel geen brandgevaar opleveren. De 
installatie moet op één of meer plaatsen of contrölestations, waar 
dit het vlugst door de bemanning kan worden waargenomen, de aan­ 
wezigheid en de plaats van brand kunnen aantonen. 


Artikel 44 


Methoden I, II en III 
Algemene in- 
Algemene inrichtingsplannen moeten op doeltreffende plaatsen 
richtingsplannen 
aanaebracht zijn, welke voor elk dek de verschillende secties tussen 
brandwerende schotten aangeven, zomede de afdelingen ingesloten 
door de brandvertragende schotten, de gegevens van de brandalarm­ 
toestellen, brandontdekkingsystemen, de sprinklerinstallatie, de brand- 
blusapparaten, de toegangen tot en de uitgangen van verschillende 
afdelingen, dekken, enz. en het ventilatiesysteem met inbegrip van de 
plaats van de dempers en de identificatienummers van de fans voor 
ventilatie, welke de verschillende secties bedienen. 


HOOFDSTUK III 
Voorschriften voor passagiersruimten 


Artikel 45 


Hooete ventila- 
1. De passagiersruimten mogen geen geringere hoogte hcb^cnf 
tie, 
verwarming (jan j 90 meter, gerekend van de onderkant van de in het verblijf 
van'passagiers- doorlopende dekbalken tol de bovenkant van de vloerbedekking. Is 
ruimten 


Bijlage II 


deze hoogte groter dan 2,5 meter, dan wordt bij de inhoudsbepa- 
lingen volgens artikel 46 slechts 2,5 meter in rekening gebracht. 


2. In deze ruimten moeten voldoende middelen aanwezig zijn om 
te allen tijde een goede ventilatie te waarborgen. Voorts moet, be­ 
halve waar dit bij binnenhutten op praktische gronden bezwaar 
ontmoet, worden voorzien in een behoorlijke toetreding van daglicht 
en moeten voldoende middelen voor verlichting des nachts en bij 
binnenhutten zonodig ook des daags aanwezig zijn. 


3. Op schepen, welke in gematigde en koude zönes passagiers ver­ 
voeren, moeten in de passagiersverblijven verwarmingsmiddelen van 
voldoende capaciteit aanwezig zijn. Slechts indien geen andere wijze 
van verwarming is aan te brengen, mogen daartoe stookkachels wor­ 
den gebezigd; deze kachels moeten stevig bevestigd worden en, indien 
de vloer van brandbaar materiaal is, op een ijzeren plaat zijn ge­ 
plaatst. Kachels en pijpen moeten worden omgeven door afdoende 
beveiligingsmiddelen. 


Artikel 46 


1. 
Voor reizen, die 48 uur of langer duren, moet in een hut voor inhoud en vrij 
nachtverblijf van ten hoogste zes personen, voor elke passagier, voor oS'eï va" 
wie een vaste slaapplaats aanwezig is, ten minste 3,5 kubieke meter ruimten 
lucht beschikbaar zijn. 


In ruimten voor meer dan zes passagiers, voor wie vaste slaap­ 
plaatsen aanwezig zijn, moet voor elke passagier op het onderste 
passagiersdek ten minste 4 kubieke meter en op de andere passagiers- 
dekken of in vaste dekhuizen ten minste 3 kubieke meter lucht be­ 
schikbaar zijn. Is de ruimte verdeeld in afzonderlijke slaap- en woon­ 
ruimten, dan moet in de slaapruimte voor elke passagier op het on­ 
derste passagiersdek ten minste 2,5 kubieke meter en op de andere 
dekken ten minste 2 kubieke meter lucht beschikbaar zijn. 


In ruimten voor meer dan zes passagiers, voor wie geen vaste 
slaapplaatsen aanwezig zijn, moet voor elke passagier 1,6 kubieke 
meter lucht beschikbaar zijn. 


2.^ Voor reizen, die korter dan 48 uur duren, gelden de voor­ 
schriften van lid 1, met dien verstande, dat in ruimten voor meer 
uan zes passagiers, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, voor 
elke passagier niet meer dan 2 kubieke meter lucht beschikbaar be- 
hoeft te zijn. 


3. In ruimten voor meer dan zes passagiers, moet voor elke pas­ 
sagier ten minste 0,84 vierkante meter dekoppervlak beschikbaar zijn. 


4. Voor elke passagier, voor wie een vaste slaapplaats aanwezig 
is, moet ten minste 0,46 vierkante meter vrije oppervlakte aan dek 
in de buitenlucht beschikbaar zijn en voor elke passagier, voor wie 
geen vaste slaapplaats aanwezig is, 0,37 vierkante meter. 


5. Slechts op reizen, welke korter dan 48 uur duren, mogen dek­ 
passagiers worden vervoerd, mits voor elke passagier 0,84 vierkante 
meter vrije oppervlakte aan dek in de buitenlucht beschikbaar is en 


Bijlage II 


ten minste een zesde van het aantal dekpassagiers een overdekte 
schuilplaats kan vinden. 


Indien de omstandigheden en de te bevaren route daartoe aanleiding 
geven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verlenging van 
de tijdsduur van 48 uur toestaan. 


6. Indien de gangen tussen hutten, verblijven of werkplaatsen 
voor een behoorlijke verbinding nodig zijn, mogen zij niet als ver­ 
blijf voor passagiers, als bedoeld in lid 3, in rekening worden ge­ 
bracht. 


7. Als vrij dekoppervlak mag niet in rekening worden gebracht 
dekoppervlak, dat bezet is met kasten, werkbanken en dergelijke 
blijvende inrichtingen of voorwerpen. Evenmin mag in rekening wor­ 
den gebracht het gedeelte van het dek, hetwelk ter beschikking van 
de niet tot de passagiers behorende opvarenden wordt gesteld, noch 
het gedeelte van het brugdek en van het dek op het voorschip, nodig 
voor de besturing van het schip en de behandeling van het ankergerei. 
Bovendien moet voldoende ruimte vrij gehouden worden voor het 
verkeer naar de privaten en wasgelegenheden en voor de scheeps­ 
dienst. 
Artikel 47 


Inrichting van 
1. De dekken in passagiersverblijven moeten hetzij van hout zijn, 
passagiersver- 
hetzij met hout of een andere de warmte slecht geleidende laag van 
b"JVen 
voldoende dikte zijn bedekt. Indien passagiersverblijven onder een 
dek zijn gelegen, dat aan weer en wind is blootgesteld, moet ook dit 
dek ter plaatse door een doelmatige bedekking op voldoende wijze 
warmte en koude kunnen weren. 


2. Een vaste slaapplaats moet esn minimum lengte van 1,90 meter 
en een minimum breedte van 0,68 meter hebben. De slaapplaatsen 
moeten behoorlijk zijn gescheiden en elk afzonderlijk toegankelij 
zijn. 
Er mogen niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar zijn aan­ 
gebracht. De onderkant van de onderste slaapplaats moet op schepen 
van meer dan 500 ton tenminste 30 centimeter en op kleinere schepen 
tenminste 15 centimeter boven het benedenste dek blijven, terwijl 
de tweede slaapplaats midden tussen de eerste slaapplaats en het 
bovenste dek moet zijn aangebracht. 
. 


De inrichting van de slaapplaatsen moet voldoende waarborg bie­ 
den voor wering van ongedierte en een gemakkelijke grondige schoon­ 
maak mogelijk maken. 
, 
, 


Geen slaapplaats mag onder de opening van een luchtkoker zijn 


aangebracht. 


Artikel 48 


ziekenverbiüf 
1. 
Aan boord van een schip, waar het aantal landverhuizers, geen 
landverhuizers 
dekpassagiers zijnde, 50 of meer bedraagt, moet bij een overtocht, 
welke meer dan drie etmalen duurt, een van doelmatige verwarmings- 


Bijlage II 


en ventilatie-middelen voorzien ziekenverblijf zijn ingericht, dat voor 
iedere 50 landverhuizers of gedeelte daarvan ten minste 4 kubieke 
meter inhoud heeft en één slaapplaats bevat. In dit verblijf mogen 
de slaapplaatsen niet boven elkaar zijn aangebracht en de hoogte 
van het verblijf moet ten minste 1,90 meter bedragen, gerekend van 
de onderkant der in het verblijf doorlopende dekbalken tot de 
bovenkant van de vloerbedekking. 


2. Er moet gelegenheid zijn personen, die aan ernstige of aan 
besmettelijke ziekten lijden, afgezonderd van alle anderen behoorlijk 
te verplegen. 


3. 
Bij het ziekenverblijf moet een apotheek tevens verbandkamer, 


of een apotheek met daaraan verbonden verbandkamer aanwezig 
zijn, alsmede een afzonderlijk privaat. 


4. Het ziekenverblijf moet zoveel mogelijk in een dekhuis of onder 
het bovenste dek doelmatig zijn gelegen en zoveel mogelijk van de 
andere verblijven zijn afgescheiden. 


5. Is het aantal landverhuizers kleiner dan 50, dan kan worden 
volstaan met een ziekenkooi, die zodanig met losse wegneembare 
schotten is ingericht, dat een zieke er gemakkelijk in en uit kan 
worden gebracht. 


6. Het ziekenverblijf met daarbij behorende apotheek en privaat 
kan worden samengevoegd met dat, voorgeschreven in het Schepe- 
lingenbesluit. 


Artikel 49 


1. Voor 50 of minder passagiers moeten twee privaten beschik- Privaten en 
baar zijn, voor elk volgend 50-tal of gedeelte daarvan tot en met 500 waterplaatse 
één privaat meer, bij meer dan 500 passagiers voor elk 100-tal of 
gedeelte daarvan één privaat meer. Deze privaten moeten in privaten 
voor mannen en voor vrouwen zijn verdeeld. 


2. 
Bovendien moeten een aantal waterplaatsen ten getale van een 
derde van het aantal privaten aanwezig zijn. Daartoe aangewezen 
privaten mogen als waterplaats dienst doen. 


3. 
De privaten en waterplaatsen moeten op afdoende wijze van 
de verblijven zijn gescheiden en voorts behoorlijk zijn ingericht en 
verlicht, zodat zij gemakkelijk schoon te houden zijn. 


Artikel 50 


Alle voor passagiers opengestelde dekken moeten, waar nodig, verschansingen 
voorzien zijn van een verschansing of relingwerk van ten minste één relin^werk 
meter hoogte. 


Bij relingwerk moet de inrichting zodanig zijn, dat geen gevaar 
bestaat, dat volwassen personen of kinderen door de openingen te 
water geraken. In een verschansing moeten ten aanzien van de water­ 
loospoorten soortgelijke voorzieningen worden getroffen. 


BIJLAGE III 


CONSTRUCTIE VAN PELGRIMSSCHEPEN EN VAN PASSA­ 
GIERSSCHEPEN, WELKE GROTE AANTALLEN PASSAGIERS, 
VOOR WIE GEEN VASTE SLAAPPLAATSEN AANWEZIG 
ZIJN, VERVOEREN IN BEPAALDE GEBIEDEN 


HOOFDSTUK I 


Artikel 1 


Toepassing 
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver­ 


voer van pelgrims tussen havens aan de Rode Zee enerzijds en In­ 
donesië, India, Pakistan, Ceylon, Honkong en de Straits Settlements 
anderzijds, alsmede op schepen, welke bestemd zijn voor het vervoer 
van meer dan 12 passagiers, terwijl voor grote aantallen passagiers 
geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, op reizen tussen Indonesië, 
India, Pakistan, Ceylon, Honkong en de Straits Settlements. 


Artikel 2 


Geldigheid van 
Bijlage II is op de schepen, bedoeld in artikel 1, van toepassing 
bijlage II 
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader is be­ 
paald. 


Artikel 3 


Permeabiliteit 
Van artikel 5 van bijlage II is lid 4 niet van toepassing. 


Artikel 4 


Toelaatbare 
1. Lid 2 van artikel 6 van bijlage II moet als volgt worden ge­ 


lengte van 
Ipypn- 
afdelingen 
lezen. 


Criterium van dienst 
Nadat voor een schip van gegeven lengte de factoren A en B zijn 
vastgesteld, wordt de juiste waarde van de indelingsfactor bepaald 
met behulp van een getal, dat het criterium van dienst aangeeft. Dit 
getal is het criteriumgetal, dat bepaald wordt door de formule: 


M + l,5Pi 
Cs = 72 


waarin: 
Cs het criteriumgetal is; 
M de inhoud is van het voortstuwingsgedeelte, als omschreven m 
artikel 2 van bijlage II, vermeerderd met de inhoud van alle vaste 
brandstofolieruimten, welke zich boven de dubbele bodem en vóór 
of achter het voortstuwingsgedeelte mochten bevinden; 


Bijlage III 


P de gezamenlijke inhoud van de passagiersruimten onder de in- 
dompelingsgrenslijn is; 
li:n^i ^ ®e^e'e 'n'louc^ van het schip onder de indompelingsgrens- 


P1 = P + 2,134A+0,0372 LN, 
waarin: 
A het gezamenlijke dekoppervlak in vierkante meters is van de 
ruimten gemeten voor het vaststellen van het aantal boven de indom- 
pelingsgrenshjn te vervoeren passagiers, voor wie geen vaste slaap­ 
plaatsen aanwezig zijn, vermeerderd met het oppervlak van alle af­ 
delingen, welke meer dan 6 slaapplaatsen bevatten (het oppervlak 
van de ruimten, ingenomen door kombuizen, eetvertrekken, privaten 
wasplaatsen, bagage- en proviandbergplaatsen, toiletten, ziekenver- 
blijven, alsmede het vrije dekoppervlak, beschikbaar voor tussendeks­ 
passagiers, moeten bij het bepalen van A niet worden medegerekendV 
L de lengte van het schip in meters is; 
N het aantal boven de indompelingsgrenslijn gelegen slaapplaatsen 
voor hutpassagiers is, waarbij iedere passagier, die verblijf houdt in 
een ruimte, welke met meer dan 6 vaste slaapplaatsen bevat, als hut­ 
passagier wordt beschouwd. 


2. Lid 3, onder (d) van artikel 6 van bijlage II moet als volst 
worden gelezen: 


De bepalingen onder (c) vermeld, zijn ook van toepassing op 
schepen van onverschillig welke lengte, die een totaal aantal passa­ 
giers mogen vervoeren, dat groter is dan 12, doch niet groter dan 


de waarde van — (L in meters), waarbij echter het aantal 280 niet 


mag worden overschreden. Hiervan mag het aantal hutpassagiers 


niet groter zijn dan de waarde van— 
(L in meters), waarbij echter 


het aantal 50 niet mag worden overschreden. 


Voor schepen met een lengte van 131 meter of groter, waarop dit 
lid van toepassing is, moet de indeling achter de voorpiek geregeld 
worden met behulp van de factor één. 


3. Lid 4 van artikel 6 van bijlage II is niet van toepassing. 


Artikel 5 


1. Lid 3 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge- Bijzondere bepa- 


lezen; 
lingen nopens de 


In schepen met een lengte van 131 meter of groter moet één van deHngichte 
de hoofddwarsschotten achter de voorpiek worden aangebracht op 
een afstand van de vóórloodlijn, welke niet groter is dan de vulbare 
lengte. 


Bijlage III 


2. Lid 7 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge­ 
lezen: 
| 


Indien de afstand tussen twee opvolgende hoofddwarsschotten of 
tussen de daarmede gelijkwaardige vlakke schotten, als bedoeld in 
lid 5 dan wel de afstand tussen de dwarsvlakken, gaande door de 
dichtst bij elkaar gelegen vlakken van nissen in de schotten, minder 
is dan 3,05 meter, vermeerderd met 2 percent van de lengte van net 
schip, mag slechts één dezer schotten volgens de bepalingen van 
artikel 6 beschouwd worden deel uit te maken van de waterdichte 
indeling van het schip. 


3. Lid 8 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge- 
lezen! 


Indien een dwarsscheepse waterdichte hoofdafdeling plaatselijk 
onderverdeeld is en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie kan worden aangetoond, dat bij beschadiging in de zijde, 
welke zich uitstrekt over een lengte van 3,05 meter, vermeerder 
met 2 percent van de lengte van het schip, de gehele hoofdafdeling 
niet volloopt, zal naar verhouding een vergroting van de anders voor­ 
geschreven toelaatbare lengte worden toegekend. In een dergelijk 
geval mag het drijfvermogen, dat verondersteld wordt aan de onbe­ 
schadigde zijde aanwezig te zijn, niet groter zijn dan dat aan de be­ 
schadigde zijde. 


Artikel 6 


stabiliteit van 
1. Artikel 8 van bijlage II is niet van toepassing. 


schepen in be- 
_ 
Tntjien waterdichte dekken, een dubbele huid of al ot met 
stand 
e tOC" 
waterdichte langsschotten worden aangebracht, moet ten genoegen 
van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond, dat 
de veiligheid van het schip daardoor in geen enkel opzicht zal wor­ 
den verminderd. Daarbij moet in het bijzonder acht worden geslagen 
op de mogelijkheid van het ontstaan van slagzijde ten gevolge van 
het vollopen van gedeelten van het schip ter plaatse van dergelijke 
constructiedelen. 


Artikel 7 


Merken van in- 
In artikel 10, lid 2 van bijlage II moet in plaats van de aanwij- 
deiingsiastiünen 
7ingPn 
C2, C3, enz." worden gelezen: „D,, U2, u3, enz. . 


Artikel 8 


plaatsen, waar 
Lid 2 van artikel 14 van bijlage II moet als volgt worden ge- 


het gebruik van fezen*. 


draaideuren is ge- 
Waterdichte draaideuren mogen, mits onder door het Hoofd^ van 
Scheeovaartinspectie te stellen voorwaarden, in schotten welke 


tussendekslaadruimen van elkaar scl?eid/no>^ 
worden aangebracht, als waarop laadpoorten in het scheepsooor 


• 


Bijlage III 


volgens de bepalingen van artikel 11 van bijlage III zijn toegestaan, 
indien de noodzakelijkheid van deze deuren kan worden aangetoond. 


Artikel 9 


Lid 1 (II) van artikel 15 van bijlage II moet als volgt worden ge- inrichtingen 
tot 
lezen: 
bewegen van 
waterdichte 


Indien het aantal van zulke deuren groter is dan 3 en niet groter schuifdeuren 
dan 5 en het criteriumgetal, bedoeld in artikel 4 van bijlage III: 


(a) niet groter is dan 30, mogen alle waterdichte schuifdeuren 
uitsluitend met de hand beweegbaar zijn; 


(b) groter is dan 30, moeten alle waterdichte schuifdeuren als 
werktuiglijk bewogen deuren zijn uitgevoerd. 


Indien het aantal van zulke deuren niet groter is dan 3: 


(a) mogen, indien het criteriumgetal niet groter is dan 65, alle 
waterdichte schuifdeuren uitsluitend met de hand beweegbaar zijn; 


(b) moeten, indien het criteriumgetal groter is dan 65, alle water­ 
dichte schuifdeuren werktuiglijk beweegbaar zijn. 


Artikel 10 


Artikel 17 van bijlage II moet als volgt worden gelezen: 
Patrijspoorten en 


1. (a) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening vas,e lichtranden 
van een patrijspoort lager zou zijn gelegen dan een lijn, welke even­ 
wijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en 
welke haar laagste punt heeft op een hoogte boven de bovenste in­ 
delingslastlijn, overeenkomend met 2,5 percent van de breedte van 
het schip, mogen in dit tussendek geen patrijspoorten, doch slechts 
vaste lichtranden worden aangebracht; 


(b) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening van 
een patrijspoort hoger is gelegen dan de onder (a) genoemde lijn, 
doch lager dan een lijn, welke eveneens evenwijdig aan het schotten- 
dek op het scheepsboord is getrokken en welke haar laagste punt 
heeft op een hoogte, gelijk aan 3,66 meter, vermeerderd met 2,5 per­ 
cent van de breedte van het schip boven de bovenste indelingslast­ 
lijn, moeten alle patrijspoorten in dat tussendek zodanig zijn uitge­ 
voerd, dat zij niet door onbevoegden geopend kunnen worden. 


2. Deugdelijke, scharnierende blinden, welke zodanig zijn inge­ 
richt, dat zij gemakkelijk en afdoend gesloten en waterdicht aange­ 
drukt kunnen worden, moeten aan de binnenzijde zijn aangebracht 
op alle onder de indompelingsgrenslijn gelegen patrijspoorten, voor­ 
zover zij: 


(a) vaste lichtranden moeten zijn; 


Bijlage III 


(b) binnen een achtste van de lengte van het schip van de vóór­ 
loodlijn zijn gelegen; 


(c) op de plaats, aangeduid in lid 1, onder (b), zijn gelegen; 
Cd) 
gedurende de vaart niet bereikbaar zijn; 


(e) in ruimten, welke bestemd zijn voor de huisvesting van de 
scheepsgezellen of van tussendekspassagiers, zijn gelegen. 


3. Patrijspoorten, welke onder het schottendek zijn aangebracht, 
met uitzondering van die, welke in het vorige lid zijn vermeld, moeten 
aan de binnenzijde voorzien zijn van deugdelijke blinden, welke weg- 
neembaar mogen zijn en in de onmiddellijke nabijheid van de patrijs­ 
poorten geborgen moeten worden. Deze blinden moeten van vloei- 
ijzer, gegoten staal of gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd. Wan­ 
neer zij niet naast of onder de poorten zijn opgehangen, moeten de 
plaatsen, waar zij zijn geborgen, duidelijk zijn aangegeven. 


4. In ruimen, welke uitsluitend voor het vervoer van lading of 
het bergen van kolen zijn bestemd, mogen geen patrijspoorten zijn 
aangebracht. 


5. Patrijspoorten met automatische ventilatie mogen zonder mach­ 
tiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet onder de in­ 
dompelingsgrenslijn in het scheepsboord worden aangebracht. 


Artikel 11 


Toegangs-, laad- 
Artikel 19 van bijlage II moet als volgt worden gelezen: 


ahmede^openin- 
1. Toegangs-, laad- en kolenpoorten in het scheepsboord, welke 
gen 
van stort- oncjer de indompelingsgrenslijn zijn aangebracht, moeten van vol- 
kokers 
doende sterkte zijn. 


Laad- en kolenpoorten, welke geheel of gedeeltelijk onder de bo­ 
venste indelingslastlijn zijn gelegen, mogen slechts met bijzondere 
machtiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aan­ 
gebracht. 


2. De binnenboordopening van elke stortkoker voor as, vuil, enz. 


moet van een deugdelijk deksel zijn voorzien. 


Indien de binnenboordopening onder de indompelingsgrenslijn is 
gelegen, moet het deksel waterdicht afsluiten en moet bovendien een 
terugslagklep in de koker op een gemakkelijk toegankelijke plaats 
boven de bovenste indelingslastlijn zijn aangebracht. Wanneer de 
koker niet in gebruik is, moeten zowel het deksel als de klep gesloten 
en geborgd zijn. 


Artikel 12 


Dubbele bodems 
Lid 8 van artikel 22 van bijlage II is niet van toepassing. 


Artikel 13 


pompinrichting 
Van artikel 24 van bijlage II zijn lid 4 en lid 9, met uitzondering 
van de eerste volzin, niet van toepassing. 


Bijlage III 


Artikel 14 


1. Hoofdstuk II van bijlage II is niet van toepassing 
Brandwerende 
schotten 
2. Alle schepen moeten op door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie goedgekeurde plaatsen boven het schottendek voorzien zijn 
van brandwerende schotten, welke zonder onderbreking van boord 
tot boord doorlopen. 


De gemiddelde afstand tussen twee opvolgende brandwerende 
schotten mag in het algemeen niet groter zijn dan 40 meter. 


Zij moeten van metaal of ander brandwerend materiaal gemaakt 
zijn en in staat zijn gedurende één uur het verspreiden van brand 
aan boord, waarbij een temperatuur van 815° Celsius aan één zijde 
van het schot ontstaat, tegen te houden. 


Sprongen en nissen in deze schotten en de middelen om de ope­ 
ningen in de schotten af te sluiten moeten brandwerend en vlam- 
dicht zijn. 


3. De in lid 2 geëiste brandwerende schotten behoeven niet te 
worden aangebracht in een lange, gesloten, afzonderlijke bovenbouw, 
welke niet blijvend is ingericht voor het vervoer van passagiers, voor 
wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn en evenmin in een bovenbouw 
met grote openingen in het scheepsboord. 


Artikel 15 


De eerste volzin van artikel 47, lid 1 van bijlage II is niet van inrichting van 
toepassing op de tussendekken en de dekken binnen een bovenbouw, {^®icrsver" 
wanneer daarop passagiers worden vervoerd, voor wie geen vaste 
slaapplaatsen aanwezig zijn of wanneer daarop passagiers worden 
vervoerd, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn in afdelingen 
voor meer dan zes personen. 


Artikel 16 


1. Artikel 48 van bijlage II is niet van toepassing. 
ziekenverbiijf, 


2. Er moeten aan boord één of meer van doelmatige ventilatie- 
middelen voorziene ziekenverblijven zijn ingericht, welke niet bene- 
dendeks gelegen mogen zijn en gezamenlijk tenminste 6 slaapplaatsen 
bevatten. De oppervlakte van een ziekenverbiijf voor 6 personen moet 
tenminste 13 vierkante meter zijn; de oppervlakte van ziekenverblijven 
voor een kleiner aantal personen wordt door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie vastgesteld. De hoogte moet ten minste 1,90 
meter zijn, gerekend van de onderkant van de in het verblijf door­ 
lopende dekbalken tot de bovenkant van de vloerbedekking. 


3. Indien meer dan 50 vrouwelijke tussendekspassagiers worden 
vervoerd, moet een afzonderlijk ziekenverbiijf, dat ten minste 2 
slaapplaatsen bevat, voor deze zijn ingericht. De oppervlakte van het 
verblijf moet tenminste 6,5 vierkante meter zijn, terwijl hetgeen ove­ 
rigens in lid 2 is bepaald van toepassing is. 


Bijlage III 


4. Er moet een van het ziekenverblijf gescheiden apotheek aan 
boord zijn. 


5. De ziekenverblijven moeten van afzonderlijke privaten zijn 
voorzien en zo zijn gebouwd, dat personen, die aan een besmettelijke 
ziekte lijden en personen, die met hen in aanraking zijn geweest, 
kunnen worden afgezonderd overeenkomstig de aard van de ziekte. 


Artikel 17 


Privaten en was- 
i. Artikel 49 van bijlage II is slechts van toepassing voor zoveel 
gelegenheden 
gr passagiers worden vervoerd, voor wie vaste slaapplaatsen aan- 
wezig zijn in afdelingen voor ten hoogste zes personen. 


2. Voor de overige passagiers moeten voor elk 100-tal of ge­ 
deelte daarvan 3 privaten aanwezig zijn. Een voldoend aantal van 
deze privaten moet uitsluitend voor vrouwen bestemd zijn; geen pri­ 
vaten of waterplaatsen mogen zich bevinden in tussendekken of in 
het ruim. 


3. De privaten en waterplaatsen moeten voldoende ruim en luchtig 
zijn en met waterdoorloop zodanig zijn ingericht, dat zij gemakkelijk 
kunnen worden schoongehouden. 


4 
Voor alle passagiers moet tussen de keerkringen gelegenheid 
bestaan zich dagelijks geheel te wassen, terwijl een voldoend aantal 
der wasgelegenheden uitsluitend voor vrouwelijke passagiers bestemd 
moet zijn. 


HOOFDSTUK II 
Artikel 18 


Toepassing 
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver­ 


voer van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste slaapplaatsen 
aanwezig zijn, tussen havens in de volgende gebieden, of op de 
volgende reizen: 


( a ) De Caraïbische Zee, benevens een strook ter breedte van 
30 zeemijlen aan de Noordzijde der Grote Antillen en aan de Noord­ 
en Oostzijde der Kleine Antillen en voor reizen in een gebied, ge­ 
legen ten Westen van de lijn Ragged Point (Barbados) naar de mon­ 
ding van de Surinamerivier, waarop de schepen zich niet verder dan 
200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen; 


( b ) Voor reizen langs de Westkust van Midden- en Zuid-Amerika 
tussen havens, niet noordelijker gelegen dan 13° Noorderbreedte 
en niet zuidelijker dan Coquimbo, waarop de schepen zich niet verder 
dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen; 


( c ) Voor reizen langs de Westkust van Afrika tussen havens, 
niet noordelijker gelegen dan Kaap Blanco en niet zuidelijker dan 
Mossamedes, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zeemijlen 
van het naastbijzijnde land verwijderen; 


Bijlage III 


(d) De Rode Zee en de Golf van Aden ten westen van de meri­ 
diaan van 52° Oosterlengte, alsmede voor reizen langs de Oostkust 
van Afrika, niet zuidelijker dan de haven van Lourenzo Marqués, 
waarop de schepen zich niet verder dan 200 zeemijlen van het naast- 
bijzijnde land verwijderen. 


Artikel 19 


Op schepen bedoeld in artikel 18 is hoofdstuk I van toepassing, Geldigheid van 
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader ishoofdstuk 1 
bepaald. 


Artikel 20 


Artikel 4 is niet van toepassing. 
Toelaatbare 


In afwijking van het bepaalde in artikel 6 van bijlage II wordt delgen*" af" 
steeds de indelingsfactor één gebruikt, tenzij ten genoegen van het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat het noch 
praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is deze factor aan te houden. 


Artikel 21 


Artikel 7 is niet Van toepassing. 
Merken van inde- 
lingslastlijnen 


Artikel 22 


Artikel 16 is niet van toepassing. 
ziekenverbiijf, 
apotheek 


Artikel 23 


In afwijking van het bepaalde in artikel 46, lid 5 van bijlage II, Vrüe oppervlakte 
mogen ook op reizen, welke 48 uur of langer duren, dekpassagiers v°" dekPassa- 
worden vervoerd, mits de vrije oppervlakte aan dek, beschikbaar voor 8'er" 
de passagiers, tot 1,1 vierkante meter per persoon wordt uitgebreid. 


BIJLAGE IV 


VOORSCHRIFTEN VOOR DE VASTSTELLING VAN DE 
UITWATERING VAN SCHEPEN 


HOOFDSTUK I 


Inleiding 


Artikel 1 


Toepassing 
i. Deze bijlage is van toepassing op alle schepen, bedoeld in de 


artikelen 94 en 95 van het Schepenbesluit, met dien verstande, dat: 


( a ) voor schepen van minder dan 150 ton, welke zich uitsluitend 
in bepaalde vaargebieden ophouden, door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie, voorzover het de hoofdstukken II tot en met V van 
deze bijlage betreft, afwijking van de voorschriften kan worden toe­ 
gestaan; 


( b ) het minimum vrijboord voor schepen, waarvan de kiel is gelegd 
vóór 1 Juli 1932, voor zover zij sindsdien geen zodanige verbouwing 
ondergaan hebben, dat de uitwatering opnieuw moet of moest worden 
vastgesteld, wordt berekend volgens de bepalingen, zoals deze waren 
opgenomen in het Koninklijk Besluit van 22 September 1909, Staats­ 
blad no. 315. Deze schepen moeten slechts, voor zover dit redelijk en 
praktisch uitvoerbaar is, aan de eisen, gesteld in hoofdstuk II, voldoen. 


2. 
De eigenaar van een schip als bedoeld in lid 1 onder ( b ) kan 
schriftelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verzoeken 
voor zulk een schip een certificaat, aangevende een minimum vrij­ 
boord volgens de bepalingen van deze bijlage, uit te reiken. In dit 
geval moet geheel voldaan worden aan de in deze bijlage gestelde 
eisen. 


Artikel 2 


Geldigheidsduur 
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt de geldigheids­ 
van certificaten 
duur yan het certificaat van uitwatering en van dat voor de houtvaart 
met dien verstande, dat deze nimmer langer mag zijn dan vijf jaar, 
gerekend van de datum van afgifte. 


2. 
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de geldigheids­ 
duur periodiek voor een bepaald tijdvak, doch telkenmale niet langer 
dan vijf jaar, verlengen. Deze verlenging van de geldigheidsduur 
wordt op het certificaat aangetekend. 


3. Certificaten worden niet afgegeven, noch wordt hun geldig­ 
heidsduur verlengd, zonder dat een volledige periodieke inspectie 
heeft plaats gehad, waarbij gebleken is, dat voldaan is aan de in deze 
bijlage gestelde eisen. 


Bijlage IV 


Artikel 3 


1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage wordt Omschrijvingen 
een lichter, een sleepschip of enig ander schip zonder voldoende 
eigen voortstuwingsmiddelen, op voorwaarde, dat zodanig vaartuig 
gesleept wordt, als een stoomschip beschouwd. 


2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder: 
gladdekschip: een schip zonder enige bovenbouw op het vrijboord- 


dek; 


bovenbouw: een overdekte constructie op het vrijboorddek, welke 
zich van boord tot boord uitstrekt, terwijl een verhoogd halfdek wordt 
beschouwd als een bovenbouw; 


minimum vrijboord: de afstand loodrecht langs het scheepsboord 
gemeten van de bovenkant van de deklijn als aangegeven in artikel 4 
tot het uitwateringsmerk; 


vrijboorddek: het dek, van welks bovenkant het vrijboord wordt ge­ 
meten, dus als regel het bovenste doorlopende dek, dat voorzien is 
van permanente middelen tot sluiting van alle openingen in de aan 
weer en wind blootgestelde gedeelten, als bedoeld in de artikelen 
11 tot en met 18. Het is het bovendek van gladdekschepen en van 
schepen met niet doorlopende bovenbouw. Op schepen, die binnen 
een bovenbouw, welke niet geheel gesloten is of welke niet is voor­ 
zien van de in artikel 44 bedoelde middelen tot afsluiting der eerste 
klasse, dekken hebben, welke verspringen, wordt het laagste gedeelte 
van zodanig dek onder het dek van de bovenbouw als vrijboorddek 
beschouwd. 


midscheeps: de plaats van het dwarsscheepse vlak op het midden 
van de lengte, zoals deze volgens artikel 33 wordt bepaald. 


Artikel 4 


De deklijn wordt aangegeven door een horizontale lijn met een Deklijn 
lengte van 300 millimeter en een dikte van 25 millimeter. Zij wordt 
midscheeps aan elke zijde van het schip aangebracht en haar boven­ 
kant valt samen met de snijlijn van het doorgestrookte bovenvlak van 
het vrijboorddek met de buitenzijde van de huid (zie afbeelding 1). 
Indien midscheeps een gedeeltelijk houten dek is aangebracht, moet 
de bovenkant van de deklijn samenvallen met de snijlijn van het door- 
gestrookte bovenvlak van de dekdelen midscheeps met de buitenzijde 
van de huid. 


Bijlage IV 


Afbeelding 1 


Artikel 5 


De cirkel van het 
De cirkel van het uitwateringsmerk heeft een buitenmiddellijn van 
uitwatering*- 
3Q() millimeter en een dikte van 25 millimeter; hij wordt gesneden 
door een horizontale lijn met een lengte van 460 millimeter en een 
dikte van 25 millimeter, welker bovenzijde door het middelpunt van 
de cirkel gaat. De cirkel wordt loodrecht onder de deklijn midscheeps 
geplaatst. 


Artikel 6 


Lijnen in verband 
lijnen, welke de grootste toegelaten diepgang onder verschil- 


gebruiken*rkel "lende omstandigheden en voor verschillende vaargebieden en jaar­ 
getijden (hoofdstuk VII) aanduiden, moeten horizontale lijnen zijn 
met een lengte van 230 millimeter en een dikte van 25 millimeter. 
Zij beginnen bij en staan loodrecht op een verticale lijn, welke 540 
millimeter vóór het middelpunt van de cirkel is geplaatst (zie afbeel­ 
ding 1). 


De volgende lijnen kunnen voorkomen: 
(a) Uitwateringslijn voor de Zomer. 
De Uitwatering voor de Zomer (Zomeruitwatering) wordt aan­ 
geduid door de bovenkant van de lijn, welke gaat door het middel- 


Bijlage IV 


punt van de cirkel en tevens door een op gelijke hoogte gelegen 
lijn, gemerkt Z; 


(b) Uitwateringslijn voor de Winter. 
De Uitwatering voor de Winter (Winteruitwatering) wordt aan­ 
geduid door de bovenkant van een lijn, gemerkt W; 
(c) Uitwateringslijn voor de Winter in de Noord-Atlantische 
Oceaan. 


De Uitwatering voor de Winter in de Noord-Atlantische Oceaan 
(Noord-Atlantische Winteruitwatering) wordt aangeduid door de 
bovenkant van een lijn, gemerkt W N A; 


(d) Uitwateringslijn voor de Tropen. 
De Uitwatering voor de Tropen (Tropenuitwatering) wordt aange­ 
duid door de bovenkant van een lijn, gemerkt T; 


(e) Uitwateringslijnen in Zoetwater. 
De Uitwatering in Zoetwater voor de Zomer (Zomer-Zoetwater- 
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge­ 
merkt Z W. 


Het verschil tussen de Zomer-Zoetwateruitwatering en de Zomer- 
uitwatering is de correctie, die bij andere uitwateringslijnen moet 
worden toegepast bij het laden in zoet water. 


De Tropen-Zoetwateruitwatering wordt aangeduid door de boven­ 
kant van een lijn, gemerkt T Z W. 


Artikel 7 


1. Wanneer de berekening van het minimum vrijboord uitsluitend Aanduiding van 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie heeft plaats gehad, ge- bureau^'dat hdc 
schiedt het toezicht op de plaatsing van het merk door een ambtenaar juiste plaatsing 
van de Scheepvaartinspectie. Naast de cirkel en boven de middellijn ™ft g«ontro-rk 
worden in dit geval de letters S en I geplaatst. Deze letters moeten een leerd 
hoogte van 115 millimeter hebben, terwijl de dikte der letters 15 
millimeter en de breedte van de letter S ongeveer 75 millimeter moet 
bedragen. S wordt links en I rechts van de cirkel geplaatst. 


2. Wanneer de berekening van het minimum vrijboord onder toe­ 
zicht van voornoemd Hoofd door een particulier onderzoekingsbureau 
heeft plaats gehad, geschiedt het toezicht op de plaatsing van het merk 
door een vertegenwoordiger van dit onderzoekingsbureau. De naam 
van het betrokken bureau wordt door naast de cirkel te plaatsen letters 
aangeduid. Deze letters moeten een hoogte van 115 millimeter, een 
dikte van 15 millimeter en een breedte van ongeveer 75 millimeter 
hebben. 


Artikel 8 


De cirkel, lijnen en letters moeten in wit of geel op donkere grond Büzonderheden 
of in zwart op lichte grond worden aangebracht. Zij moeten op de betreffende het 
boorden van ijzeren of stalen schepen bovendien zorgvuldig ingehakt hrtmlrT" va" 


Bijlage IV 


of met een kornagel ingeslagen zijn en op houten schepen moeten 
zij tenminste 3 millimeter diep in de huidbeplanking ingesneden zijn. 
De merken moeten goed zichtbaar zijn en blijven. 


Artikel 9 


Verificatie van de 
Het certificaat van uitwatering wordt eerst uitgereikt, nadat aan 
merken 
de betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, dan wel aan 
de vertegenwoordiger van het betrokken particulier onderzoekings­ 
bureau, is gebleken, dat de merken juist en onuitwisbaar zijn aan­ 
gebracht. 


Hij, die de plaats van het merk heeft gecontroleerd, geeft hiervan 
onmiddellijk schriftelijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie. 


HOOFDSTUK II 
Voorwaarden, waaraan het schip moet voldoen voor het verkrijgen 
van een certificaat van uitwatering 
A. Inleiding 


Artikel 10 


Algemene voor- 
Qe vaststelling van de uitwatering geschiedt onder de voorwaarden, 
waarden 
dat het schip voldoende sterk is gebouwd en dat maatregelen zijn 
genomen om schip en bemanning doeltreffend, mede in verband met 
de grootte van het minimum vrijboord, te beschermen. 


De bepalingen van dit hoofdstuk zijn geheel van toepassing op die 
schepen, voor welke het kleinste, volgens deze bijlage voor het type 
en de grootte van het schip bepaalde minimum vrijboord wordt 
vastgesteld. Ten aanzien van schepen, voor welke op grond van hun 
algemene sterkte of om andere redenen een groter minimum vrijboord 
wordt vastgesteld, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ver­ 
mindering van de in dit hoofdstuk vermelde eisen toestaan, mits de 
bescherming naar verhouding doeltreffend is. 


B. Openingen in het vrijboorddek en in dekken 
van de bovenbouw 


Artikel 11 


Luik- en andere 
£)e (jouw en inrichting van luik- en andere hoofden op blootge- 
nfefdoo'r debo- stelde plaatsen op het vrijboorddek en op dekken van de bovenbouw 
venbouw be- 
moeten tenminste gelijkwaardig zijn aan hetgeen in de artikelen 12 
schermd worden tot en met jg aJg standaardconstructie is vastgesteld. 


Artikel 12 


Luikhoofden 
j 
Onverminderd het bepaalde krachtens de Stuwadoorswet moet 
de hoogte van luikhoofden op vrijboorddekken tenminste 61 centi­ 
meter boven het dek bedragen. De hoogte van hoofden op dekken 
van de bovenbouw moet tenminste 61 centimeter boven het dek be­ 
dragen, indien zij binnen een vierde gedeelte van de scheepslengte 


Bijlage IV 


van de voorsteven zijn gelegen en ten minste 46 centimeter, indien zij 
elders zijn gelegen. 


2. De hoofden moeten deugdelijk van staal zijn vervaardigd en, 


indien een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, van een deug­ 
delijke horizontale verstijving zijn voorzien, welke niet lager dan 
25 centimeter onder de bovenkant is aangebracht en welke op af­ 
standen, niet groter dan 3,05 meter, van deugdelijke knieën of 
steunen tussen die verstijving en het dek is voorzien. Voor dwars- 
hoofdplaten, welke beschermd zijn, kunnen deze eisen worden ver­ 
minderd. 


3. In het algemeen mag een opening in een vrijboorddek niet 
langer dan 30 percent van de scheepslengte of breder dan 60 percent 
van de scheepsbreedte zijn, terwijl het oppervlak over het algemeen 
niet groter mag zijn dan 15 percent van het oppervlak, verkregen 
door de lengte en de breedte van het schip met elkaar te vermenig­ 
vuldigen. Voor kleine schepen in zeer beperkt vaargebied kunnen 
deze percentages tot 33 onderscheidenlijk 70 en 22 worden vergroot. 


Indien het om bijzondere redenen noodzakelijk is een opening in 
het vrijboorddek groter te maken, dan in de eerste zinsnede van dit 
lid is aangegeven, moeten zowel in het dwarsverband van het schip, 
als in de gebruikelijke omlijsting van de opening in het dek door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed te keuren versterkingen 
worden aangebracht. 


Artikel 13 


1. Luiken voor blootgestelde luikopeningen moeten deugdelijk Luiken 
zijn samengesteld en te allen tijde goed passend zijn. Indien zij van 
hout zijn vervaardigd, moet de dikte na afwerking ten minste 60 milli­ 
meter zijn voor een spanning van niet meer dan 1,52 meter. De 
breedte van elk draagvlak moet voor deze luiken ten minste 63 milli­ 
meter bedragen. Indien de spanning groter is dan 1,52 meter worden 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere voorschriften 
gegeven. 


2. De einden van houten luiken moeten zijn voorzien van gegal­ 
vaniseerde stalen banden van, in verband met de afmetingen der 
luiken, voldoende breedte en dikte. Dit voorschrift is niet van toe­ 
passing op de schepen, bedoeld in de hoofdstukken II en III van 
bijlage VII van het Schepenbesluit. 


3. Indien stalen luiken worden toegepast, moeten zij van gelijke 
sterkte zijn als voor houten luiken is voorgeschreven. 


Artikel 14 


1. Indien houten luiken worden toegepast en voor de luikhoofden Luikschiiden 
een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, moeten de luik- langsmerkels 
schilden en de langsmerkels de afmetingen hebben en op onderlinge 
afstanden liggen, als in tabel I is aangegeven. 


Bijlage IV 


2. Indien voor de luikhoofden een hoogte van 46 centimeter is 
voorgeschreven, moeten de luikschilden en de langsmerkels de af­ 
metingen hebben en op onderlinge afstanden liggen, als in tabel II is 
aangegeven. 


3. De versterkingshoekstalen aan de bovenkant van elk schild 
moeten over de gehele lengte van het schild doorlopen. Houten 
langsmerkels moeten op alle draagvlakken van staalbeslag zijn voor­ 
zien. 


4. Indien stalen luiken worden toegepast moeten de afstanden, 
de afmetingen en de constructie van de luikschilden en de langs­ 
merkels, welke ook één geheel met de luiken mogen uitmaken, aan 
de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden 
onderworpen. 


Artikel 15 


stroppen of 
Stroppen of schoenen voor schilden en langsmerkels moeten van 
schilden" voor 
staal zijn; hun dikte moet ten minste 12,5 millimeter en de breedte 
van het draagvlak ten minste 75 millimeter bedragen. 


Artikel 16 


Scnaimiippen 
j 
Sterke schalmlippen met een breedte van ten minste 63 milli­ 
meter moeten op afstanden van niet meer dan 61 centimeter van hart 
tot hart aan de luikhoofden worden aangebracht; de schalmlippen 
aan de einden mogen niet verder dan 15 centimeter van elke hoek 
van het hoofd zijn geplaatst. 


De schalmlippen moeten van een goedgekeurd model zijn met een 
tapsheid ten opzichte van de luikhoofdplaat van 1 op 6. Bij toepas­ 
sing van stalen keggen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
afwijking toestaan. 


2. Wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanwezig 
zijn van presennings bij de toepassing van stalen luiken niet nodig 
oordeelt, kan van het aanbrengen van schalmlippen worden afgezien. 


Artikel 17 


Schaimiatten en 
Schalmlippen en keggen moeten deugdelijk en in goede staat zijn. 
keseen 
De heggen moeten van daartoe geschikt hout volgens goedgekeurd 


model zijn vervaardigd en een tapsheid hebben van 1 op 6. Aan het 
dunste eind moet de dikte ten minste 13 millimeter bedragen. De 
toepassing van stalen keggen kan door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie worden toegestaan. 


Artikel 18 


Voorziening van 
j. Alle luikopeningen, waarvan het luikhoofd, krachtens arti- 
de luiken 
kel ^ 2> li(J ^ een hoogte van 
centimeter moet hebben, moeten 


voorzien zijn van doeltreffende middelen om de luiken neer te druk­ 
ken, nadat de presennings zijn aangebracht en geschalmd. Tot deze 
middelen worden ook stalen sluitbalken gerekend, mits deze deugde­ 
lijk en onafhankelijk van elkaar elke rij luiken neerdrukken. 


Bijlage IV 


2. 
Bij alle overige luikhoofden, welke op een blootgestelde plaats 
op het vrijboorddek of op een dek van de bovenbouw zijn aange­ 
bracht, moeten ringbouten of andere inrichtingen om sjorrings te 
bevestigen aanwezig zijn. 


Indien de breedte van een luikhoofd groter is dan 60 percent van 
de breedte van het dek ter plaatse en volgens artikel 12 voor het 
hoofd een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, moeten in­ 
richtingen voor extra sjorrings zijn aangebracht, teneinde de luiken 
op hun plaats te houden nadat de presennings zijn vastgekegd. 


3. 
Bij toepassing van stalen luiken moet de waterdichte afsluiting 
van blootgestelde luikopeningen op door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie goedgekeurde wijze zijn verkregen. 


Artikel 19 


Luik-, kolenstort- en dergelijke openingen in het vrijboorddek Luik- en andere 
binnen een bovenbouw, welke van de in artikel 45 bedoelde middelen o™h«^bóo8rd- 
tot afsluiting der tweede klasse zijn voorzien, moeten hoofden met een dek binnen een 
hoogte van ten minste 23 centimeter en inrichtingen tot sluiting van z^^van" midde- 
die openingen hebben, welke even doeltreffend zijn als die, vereist ien tot afsluiting, 
voor blootgestelde luikhoofden, waarvan de hoofden 46 centimeter "odtreffend" n 
hoog zijn. 
dan die der eerste 


Indien de middelen tot afsluiting minder doeltreffend zijn dan die klasse 
der tweede klasse, moeten de luikopeningen hoofden hebben met een 
hoogte van ten minste 46 centimeter en middelen en inrichtingen tot 
sluiting van die openingen, even doeltreffend als die, welke voor 
blootgestelde luikhoofden worden geëist. 


TABEL I 
Hoogte der luikhoofden 61 centimeter 


Luikschilden en langsmerkels voor schepen met een lengte van 61 meter of meer *) 


Luikschilden 


— 
. 


Luikschilden met langsmerkels 
Luikschilden zonder 
langsmerkels 


Wijdte der 
' 
~~ 
— 


luikopening 
Beslag 
Afstand van hart tot hart 
Afstand van hart tot hart 


1,83 m 
2,44 m 
3,05 m 
1,22 m 
j 
1,52 m 


m 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 


3,05 
75x75x10 HS 
280 x 7,5 P 
305 x 8 P 
356 X 8,5 P 
230x11,5 BP 254x12,5 BP 


3,66 
75x75x10 HS 
305 x 8 P 
356 X 8,5 P 
432 X 9 P 
280x12,5 BP 305x12,5 BP 


4,27 
75 X75 x 10,5 HS 
356 X 8,5 P 
432X 9 P 
508 X 9,5 P 
305x12,5 BP 305 X 8 
P 


4,88 
90 X 75 X 10,5 HS 
406 X 9 P 
483 X 9,5 P 
559 X 9,5 P 
305 X 8 P 
356 X 8 5 P 


5,49 
100x75x11 HS 
457 X 9 P 
533 x 9,5 P 
635x10 P 
356X 8,5 P 
406 x 9 P 


6,10 
100x75x11 HS 
508 X 9,5 P 
610x10 P 
71 lx 10,5 P 
381X 8,5 P 
457 x 9 P 


6,71 
115x75x11,5 HS 
559x 9,5 P 
660x10,5 P 
762x11 P 
406x 9 P 
483 X 9 P 


7,32 
130x90x11,5 HS 
584x10 P 
711 x 10,5 P 
813x11 P 
432x 9 P 
508 X 9,5 P 


7,93 
140x90x12 HS 
610x10 P 
736x10,5 P 
864x11,5 P 
457x 9 
P 
533 x 9 5 P 


8,54 
150x90x12,5 HS 
635x10 P 
787x11 P 
915x12 P 
483 X 9,5 P 
559 x 9 5 P 


9,14 
150x90x13 HS 
660x10,5 P 
813x11 P 
965x12 P 
508 X 9,5 P 
584x10' P 


HS = Hoekstaal; BP = Bulbplaat; P = Plaat. 


*) In schepen, welker lengte 30,50 meter niet te boven gaat, mag de hoogte van uit plaat en hoekstalen samengestelde 
schilden 60 percent van de hierboven vermelde hoogten bedragen; de hoogten van schilden en langsmerkels, welke uit bulb­ 
plaat en gewoon hoekstaal zijn samengesteld, mogen 80 percent bedragen van de hierboven vermelde hoogten; de dikten van 
platen, hoekstalen en bulbplaten moeten overeenkomen met de dikten, die in de tabel voor de gereduceerde hoogten, 
doch met een minimum van 7,5 millimeter, zijn aangegeven; de hoogten en breedten van houten langsmerkels mogen 
80 percent bedragen van die, welke in de tabellen voor zijmerkels zijn aangegeven, doch de middenmerkels mogen niet 
Ï.matter i\jn dan. \65 mttttcneter. In settepen met een \engte lussen 10,50 en 61 meier moeten de afmetingen van de 


5 
ET 
CTQ O 
t—l < 


/ 
/ 
Stalen middenmerke/s (liulbplaat) 
/ 
Sta/en zifmerkels (&u/b/ioekstaaO 


Lc'lings'-in / Beslag 
~Afstand van hart tot hart 
7 
Afstand van hart tot hart 


merkels 
| 
0,91 m 
1,22 m 
[ 
1,52 m 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 


m 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 


1 83 
65x65x 9 
150x 9 
165x 9,5 
180x 9,5 
150x75x 9,5 
165x90x 9,5 
180x90x 9,5 
244 
65x65x9 5 
180x10,5 
200x11 
230x11 
180x90x10,5 
200x75x11 
225x90x11 
3'05 
65x65x10 
200x12,5 
240x12,5 
280x12,5 
200x90x12,5 
240x90x12,5 
280x90x12,5 


Houten middenmerkels 
Houten zijmerkels 


Lengte 
Afstand van hart tot hart 
Afstand van hart tot hart 


van 
langs- 
0 91 m 
j 
1,22 m 
1,52 m 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 


MERKELS 
H 
' 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
~~i~ 


, Ri 
140 
180 
150 
180 
165 
180 
140 
140 
150 
150 
165 
150 


2 44 
165 
180 
190 
180 
200 
180 
165 
165 
190 
180 
200 
180 


3 05 
200 
180 
215 
200 
230 
230 
200 
180 
215 
200 
230 
230 


' 
* 


H = Hoogte; B = Breedte. 


De hoogte der schilden wordt in het midden van 
bracht. Indien bulbplaten zijn voorgeschreven, moe­ 
hun lengte en van de bovenkant van het bovenste 
ten twee hoekstalen aan de bovenkant van het schild 
daarop geklonken hoekstaal tot de onderkant gemeten. 
of de merkel worden aangebracht. Indien bulbhoek- 
De hoogte der langsmerkels wordt van de onderzijde 
stalen zijn voorgeschreven, moet één hoekstaal van een 
der luiken tot de onderkant gemeten. Voor tussen- 
profiel, als voor het beslag is aangegeven, tegen de 
gelegen lengten en afstanden worden de afmetingen 
bovenkant van het profiel worden aangebracht. Indien 
door interpolatie bepaald. Indien platen zijn voor- 
de voorgeschreven flenzen van een hoekstaal verschil- 
geschreven, moeten twee hoekstalen van het profiel, 
lende afmetingen hebben, moet de grootste flens hori- 
als voor het beslag is aangegeven, aan de bovenkant 
zontaal zijn. 


en aan de onderkant van het schild worden aange- 


O) 


ET 
ÏQ 
O 
>—i < 


TABEL II 
Hoogte der luikhoofden 46 centimeter 


Luikschilden en langsmerkels voor schepen met een lengte van 61 meter of meer 


Luikschilden 


Luikschilden met langsmerkels 
Luikschilden zonder 
langsmerkels 


Wijdte der 
' 
-— 


luikopening 
Beslag 
Afstand van hart tot hart 
Afstand van hart tot hart 


1,83 m 
2,44 m 
3,05 m 
1,22 m 
1,52 m 


m 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 


3,05 
75x75x10 HS 
241x11,5 BP 267x12,5 BP 292x13 
BP 203x10 
BP 225x11 
BP 


3,66 
75x75x10 HS 
280x12,5 BP 280x 7,5 P 330x 8,5 P 230x11 
BP 254x12,5 BP 


4,27 
75x75x10,5 HS 
280x 7,5 
P 330x 8 
P 381 X 8,5 
P 254x12,5 BP 292x12,5 BP 


4,88 
90 x75 X 10,5 HS 
305 X 8 
P 381X 8,5 P 432 x 9 
P 280 x 7,5 P 280 x 7,5 
P 


5,49 
100x75x11 HS 
356x 8,5 
P 432x 9 
P 483 x 9,5 P 280x 7,5 P 305X 8 
P 


6,10 
100x75x11 HS 
406 x 9 
P 483 X 9,5 P 533 X 9,5 P 305x 8 
P 305X 8,5 P 


6,71 
115x75x11,5 HS 
432X 9 
P 508 x 9,5 P 584x10 
P 318x 8 
P 356x 8,5 P 


7,32 
130x90x11,5 HS 
457X 9 
P 533 x 9,5 P 635x10 
P 330x 8,5 P 368x 8,5 
P 


7,93 
140x90x12 HS 
483 x 9,5 
P 559 X 9,5 P 660x10,5 P 344 X 8,5 P 381 X 8,5 
P 


8,54 
150X90X 12,5 HS 
508 X 9,5 
P 584x10 
P 686x10,5 P 356 X 8,5 P 406 X 9 
P 


9,14 
150x90x13 HS 
533 X 9,5 P 610x10 
P 711x10,5 P 381X 8,5 P 432X 9 
P 


HS = Hoekstaal; BP = Bulbplaat; P = Plaat. 


r) In schepen ,welker lengte 30,50 meter niet te boven gaat, mag de hoogte van uit plaat en hoekstalen samengestelde 
schilden 60 percent van de hierboven vermelde hoogten bedragen; de hoogten van schilden en langsmerkels, welke uit bulb- 
hoekstaal en gewoon hoekstaal zijn samengesteld, mogen 80 percent bedragen van de hierboven vermelde hoogten; de 
dikten van platen, hoekstalen of bulbplaten moeten overeenkomen met de dikten, die in de tabel voor de gereduceerde 
hoogten, doch met een minimum van 7,5 millimeter, zijn aangegeven; de hoogten en breedten van houten langsmer­ 
kels mogen 80 percent bedragen van die, welke in de tabellen voor zijmerkels zijn aangegeven, doch de middenmerkels mogen 
niet smaller zijn dan \65 millimeter. In schepen met een lengte tussen 30,50 en 6\ meter moeten de afmetingen van de 


s 
S* 
OQ O 


HM 
< 


Y>LÖ>5Z; W 


/ 
j 
Stalen middenmerkels (Bulbplaat) 
j 
Stalen zijmerkels (Bulbhoekstaal) 


LC,\fngs-n 
Beslag 
l 
Afstand van hart tot hart 
/ 
Afstand van hart tot hart 


melkeIS 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 


m 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 
mm 


1 83 
65x65x9 
130X 8,5 
140x 8,5 
150x 9 
130x75x 8,5 
140x75x 8,5 
150x75x 9 


244 
65x65x9,5 150X 9,5 
180x10 
190x10,5 
150x75x 9,5 
180x75x10 
190x90x10,5 


3,05 
65x65x10 
180x11 
200x11,5 
230x12,5 
180x75x11 
200x90x11,5 
230x90x12,5 


Houten middenmerkels 
Houten zijmerkels 


Lengte 
Afstand van hart tot hart 
Afstand van hart tot hart 
van 


langs- 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 
0,91 m 
1,22 m 
1,52 m 
merkels 
— 
H 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
B 
H 
B 


1 83 
130 
180 
140 
180 
150 
180 
130 
130 
140 
130 
150 
130 


2 44 
150 
180 
165 
180 
180 
180 
150 
130 
165 
150 
180 
150 


3,05 
180 
180 
190 
180 
200 
180 
180 
150 
190 
180 
200 
180 


H = Hoogte; B = Breedte. 


De hoogte der schilden wordt in het midden van 
gebracht. Indien bulbplaten zijn voorgeschreven, moe­ 
hun lengte en van de bovenkant van het bovenste 
ten twee hoekstalen aan de bovenkant van het schild 
daarop geklonken hoekstaal tot de onderkant genieten. 
of de merkel worden aangebracht. Indien bulbhoek- 
De hoogte der langsmerkels wordt van de onderzijde 
stalen zijn voorgeschreven moet één hoekstaal van een 
der luiken tot de onderkant gemeten. Voor tussen- 
profiel als voor het beslag is aangegeven, tegen de 
gelegen lengten en afstanden worden de afmetingen 
bovenkant van het profiel worden aangebracht. Indien 
door interpolatie bepaald. Indien platen zijn voor- 
de voorgeschreven flenzen van een hoekstaal verschil- 
geschreven, moeten twee hoekstalen van het profiel, 
lende afmetingen hebben, moet de grootste flens hori- 
als voor het beslag is aangegeven, aan de bovenkant 
zontaal zijn. 


en aan de onderkant van het schild worden aan- 


2? 


P 
* 


OQ 
C O 
I—I < 


Bijlage IV 


Artikel 20 


de^voortstuwings- 
'' °Penin8en boven de voortstuwingsafdeling op blootgestelde 
afdeling op 
plaatsen op vrijboorddekken en verhoogde halfdekken, moeten rond- 
piaatsöi'opCvry- om behoorIijk versterkt en op doeltreffende wijze door stalen schach- i 
boorddekken en ten van voldoende sterkte omsloten zijn. Indien deze schachten niet 
dekk°engde 
ha'f~ door andere constructies beschermd zijn, moet de sterkte aan bij­ 
zondere eisen voldoen. Deuren in zulke schachten moeten van staal i 
vervaardigd, op doeltreffende wijze verstijfd, blijvend bevestigd en 
ingericht zijn om van beide zijden geopend en gesloten te kunnen 
worden. De drempels van de openingen moeten een hoogte van ten 
minste 61 centimeter boven het vrijboorddek of van ten minste 46 
centimeter boven het verhoogd halfdek hebben. 


2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen, van schoor­ 
stenen en van luchtkokers moeten zo hoog boven het dek zijn als ; 
redelijk en praktisch is. De luchtroosters moeten van sterke schar­ 
nierende stalen luiken zijn voorzien. 


Artikel 21 


voorsCtuw°ngT- 
'' °Peningen boven de voortstuwingsafdeling op blootgestelde : 
afdeling op bloot- plaatsen op dekken van de bovenbouw, met uitzondering van ver- ' 
opdèkken'vande '10°Sde halfdekken, moeten rondom behoorlijk versterkt en op doel- 
bovenbouw met treffende wijze door stalen schachten van voldoende sterkte om- ij 
vnhoogde18hli'f" S'°.t;en z'jn- Deuren in zulke schachten moeten van sterke constructie, I 
dekken 
blijvend bevestigd en ingericht zijn om van beide zijden geopend en i 
gesloten te kunnen worden. De drempels van de openingen moeten i 
een hoogte van ten minste 38 centimeter boven het dek van de 
bovenbouw hebben. 


2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen, van schoor­ 
stenen en van luchtkokers, moeten zo hoog boven het dek zijn, als 
redelijk en praktisch is. De luchtroosters moeten van sterke schar- 
i 
nierende stalen luiken zijn voorzien. 


Artikel 22 


devoOTtstuwings- 
Openingen boven de voortstuwingsafdeling in het vrijboorddek 
afdeling in het binnen een bovenbouw, welke voorzien is van middelen tot afsluiting, 
nenb°eei?dboven- 
m'nt'er doeltreffend zijn dan die der eerste klasse, moeten rond­ 
bouw, welke voor om behoorlijk versterkt en op doeltreffende wijze door stalen schach- 
SnntotVaftMüng ten oms'oten z')n- Deuren in zulke schachten moeten van sterke con- 
die minder doei- structie, blijvend bevestigd en ingericht zijn om van beide zijden 
dieffelderZ1J eerste geoPend en gesloten te kunnen worden. De drempels van de ope- 
kiasse 
ningen moeten, indien de bovenbouw door middelen tot afsluiting 
der tweede klasse wordt gesloten, een hoogte van ten minste 23 een- 
i 
timeter boven het dek en, indien de middelen tot afsluiting minder s 
doeltreffend zijn dan die der tweede klasse, een hoogte van ten 
minste 38 centimeter boven het dek hebben. 


Bijlage IV 


Artikel 23 


Verzonken kolenstortgatranden mogen slechts in dekken van de ^ortgatrandenTa 
bovenbouw worden aangebracht. Zij moeten, evenals de deksels, van deksels 
ijzer of staal vervaardigd, van voldoende sterkte zijn en voor sehroef- 
of bajonetsluiting zijn ingericht. Het deksel moet door een ketting 
blijvend bevestigd zijn. De plaatsing van verzonken kolenstortgat­ 
randen op het vrijboorddek van kleine schepen voor bijzondere vaar- 
gebieden en van sleepboten, kan door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie worden toegestaan. 


Artikel 24 


Toegangskappen op blootgestelde plaatsen op het vrijboorddek en Toegangskappen 
op het dek van een gesloten bovenbouw moeten van stevige construc­ 
tie zijn. De drempels van de deuropeningen moeten zo hoog zijn 
als voor luikhoofden is voorgeschreven (artikelen 12 en 19). De 
deuren moeten van sterke constructie zijn en ingericht zijn om van 
beide zijden geopend en gesloten te kunnen worden. Indien de toe- 
gangskap binnen een vierde van de scheepslengte van de voorsteven 
is gelegen, moet zij van staal vervaardigd en aan de dekbeplating 
geklonken, of door middel van een electrische las verbonden zijn. 


Artikel 25 


Luchtkokers, in verbinding met ruimten onder het vrijboorddek Luchtkokers op 
of onder het dek van een bovenbouw, welke geheel gesloten is of plaatsen opevrü- 
welks openingen voorzien zijn van middelen tot afsluiting der eerste £°°^/k"(!i,°ven" 
klasse, moeten stevige stalen potten hebben, die door klinknagels met ouw 
een steek van vier diameters, hart op hart gemeten, of door even 
deugdelijke middelen aan het dek zijn verbonden. De dekbeplating, 
waarop de pot is bevestigd, moet tussen de dekbalken voldoende zijn 
verstijfd. De luchtkokerpotten moeten van doeltreffende middelen 
tot afsluiting zijn voorzien. Indien luchtkokers op het vrijboorddek 
of binnen een vierde van de scheepslengte van de voorsteven op het 
dek van een bovenbouw zijn gelegen en hun middelen tot afsluiting 
van tijdelijke aard zijn, moeten de luchtkokerpotten een hoogte van 
ten minste 92 centimeter hebben. Op andere blootgestelde plaatsen 
op de bovenbouw moeten zij een hoogte van ten minste 76 centimeter 
hebben. Indien een luchtkokerpot hoger is dan 92 centimeter, moet 
hij bijzonder gesteund en bevestigd zijn. 


Artikel 26 


Indien luchtpijpen van ballast- en andere tanks boven het vrij- Luchtpijpen 
boorddek of het dek van de bovenbouw uitsteken, moeten de bloot­ 
gestelde delen van die pijpen van voldoende sterkte zijn. De hoogte 
van de opening boven het dek moet in kuilen op het vrijboorddek 


Bijlage IV 


ten minste 92 centimeter, op een verhoogd halfdek ten minste 76 cen­ 
timeter en op het dek van een ander soort bovenbouw ten minste 
46 centimeter zijn. Voor afsluiting van deze luchtpijpen moeten vol­ 
doende middelen aanwezig zijn. Deze middelen moeten aan de lucht­ 
pijpen zijn verbonden. 


C. Openingen in het scheepsboord 


Artikel 27 


Toegangs-, laad- 
Openingen in het scheepsboord onder het vrijboorddek als toe- 
en kolenpoorten. 
, 
, 
, . 
f 
, 
.... 
a 
... 
enz. 
gangs-, laad- en kolenpoorten en dergelijke moeten voorzien zijn van 
waterdichte deuren of deksels, welke evenals de middelen om deze 
af te sluiten, van voldoende sterkte moeten zijn. 


Artikel 28 


Spuipüpen en af- 
De door het scheepsboord gaande afvoerpijpen van ruimten onder 
sanïtai'rT'doe"01 het vrijboorddek moeten voorzien zijn van doeltreffende middelen 
einden 
ter voorkoming van het binnendringen van water. Deze middelen 
tot afsluiting moeten bereikbaar zijn. Elke afzonderlijke uitlaat- 
opening moet zijn voorzien van een terugslagklep met een inrich­ 
ting, door middel waarvan de klep in gesloten toestand rechtstreeks 
van een plaats boven het vrijboorddek kan worden geborgd, dan 
wel van twee terugslagkleppen zonder zulk een inrichting, mits de 
bovenste klep zo gelegen is, dat zij gedurende de normale dienst 
kan worden nagezien. De rechtstreeks geborgde klep moet gemak­ 
kelijk bereikbaar zijn en voorzien zijn van een inrichting, welke aan­ 
wijst of de klep open, dan wel gesloten is. De kleppen mogen, 
indien zij tegen het scheepsboord zijn geplaatst, niet van gegoten 
ijzer vervaardigd zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan 
overeenkomstige voorschriften geven voor uitlaatpijpen van ruimten 
binnen een gesloten bovenbouw. 


Indien spuipijpen zijn aangebracht in een bovenbouw, welke niet 
is voorzien van middelen tot afsluiting der eerste klasse, moeten 
zij zodanig zijn ingericht, dat door deze pijpen geen water onder 
het vrijboorddek kan binnendringen. 


Artikel 29 


Patrijspoorten en 
1. Patrijspoorten en vaste lichtranden in ruimten onder het vrij- 
vaste hchtranden ^oorddek 0f ;n ru;mten onder een dek van een bovenbouw, welke 
door middelen tot afsluiting der eerste en tweede klasse worden ge­ 
sloten, moeten aan de binnenzijde voorzien zijn van scharnierende 
blinden, welke deugdelijk en waterdicht kunnen worden gesloten. 
Indien echter zulke ruimten in de bovenbouw bestemd zijn voor 
passagiers, met uitzondering van tussendekspassagiers, of voor de 


Bijlage IV 


bemanning, mogen de patrijspoorten en vaste lichtranden voorzien 
zijn van wegneembare blinden, welke in de onmiddellijke nabijheid 
van de patrijspoorten worden geborgen, mits deze laatste te allen 
tijde gedurende de reis gemakkelijk te bereiken zijn. 


2. De patrijspoorten, vaste lichtranden en blinden moeten van 
deugdelijke en goedgekeurde constructie zijn. 


Artikel 30 


Een verschansing van goede constructie of deugdelijk relingwerk verschansing 
moet op alle blootgestelde gedeelten van vrijboord- en bovenbouw-re 1Dgwer 
dekken worden aangebracht. 


Artikel 31 


1. Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootge- waterioos- 
stelde gedeelten van vrijboord- of bovenbouwdekken een verschansing poorten 
is aangebracht, moet voldoende gelegenheid tot lozing van water be­ 
staan. Het totale oppervlak der waterloospoorten moet in elk scheeps­ 
boord voor elke kuil op het vrijboorddek of op een verhoogd halfdek 
ten minste gelijk zijn aan dat, volgens onderstaande tabel. Het totale 
oppervlak der waterloospoorten voor elke kuil op andere dekken van 
de bovenbouw moet ten minste de helft van het in de tabel gegeven 
oppervlak bedragen. Indien de lengte van de kuil 0,7 der scheepslengte 
overschrijdt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een afwijking 
van de schaal toestaan. 


Op schepen met een zeeg, welke kleiner is dan de standaardzeeg, 


moet het oppervlak der waterloospoorten op passende wijze worden 
vergroot. 


Lengte der verschansing aan 
Totaal opplak der waterloos- 


één zijde in de kuilen in meters 
poorten m elk boord m 
vierkante meters 


4 
0,726 


6 
0,787 


8 
0,848 


10 
0,909 


12 
0,969 


14 
1,030 


16 
1,092 


18 
1,152 


20 en meer 
1,214 
vermeerderd 


met 0,061 vierkante meter voor elke 
meter, welke de lengte der verschan­ 
sing groter dan 20 meter is. 


2. De onderkanten van de waterloospoorten moeten zo dicht 
mogelijk boven het dek liggen en bij voorkeur niet hoger dan de 
bovenkant van het stringerhoekstaal. Twee derde van het voorge­ 
schreven oppervlak der waterloospoorten moet in die helft van de 
kuil zijn aangebracht, welke het dichtst bij het midden der scheeps­ 
lengte is gelegen. 


3. Waterloospoorten en dergelijke openingen in de verschansing 
moeten door rasterwerk of door staven met een onderlinge afstand 
van 23 centimeter worden beschermd.Indien kleppen zijn aangebracht, 
moet voor ruime speling gezorgd worden, teneinde klemmen te ver­ 
mijden. De scharnieren moeten van koperen pennen zijn voorzien. 


D. Bescherming van de bemanning 


Artikel 32 


Loopbruggen, 
1. Loopbruggen, handleiders of andere afdoende middelen moeten 
sterkte 
dekhui- ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar. of het komen 
zen 
van hun logiezen zijn aangebracht. 


2. De sterkte van de dekhuizen voor het onderbrengen van de 
bemanning op gladdekschepen moet gelijkwaardig zijn aan die, welke 
voor de schotten van de bovenbouw wordt vereist. 


HOOFDSTUK III 


Uitwatering van stoom- en motorschepen 


A. Algemeen 


Artikel 33 


Lengte (L) 
De lengte (L), welke in deze bijlage voor de bepaling van het mini­ 


mum vrijboord wordt gebruikt, is de lengte in meters op de lastlijn bij 
zomeruitwatering van de voorzijde van de voorsteven tot de achter­ 
zijde van de roersteven. Bij ontstentenis van een roersteven wordt de 
lengte gemeten van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn 
van de roerkoning. Bij schepen met een kruiserachterschip rekent 
men de lengte gelijk aan 96 percent van de lengte op de lastlijn bij 
zomeruitwatering, dan wel aan de lengte van de voorzijde van de 
voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning, indien deze laatste 
lengte groter is. 


Artikel 34 


Breedte (B) 
De breedte (B) is de grootste breedte in meters, midscheeps ge­ 


meten op de buitenkant der spanten bij stalen schepen en op de 
buitenkant der huidbeplanking bij houten en composiet schepen. 


Bijlage IV j' 


Bijlage IV 


Artikel 35 


De holte naar de mal is de vertikale afstand in meters midscheeps Holte naar de 
»emeten van de lijn van onderkant spanten tot de bovenkant van de 
balken van het vrijboorddek in de zijde. Bij houten en composiet 
schepen wordt de afstand gemeten van de onderkant der sponning 
yan de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van het groot­ 
spant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, 
.vordt de holte gemeten van het punt, waar de lijn, welke van het 
blakke deel van het scheepsvlak naar het middenvlak wordt door­ 
getrokken, de zijde van de kiel snijdt. 


Artikel 36 


1. De holte (D), welke bij het bepalen van het minimum vrij-Holte voor de be­ 
hoord volgens de artikelen 68 en 76 wordt gebruikt en in meters vrijb™ofd(D) 
.vordt uitgedrukt, is: 


(a) Voor een geheel stalen dek de holte naar de mal, vermeer- 
J /T 
Q\ 


ierd met de dikte van de stringerplaat en met — 
, waarin T 


ie naar het oppervlak gemiddelde dikte van een aanwezige bedek- 
cing van het blootgestelde dek vrij van de openingen in het dek is 
in S de totale lengte van de bovenbouw als aangegeven in artikel 
U; 


( b ) Voor een houten dek met een stringerplaat en schaarstokken 
le holte naar de mal, vermeerderd met de dikte van de stringer- 


T (L—S) 
slaat, of met 
j- 
, indien dit laatste groter is. 


2. Indien het bovendeel van het scheepsboord een ongewone 
/orm heeft, neemt men voor D de holte van een denkbeeldig groot- 
ipant met verticaal bovendeel van het boord en met een standaard- 
lekrondte, waarbij het oppervlak van het bovenste gedeelte der 
iwarsdoorsnede gelijk is aan dat van het bovengedeelte van het 
verkelijke grootspant Indien een terugwijking of verspringing in 
iet bovendeel van het boord (zoals bij torendekschepen) voorkomt, 
vordt 70 percent van de doorsnede boven de terugwijking of ver- 
ipringing bij de bepaling van het oppervlak der gelijkwaardige door­ 
snede medegerekend. 


L 
3. Indien D kleiner is dan -jy, mag de holte, welke in verband 


net de tabel in artikel 68 of in artikel 76 wordt gebruikt, niet kleiner 
L 
ian -jy worden genomen, tenzij het een schip betreft met een ge­ 


sloten bovenbouw, welke over tenminste 0,6 L het middengedeelte 
Ier lengte bedekt, dan wel een schip met een gesloten koffervormig 


Bijlage IV 


dekhuis (trunk) of een schip met een samenstel van waterdicht ge­ 
sloten gedeelten bovenbouw en een trunk, dat van voor tot achter 
doorloopt. 


Artikel 37 


Voiheidscoëffi- 
De volheidscoëfficient (c), welke bij het bepalen van het minimum 
vrij boord volgens de artikelen 68 en 76 wordt gebruikt, wordt uit­ 
gedrukt door: 


A 


° 
1,025 L. B. d, 


waarin A de waterverplaatsing in zeewater naar de mal in tonnen 
voorstelt (schroefasuitbouwsels niet medegerekend) bij een gemiddelde 
diepgang zonder kiel d„ welke 85 percent van de holte naar de mal 
bedraagt. De coëfficiënt c mag niet kleiner dan 0,68 worden genomen. 


Artikel 38 


Sterkte 
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie beoordeelt de sterkte 


der schepen in verband met het daarvoor vast te stellen minimum 
vrijboord. Schepen, welke voldoen aan de hoogste standaard van de 
voorschriften van een der erkende particuliere onderzoekingsbureaux, 
worden als voldoende sterk beschouwd voor de toekenning van het 
minimum vrijboord, dat krachtens deze bijlage wordt bepaald. 


2. Aan schepen, welke niet voldoen aan de hoogste standaard van 
de voorschriften van een erkend particulier onderzoekingsbureau, kent 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een vergroot minimum vrij­ 
boord toe. 


Als richtsnoer kan daarbij het volgende dienen: 


(a) Materialen. 
De weerstandsmomenten zijn vastgesteld in de veronderstelling, dat 
voor de constructie gebruik is gemaakt van vloei-ijzer, verkregen door 
het „open haard" proces (zuur of basisch) van de soort St.41, als 
bedoeld in Normaalblad N 702, vastgesteld door de Hoofdcommissie 
voor de Normalisatie in Nederland; 


(b) Sterktedek. 
Het sterktedek is het bovenste dek, dat ten minste over de halve 
lengte midscheeps behoort tot en een integrerend deel uitmaakt van 
de langsscheepse verbanddelen van het schip; 


(c) Holte tot sterktedek (Ds). 
De holte tot het sterktedek is de verticale afstand in meters, 
midscheeps gemeten van de lijn van onderkant spanten tot de boven­ 
kant van de dekbalk van het sterktedek in de zijde; 


Bijlage IV 


(d) Diepgang (d). 
De diepgang is de verticale afstand in meters, midscheeps gemeten 
van de lijn van onderkant spanten tot het middelpunt van de cirkei 
van het uitwateringsmerk; 


(e) Weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte. 


Het weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte * - is het traag­ 


heidsmoment I van het grootspant ten opzichte van de neutrale as, 
gedeeld door de afstand y, gemeten van de neutrale as tot de boven­ 
kant van de dekbalk van het sterktedek in de zijde. Het wordt be­ 
rekend ter plaatse van de dekopeningen, doch zonder aftrek van 
nagelgaten. 


De doorsneden van het materiaal worden berekend in vierkante 
millimeters en de afstanden in meters. Onder het sterktedek worden 
alle doorlopende langsverbanddelen medegerekend, met uitzondering 
van die delen van onderdeklangsdragers, welke slechts dienen voor 
ondersteuning. Boven het sterktedek worden slechts het stringerhoek- 
staal en het bovengedeelte van de berghoutsgang in rekening gebracht. 


Het vereiste weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte van de 
werkelijke doorsnede wordt uitgedrukt door f.d.B., waarin f een 
factor is, die verkregen wordt uit de volgende tabel. 


L in meters 
f 
L in meters 
f 


30 
3 777 
108 
19 386 


36 
4 193 
114 
21 232 


42 
4 892 
120 
23 106 


48 
5 622 
126 
25 051 


54 
6 532 
132 
27 031 


60 
7 470 
138 
29 146 


66 
8 669 
144 
31 268 


72 
9 920 
150 
33 480 


78 
11 253 
156 
35 770 


84 
12 774 
162 
38 063 


90 
14 335 
168 
40 414 


96 
15 897 
174 
42 868 


102 
17 615 
180 
45 368 


Voor tussenliggende lengten wordt de waarde van f door inter­ 
polatie bepaald. 


De formule is van toepassing, wanneer L niet groter is dan 180 


meter, B noch kleiner is dan de waarde--^- + 1,52, noch groter dan 
L 
L 
-J Q-+ 6,10 en 
noch kleiner is dan 10, noch groter dan 13,5; 


Bijlage IV 


( f ) W e e r s t a n d s m o m e n t v a n h e t s p a n t . 
Voor de berekening van het weerstandsmoment van de doorsnede 
van een spant wordt met het oog op het verkrijgen van vergelijkbare i 
waarden voor eventuele vormverandering aangenomen, dat het be­ 
staat uit een spanthoekstaal en een keerspanthoekstaal, welke van i 


I 
dezelfde afmetingen en dikte zijn. Het weerstandsmoment —- van 


het spant op de halve lengte van het schip onder de onderste rij i 
balken is het traagheidsmoment I van de spantdoorsnede ten opzichte 
van de neutrale as, gedeeld door de grootste afstand y. gemeten van 
die as en berekend zonder aftrek van nagel- en boutgaten. Het weer-1 
standsmoment wordt in kubieke centimeters uitgedrukt. 


Het als minimum voorgeschreven weerstandsmoment van het spant 
wordt aangeduid door 


s (d—t) (fi+f,). 


1000 


s is de spantstand en t de verticale afstand van de bovenkant van de 
kiel tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de 
dubbele bodem in de zijde en de bovenkant van de kimknieplaat, beide 
in meters gemeten (zie afbeelding 2). Indien er geen dubbele bodem 
is, wordt t gemeten tot een punt, dat gelegen is midden tussen de 
bovenkant van de vrang in het midden en de bovenkant van de vrang 
in de zijde. 


fj is een coëfficiënt, afhankelijk van H, welke laatste grootheid in 
schepen met een dubbele bodem de verticale afstand in meters is van 
het midden van de balkknie van de onderste rij balken in de zijde 
tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de' 
dubbele bodem in de zijde en de bovenkant van de kimknieplaat (ziel 
afbeelding 2). Indien er geen dubbele bodem is, wordt H gemeten j 
tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de vrang i 
in het midden en de bovenkant van de vrang in de zijde. Indien het ; 
spant aan de scheepsvorm een grotere sterkte ontleent, moet hiermede 
bij de bepaling van de waarde van f; rekening worden gehouden. 


Bijlage IV 


f2 is een coëfficiënt, afhankelijk van K, welke laatste grootheid 
de verticale afstand in meters is van de bovenkant der onderste rij 
balken tot een punt, dat 2,29 meter boven het vrijboorddek in de 
zijde ligt, of indien er een bovenbouw is, tot een punt, dat 3,81 meter 
boven het vrijboorddek in de zijde is gelegen (zie afbeelding 2). 
De waarden van f, en f2 worden uit de volgende tabellen verkregen. 


H in meters 
0 
2,1 | 2,7 
3,3 | 3,9 
4,5 
5,1 | 5,7 
6,3 
6,9 | 7,g 


fi 
19050 23218 26234 31290 39355 49551j 60877| 74144| 88564| 104891 121552 


K in meters 
j 
0 
i 
1_,5 
3,0 | 4,5 
j 
6,0 
[ 7,5 
I 9,0 
j 10,5 
12,0 


fj 
0 
1042 
2084 
4133 
6217 
9275 13358 18467 24600 


Bijlage IV 


Tussengelegen waarden worden door interpolatie verkregen. De 
formule is van toepassing, indien D noch kleiner is dan 4,57 meter, 


noch groter dan 18,29 meter, B noch kleiner is dan^- + 1,52, noch 


groter dan-y^- + 6,10, 
noch kleiner is dan 10, noch groter dan 


13,5 en de horizontale afstand van de buitenkant van het spant tot 
de eerste rij stutten 6,10 meter niet te boven gaat. 


In schepen van gewone vorm met één dek wordt, indien H niet 
groter is dan 5,49 meter, het volgens de vorige methode bepaalde 
weerstandsmoment van het spant met een factor f3 vermenigvuldigd, 
waarbij: 


f, = 0,50 + 0,05 (^-8) 


Indien de horizontale afstand van de buitenkant van het spant tot 
het midden van de eerste rij stutten groter is dan 6,10 meter, moet 
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden 
aangetoond, dat een voldoende overmaat van sterkte aanwezig is. 


B. Bovenbouw 


Artikel 39 


Hoogte van de 
j)e hoogte van een bovenbouw is de kleinste verticale hoogte, 
bovenbouw 
gemeten van de bovenkant van het dek van de bovenbouw tot de 
bovenkant van de balken van het vrijboorddek, verminderd met het 
verschil tussen D (artikel 36) en de holte naar de mal (artikel 35). 


Artikel 40 


Standaardhoogte 
oe standaardhoogte van een verhoogd halfdek is 0,91 meter voor 
bouwde bOVet" schepen met een lengte van 30,50 meter en kleiner, 1,22 meter voor 
schepen met een lengte van 76,20 meter en 1,83 meter voor schepen 
met een lengte van 122 meter en groter. De standaardhoogte voor elk 
ander type van bovenbouw is 1,83 meter voor schepen met een lengte 
van 76,20 meter en kleiner en 2,29 meter voor schepen met een 
lengte van 122 meter en groter. De standaardhoogte voor tussen­ 
gelegen lengten wordt door interpolatie verkregen. 


Artikel 41 


Lengte van de 
De lengte van de bovenbouw (S) is de som van de gemiddelde 
bovenbouw (S) iengten van overdekte delen van de bovenbouw, welke zich van 
boord tot boord uitstrekken, voorzover zij binnen lijnen liggen, lood­ 
recht getrokken op de uiteinden van de lastlijn, zoals deze volgens 
artikel 33 worden bepaald. 


Bijlage IV 


Artikel 42 


Een op zich zelf staand gedeelte van een onderbroken bovenbouw gcsio'cn boven- 
wordt slechts als gesloten beschouwd, indien: 


(a) de eindschotten voldoende sterk zijn en met het bepaalde in 
artikel 43 rekening is gehouden; 


(b) de toegangsopeningen in de eindschotten van middelen tot 
afsluiting der eerste of tweede klasse (artikelen 44 en 45) zijn voor­ 
zien; 


(c) alle overige openingen in het scheepsboord of in de eind­ 
schotten van de bovenbouw zijn voorzien van doeltreffende middelen 
tot afsluiting, welke dicht zijn tegen weer en wind; 


(d) afzonderlijke toegangen voor de bemanning naar de binnen 
een brughuis of een kampanje gelegen voortstuwingsruimten, brand­ 
stofbergplaatsen en andere ruimten, welke nodig zijn voor de dienst, 
te allen tijde gebruikt kunnen worden, wanneer de openingen in de 
schotten gesloten zijn. 


Artikel 43 


Schotten aan de blootgestelde einden van een kampanje, een brug- Schotten van de 
huis en een bak moeten voor schepen met een minimum vrijboord bovenbouw 
aan de volgende standaard, dan wel aan een door het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie gelijkwaardig geachte constructie voldoen. Deze 
standaard houdt in, dat: 


(a) de stijlen op de schotten en de beplating van de afmetingen 
zijn als in tabel III is aangegeven; 


(b) de onderlinge afstand van de stijlen 0,76 meter is; 


(c) de einden der stijlen op de schotten aan de voorzijde van de 
kampanje en van het brughuis deugdelijk met de dekken zijn ver­ 
bonden; 


(d) de stijlen op de schotten aan de achterzijde van het brughuis 
en van de bak over de gehele hoogte tussen de randhoekstalen der 
schotten doorlopen. 


Bijlage IV 


TABEL III 


Blootgestelde schotten van een bovenbouw met standaardhoogte 


Schotten van een kampanje, 


schotten van' een kampanje 
weIke 8edeelteIÜk is beschermd 
Schotten aan de achterzijde 


me, een ?eng?e van oTl 
°f«" geringere lengte heeft 
van een brughuis of bak 


of groter 
dan 0,4 L 


Scheeps- 
Stijlen van 
Scheeps- 
Stijlen van ge- 
Scheeps- 
Stijlen van ce­ 
lengte 
bulbhoekstaal 
lengte 
woon hoekstaal 
lengte 
woon hoekstaal 
in meters 
in millimeters 
in meters 
in millimeters 
in meters 
in millimeters 


Kleiner dan 
Kleiner dan 
Kleiner dan 


48,80 
140 x 75 x 7,5 
45,75 
75x65x 7,5 
45,75 
65x65x 6,5 


48,80 
150 x75 X 8 
45,75 
90x65x 8 
45,75 
75x65x 7 


61,00 
165 x75 x 8,5 
61,00 
100x75x 8,5 
76,25 
90x75x 7,5 


73,20 
180x75 x 9 
76,25 
115x75x 9 
106,75 
100x75 x 8 


85,40 
190 x 75 x 9,5 
91,50 
130x75 x 9,5 


97,60 
205x75x10 
106,75 
140x75x10,5 


109,80 
215x75x10,5 
122,00 
150x75x11 


122,00 
230x75x11 
137,25 
165x90x11,5 


134,20 
240x90x11,5 
152,50 
180x90x12 


146,40 
255x90x12 
167,75 
180x90x12,5 


158,60 
265x90x12,5 


170,80 
280x90x13 


Scheeps- 
Schotbeplating 
Scheeps- 
Schotbeplating 
Scheeps- 
Schotbeplating 


lengte 
in millimeters 
lengte 
in millimeters 
lengte 
in millimeters 


m meters 
in meters 
in meters 


61 
7,5 
48,80 
6 
48,80 
5 


en kleiner 
en kleiner 
en kleiner 


115,80 
11 
122 
9,5 
122 
7,5 


en groter 
en groter 
en groter 


Voor schepen met een tussengelegen lengte moet de dikte der schot­ 
beplating door interpolatie worden verkregen. 


C. 
Inrichtingen om toegangsopeningen in eindschotten van op zich 
zelf staande gedeelten van een onderbroken bovenbouw af te sluiten 


Artikel 44 


Middelen tot af- 
De middelen tot afsluiting der eerste klasse van toegangsopeningen 
kiass"8 d"MrSte 'n eindschotten van de op zich zelf staande gedeelten van een onder­ 
broken bovenbouw, moeten van ijzer of staal, blijvend en stevig aan 
het schot bevestigd, ingeraamd, verstijfd en zodanig aangebracht zijn, 
dat het gehele samenstel even sterk is alsof geen opening in het schot 
aanwezig was. Zij moeten, wanneer zij gesloten zijn, dicht zijn tegen 
weer en wind. De sluitinrichting voor deze middelen tot afsluiting 
moet blijvend aan het schot of aan de middelen tot afsluiting zelve 


. 


Bijlage IV 


zijn bevestigd en deze sluitinrichting moet zodanig zijn, dat deze mid­ 
delen aan beide zijden van het schot of van het dek er boven geopend 
en gesloten kunnen worden. De drempels van de toegangsopeningen 
moeten ten minste 38 centimeter boven het dek reiken. 


Artikel 45 


De middelen tot afsluiting der tweede klasse voor de in artikel 44 Middelen tot af- 
bedoelde openingen, moeten zijn: 
sluiting der 
tweede klasse 


(a) hetzij scharnierende hardhouten deuren met stevig regelwerk, 


welke deuren niet breder dan 76 centimeter en niet dunner dan 50 
millimeter mogen zijn; 


(b) hetzij losse planken, welke over de volle hoogte van de 
opening tussen op het schot geklonken kanaal ijzers zijn gevat, waarbij 
deze planken niet dunner dan 50 millimeter mogen zijn, indien de 
wijdte van de opening 76 centimeter of minder bedraagt, terwijl de 
dikte der planken in reden van 25 millimeter voor elke vermeerdering 
in wijdte van 38 centimeter moet worden vergroot; 


(c) hetzij even doeltreffende wegneembare platen. 


D. Inrichtingen tot het afsluiten van openingen in dekken 
van de bovenbouw, door tijdelijke middelen 


Artikel 46 


Tijdelijke middelen tot het afsluiten van in de hartlijn gelegen Tijdelijke midde- 
openingen in het dek van een gesloten bovenbouw moeten bestaan 'en tot afs|uitin8 
Uit; 
van openingen in 
het dek van de 


(a) een stalen hoofd, dat deugdelijk aan het dek is geklonken en bovenbouw 
een hoogte boven het dek heeft, welke niet geringer is dan 23 centi­ 
meter; 


(b) luiken, als aangegeven in artikel 13, welke bevestigd worden 
door sjorrings van touw; 


(c) een ondersteuning van de luiketj# als aangegeven in de arti­ 
kelen 14 en 15 en de tabellen I en II. 


E. In rekening te brengen lengte van een onderbroken bovenbouw 


Artikel 47 


1. Indien blootgestelde eindschotten van een kampanje, een brug- Algemeen 
huis of een bak niet voldoen aan de standaard van sterkte volgens 
artikel 43, worden deze schotten geacht niet te bestaan. 


2. 
Indien in de zijbeplating van een bovenbouw een opening is 
aangebracht, welke niet van permanente middelen tot afsluiting is 


Bijlage IV 


voorzien, wordt de lengte van het gedeelte van de bovenbouw, dwars 
van de opening, niet in rekening gebracht. 


3 
Indien de hoogte van een bovenbouw geringer is dan de stan­ 
daardhoogte, wordt de in rekening te brengen lengte van die boven­ 
bouw evenredig met de verhouding van de werkelijke hoogte tot de 
standaardhoogte verminderd. Indien de hoogte groter is dan de stan­ 
daardhoogte, wordt geen grotere lengte van de bovenbouw in rekening 


geb"Ch'- 
Artikel 48 


Kampanje 
De in rekening te brengen lengte van een kampanje wordt als volgt 


bepaald: 
. . 


(a) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de 
toe°angsopeningen daarin van middelen tot afsluiting der eerste klasse 
zijn voorzien, wordt de gehele lengte tot het schot in rekening ge­ 
bracht; 


( b ) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de 
toegangsopeningen daarin van middelen tot afsluiting der tweede 
klasse zijn voorzien, moet als volgt worden gehandeld: 


1. indien de lengte 0,5 L of minder bedraagt, wordt 100 percent 
van deze lengte in rekening gebracht; 


2. indien de lengte 0,7 L of meer bedraagt, wordt 90 percent 
van deze lengte in rekening gebracht; 


3 
indien de lengte groter is dan 0,5 L en kleiner dan 0,7 L, 
moet een door interpolatie bepaald percentage van die lengte in 
rekening worden gebracht; 


4 
indien een vermindering wordt toegestaan voor een deugde­ 
lijke, belendende trunk (artikel 52), wordt 90 percent van de lengte 
tot het schot in rekening gebracht. 


Cc) 
Van de lengte van een open kampanje of van een open ge­ 
deelte van een kampanje vóór een deugdelijk voorschot wordt 50 
percent in rekening gebracht. 


Artikel 49 


Verhoogd half- 
i. indien een voldoend sterk schot zonder openingen de voor­ 
dek 
zi-de van de j-uimte onder een verhoogd halfdek afsluit, wordt de 
gehele lengte tot het schot in rekening gebracht. 


2. Indien het schot, in lid 1 bedoeld, van openingen is voorzien, 
wordt de bovenbouw als een kampanje van een hoogte, welke gerin­ 
ger is dan de standaardhoogte, beschouwd. 


Artikel 50 


Bmghuis 
De in rekening te brengen lengte van een brughuis wordt als volgt 


bepaald: 


Bijlage IV 


(a) Indien een voldoende sterk schot aan elk uiteinde van een 
brughuis aanwezig is en de toegangsopeningen in die schotten voor­ 
zien zijn van middelen tot afsluiting der eerste klasse, wordt 100 per­ 
cent van de lengte tussen de schotten in rekening gebracht; 


(b\ Indien de toegangsopeningen in het voorschot van middelen 
tot afsluiting der eerste klasse en de toegangsopeningen in het achter­ 
schot van zodanige middelen der tweede klasse zijn voorzien, wordt 
100 percent van de lengte tussen de schotten in rekening gebracht. 
Indien echter een aftrek wordt toegestaan voor een deugdelijke trunk, 
welke tegen het achterschot aansluit (artikel 52) wordt slechts 90 
percent van de lengte in rekening gebracht; 


(c) Indien de toegangsopeningen in beide schotten zijn voorzien 
van middelen tot afsluiting der tweede klasse, wordt 90 percent van 
de lengte tussen de schotten in rekening gebracht; 


(d) Indien de toegangsopeningen in het voorschot van middelen 
tot afsluiting der eerste of tweede klasse zijn voorzien en de toeganes- 
openingen in het achterschot geen middelen tot afsluiting hebben 
bracht 75 perCent Van de lengte tussen de schotten in rekening ge- 


Ce) 
Indien de toegangsopeningen in beide schotten geen middelen 
tot afsluiting hebben, wordt 50 percent van de lengte in rekening 
gebracht; 
6 


(ƒ) 
Van een open gedeelte achter het achterschot wordt 75 per­ 
cent en van een open gedeelte vóór het voorschot wordt 50 percent 
van de lengte in rekening gebracht. 


Artikel 51 


bepaald^ rekening te brengen lcn8te van een bak wordt als volgt Bak 


(a) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de 
oegangsopeningen van middelen tot afsluiting der eerste of tweede 
klasse zijn voorzien, wordt 100 percent van de vóórloodlijn tot het 
schot in rekening gebracht; 


(b) Indien geen middelen tot afsluiting zijn aangebracht, moet 
als volgt worden gehandeld: 


Zeeg V?Ór het midden der lengte niet kleiner is dan 
de standaardzeeg, wordt 1(W percent van de lengte van de bak ge- 
egen voor 0,1 L, van de vóórloodlijn gemeten, in rekening gebracht' 


2. indien de zeeg vóór het midden der lengte gelijk is aan of 
kleiner is dan de helft van de standaardzeeg, wordt 50 percent van 
de onder 1 genoemde lengte in rekening gebracht; 


ind!en, d,lz,eeg een waarde heeft, welke tussen de standaard- 


hPnLw 
f 
standaardzeeg ligt, wordt een door interpolatie 
bepaald percentage in rekening gebracht; 


Bijlage IV 


(c) Van de lengte van een open gedeelte achter het schot of 
achter 0,1 L, gemeten van de vóórloodlijn, wordt 50 percent in reke­ 
ning gebracht. 


Artikel 52 


Trunk 
1. Een trunk of een soortgelijke constructie, welke zich niet tot 


de scheepsboorden uitstrekt, wordt in rekening gebracht mits: 


(a) de trunk ten minste even sterk is als een bovenbouw; 


{ b ) de luikhoofden op het trunkdek zijn aangebracht en voldoen 
aan het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 18; 


(c) de breedte van de stringerplaat van het trunkdek een vol­ 
doend gangboord vormt en toereikende dwarsscheepse verstijving 
verzekert en het trunkdek van voor tot achter één doorlopend, vast, 
van relingwerk voorzien, begaanbaar platform vormt, dan wel dat dit 
wordt gevormd door onderbroken trunken, welke met andere ge­ 
deelten van de bovenbouw door vaste loopbruggen zijn verbonden; 


(,d) de luchtkokers door de trunk, dan wel de luchtkokerpotten 
door waterdichte deksels of door gelijkwaardige middelen zijn be­ 
schermd; 


(e) naast de trunk op de aan weer en wind blootgestelde gedeel­ 
ten van het vrijboorddek over ten minste hun halve lengte de ver­ 
schansing door open relingwerk is onderbroken; 


(ƒ) de schachten boven de voortstuwingsruimten door de trunk, 
door een bovenbouw van standaardhoogte of door een dekhuis van 
dezelfde hoogte en van overeenkomstige sterkte zijn beschermd. 


2. De standaardhoogte van een trunk is gelijk aan die van een 
brughuis. 


3. Indien de toegangsopeningen in schotten van de kampanje of 
van het brughuis van middelen tot afsluiting der eerste klasse zijn 
voorzien, wordt 100 percent van de lengte van een volledige trunk, 
verkleind in verhouding van zijn gemiddelde breedte tot B, bij de in 
rekening te brengen lengte van de bovenbouw opgeteld. Indien de 
toegangsopeningen in deze schotten niet van middelen tot afsluiting 
der eerste klasse zijn voorzien, wordt 90 percent, in dezelfde ver­ 
houding verkleind, daarbij opgeteld. Indien de hoogte van een trunk 
kleiner is dan de standaardhoogte, wordt de toevoeging in verhou­ 
ding van de werkelijke tot de standaardhoogte verkleind. Indien de 
hoogte van de luikhoofden op het trunkdek geringer is dan de 
standaardhoogte van luikhoofden (artikel 12), moet een vermindering 
van de hoogte van de trunk, welke overeenkomt met het verschil 
tussen de werkelijke en de standaardhoogte van de hoofden, in reke­ 
ning worden gebracht. 


Bijlage IV 


F. In rekening te brengen lengte van een overigens gesloten 
bovenbouw met openingen, gelegen in de hartlijn van het dek 


Artikel 53 


Indien een overigens gesloten bovenbouw aanwezig is met één of Gesloten boven- 
meer openingen in de hartlijn van het dek van die bovenbouw ge- J^gen SiegenTn 
legen, welke openingen niet van permanente middelen tot afsluiting de hartlijn van het 
zijn voorzien (artikelen 11 tot en met 18), wordt de in rekening te ^n' ^rmtneme 
brengen lengte van de bovenbouw als volgt bepaald: 
middelen tot af- 


( a ) Indien geen doeltreffende tijdelijke middelen tot afsluiting van ^|i"ng "jn voor" 
deze in de hartlijn gelegen openingen (artikel 46) aanwezig zijn, of 
de wijdte van de opening 80 percent of meer van de breedte 1^ van 
het dek van de bovenbouw, op het midden van de lengte van de 
opening gemeten, bedraagt, wordt het schip beschouwd, alsof het 
ter plaatse van elke opening een open kuil heeft; waterloospoorten 
moeten ter plaatse van deze kuil worden aangebracht. De in reke­ 
ning te brengen lengte van de bovenbouw wordt bepaald volgens de 
artikelen 48, 50 en 51; 


( b ) Indien doeltreffende tijdelijke middelen tot afsluiting van 
deze in de hartlijn gelegen openingen aanwezig zijn en de wijdte van 
de opening geringer is dan 80 percent van de breedte B„ wordt de in 
rekening te brengen lengte eveneens bepaald volgens de artikelen 48, 
50 en 51, met dien verstande, dat, indien toegangsopeningen in schot­ 
ten binnen de bovenbouw door middelen tot afsluiting der tweede 
klasse zijn gesloten, zij in verband met de bepaling van de in reke­ 
ning te brengen lengte worden beschouwd als door middelen tot 
afsluiting der eerste klasse te zijn gesloten, terwijl de totale in reke­ 
ning te brengen lengte wordt verkregen door bij de lengte, bepaald 
als hierboven is aangegeven, het verschil op te tellen tussen deze 


Jg 
lengte en de scheepslengte en wel gewijzigd in de verhouding —5—> 


1 


waarbij b de wijdte van de opening in het dek is, met dien verstande, 
dat deze verhouding nimmer groter dan 0,5 wordt aangenomen. 


G. Aftrek voor bovenbouw 
Artikel 54 


1. Indien de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw Aftrek voor ho­ 
gelijk is aan L, bedraagt de aftrek van het vrijboord 356 millimeter venbouw 
voor een scheepslengte van 24,40 meter, 864 millimeter voor een 
lengte van 85,30 meter en 1067 millimeter voor een lengte van 122 
meter en groter. Bij tussengelegen lengten wordt de aftrek door 
interpolatie verkregen. 


2. Indien de totale in rekening te brengen lengte kleiner is dan 
L, wordt een percentage van deze aftrek, bepaald naar de volgende 
tabel, toegepast. 


Bijlage IV 


Algemeen 


Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw 


BoVe°bOUW 
Q 
Q,1 L 0.2 L 0,3 L | 0,4 L Q,5L|O.6L 0,7 L 0.8 L 0,9 L 
L~ 


% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 


a. alle typen met 
bak doch zonder af- 
2 
4 
63 
75 3 
87 7 
100 


zonderlijk brughuis 
0 
5 
10 
id 


b. alle typen met 
^Vugh™^ 
0 
6,3 
12,7 
19 
27,5 
36 
46 
63 
75,3 
87,7 
100 


Standaard- 
zeeglijn 


bovenbouw worden door interpolatie verkregen. 


H. Zeeg 


Artikel 55 


1 
De zeeg wordt gemeten van het dek in de zijde, tot een denk­ 
beeldige lijn, welke evenwijdig aan de kiel door de zeeglijn op he 
midden der lengte is getrokken. 


2 
Van schepen, welke met stuurlast ontworpen zijn, mag de zeeg 
ten opzichte van de lastlijn worden gemeten, mits een bijzonder merk, 
gelijk aan de cirkel met streep van het uitwatenngsmerk, op 0,25 L 
vóór het midden der lengte wordt geplaatst. 


3. Van gladdekschepen en van schepen met onderbroken boven­ 
bouw wordt de zeeg van het vrijboorddek gemeten. 


4. Van schepen, waarvan de bovenzijde van het scheepsboord een 
ongewone vorm heeft en waarbij een terugwijking of verspringing in 
die" bovenzijde voorkomt, wordt de zeeg beschouwd in verband met 
de gelijkwaardige holte in het midden der lengte (artikel 36). 


5 
Van schepen met een bovenbouw van standaardhoogte, welke 
zich over de gehele lengte van het vrijboorddek ultstrekt> wofdt„^ 
zeeg van het dek van de bovenbouw gemeten. Indien de hoogte van 
de bovenbouw de standaardhoogte overtreft, mag bij de bepaling va 
de zeeg met de grotere hoogte rekening worden gehouden. 


6. Indien een bovenbouw geheel gesloten is of de toegangsope- 
nineen in de begrenzende schotten van middelen tot afsluiting der 
eerste klasse zijn voorzien en het dek van de bovenbouw ten minste 
dezelfde zeeg heeft als het blootgestelde vrijboorddek, wordt de zeeg 
van het gedeelte van het vrijboorddek binnen die bovenbouw met in 
rekening gebracht. 


Artikel 56 


De ordinaten in centimeters van de standaardzeeglijn worden in de 
volgende tabel aangegeven: 


Bijlage IV 


Plaats van de ordinaat 
Ordinaat 
Factor 


ALL 
0,833 L+25,4 
1 


1/6 L van ALL 
0,37 
L+11,3 
4 


1/3 L van ALL 
0,0925 L + 2,825 
2 


Grootspant 
0 
4 


1/3 L van VLL 
0,185 L+ 5,65 
2 


1/6 L van VLL 
0,74 
L+22,6 
4 


VLL 
1,666 L+50,8 
1 


ALL is de loodlijn op het achterste punt van de in artikel 33 bedoelde 


lengte. 


VLL is de loodlijn op het voorste punt van de in artikel 33 bedoelde 


lengte. 


L in meters. 


Artikel 57 


Indien de zeeglijn niet samenvalt met de standaardzeeglijn worden Metins van ar­ 
de zeven ordinaten van beide lijnen met de daarbij behorende fac- SS™'' 
toren, als aangegeven in de tabel van artikel 56, vermenigvuldigd. uin 
Het verschil tussen de sommen van de onderscheidene producten, ge­ 
deeld door 18, geeft dan het tekort of de overmaat van zeeg aan. 


Indien de achterste helft van de zeeglijn hoger en de voorste helft 
lager is dan de standaard, wordt de overmaat achter niet in aan­ 
merking genomen en slechts het tekort vóór in rekening gebracht. In­ 
dien de voorste helft van de zeeglijn hoger en de achterste helft van 
de zeeglijn niet lager is dan 75 percent van de standaard, wordt de 
overmaat vóór in rekening gebracht. Indien het achterste deel lager 
is dan 50 percent van de standaard, wordt geen rekening gehouden 
met de overmaat van zeeg in het voorschip. Indien de zeeg in het 
achterschip een waarde heeft tussen 50 percent en 75 percent van de 
standaard, kan een tussenliggende correctie voor de overmaat van 
zeeg in het voorschip worden toegestaan. 


Artikel 58 


De wijziging van het vrijboord met het oog op de grootte van de wijzigingen op 
zeeg is het tekort aan of de overmaat van zeeg (artikel 57), vermenig- kingeV^an^ 


. . . . 
. 
_ _ 
S 
. . 
s t a n d a a r d z e e g - 
vuldigd met 0,75— 
waarbij S de gehele lengte van de bovenbouw 'ün 


is, als aangegeven in artikel 41. 


Artikel 59 


Indien de zeeg kleiner is dan de standaardzeeg, wordt de wijziging Vermeerdering 
voor het tekort aan zeeg (artikel 58) bij het vrijboord opgeteld. 
° ™°gr lekort aan 


Bijlage IV 


Artikel 60 


Aftrek voor over- 
1_ 
Voor gladdekschepen en voor schepen, waar een gesloten 
maat van zeeg 
bovenbouw ten minste 0,1 L vóór en 0,1 L achter het midden der 
lengte van het schip bedekt, wordt de wijziging voor een overmaat 
van zeeg (artikel 158) van het vrijboord afgetrokken. Voor schepen 
met onderbroken bovenbouw, waar geen gesloten bovenbouw het 
midden van het schip bedekt, wordt niets van het vrijboord afge­ 
trokken. Indien een gesloten bovenbouw minder dan 0,1 L vóór en 
0,1 L achter het midden der lengte van het schip bedekt, wordt de 
aftrek door interpolatie bepaald. 


2. De grootst toegelaten aftrek voor een overmaat van zeeg is 
38 millimeter bij een scheepslengte van 30,50 meter en neemt toe 
in reden van 38 millimeter voor elke vermeerdering van 30,50 meter 
in lengte van het schip. 


J. Dekrondte 


Artikel 61 


Standaarddek- 
De standaarddekrondte van het vrijboorddek is een vijftigste van 
rondte 
jg scheepsbreedte. 


Artikel 62 


wijziging voor 
i. Indien de dekrondte van het vrijboorddek groter of kleiner 
dekrondte 
js dan de standaard, wordt het minimum vrijboord onderscheiden­ 
lijk verkleind of vergroot met een vierde gedeelte van het verschil 
tussen de werkelijke en de standaarddekrondte, vermenigvuldigd met 
de breuk, die aangeeft, welk gedeelte van de lengte van het vrij­ 
boorddek niet door een gesloten bovenbouw is bedekt. 


2. Tweemaal de standaarddekrondte is het maximum, waarvoor 
aftrek wordt toegestaan. 


K. Minimum vrijboord 


Artikel 63 


Zomerminimum- 
j 
fjet minimum vrijboord in de zomer is het minimum vrij- 
vnjboord 
boord, dat uit de tabellen voor het minimum vrijboord na wijzi­ 
ging wegens afwijkingen van de standaardgrootheden en na aftrek 
voor bovenbouw is afgeleid. 


2. Het minimum vrijboord in de zomer in zout water mag niet 
minder dan 5 centimeter bedragen. 


Artikel 64 


Tropenminimum. 
1. Het minimum vrijboord in het tropisch vaargebied is het vrij- 
vrijboord 
boord, dat wordt verkregen door van het minimum vrijboord in de 


Bijlage IV 


1 
zomer 48" van de zorrierdiepgang, gemeten van de bovenkant van de 


kiel tot het middelpunt van de cirkel, af te trekken. 


2. Het minimum vrijboord in de tropen in zout water mag niet 
minder dan 5 centimeter bedragen. 


Artikel 65 


Het minimum vrijboord in de winter is het vrijboord, dat wordt winterminimum- 
| 
vrijboord 


verkregen door bij het zomerminimumvrijboord -75- van de zomer- 
4o 


diepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt 
van de cirkel, op te tellen. 


Artikel 66 


Het minimum vrijboord voor schepen met een lengte, welke niet winterminimum- 
groter is dan 100,58 meter, is voor reizen gedurende de winter- £ijb°ord in 
maanden dwars over de Noord-Atlantische Oceaan, ten noorden van sche OceaanU" 
de 36ste breedtegraad, gelijk aan het minimum vrijboord in de 
winter vermeerderd met 51 millimeter. Voor schepen met een lengte 
groter dan 100,58 meter is het gelijk aan het minimum vrijboord 
in de winter. 


Artikel 67 


1. Het minimum vrijboord in zoet water van een soortelijk ge- Minimum vrij- 
wicht van één is het vrijboord, verkregen door van het minimum boord in zoet 


water 


vrijboord in zout water 
af te trekken, waarin 
de water­ 


verplaatsing is in zout water in tonnen bij de uitwatering in de 
zomer en t het aantal tonnen, waarmede de waterverplaatsing per 
centimeter in zout water bij de uitwatering in de zomer toeneemt. 


2. Indien dé waterverplaatsing bij de uitwatering in de zomer niet 


met zekerheid kan worden vastgesteld, moet de aftrek— van de 
48 


zomerdiepgang zijn, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het 
middelpunt van de cirkel. 


Artikel 68 


De grondslag voor het minimum vrijboord in de zomer voor Tabel voor mini- 
;toom- of motorschepen, welke voldoen aan de vastgestelde normen, mum vrüboord 
is neergelegd in de volgende tabel, waarbij de onder (a) tot en met montorXPe°n 
f) gegeven voorschriften moeten worden gevolgd. 


:r 


Bijlage IV 


I Minimum 
I 
T 
j Minimum 
, 
Minimum i 
L 
I Minimum 


L 
j vrijboord | 
L 
| vrijboord , 
| vrijboord | 
I vruboord 


ieter 
millimeter 
meter 
millimeter 
meter 
millimeter 
meter 
millimeter 


24 
200 
78 
850 
132 
2080 
183 
3290 


27 
225 
81 
905 
135 
2155 
186 
3355 


30 
250 
84 
960 
138 
2235 
189 
3415 


33 
275 
87 
1015 
141 
2310 
192 
3475 


36 
300 
90 
1075 
144 
2390 
195 
3530 


39 
325 
93 
1135 
147 
2465 
198 
3590 


42 
355 
96 
1195 
150 
2540 
201 
3645 


45 
385 
99 
1260 
153 
2615 
204 
3700 


48 
420 
102 
1325 
156 
2685 
207 
3755 


51 
455 
105 
1395 
159 
2760 
210 
3810 


54 
490 
108 
1465 
162 
2830 
213 
3860 


57 
530 
111 
1540 
165 
2895 
216 
3915 


60 
575 
114 
1615 
168 
2965 
219 
3965 


63 
615 
117 
1690 
171 
3030 
222 
4015 


66 
660 
120 
1765 
174 
3100 
225 
4070 


69 
705 
123 
1845 
177 
3165 
228 
4115 


72 
755 
126 
1920 
180 
3230 
231 
4165 


75 
800 
129 
2000 


(a) Het minimum vrijboord bij tussengelegen lengten wordt door 
interpolatie verkregen. 


(b) Het minimum vrijboord voor schepen zonder bovenbouw 
(gladdekschepen) wordt verkregen door bij de waarden volgens 
bovenstaande tabel een aantal millimeters op te tellen, in reden van 
38 millimeter per 30,50 meter lengte. 


Ook voor schepen, waarvan de lengte van de bovenbouw minder 
dan 0,1 L bedraagt, wordt een correctie wegens tekort aan boven­ 
bouw naar dezelfde maatstaf toegepast door lineaire interpolatie 
verkregen. 


(c) Indien c (artikel 37) groter is dan 0,68, wordt het uit de tabel 
na toepassing van de correctie volgens (b) verkregen minimum vrij- 


c + 0,68 


boord vermenigvuldigd met de factor 
. 


(d) Indien D (artikel 36) groter is dan -jj, wordt het minimum 


vrijboord vermeerderd met 8,33 (D —jy) R millimeter, waarin R 


celiik is aan 
^ voor een lengte, welke kleiner is dan 118,90 meter 


en gelijk aan 30 voor een lengte gelijk aan of groter dan 118,90 
meter. 


Voor een schip met een gesloten bovenbouw, welke over ten minste 
0,6 L het middengedeelte der lengte bedekt, met een complete trunk 
of met een samenstel van waterdicht gesloten gedeelten bovenbouw 
en een trunk, dat van voor tot achter doorloopt, wordt, indien D 


kleiner is dan^, het minimum vrijboord in bovenvermelde mate 


verkleind. 


> 


Indien de hoogte van de bovenbouw of van de trunk kleiner is dan 
de standaardhoogte, geschiedt de vermindering in verhouding tot de 
standaardhoogte. 


(e) Indien de werkelijke holte, gemeten tot het bovenvlak van het 
vrijboorddek in het midden der lengte, groter of kleiner is dan D, 
wordt het verschil in millimeters tussen de holten bij het minimum 
vrijboord opgeteld of er van afgetrokken. 


(f) Nadat de maten voor de afstand van de uitwateringslijn voor 
de zomer tot de deklijn en van die van de overige uitwateringslijnen 
tot eerstgenoemde uitwateringslijn in millimeters zijn bepaald, worden 
deze afgerond tot hele centimeters. Hierbij worden 5 millimeter of 
meer als één centimeter gerekend en minder dan 5 millimeter verwaar­ 
loosd. 


HOOFDSTUK IV 
Uitwatering van zeilschepen 
Artikel 69 


De lijnen voor winter- en tropenuitwatering, genoemd in artikel 6, Lünel;in *erband 


i 
r 
tt 
t 
i 
t 
met de cirkel te 
worden op zeilschepen met aangegeven. Het hoogst gelegen merk, gebruiken 
tot waar een zeilschip in zout water zowel in de zomer als in de 
winter en binnen het tropisch vaargebied mag worden geladen, is 
het middelpunt van de cirkel. (Zie afbeelding 3.) 


Bijlage IV 


Afbeelding 3 


Bijlage IV 


Artikel 70 


Berekening van 
Het minimum vrijboord van zeilschepen wordt op dezelfde wijze 
het minimum 
r . 
... 
- 
^ 
, 


vrijboord 
berekend als het minimum vrijboord van stoom- 01 motorschepen, 
behoudens het bepaalde in de artikelen 71 tot en met 77. 


Artikel 71 


reken'n°°van het 
de bepaling van de holte (D) (artikel 36) wordt voor zeil- 


vrijboord (D) 
schepen, welke een grotere tilling van het vlak hebben dan 125 milli­ 
meter per strekkende meter van de halve breedte, de verticale afstand 
van de lijn van onderkant spanten verminderd met het halve verschil 
tussen de totale tilling van het vlak en de totale tiiling, indien deze 
125 millimeter per strekkende meter zou bedragen. De maximum 
tilling van het vlak, waarvoor een aftrek wordt toegestaan, bedraagt 
208 millimeter per strekkende meter van de halve breedte. 


2. Indien de vorm van het onderste gedeelte van het grootspant 
hol verloopt, of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de 
holte gemeten van het punt, waar de lijn van het vlakke gedeelte 
van het bodemvlak, naar het middenvlak doorgetrokken, de zijde van 
de kiel snijdt. 


L 
3. De holte (D) mag niet kleiner dan -jy worden genomen. 


Artikel 72 


Volheids- 
De volheids-coëfficient (c) (artikel 37) mag niet kleiner dan 0,62 
coëfficiënt (c) 
. 
' 
en niet groter dan 0,72 worden genomen. 


Artikel 73 


h°ute^sche en°P 
^p houten schepen moeten bouw en inrichtingen tot afsluiting van 


houten sc epen 
bovenbouw, waarvoor aftrek van het vrijboord wordt toegekend, 
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn uit­ 
gevoerd. 


Artikel 74 


bovenbouw 
1 • 
Indien de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw 


gelijk is aan L, bedraagt de aftrek voor bovenbouw 76 millimeter 
voor schepen met een lengte van 24,40 meter en 711 millimeter voor 
schepen met een lengte van 100,58 meter of groter. Bij tussengelegen 
lengten wordt de aftrek door interpolatie verkregen. 


2. Indien de totale in rekening te brengen lengte kleiner is dan L, 
wordt de aftrek een percentage van deze aftrek, bepaald naar de 
volgende tabel: 


Bijlage IV 


Type van 
*n re^ening te brengen lengte van de bovenbouw 


bovenbouw 
~ 
7~ 
T~ 
"1—~~ 
t 
___ 
^ 
' 
0,2L|0,3L 0,4 L 0,5 L 0,6 L | 0,7 L 0,8 L | 0,9 L L 


a. Alle typen zonder 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 


JT^eVen met 
° 
7 
'7 
23,5 
30 
47,5 
70 
80 
9" 
100 


brughuisl) ... . 
0 
7 
14,7 
22 
32 
42 
56 
70 
80 
90 
,00 


pUnuges'dio^^etllaleTu^n aTb7^^™ ktota»" dan °-2 L- ~ 
<*e 
Percentages voor tussengelegen lengten van bovenbouw worden door interpolatie bepaald 


Artikel 75 


over dffSAH? vrijboord voor reizen gedurende de winter dwars winterminimum- 
r de N oord-Atlantische Oceaan ten noorden van de 36ste breedte- ™jboord in de 


76amkme,fr "" 
"" 
™. STSTV 


O 
ü 
nimum vrijboord 


voor een 
T, h? T"711™ Vrijboord i" zoet water 


k-flnt ,W c 
schip wordt de diepgang gemeten van de onder- 


nt der sponning van de kiel tot het middelpunt van de cirkel. 


Artikel 76 


cirkeH 8 v T n 
V 
0 ° 
r 
! " ? 
v r i i b o o r d (middellijn van de Tabel voor he, 
cirkel) van ijzeren en stalen gladdekzeilschepen, welke voldoen aan ^niTum vrij"., 
de vastgestdde normen, is neergelegd in de volgende tabel waar Sn™ 


gevolgd0 
M t0t 6n met ^ §egeVen V00rschr,f^ moeten worden 


L 
! ^r'üboörd 
L 
h 
L 
Minimum 
Minimum 
vru Boord 
vrijboord 
L 
vrijboord 


meter 
millimeter 
meter 
millimeter 
meter 
millimeter 
meter 
millimeter 


27 
97? 
4A 
585 
66 
"*>5 
87 
1470 


33 
, 
370° 
i 
1 
}ll 
2 
1SJS 


39 
«0 
« 
8 0 
78 
11 
11 
J«° 


_3 
S 
SS 
!J 
!33° 
102 
iS 


inte%olat?e~eg?nVrijb°0rd W°rdt ^ tUSSenSeleSen Engten door 


(b) Indien c (artikel 72) groter is dan 0,62, wordt het uit de 


tabel verkregen minimum vrijboord vermenigvuldigd met C + °'62' 


T 
^ 


(<c) 
Indien (D) (artikel 36) groter is dan— wordt het minimum 


vrijboord vermeerderd met 8,33 (D-i) X (l0 +J0 millimeter. 


Bijlage IV 


(d) Indien de werkelijke holte tot de bovenkant van het vrij- 
boorddek in het midden der lengte groter of kleiner is dan D, wordt 
het verschil tussen de holten in millimeters bij het minimum vnj- 
boord opgeteld of er van afgetrokken. 


( e ) De afronding in centimeters van de maten voor het minimum 
vrijboord, nadat de berekening heeft plaats gehad, geschiedt op de 
w i j z e a l s a a n g e g e v e n i n a r t i k e l 6 8 , o n d e r ( f ) . 


Artikel 77 


Minimum vrij- 
Het minimum vrijboord van een houten zeilschip is het minimum 
boord van 
vrijboord, hetwelk het schip zou verkrijgen, indien het van ijzer of 
schepen"1" 
staal ware, doch door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ver- 
groot in verband met de klasse, de bouw, de leeftijd en de toestand 
van het schip. 


HOOFDSTUK V 


Uitwatering van stoom- of motorschepen, welke deklasten 
hout vervoeren 
A. 
Algemeen 


Artikel 78 


1. Deklast hout. 


Omschrijvingen 
j)e uitdrukking „deklast hout" duidt een lading hout aan, wejk® 
op een niet overdekt gedeelte van een vrijboorddek of van een dek 
van de bovenbouw wordt vervoerd. Houtpulp of dergelijke lading 
wordt niet als een deklast hout beschouwd. 


2. Houtvaartuitwatering. 
Een houtvaartuitwatering is een bijzondere uitwatering, welke 
onder de voorwaarden, gesteld in de artikelen 79 tot en met 
, 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan worden verleend. 


B. 
Bijzondere voorwaarden, waaraan in het algemeen moet 
worden voldaan 


Artikel 79 


Eisen, gesteld ter 
j 
yoor het verkrijgen van een certificaat voor de houtvaart 
eVe"krSLa.an komen alleen in aanmerking de schepen, welke voldoen aan de 


voor de hout- 
eisen gesteld in de artikelen 80 tot en met 87 en 91. 


vaart 
2 ' Een tekening van het algemeen plan, benevens tekeningen, 


welke de onderdelen en inrichtingen voor het sjorren van de dek­ 
last hout aangeven, moeten bij de eerste aanvraag tot het verkrijgen; 
van een certificaat voor de houtvaart worden overgelegd. 


Artikel 80 


sterkte en 
Het schip moet voldoende sterk zijn met het oog op het gewicht 


stabiliteit 
yan de deklast en redelijke waarborgen bieden voor voldoende 


Bijlage IV 


stabiliteit bij het vervoer van deklasten hout. In verband daarmede 
kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de hoogte van de deklast, 
welke een schip mag vervoeren, beperken, welke beperking op het 
certificaat voor de houtvaart wordt aangegeven. 


Een deklast van onbeperkte hoogte in de zomer kan slechts wor­ 
den toegekend, indien het schip van een dubbele bodem is voor­ 
zien. Een dubbele bodem moet over ten minste de halve scheepslengte 
midscheeps op doelmatige wijze door langsscheepse waterdichte 
zaathouten en door waterdichte vrangen zijn ingedeeld. 


Artikel 81 


Het schip moet voorzien zijn van een bak en bovendien van een Bovenbouw 
kampanje of van een verhoogd halfdek. Indien een verhoogd half­ 
dek is aangebracht, moet daarop achteruit een sterke stalen kap of 
dekhuis zijn geplaatst. 


Artikel 82 


1. Het schip moet voorzien zijn van een verschansing van een verschansing 
hoogte, welke, in geval de toegekende hoogte van de deklast beperkt 
is, ten minste gelijk is aan een derde van die hoogte, met dien ver­ 
stande, dat de verschansing niet lager mag zijn dan 75 centimeter 
en niet hoger behoeft te zijn dan één meter. Indien geen beperking 
voor de hoogte van de deklast is voorgeschreven, moet de hoogte 
van de verschansing ten minste één meter bedragen. 


2. De verschansing moet door verschansingsteunen van voldoende 
sterkte op onderlinge afstanden van ten hoogste 1,85 meter worden 
gesteund. Deze steunen moeten op dekbalken rusten en aan het dek 
en aan de verschansing met dubbele hoekstalen mannetjes of door 
gelijkwaardig electrisch laswerk zijn verbonden. Een der beide man­ 
netjes, welke de verschansingsteun aan de verschansing verbindt, moet 
over de gehele hoogte van de verschansing doorlopen. De staande 
flenzen van de mannetjes, welke de steunen aan het dek verbinden, 
moeten voldoende hoogte hebben, opdat de verschansingsteun daaraan 
met drie nagels kan worden verbonden. 


3. 
De verschansing moet voorzien zijn van de in hoofdstuk II 
voorgeschreven waterloospoorten, welke zodanig moeten zijn inge­ 
richt, dat, ook wanneer het schip een deklast voert, hun goede werking 
is gewaarborgd. 


Artikel 83 


De schachten boven de voortstuwingsruimten op het vrijboorddek Schachten boven 
moeten door een bovenbouw worden beschermd, tenzij deze schach- de voortstuwinss- 
ten voldoende sterk en hoog zijn om tegen het voeren van deklasten rU'm'en 
hout langs haar zijden bestand te zijn. 


Artikel 84 


1. 
De plaats van het stuurrad moet zodanig zijn, dat de roer- stuurinrichting 
ganger te allen tijde vrij uitzicht over de deklast heen heeft. 


Bijlage IV 


2. De stuurinrichting moet deugdelijk tegen beschadiging door de 
deklast zijn beschermd en, voorzover dit uitvoerbaar is, te allen tijde 
bereikbaar zijn. Indien op het achterdek van schepen zonder kam­ 
panje een stuurinrichting aanwezig is, moet deze in een stevige stalen 
dekhut, welke te allen tijde behoorlijk toegankelijk is, zijn opgesteld, 
tenzij een andere doeltreffende bescherming aanwezig is. 


Artikel 85 


Inrichtingen aan 
1 
Op het dek moeten op onderlinge afstanden van ten hoogste 
vandVe°dekStrren 3 meter dekpotten van behoorlijke constructie en sterkte stevig aan 
de stringerplaat nabij de verschansing zijn bevestigd of gelijkwaardige 
inrichtingen zijn aangebracht om de losse stutten ter voorkoming van 
het overgaan van de deklast te steunen. Verticaal boven elke pot 
moet een tweetal gaten van 26 millimeter middellijn in het verschan­ 
singprofiel aanwezig zijn om gelegenheid te bieden bedoelde deklast- 
stutten daaraan te bindselen. De afstand van de^ eerste dekpot tot 
een eindschot van de bovenbouw mag niet groter zijn dan 1,90 meter. 


2. Voor het bevestigen van de sjorrings voor de deklast moeten 
sterke oogplaten aan de berghoutsgang op afstanden van ten hoogste 
3 meter stevig zijn bevestigd, waarbij de afstand van de eerste oog­ 
plaat tot een eindschot ongeveer 1,25 meter moet zijn. 


3. 
In het boveneind van elke verschansingsteun moet een gat 
met een middellijn van ten minste 26 millimeter aanwezig zijn om 
zo nodig extra sjorrings te kunnen aanbrengen. 


Artikel 86 


Lier of spil op 
Een werktuiglijk gedreven lier of spil moet op het achterdek aan- 
achterdek 
wgzig zj»n> tenzij de inrichting zodanig is, dat te allen tijde van een 
der werktuiglijk gedreven lieren aan dek of op een bovenbouw kan 
worden gebruik gemaakt. Op schepen van minder dan 500 ton wordt 
een dergelijke lier of spil niet geëist. 


Artikel 87 


Bescherming van 
1. Veilig en voldoend verkeer van en naar de verblijven van de 
de bemanning, 
bemanning, naar de voortstuwingsruimten en naar alle overige ge- 
vmfrtstuwings- 
deelten, welke in verband met de werkzaamheden aan boord moeten 
ruimten enz. 
worden gebruikt, moet te allen tijde gewaarborgd zijn. 


2. 
De verblijven van de opvarenden moeten daartoe voorzien zijn 
van veilige nooduitgangen, indien de inrichting zodanig is, dat gevaar 
bestaat, dat de gewone toegangsopeningen door verschuiving van de 
deklast worden versperd. Onder deze nooduitgangen moeten trappen 
of klimklampen zijn aangebracht. 


3. 
Als bescherming voor de bemanning bij het verkeer over de 
deklast, moeten lijnen op onderlinge afstanden van ten hoogste 30 
centimeter boven elkaar worden bevestigd aan stevig geplaatste stut­ 
ten. De hoogte van deze bescherming moet ten minste 1,20 meter 


boven de deklast bedragen. Deze bescherming moet aan beide zijden 
van de deklast worden aangebracht. Bovendien moet ter plaatse van 
een loopgang als handleider een lijn op ten minste 1 meter hoogte 
zijn gespannen en moet de deklast aldaar voldoende vlak zijn om als 
loopgang te kunnen dienen. Het licht van de boordlantaarns mag 
echter niet worden onderschept. 


Artikel 88 


Openingen, welke naar ruimten onder het vrijboorddek leiden en Dekopeningen, 
welke door de deklast worden bedekt, moeten goed gesloten en ge- deklast d°worden 
schalmd zijn. Alle onderdelen als luikschilden, langsmerkels en luiken, bedekt 
moeten op hun plaats liggen. Luchtkokers moeten op doeltreffende 
wijze beschermd zijn. 


Artikel 89 


1. 
Een deklast hout moet zo goed mogelijk passend tussen delen stuwen 
van de bovenbouw, luikhoofden en dergelijke zijn gestuwd en be­ 
hoorlijk zijn gesjord. Ter plaatse van openingen, welke toegang geven 
tot de verblijven van de bemanning, de voortstuwingsruimten en 
andere ruimten, welke in verband met de werkzaamheden aan boord 
moeten worden gebruikt, moet de deklast zodanig zijn gestuwd, dat 
deze openingen behoorlijk kunnen worden bereikt, geopend en af­ 
gesloten tegen het binnendringen van water. 


2. 
De deklast mag op generlei wijze de navigatie en het verrichten 
van noodzakelijke werkzaamheden aan boord belemmeren of gevaar 
opleveren voor de stabiliteit gedurende de reis, waarbij rekening moet 
worden gehouden met het verbruik van brandstoffen en voorraden 
en met het toenemen van het gewicht van de deklast door het op­ 
nemen van water. 


Het vervoer van een deklast hout mag in het algemeen niet plaats 
hebben op een dek, waar de boten zijn opgesteld. Indien echter geen 
deklast hout in de nabijheid van de boten wordt gestuwd en naar 
het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het verkeer 
naar en de behandeling van de boten ook bij mogelijk verschuiven 
van de deklast geen hinder zullen ondervinden, kan hij van deze 
bepaling vrijstelling verlenen. 


3. 
De peilpijpen moeten bij het vervoer van een deklast hout 
bereikbaar zijn. De deklast mag het gebruik van de peilpijpen niet 
belemmeren. 


4. 
Op een schip, dat zich in de winter in een periodiek winter- 
gebied bevindt, mag de hoogte van de deklast boven het vrijboord­ 
dek een derde gedeelte van de grootste scheepsbreedte niet te boven 
gaan. 


Artikel 90 


1. In elk der in artikel 85 voorgeschreven dekpotten moet een Dekiaststutten 
stevige stut tegen de verschansing worden geplaatst om overgaan 


Bijlage IV 


Bijlage IV 


van de deklast te verhinderen. Deze stutten moeten van hout zijn 
en stevig aan het verschansingprofiel worden gebindseld. 


2. 
De stutten kunnen aan de lading worden ontleend. Indien de 
aard van de deklast dit wenselijk maakt, moeten, zowel voor de dek­ 
last op het vrijboorddek als voor die op een dek van de bovenbouw, 
tussen bovengenoemde stutten extra stutten, zo goed mogelijk be­ 
vestigd, worden geplaatst. 


3. Waar nodig moeten de stutten door dwarsscheepse sjorrings 
van voldoende sterkte onderling worden verbonden. 


Artikel 91 


Sjorrings 
]. Een deklast hout moet deugdelijk over de gehele lengte door 


onafhankelijke over de deklast geslagen sjorrings op afstanden van 
ten hoogste 3 meter worden vastgemaakt. 


2. Indien de lengte van het als deklast vervoerde hout korter is 
dan 3,60 meter, moet de afstand van de sjorrings verminderd worden 
of moeten andere geschikte voorzieningen worden getroffen. 


3. De sjorrings over de deklast moeten in goede toestand ver­ 
keren en voorzien zijn van de nodige sliphaken en spanschroeven, 
welke te allen tijde bereikbaar moeten zijn. 


C. 
Bijzondere eisen voor dieper afladen 


Artikel 92 


Algemeen 
j 
Schepen, waarvoor een vermindering van het minimum vrij- 


boord bij het vervoer van deklasten hout wordt toegestaan, moeten ' 
voldoende sterk zijn met het oog op het dieper laden. 


2. Ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
s 
moeten afdoende waarborgen aanwezig zijn voor het behoud van 
voldoende stabiliteit, zodat, zelfs nadat de deklast nat is geworden 
en de brandstoffen en voorraden zijn verbruikt, een positieve aan- 
vangsstabiliteit aanwezig blijft. 


3. Dieper laden is slechts toegestaan indien de kuilen op het 
vrijboorddek met hout zijn gevuld tot een hoogte, welke ten minste 
gelijk is aan de standaardhoogte van een brughuis. 


Artikel 93 


Bovenbouw 
De volgens artikel 81 voorgeschreven bak moet bij de in artikel 92 


bedoelde schepen een hoogte hebben ten minste gelijk aan de stan­ 
daardhoogte en een lengte van ten minste 7 percent van de scheeps­ 
lengte. 


Artikel 94 


Verschansing 
1. De hoogte van de verschansing mag bij de in artikel 92 be­ 


doelde schepen niet minder zijn dan 1 meter en de dikte der ver­ 
schansingplaat niet minder dan 7 millimeter. 


2. De afstanden tussen de verschansingsteunen op het vrijboord- 
I 
dek mogen bij de in lid 1 bedoelde schepen niet groter zijn dan 
1| maal de hoogte van de verschansing. 


Bijlage IV 


De verschansingsteunen moeten zijn vervaardigd van bulbplaat 
van 180 x 10 millimeter of van gelijkwaardig profiel en overigens 
voldoen aan het bepaalde in artikel 82. 


Artikel 95 


De schachten boven de voortstuwingsruimten op het vrijboorddek Schachten boven 
moeten bij de in artikel 92 bedoelde schepen ten minste een hoogte ruinuenStUW'ngS" 
hebben gelijk aan de standaardhoogte van een brug of van een kam­ 
panje. Indien deze schachten zich uitstrekken boven het dek van een 
bovenbouw, waarop een deklast hout wordt vervoerd, moeten zij 
voldoende sterk en hoog zijn om tegen het voeren van deklasten hout 
langs haar zijden bestand te zijn. 


Artikel 96 


De in artikel 92 bedoelde schepen moeten zijn voorzien van een Dubbele bodem 
dubbele bodem, welke zoveel mogelijk van het voorpiekschot tot het 
achterpiekschot doorloopt. Deze dubbele bodem moet over ten 
minste de halve scheepslengte midscheeps op doelmatige wijze door 
langsscheepse waterdichte zaathouten en door waterdichte vrangen 
zijn ingedeeld. Deze indeling moet zodanig zijn, dat gemakkelijk vol­ 
daan kan worden aan het bepaalde in artikel 123 van het Schepen­ 
besluit, waarbij bovendien rekening moet worden gehouden met het 
voorschrift, dat ook compensatie moet kunnen worden gevonden 
voor het rijzen van het zwaartepunt van schip en lading door het 
nat worden van de deklast. 


Artikel 97 


1. De sjorrings over de deklast bij de in artikel 92 bedoelde Sjorrings 
schepen moeten bestaan uit ketting, van welke de diameter niet min­ 
der is dan 19 millimeter of uit buigzaam staaldraad van gelijke 
sterkte. 


2. In staaldraadsjorrings moet een kort eind ketting met lange 
schalmen voorkomen, teneinde de lengte der sjorrings te kunnen 
regelen. 


3. Indien de onderlinge afstand der sjorrings kleiner is dan 
1,50 meter mag de zwaarte der sjorrings evenredig verminderd wor­ 
den, doch nimmer mogen zij uit ketting bestaan, welker diameter 
kleiner is dan 13 millimeter of uit staaldraad van een geringere 
sterkte dan die, welke overeenkomt met de sterkte van een ketting 
van 13 millimeter. 


4. Alle onderdelen, welke nodig zijn voor het vastmaken van de 
sjorrings, moeten in sterkte met die van de sjorrings overeenkomen. 


D. Lijnen om de Houtvaartuitwatering aan te duiden 


Artikel 98 


De lijnen, welke het minimum vrijboord bij het vervoer van dek- Houtvaartmerk 
lasten hout in verschillende omstandigheden en voor verschillende 


Bijlage IV 


jaargetijden aanduiden, moeten horizontale lijnen zijn met een lengte 
van 230 millimeter en een dikte van 25 millimeter. 


Zij beginnen bij en staan loodrecht op een verticale lijn, welke 
540 millimeter achter het middelpunt van de cirkel (zie afbeelding 4) 
is geplaatst. Het merken en het controleren van de plaats van het 
merk moeten op dezelfde wijze geschieden, als in de artikelen 7, 8 en 
9 is voorgeschreven. 


Lijnen in verband 
De volgende lijnen kunnen voorkomen: 


met cirkel te ge- 
gebruiken 
(a) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Zomer. 
De uitwatering voor Houtvaart in de Zomer (Houtvaart Zomeruit- 1 
watering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge- I 
merkt HZ; 


( b ) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Winter. 
De uitwatering voor Houtvaart in de Winter (Houtvaart Winter- I 
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge- I 
merkt HW; 


(c) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Winter op de Noord- i 
Atlantische Oceaan. 


De uitwatering voor Houtvaart in de Winter over de Noord- n 
Atlantische Oceaan (Houtvaart Noord-Atlantische Winteruitwate- | 
ring) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, gemerkt I 
H W N A ; 


1 


Bijlage IV 


(d) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Tropen. 
De uitwatering voor Houtvaart in de Tropen (Houtvaart Tropen- 
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge­ 
merkt HT; 


(e) Uitwateringslijnen voor Houtvaart in Zoetwater. 
De uitwatering voor Houtvaart in Zoetwater in de Zomer (Hout­ 
vaart Zomer Zoetwateruitwatering) wordt aangeduid door de boven­ 
kant van een lijn, gemerkt H Z W. Het verschil tussen de Houtvaart 
Zomer Zoetwateruitwatering en de Houtvaart Zomeruitwatering is 
de correctie, welke moet worden toegepast voor het laden in zoet 
water bij de andere lijnen voor Houtvaartuitwatering. De lijn voor 
Houtvaart Tropen Zoetwateruitwatering wordt aangeduid door de 
bovenkant van een lijn, gemerkt H T Z W. 


E. Minimum vrijboord 


Artikel 99 


1. Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overtuigd is, dat Berekening van 
het schip geschikt is voor het vervoer van deklasten hout en dat de he'^™um 
inrichtingen gelijk of ten minste gelijkwaardig zijn aan hetgeen hier- ™J °°r 
boven nopens de inrichtingen voor dat vervoer is voorgeschreven, 
mag voor stoom- of motorschepen, tijdens dat vervoer, het minimum 
vrijboord in de zomer, vastgesteld volgens het bepaalde in hoofd­ 
stuk III, verminderd worden. Deze vermindering geschiedt door de 
volgende percentages in de plaats te stellen van die volgens artikel 54. 


Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw 


0 
0,1 L 
0,2 h 
0,3 L 
0,4 L 
0,5 L 
0,6 L 
0,7 L 
0,8 L 
0,9 L 
L 


% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
20 
30,75 
41,5 
52,25 
63 
69,25 
75,5 
81,5 
87,5 
93,75 
100 


2. Het houtvaart minimum vrijboord in de winter wordt verkregen 


door bij het houtvaart minimum vrijboord in de zomer -- van de, 
36 


tot bovenkant kiel gemeten, corresponderende diepgang op te tellen. 


3. Het houtvaart minimum vrijboord in de winter in de Noord- 
Atlantische Oceaan, is het minimum vrijboord in de winter in de 
Noord-Atlantische Oceaan, als in artikel 66 voorgeschreven. 


4. Het houtvaart minimum vrijboord in de tropen wordt verkregen 


door van het houtvaart minimum vrijboord in de zomer — 
van de 


48 


corresponderende diepgang af te trekken. 


Bijlage IV 


5. De afronding in centimeters van de maten voor het minimum 
vrijboord na afloop van de berekening geschiedt op de wijze als aan­ 
gegeven in artikel 68 onder (ƒ). 


HOOFDSTUK VI 


Uitwatering van Tankschepen 


A. 
Algemeen 


Artikel 100 


Omschrijving 
De uitdrukking „tankschip" omvat alle stoom- en motorschepen, 
welke in het bijzonder zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer 
van onverpakte vloeistofladingen. 


Artikel 101 


Toepassing 
oe bepalingen van de hoofdstukken I tot en met IV van deze 


bijlage zijn van toepassing op tankschepen voor zover in de volgende 
artikelen van dit hoofdstuk niet anders is voorgeschreven. 


B. 
Aanvullende voorwaarden, waaraan moet worden voldaan 


Artikel 102 


Constructie van 
De constructie van het schip moet voldoende sterk zijn met het 


het schip 
diepgang in verband met het voor tankschepen vastge­ 


stelde minimum vrijboord. 


Artikel 103 


Bak 
Het schip moet een bak hebben met een lengte niet kleiner dan 


7 percent van de scheepslengte en een hoogte niet kleiner dan de 
standaardhoogte. 


Artikel 104 


Schachten boven 
j. De openingen in de schachten boven de voortstuwingsruimten 


wlngsruimten 
moeten van stalen deuren zijn voorzien. Deze schachten moeten 
door een gesloten kampanje of brughuis van ten minste de stan­ 
daardhoogte of door een dekhuis van gelijke hoogte en overeen­ 
komstige sterkte worden beschermd. De schotten aan de einden van 
deze dekhuizen moeten een sterkte hebben, welke met die van een 
vóórschot van het brughuis overeenkomt. Alle toegangen tot deze 
dekhuizen op het vrijboorddek moeten van doelmatige afsluitings­ 
inrichtingen zijn voorzien en de drempels moeten een hoogte van ten 
minste 46 centimeter boven het dek hebben. Blootgestelde schachten 
boven voortstuwingsruimten op het dek van de bovenbouw moeten 
van sterke constructie zijn en alle openingen daarin moeten zijn 
voorzien van stalen middelen tot afsluiting, welke blijvend aan de 
schachten zijn verbonden en geschikt zijn om aan beide zijden ge­ 
opend en gesloten te worden. De drempels van deze openingen 
moeten een hoogte hebben van ten minste 38 centimeter boven het 
dek. 


> 


2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen moeten zo hoog 
boven het dek van de bovenbouw reiken, als redelijk en praktisch 
uitvoerbaar is en moeten van sterke scharnierende stalen luiken zijn 
voorzien. 


Artikel 105 


Een deugdelijke vaste loopbrug moet tussen het kampanjedek en Loopbrug 
het dek van een midscheeps geplaatst brughuis en, indien verblijven 
onder het bakdek aanwezig zijn, tussen het brugdek en het bakdek 
zijn aangebracht. Deze loopbrug moet in verband met haar bloot­ 
gestelde opstelling, voldoende sterk zijn en van voor tot achter op 
dezelfde hoogte boven het vrijboorddek liggen als het dek van de 
bovenbouw. 


Artikel 106 


Er moet een veilige en voldoende verbinding zijn tussen de loop- Bescherming van 
brug en de verblijven, de voortstuwingsruimten en alle ruimten, 
welke in verband met de werkzaamheden aan boord gedurende de voortstuwings- 
reis moeten worden gebruikt. 
ruimten enz. 


Artikel 107 


Alle luikhoofden op het vrijboorddek en op het dek van expansie- Luikhoofden 
trunks moeten van deugdelijke waterdicht afsluitende stalen deksels 
zijn voorzien. 


Artikel 108 


Luchtkokers naar ruimten onder het vrijboorddek moeten van Luchtkokers 
voldoende sterkte zijn, indien zij niet door de bovenbouw of op even 
doeltreffende wijze zijn beschermd. 


Artikel 109 


1. Op het onbeschermde gedeelte van het aan weer en wind Middelen tot io- 
blootgestelde dek van schepen met een verschansing moet deze over 21118 van water 
ten minste haar halve lengte door relingwerk worden onderbroken 
of moeten even doeltreffende inrichtingen voor waterlozing zijn aan­ 
gebracht. De bovenkant van de berghoutsgang moet zo laag mogelijk 
en bij voorkeur niet hoger dan de bovenkant van het stringerhoek.- 
staal zijn. 


2. Indien twee delen van de bovenbouw door een trunk zijn ver­ 
bonden, moet ter weerszijden daarvan over de volle lengte van het 
aan weer en wind blootgestelde deel van het vrijboorddek reling- 
werk zijn aangebracht. 


Artikel 110 


Tekeningen, welke de in dit hoofdstuk bedoelde onderdelen en Tekeningen 
inrichtingen aangeven, moeten aan de goedkeuring van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie worden onderworpen. 


Bijlage IV 


Bijlage IV 


C. Minimum vrijboord 


Artikel 111 


Berekening van 
Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overtuigd is, dat I 
vrijboord11"" 
aan de voorafgaande bepalingen is voldaan wordt het minimum vrij- | 
boord in de zomer met behulp van de tabel voor het minimum vrij- I 
boord van tankschepen berekend. Alle correcties moeten volgens het 
:i 
bepaalde in hoofdstuk III worden toegepast, met inachtneming van t. 
het bepaalde in de artikelen 112, 113 en 114. 
I 


Artikel 112 


Aftrek voor 
Indien de totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw {. 
bovenbouw" 
kleiner is dan L, wordt de aftrek voor onderbroken bovenbouw een jh 
percentage van die voor een bovenbouw met een lengte gelijk aan L, jl 
welk percentage uit de volgende tabel wordt verkregen. 


Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw 


0 
0,1 L 
0,2 L 
0,3 L 
0,4 L 
0,5 L 
0,6 L 
0,7 L 
0,8 L 
0,9 L 
L 


% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
% 
°>« 


0 
7 
14 
21 
31 
41 
52 
63 
75,3 
87,7 
100 


Artikel 113 


Aftrek voor over- 
Indien de zeeg groter is dan de standaardzeeg, wordt voor tank- 
maat van zeeg 
schepen jje correctie voor overmaat van zeeg (artikel 58) afgetrokken : 
van het vrijboord. Van artikel 60 is slechts lid 2 van toepassing. 


Artikel 114 


Minimum vrij- 
Het minimum vrijboord voor reizen gedurende de wintermaanden 
Winterende 
dwars over de Noord-Atlantische Oceaan, benoorden de 36ste breedte- 
Noor"Atlanti- 
graad, wordt verkregen door bij het minimum vrijboord in de winter 
sche Oceaan 
^ aanta] millimeters in reden van 25 millimeter voor elke 30,50 ! 
meter lengte van het schip op te tellen. 


Artikel 115 


Tabel voor mini- 
De grondslag voor het minimum vrijboord in de zomer van tank- 
varrtankschepen schepen, welke voldoen aan de vastgestelde normen, is neergelegd in 
de onderstaande tabel, waarbij de onder (a) en (b) gegeven voor­ 
schriften moeten worden gevolgd. 


Bijlage IV 


L in 
Minimum 
. . 
Minimum 
meters 
Vrijboord in 
Vrijboord in 


millimeters 
meiers 
millimeters 


57 
535 
123 
1 610 


60 
575 
126 
1 670 


63 
615 
129 
1 730 


66 
655 
132 
1 795 


69 
695 
135 
1 860 


72 
740 
138 
1 925 


75 
780 
141 
1 990 


78 
825 
144 
2 055 


81 
875 
147 
2 115 


84 
920 
150 
2 175 


87 
970 
153 
2 235 


90 
1 020 
156 
2 290 


93 
1 070 
159 
2 350 


96 
1 120 
162 
2 405 


99 
1 170 
165 
2 460 


102 
1 220 
168 
2 510 


105 
1 275 
171 
2 565 


108 
1 325 
174 
2 615 


Hl 
1 380 
177 
2 660 


114 
1 435 
180 
2 710 


117 
1 495 
183 
2 755 


120 
1 550 


(a) Voor schepen met een lengte groter dan 183 meter, wordt het 
minimum vrijboord volgens door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie nader vast te stellen regelen bepaald en voor schepen met 
een lengte kleiner dan 57 meter volgens de tabel in artikel 68. 


( b ) De afronding in centimeters van de maten voor het minimum 
vrijboord na afloop der berekening geschiedt op de wijze als aan­ 
g e g e v e n i n a r t i k e l 6 8 o n d e r ( f ) . 


D. Schepen van bijzonder type 


Artikel 116 


1. Voor stoom- of motorschepen, welke een grotere lengte hebben Bepalingen voor 
dan 91,50 meter en welke in constructie zodanige overeenkomst met ^nder" va" b'J" 
een tankschip vertonen, dat daardoor op soortgelijke wijze de zee- 
r ypc 
waardigheid van het geladen schip is vergroot, kan een vermindering 
van minimum vrijboord worden toegestaan. 


2. 
De grootte van deze vermindering wordt in dat geval door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaald in verhouding tot het 
minimum vrijboord, dat aan tankschepen wordt toegekend, waarbij 
rekening wordt gehouden met de mate, waarin wordt voldaan aan de 


Bijlage IV 


voorwaarden voor het toekennen van het minimum vrijboord voor 
tankschepen en met de waterdichte indeling. 


3. Het minimum vrijboord, dat aan zulk een schip wordt toe- |j 
gekend, mag niet kleiner zijn dan dat, hetwelk voor het schip als 
tankschip zou worden vastgesteld. 


HOOFDSTUK VII 
Vaargebieden en periodieke seizoenvaargebieden 
(Zie afbeelding 5) 


Artikel 117 


Toepassing 
in de verschillende vaargebieden mag niet dieper worden afgeladen, 


dan tot de bij het betreffende vaargebied behorende lijn, welke deelj 
uitmaakt van het uitwateringsmerk, als genoemd in de artikelen 6, 
69 en 98, terwijl daarbij rekening moet worden gehouden met het 
bepaalde in de artikelen 63 tot en met 67, 75 en 114, met dien ver­ 
stande, dat het in periodieke wintervaargebieden, buiten de daarbij 
genoemde tijdperken, steeds geacht wordt zomer te zijn. 


Artikel 118 


NoordelijkPerio- 
1. Het Noordelijk Periodiek Wintervaargebied 
is gelegen ten 
diek Wintervaar- Noorden van een iijR; getrokken van de Oostkust van Noord-Amerika 
langs de parallel van 36° Noorderbreedte naar Kaap Tarifa (Spanje), 
van de Oostkust van Korea langs de parallel van 35 Noorderbreedte 
naar de Westkust van Honshiu (Japan), van de Oostkust van Honshiu , 
langs de parallel van 35° Noorderbreedte tot 150° Westerlengte en j 
van daar langs de loxodroom naar de Westkust van het eiland Van-i . 
couver op 50° Noorderbreedte, waarbij Fusan (Korea) en Yokohama 
beschouwd worden od de grenslijn te liggen van het Noordelijk | 
Periodiek Wintervaargebied en het Zomervaargebied. 


2. In dit gebied wordt het wintertijdperk gerekend van 16 Octobei 
tot en met 15 April, behoudens de hieronder volgende uitzonderingen:; i 
(a) in de Atlantische Oceaan wordt in het Noordelijk Periodiekl 
Wintervaargebied het wintertijdperk gerekend van 1 November to 
en met 31 Maart, voor zover een gebied betreft bewesten, bezuiden 
en beoosten een lijn recht Zuid getrokken van de kust van Groenland ' 
op 50° Westerlengte tot aan 45° Noorderbreedte, vandaar ^langs d< 
parallel van 45° Noorderbreedte tot aan de meridiaan van 15 Wester 
lengte vandaar recht Noord tot aan 60° Noorderbreedte en ver 
volgens langs de parallel van 60° Noorderbreedte tot aan de Westkus , 
van Noorwegen, waarbij Bergen beschouwd moet worden op d< 
grenslijn te liggen van dit gebied en het overblijvende gedeelte vai 
het Noordelijk Periodiek Winter vaargebied; 


(£>) 
in de Oostzee en haar toegangen (begrensd door de meridiaan 
van Kaap Skagen) wordt het wintertijdperk gerekend van 1 Novembe 
tot en met 31 Maart; 


• 


Bijlage IV 


(c) in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt het winter - 
tijdperk gerekend van 16 December tot en met 15 Maart; 


(d) in de Japanse Zee tussen de parallellen van 35° en 50° Noor­ 
derbreedte wordt het wintertijdperk gerekend van 1 December tot en 
met 28/29 Februari. 


Artikel 119 


1. Het Tropisch vaargebied wordt aan de Noordzijde begrensd Tropisch vaarge- 
door een lijn, getrokken van de Oostkust van Zuid-Amerika langs de bied 
parallel van 10° Noorderbreedte tot 20° Westerlengte, daarna recht 
Noord tot 20° Noorderbreedte en vandaar langs de parallel van 20° 
Noorderbreedte tot de Westkust van Afrika: vervolgens van de Oost­ 
kust van Afrika langs de parallel van 8° Noorderbreedte naar de 
Westkust van het Maleise schiereiland, vandaar de kust volgend van 
dit schiereiland en van Siam tot de Oostkust van Cochin China op 
10° Noorderbreedte en vervolgens langs de parallel van 10° Noorder­ 
breedte tot 145° Oosterlengte; vandaar recht Noord tot 13° Noorder­ 
breedte en vervolgens langs de parallel van 13° Noorderbreedte naar 
de Westkust van Centraal Amerika, waarbij Saigon beschouwd wordt 
op de grenslijn te liggen van het Tropisch vaargebied en het Periodiek 
Tropisch vaargebied, bedoeld in artikel 122 onder (d). De Zuidelijke 
grens wordt gevormd door een lijn, getrokken van de Oostkust van 
Zuid-Amerika langs de Zuider-keerkring tot de Westkust van Afrika; 
van de Oostkust van Afrika langs de parallel van 20° Zuiderbreedte 
tot de Westkust van Madagaskar, vandaar langs de West- en Noord­ 
kust van Madagaskar tot 50° Oosterlengte, vervolgens recht Noord 
tot 10° Zuiderbreedte, vandaar langs de parallel van 10° Zuider­ 
breedte tot 110° Oosterlengte, dan langs de loxodroom naar Port 
Darwin (Australië) en vandaar Oostwaarts langs de kust van Australië 
en het eiland Wessel tot Kaap Wessel, vervolgens langs de parallel 
van 11° Zuiderbreedte naar de Westzijde van Kaap York, van de 
Oostzijde van Kaap York op 11° Zuiderbreedte langs de parallel van 
11° Zuiderbreedte naar 150° Westerlengte, vandaar langs de loxo­ 
droom naar een punt op 26° Zuiderbreedte en 75° Westerlengte en 
ten slotte langs de loxodroom naar een punt op de Westkust van 
Zuid-Amerika op 30° Zuiderbreedte, waarbij Coquimbo, Rio de 
Janeiro en Port Darwin worden beschouwd op de grenslijn te liggen 
van het Tropisch en van het Zomervaargebied. 


2. De volgende gebieden worden bovendien als Tropisch vaar­ 
gebied beschouwd: 


(а) Het Kanaal van Suez, de Rode Zee en de Golf van Aden tot 
de meridiaan van 45° Oosterlengte, waarbij Aden en Berbera be­ 
schouwd worden op de grenslijn te liggen van het Tropisch vaargebied 
en het Periodiek Tropisch vaargebied, als bedoeld in artikel 122 
onder b (2); 


(б) De Perzische Golf tot de meridiaan van 59° Oosterlengte. 


Bijlage IV 


Artikel 120 


Zuidelijk Perio- 
1. Het Zuidelijk Periodiek Wintervaargebied is gelegen, bezuiden 
diek Wintervaar- eefl 
getrokken van de Oostkust van Zuid-Amerika langs de 


parallel 'van 40° Zuiderbreedte tot 56° Westerlengte, vandaar langs de 
loxodroom naar een punt gelegen op 34° Zuiderbreedte en 50 Wes­ 
terlengte, vervolgens langs de parallel van 34° Zuiderbreedte tot de 
Westkust van Afrika; van de Oostkust van Afrika op 30° Zuider­ 
breedte langs de loxodroom naar de Westkust van Australië op 35 
Zuiderbreedte, vervolgens langs de Zuidkust van Australië tot Kaap 
Arid, vandaar langs de loxodroom naar Kaap Grim (Tasmamë), 
vervólgens langs de Noordkust van Tasmanië naar Eddystone Punt, 
vandaar langs de loxodroom naar de Westkust van Zuideiland (Nieuw- 
Zeeland) op 170° Oosterlengte, vervolgens langs de West-, Zuid- en 
Oostkust van Zuideiland tot Kaap Saunders en vandaar langs de 
loxodroom naar een punt op 33° Zuiderbreedte en 170° Westerlengte; 
van dit punt langs de parallel van 33° Zuiderbreedte naar de West­ 
kust van Amerika, waarbij Valparaiso, Kaapstad en Durban worden 
beschouwd op de grenslijn te liggen van het Zuidelijk Periodiek 
Wintervaargebied en het Zomervaargebied. 


2. In dit gebied wordt het wintertijdperk gerekend van 16 April 
tot en met 15 October. 


Artikel 121 


Zomervaarge- 
De in de artikelen 118, 119 en 120 niet genoemde gebieden vormen 
bleden 
de Zomervaargebieden. 


Artikel 122 


Periodiek Tropi- 
De volgende gebieden worden als Periodiek Tropische vaargebieden 
sche 
vaargebie- beschouwd; 


( a ) In de Noord-Atlantische Oceaan van 1 November tot en met 
15 Juli: een gebied, aan de Noordzijde begrensd door een lijn van Kaap 
Catoc'ne (Yucatan) naar Kaap San Antonio (Cuba), door de Zuid- 
Cubaanse kust tot 20° Noorderbreedte en door de parallel van 20° 
Noorderbreedte tot een punt OD 20° Noorderbreedte en 20° Wester­ 
lengte, aan de Westzijde door de kust van Centraal-Amerika, aan de 
Zuidzijde door de Noordkust van Zuid-Amerika en door de parallel 
van 10° Noorderbreedte en aan de Oostzijde door de meridiaan van 
20° Westerlengte; 


(b) De Arabische Zee: 
(1) Ten Noorden van 24° Noorderbreedte van 1 Augustus tot en 
met 20 Mei. (Karachi wordt beschouwd op de grenslijn te liggen van 
dit vaargebied en het hieronder bedoelde Periodiek Tropisch vaar- 
gebied (2)); 


Bijlage IV 


(2) Ten Zuiden van 24° Noorderbreedte van 1 December tot en 
met 20 Mei en van 16 September tot en met 15 October; 


(c) De Golf van Bengalen van 16 December tot en met 15 April; 
( d ) In de Chinese Zee van 2 1 Januari tot en met 30 April: 


een gebied, begrensd aan de West- en de Noordzijde door de kust 
van lndo-China en China tot Hongkong, aan de Oostzijde door de 
loxodroom van Hongkong naar de haven van Soeal (op het eiland 
Luzon), door de Westkust van de eilanden Luzon, Samar en Leyte 
tot aan de parallel van 10° Noorderbreedte en aan de Zuidzijde door 
de parallel van 10° Noorderbreedte, waarbij Hongkong en Soeal 
worden beschouwd op de grenslijn te liggen van het Periodiek Tro­ 
pisch vaargebied en het Zomervaargebied; 


(e) In de Noordelijke Stille Oceaan: 
(1) van 1 April tot en met 31 October: een gebied, aan de Noord­ 
zijde begrensd door de parallel van 25° Noorderbreedte, aan de 
Westzijde door de meridiaan van 160° Oosterlengte, aan de Zuidzijde 
door de parallel van 13° Noorderbreedte en aan de Oostzijde door 
de meridiaan van 130° Westerlengte; 


(2) van 1 Maart tot en met 30 Juni en van 1 tot en met 30 No­ 
vember: een gebied, aan de Noordzijde en Oostzijde begrensd door de 
kusten van Californië, Mexico en Centraal-Amerika, aan de West­ 
zijde door de meridiaan van 120° Westerlengte en door de loxodroom 
lopende van een punt op 30° Noorderbreedte en 120° Westerlengte 
naar een punt op 13° Noorderbreedte en 105° Westerlengte en aan 
de Zuidzijde door de parallel van 13° Noorderbreedte; 


(ƒ) In de Zuidelijke Stille Oceaan: 
(1) van 1 April tot en met 30 November: een gebied, aan de 
Noordzijde begrensd door de parallel van 11° Zuiderbreedte, aan de 
Westzijde door de Oostkust van Australië, aan de Zuidzijde door de 
parallel van 20° Zuiderbreedte en aan de Oostzijde door de meridiaan 
van 175° Oosterlengte, met inbegrip van de Golf van Carpentaria, 
bezuiden 11° Zuiderbreedte, waarbij Mackay wordt beschouwd op 
de grenslijn te liggen van het Periodiek Tropisch vaargebied en het 
Zomervaargebied; 


(2) van 1 Maart tot en met 30 November: een gebied, aan de 
Westzijde begrensd door de meridiaan van 150° Westerlengte, aan 
de Zuidzijde door de parallel van 20° Zuiderbreedte en aan de Noord­ 
en Oostzijde door de loxodroom, die de Zuidgrens vormt van het 
Tropisch vaargebied. 


Artikel 123 


Een haven, liggende op de grens tussen twee vaargebieden, wordt Haven op de 
beschouwd te liggen binnen de zone, vanwaar het schip komt of 
waarheen het vertrekt. 
vaargebieden gg 


BIJLAGE V 


OPSPOREN EN BLUSSEN VAN BRAND 


HOOFDSTUK I 


Algemeen 


Artikel 1 


Pompen, brand- 
j. Brandbluspompen moeten onafhankelijk van het voortstuwings- 


brandkranen* 
werktuig gebruikt kunnen worden. 


brandslangen en 
Sanitaire-, lens-, ballast- en algemene dienstpompen mogen als 
straaipüpen 
brandbluspomp dienst doen. De capaciteit van een pomp, bestemd 
voor brandbluspomp, moet ten minste twee derde zijn van de capa­ 
citeit, vereist voor de lenspompen. Elk van de pompen moet ten 
minste één of twee krachtige stralen water kunnen geven, zoals deze 
nader in de beide hiernavolgende hoofdstukken worden aangegeven. 
De reikwijdte van de straal moet ongeveer 12 meter vanaf de straal- 
pijp zijn. 


2. Brandblusleidingen moeten zo nodig van ontlastkleppen voor­ 
zien zijn. Deze kleppen moeten op zodanige plaats zijn aangebracht, 
dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt 
voorkomen. 


3 
De doorlaat van de brandblusleidingen moet voldoende groot 
zijn, om een hoeveelheid water voor het gelijktijdig gebruik van ten 
minste twee brandslangen te kunnen opbrengen, m overeenstemming 
met de voorgeschreven capaciteit van de voor brandblusdoeleinden 
bestemde pompen. Voor schepen, waarop de brandblusleiding slechts 
moet zijn ingericht voor het spuiten van één straal, behoeft de door­ 
laat van de brandblusleidingen slechts voldoende groot te zijn, opdat 
een hoeveelheid water voor het gebruik van één brandslang kan 
worden opgebracht. 


4 
Het aantal en de plaats van de brandkranen moeten zodanig 
zijn, dat op enig deel van het schip, waar ook gelegen, ten minstei 
twee waterstralen gespoten kunnen worden, van welke een door 
middel van een uit één lengte bestaande brandslang van ten hoogste 
25 meter Bij elke brandkraan behoort een brandslang met koppe­ 
lingen en straalpijp. Voor schepen, waarop de brandblusleiding slechts 
moet zijn ingericht voor het spuiten van een straal, behoeft dit aan­ 
tal niet groter te zijn dan nodig is om op elk deel van het schip een 
waterstraal te kunnen spuiten. 


5 
De leidingen en kranen moeten zodanig zijn aangebracht, da' 
de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aar 
boord van schepen, ook wanneer daarmede dekladingen worder 
vervoerd 
moet een voldoende aantal kranen steeds gemakkelijk 


Bijlage V 


bereikbaar zijn; de leidingen mogen niet door deklading beschadigd 
kunnen worden. 


6. Kranen of afsluiters moeten in rode kleur geschilderd zijn en 
op een zodanige wijze op de leidingen worden aangebracht, dat elke 
brandslang kan worden aangekoppeld, terwijl de brandbluspompen 
in bedrijf zijn. 


7. Brandslangen moeten vervaardigd zijn van materiaal dat door 
het Hootd van de Scheepvaartinspectie is goedgekeurd; de lengte 
moet voldoende zijn om een waterstraal te kunnen spuiten in elke 
ruimte, waarin hun gebruik noodzakelijk kan worden. Zij moeten 
van de nodige onderdelen voorzien zijn. De inwendige middellijn 
van de straalpijpmonding moet ten minste 12 millimeter zijn De 
straalpijpen moeten tevens ingericht zijn voor het sproeien van water. 


8. De brandslangen en de noodzakelijke onderdelen en gereed­ 
schappen moeten voor het gebruik gereed, op zichtbare plaatsen en 


onmiddellijke nabijheid van de brandkranen zijn opgeborgen. 


Zij mogen niet voor andere doeleinden dan voor het blussen van 
brand gebruikt worden. 


9. Brandslangen moeten ten minste tweemaal per jaar beproefd 
worden. 
r 


10. Waar kranen of afsluiters in gangen van verblijven of in 
andere ruimten voor accommodatie zijn aangebracht, moet door 
middel van een aftapkraantje bij de klep of kraanplug de waterdruk 
gecontroleerd en vuil verwijderd kunnen worden. 


Artikel 2 


h ,Het brandblussend middel, de constructie en de werkwijze van Extincteurs, vast 
extincteurs moeten door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ziin °p»csteldcbranti- 
goedgekeurd De inhoud van draagbare extincteurs mag niet groter 
zijn dan 13,5 liter en, indien niet anders bepaald, niet kleiner dan 
y liter. 


2 
Het aantal reservevullingen moet in overeenstemming zijn met 
voorschriften 
r ^ 
van de Scheepvaartinspectie te geven 


3. Extincteurs, waarin het brandblussend middel onder druk be- 
gepkatsHiin 
m°êen 
passagiers" of bemanningsverblijven 


4. Eén van de draagbare extincteurs, welke voor het gebruik in 
een bepaalde ruimte zijn bestemd, moet nabij de toegang tot die 
ruimte worden geplaatst. 


5. Alle afsluiters van een vast opgesteld brandblusapparaat moeten 
een zodanige plaats hebben, dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en 


Ziï""*b""" ""bI'km van brand niM semakMik 


6 
De in dit artikel bedoelde toestellen moeten periodiek nagezien 
worden en aan beproevingen worden onderworpen, welke door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven 


Bijlage V 


Artikel 3 


verstikkend gas 
j Qc aanvoerleidingen voor de toelating van verstikkend gas of 
laadruimen, ma- stoom in laadruimen, machinekamers of ketelruimen, moeten van 
chinekamers en afsluiters of kranen voorzien zijn, welke gemakkelijk onder alle om- 
keteiruimen 
standigheden van het dek af bereikbaar zijn en zodanig gemerkt zijn, 
dat daardoor duidelijk wordt aangegeven, naar welke aidelingen de 
leidingen voeren. Doelmatige voorzieningen moeten worden getrot- 
fen, welke een ongewenste toelating van gas of stoom in een afdeling 
kunnen voorkomen. Indien een leiding naar een voor passagiers 
toegankelijke ruimte voert, moet een goed beschermde extra afsluiter | 
of kraan buiten deze ruimte worden aangebracht. 


2. Het leidingstelsel moet een doeltreffende verdeling van de 
stoom of van het verstikkende gas mogelijk maken. Grote ruimen 
moeten over ten minste twee aanvoerleidingen beschikken, van welke 
één naar het voorste en één naar het achterste deel leidt. Indien 
stoom wordt toegepast, moeten de aanvoerleidingen afzonderlijke 
toevoer naar het onderruim en de verschillende tussendekken mogelijk 
maken en tot diep in het ruim leiden. 


3. Waar koolzuur als brandblussend middel, zowel in laadruimen 
als in machinekamers of ketelruimen wordt gebruikt, behoelt de 
hoeveelheid gas niet groter te zijn dan die, welke wordt voorgeschre- 
ven voor de grootste afdeling, welke op deze wijze wordt beveiligd, 
onverschillig of deze een laadruim, een machinekamer of een ketel- 
ruim is, met inachtneming van de beperkende bepaling in de geval­ 
len, bedoeld in artikel 10, lid 4 onder (6), en in artikel 15, lid 8. 


De installatie moet voorzien zijn van veiligheidsinrichting;n, waar­ 
door in geval van brand de druk daarin nergens hoger dan tot negen 
tiende van de persdruk van de koolzuurcihnders kan stijgen. 


Inrichtingen moeten worden aangebracht, zodat elke cilinder ge­ 
makkelijk gewogen kan worden. 


De afdeling waarin de hoofd-koolzuurcilinderbattenj is opgesteld, 
moet van een 'luchtkoker van voldoende doorsnede zijn voorzien. 


4. De nodige voorzieningen moeten worden getroffen, opdat alle 
fans dienende" voor ventilatie en voor kunstmatige trek, stopgeze 
kunnen worden buiten de ruimte, waarin zij zijn opgesteld en dat allei 
gangen, ventilatiekokers, ringvormige ruimten rond schoorstenen en 
andere openingen naar ruimten, waarin stoom of verstikkend gas a 
, 
brandblussend middel wordt gebezigd, gesloten kunnen worden. 


5. Voorzieningen moeten worden getroffen, opdat ter plaatse een. 
hoorbare waarschuwing wordt gegeven, zodra in een werkruimte 
koolzuur wordt toegelaten. 


Artikel 4 


„h 
i 
F£n automatisch werkend watersprinklersysteem, zoals bedoeld 


sprinklersysteem in artikel 42 van bijlage II moet steeds onder voldoende druk staan, 


. 


Bijlage V 


een doorlopende toevoer van water moet verzekerd zijn. De des- 
betrel fende buitenboordafsluiter moet daartoe steeds geopend zijn. 
De bedieningssleutel moet slechts in geopende stand afgenomen kun­ 
nen worden en onder berusting zijn van de chef van de machinekamer. 


2. Het systeem moet ter beoordeling van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie in een aantal secties zijn onderverdeeld; de in­ 
richting moet op één of meer doelmatige plaatsen automatisch de 
aanwezigheid en de plaats van brand kunnen aantonen. 


3. De pomp of pompen, welke het spuiten van de sprinkler­ 
elementen onderhouden, moeten automatisch gaan werken, indien 
een drukval in het systeem optreedt. 


4. Elke pomp moet in staat zijn doorlopend een voldoende hoe­ 
veelheid water onder de juiste druk voor sprinkler-elementen op te 
brengen, wanneer een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
te bepalen aantal elementen spuit. 


5. Er moeten ten minste twee krachtbronnen zijn voor het in 
bedrijf stellen van zeewaterpompen, luchtcompressors en automatische 
alarmtoestellen. Bij het gebruik van electrische stroom moet deze 
worden verkregen via het noodschakelbord, door middel van een 
voedingleiding, welke uitsluitend voor dat doel wordt gebruikt. Er 
maS geen andere schakelaar in de stroomketen zijn dan die aan het 
noodschakelbord. De schakelaar moet van een duidelijk opschrift 
voorzien en normaal ingeschakeld zijn. 


6. Sprinkler-elementen moeten gaan spuiten bij een temperatuur, 


welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt bepaald. 
Alle automatische inrichtingen moeten van doelmatige middelen voor­ 
zien zijn voor periodieke beproevingen. 


Artikel 5 


1* 
Gasmasker-zuurstoftoestellen en rookhelmen moeten van een Gasmasker-zuur 
type zijn, goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. rÓokhetaën"' 
Rookhelmen moeten voorzien zijn van luchttoevoer van buitenaf veiligheid™e" 
door middel van een lange slang, welke dusdanig stevig moet zijn, lampen 
dat de toevoer van verse lucht niet door knikken van de slang kan 
worden afgesloten. 


2. 
Om te voorkomen, dat de drager van een rookhelm met lucht- 
slang rook inademt, moet de lengte van de beschikbare slang vol­ 
doende groot zijn om te kunnen reiken van het open dek, vrij van 
het luikhoofd, de deuropening of ingang, tot aan elke plaats in de 
ruimen of voortstuwingsruimten. 


3. Een gasmasker-zuurstof toestel kan de plaats van een rookhelm 
met slang innemen. Bij elk gasmasker-zuurstoftoestel moet ten minste 
eén reserve zuurstofcylinder en één reserve kalipatroon aanwezig zijn. 


Bijlage V 


4. Veiligheidslampen moeten een minimum brandtijd van drie 
uren bezitten en door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed­ 
gekeurd zijn. 


Artikel 6 


Toelating van 
Waar in deze bijlage enig toestel, apparaat, brandblussend middel 
middelen"06 
of inrichting van bijzondere soort of aard is voorgeschreven, kan 
elk ander toestel, enz. daarvoor in de plaats worden gesteld, indien 
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aan­ 
getoond, dat het vervangende middel of de inrichting niet minder 
doeltreffend is. 


HOOFDSTUK II 
Bepalingen voor passagiersschepen 
Artikel 7 


Niet-automati- 
l. Aan boord van passagiersschepen, behoudens die, bedoeld in 
SenlaeTau"to- lid 3, moeten niet-automatische brandalarmtoestellen over de passa- 
matfsche" brand- giers- en bemanningsverblijven verdeeld worden aangebracht, welke ; 
melders 
het voor de brandrondedienst mogelijk maken onmiddellijk de brug 
< 


of de brandcontrole-stations, bedoeld in artikel 25 van bijlage II, te : 
alarmeren. 


2. Aan boord van de in lid 1 bedoelde schepen moet een goed- 
-i 
gekeurde inrichting zijn aangebracht, welke automatisch op één of 
1 
meer doelmatig gekozen plaatsen of op de in lid 1 bedoelde stations, 
waar zulks het snelst door de bemanning kan worden opgemerkt, het 
begin, de aanwezigheid en de plaats van brand aantoont in enig deel 
van het schip, dat niet toegankelijk is voor de rondedienst, met uit­ 
zondering van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis op­ 
leveren. 
, 
I 


3. Aan boord van een passagiersschip, dat niet meer dan 36 
passagiers vervoert en waar de brandbescherming in verblijven en 
ï 
dienstruimten ingevolge artikel 26 van bijlage II is beperkt tot hetgeen 
in de artikelen 29 en 30 van die bijlage is voorgeschreven, moet r 
bovendien een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed- 
gekeurde inrichting worden aangebracht, welke automatisch op één 
of meer plaatsen, waar zulks het vlugst door de bemanning kan 
< 
worden opgemerkt, het begin, de aanwezigheid en de plaats kan 
aantonen van brand in enige gesloten ruimte, bestemd voor het 
gebruik van passagiers en bemanning of tot dienstruimte, met uit­ 
zondering van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis op­ 
leveren. 
4 
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling van 
toepassing van lid 2 van dit artikel verlenen, indien kan worden aan­ 
getoond, dat deze in verband met de korte duur van de reizen van 
het schip onredelijk zou zijn. 
. 


5. Dit artikel is niet van toepassing op schepen, genoemd in de 
artikelen 1 en 18 van bijlage III. 


• 


Bijlage V 


Artikel 8 


1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Ruimten en dek- 
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen nassf^rs^nbï 
water snel en gelijktijdig in en op elk deel van het schip, dat voor manning 
passagiers of bemanning wordt gebruikt, gespoten kan worden, ook 
wanneer alle waterdichte deuren en alle deuren in de hoofdbrand- 
schotten gesloten zijn. De deuren in tussenliggende schotten mogen 
daartoe van goed afsluitbare openingen zijn voorzien. 


2. Aan boord van een passagiersschip moeten de nodige draag­ 
bare extincteurs, met een inhoud van ten minste 9 liter, in de ver­ 
schillende bemannings- en passagiersverblijven, bij de radiohut, de 
kombuizen en op verder daarvoor in aanmerking komende plaatsen 
zijn opgesteld, een en ander ter beoordeling van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie. 


Artikel 9 


1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Laadruimen 
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen 
water snel en gelijktijdig in elk laadruim gespoten kan worden. 


2. Bovendien moet aan boord van een in lid 1 bedoeld schip van 
1000 ton of meer een inrichting zijn aangebracht om door middel 
van een vaste pijpleiding in elke afdeling, waar lading is geborgen, 
dadelijk een verstikkend gas te kunnen blazen. De capaciteit moet 
zodanig zijn, dat een hoeveelheid gas kan worden ontwikkeld tot 
een volume, gelijk aan 30 percent van de bruto-inhoud van het groot­ 
ste laadruim van het schip, hetwelk luchtdicht kan worden afge­ 
sloten. Waar koolzuur als brandblussend middel wordt gebruikt, 
moet het volume gas op 0,56 kubieke meter per kilogram worden 
gesteld. In plaats van gas mag stoom worden toegepast, mits in dit 
geval de stoomproductie bij voortduring tijdens de vaart zodanig zij, 
dat ten minste een kilogram per uur voor elke 0,75 kubieke meter 
van de bruto-inhoud van het grootste laadruim van het schip be­ 
schikbaar is. 


3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling van 
toepassing van lid 2 verlenen, indien kan worden aangetoond, dat 
deze in verband met de korte duur van de reizen van het schip 
onredelijk zou zijn. 


Artikel 10 


1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Voortstuwings- 
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen |^see"enen bu"' 
water snel en gelijktijdig in elk deel van de machinekamers, ketel- 
ruimen en bunkers gespoten kan worden. 


2. Aan boord van passagiersschepen, geen motorschepen zijnde, 


waarvan ketels uitgerust zijn met geforceerde trek, moeten de des­ 
betreffende luchtkanalen van een stoombrandblusleiding zijn voor­ 
zien. 


Bijlage V 


3. Aan boord van een passagiersschip, hetwelk voorzien is van 
met olie gestookte ketels of hetwelk door motoren wordt voort­ 
gestuwd, moeten in elk voortstuwingsgedeelte ten minste twee brand- 
afsluiters aanwezig zijn, van welke één aan bakboord en één aan 
stuurboord is aangebracht. Bij elk der brandafsluiters moet een 
brandslang met koppeling en straalpijp aanwezig zijn. 


4. Aan boord van een passagiersschip, geen motorschip zijnde, 
waar de hoofd- en hulpketels met olie gestookt worden, moeten be­ 
halve de inrichtingen, genoemd in de leden 1 en 2, aanwezig zijn: 


(a) op elke stookplaat en in elke ruimte, waarin een gedeelte 
van de brandstofolie-installatie is opgesteld, twee goedgekeurde 
draagbare extincteurs van een type, dat schuim of andere voor het 
blussen van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt; 


(b) inrichtingen, waardoor in ten hoogste tien minuten schuim 
ontwikkeld kan worden over het ketelruim of, in geval er meer dan 
één ketelruim is, over elk ketelruim en over elke ruimte, waarin 
zich delen van de brandstofolie-installatie of brandstofolie-bezink- 
tanks bevinden. De hoeveelheid schuim, welke kan worden ontwik­ 
keld moet ruimschoots voldoende zijn om tot een hoogte van 15 cen­ 
timeter het gehele oppervlak te bedekken, waarover olie zich in geva 
van lekkage kan verspreiden. Bij de berekening van de hoeveelheid 
schuim moet in aanmerking genomen worden dat, indien chemisch 
schuim wordt gebruikt, 15 percent en indien luchtschuim wordt ge­ 
bruikt, 30 percent door wegbranden verloren gaat. In de plaats van 
schuim mag verstikkend gas of een goedgekeurd vast ingebouwd 
hoge druk watersproeisysteem worden toegepast. 


Waar koolzuur als brandblussend middel in deze ruimten wordt 
gebruikt, moet de hoeveelheid mede te voeren gas zó groot zijn, dat 
l 
een minimum hoeveelheid vrij gas beschikbaar is, gelijk aan 30 
percent van de bruto-inhoud van de grootste ruimte; een ketelruim 
wordt daarbij gemeten tot aan de bovenkant van de ketels, een 
machinekamer tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
gelijkwaardig geachte hoogte. Indien machinekamer en ketelruim 
niet voldoende gescheiden zijn en brandstofolie uit de vullingen van 
het ketelruim in de machinekamer kan lekken, moeten machinekamer 
en ketelruim tezamen als één afdeling worden beschouwd. De in­ 
richting moet buiten de afdeling, waarin brand kan voorkomen, in 
werking kunnen worden gesteld en geregeld; 


(c) bij één ketelruim één schuimblusser met een inhoud van ten 
minste 136 liter en bij meer dan één ketelruim twee van zulke 
schuimblussers. Deze blussers moeten voorzien zijn van op haspels 
gewonden slangen, welke geschikt zijn om alle delen van de ketel- I 
ruimen en van de ruimten, welke delen van de brandstofolie-instal- I 
latie of brandstofolie-bezinktanks bevatten, te bereiken. In plaats t 
van een schuimblusser met een inhoud van 136 liter mag een kool- I 


• 


Bijlage V 


zuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 45 kilogram worden 
toegepast. 


5. Waar aan boord van een passagiersschip hoofd- en/of hulp­ 
ketels met olie gestookt worden, moeten op elke stookplaat één 
of meer bakken, tezamen inhoudend ten minste 0,3 kubieke meter 
zand, met soda-oplossing doordrenkt zaagsel of andere goedgekeurde 
stoffen, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden, aan­ 
wezig zijn. 


6. Aan boord van een passagiersschip, dat door motoren wordt 
voortgestuwd, moeten, behalve de inrichtingen, genoemd in de leden 
1 en 3, in elke voortstuwingsruimte deugdelijke schuimblussers met 
doelmatige sproei-installaties, als hieronder is aangegeven, aanwezig 
zijn: 


(a) één schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter 
en bovendien één schuimblusser met een inhoud van ten minste 9 
liter voor elke 1000 rempaardekrachten der voortstuwingswerktuigen 
met dien verstande, dat het totale aantal schuimblussers van 9 liter 
niet kleiner mag zijn dan twee en niet groter behoeft te zijn dan zes. 
In plaats van een schuimblusser met een inhoud van 45 liter mag een 
koolzuur-brandblusapparaat met een inhoud van 16 kilogram wor­ 
den toegepast; 


(b) indien zich een hulpketel aan boord bevindt, de inrichtingen 
voorgeschreven in de leden 4 en 5 en indien deze ketel zich in de 
voortstuwingsruimte bevindt, in plaats van de hierboven vermelde 
schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter, één schuim­ 
blusser met een inhoud van ten minste 136 liter met doelmatige 
slangaansluitingen of een ander goedgekeurd toestel om schuim te 
ontwikkelen en te verspreiden. 


In plaats van een schuimblusser met een inhoud van 136 liter mag 
een koolzuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 45 kilogram 
worden toegepast, indien dit naar het oordeel van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie even doeltreffend is. 


7. Aan boord van een passagiersschip, dat door motoren met 
een gezamenlijk vermogen van 1000 rempaardekrachten of groter 
wordt voortgestuwd, moet gelegenheid zijn om verstikkend gas toe 
te laten in de uitlaatgassenleidingen. 


8. Aan boord van een passagiersschip, hetwelk door motoren 
wordt voortgestuwd en dat voor brandblussing in de laadruimen 
over een koolzuur-brandblusinrichting beschikt, moeten de voort­ 
stuwingsruimten eveneens hierop aangesloten zijn, doch de capaci­ 
teit behoeft hiervoor niet vergroot te worden. De wijze van aan­ 
sluiting moet ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie. 


9. Aan boord van een passagiersschip moeten ten minste twee 
draagbare extincteurs in elke afdeling van de voortstuwingsruimte 
zijn opgesteld. 


Bijlage V 


10. Alle brandblusmiddelen en hun bedieningsinrichtingen moe­ 
ten rood geschilderd, gemakkelijk bereikbaar en zo doelmatig moge­ 
lijk geplaatst zijn. 


Artikel 11 


Pompen 
j 
Aan boord van een passagiersschip moeten, indien het kleiner 


is dan 4000 ton, ten minste twee en indien het 4000 ton of groter is, ten 
minste drie werktuiglijk gedreven pompen voor brandblusdoeleinden 
aanwezig zijn, die onafhankeijlk van het voortstuwingswerktuig kun­ 
nen worden gebruikt. 


2. Aan boord van een passagiersschip met een lengte van 91,5 
meter of meer, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels of 
hetwelk door motoren wordt voortgestuwd, moeten de inrichting voor 
de buitenboord-inlaat met de pompen, hun aansluitingen en hun 
krachtbronnen zodanig zijn, dat een brand in een bepaalde afdeling 
niet alle brandbluspompen buiten werking kan stellen. 


Voor een schip met een lengte, kleiner dan 91,5 meter, waar een 
brand in een bepaalde afdeling alle pompen buiten werking zou kun­ 
nen stellen, moet een verplaatsbare, werktuiglijk gedreven pomp met 
onafhankelijke krachtbron of een ander, zoveel mogelijk gelijkwaardig 
middel tot blussing van de brand beschikbaar zijn. 


Artikel 12 


Gasmasker-zuur- 
j 
Aan boord van passagiersschepen, welke niet meer dan 200 
rookheim;°f 
passagiers vervoeren, moeten ten minste twee deugdelijke en volledige 
brandbiji, 
uitrustingen, elk bestaande uit een veiligheidslamp, een reddinglijn 
veihgheidsiamp 
yan void0ende lengte en een gasmasker-zuurstoftoestel of rookhelm 
zomede een brandbiji aanwezig zijn. Aan boord van passagiersschepen, 
welke meer dan 200, doch minder dan 800 passagiers vervoeren, 
moeten ten minste drie en aan boord van passagiersschepen, welke 
800 passagiers of meer vervoeren, ten minste vier dergelijke volledige 
uitrustingen aanwezig zijn. 


2. De uitrustingen moeten zodanig zijn geborgen, dat zij te allen 
tijde gemakkelijk bereikbaar zijn. De bergplaatsen moeten over het 
schip verdeeld zijn. 


HOOFDSTUK III 


Bepalingen voor schepen, geen passagiersschepen zijnde 


Artikel 13 


Ruimten en dek- 
1. Aan boord van schepen geen passagiersschepen zijnde, van 
bemfnning,tdp°°- minder dan 1000 ton, moet de brandblusleiding zodanig zijn inge- 
sagiers, enz. 
richt, dat met ten minste één krachtige straal water en aan boord 
van een dergelijk schip van 1000 ton en meer met ten minste twee 
krachtige stralen water snel en gelijktijdig gespoten kan worden in 
en op elk deel van het schip, dat voor bemanning of passagiers wordt 


Bijlage V 


gebruikt, ook wanneer de waterdichte deuren gesloten zijn. Schepen 
mei een vermogen van 150 rempaardekrachten of minder zijn van 
de toepassing van het bepaalde in dit lid uitgezonderd. 


2. Aan boord van een schip van meer dan 200 ton moeten in de 
ruimten, welke gebruikt worden door de bemanning en de passagiers, 
alsmede bij de radiohut of bij de radio-installatie en bij de kombui­ 
zen draagbare extincteurs met een inhoud van ten minste 9 liter 
in voldoend aantal aanwezig zijn. Op schepen van minder dan 1000 
ton behoeft dit aantal niet groter te zijn dan vier en op die van 1000 
ton of meer is het minimum-aantal vijf. 


3. Indien een met kolen of olie gestookte verwarmingsketel aan­ 
wezig is, moet één draagbare schuimolusser extra aanwezig zijn. 


Artikel 14 


1. Aan boord van schepen, geen pasagiersschepen zijnde, Van. Laadruimen 
minder dan 1000 ton, moet de brandblusleiding zodanig zijn inge- 
richt, dat met ten minste één krachtige straal water en aan boord van 
een dergelijk schip van 1000 ton en meer met ten minste twee krach­ 
tige stralen water snel en gelijktijdig in elk laadruim gespoten kan 
worden. Schepen met een vermogen van 150 rempaardekrachten of 
minder zijn van de toepassing van het bepaalde in dit lid uitge­ 
zonderd. 


2. Aan boord van een schip van 2000 ton of meer moet boven­ 
dien een inrichting zijn aangebracht om door middel van een vaste 
pijpleiding in elke afdeling, waar lading is geborgen dadelijk een 
verstikkend gas te kunnen blazen. De capaciteit moet zodanig zijn, 
dan een hoeveelheid gas kan worden ontwikkeld tot een volume, 
gelijk aan 30 percent van de bruto-inhoud van het grootste laadruim 
van het schip, hetwelk luchtdicht kan worden afgesloten. Waar kool­ 
zuur als brandblussend middel wordt gebruikt, moet het volume gas 
op 0,56 kubieke meter per kilogram worden gesteld. 


In plaats van verstikkend gas mag stoom worden gebruikt, mits in 
dit geval de stoomproductie bij voortduring tijdens de vaart zodanig 
zij, dat ten minste één kilogram per uur voor elke 0,75 kubieke meter 
van de bruto-inhoud van het grootste laadruim van het schip be­ 
schikbaar is. Voor tanks van een tankschip mag in plaats van ver­ 
stikkend gas of stoom, schuim worden gebruikt. 


3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling verlenen 
van de eis tot het aanbrengen van een in lid 2 voorgeschreven inrich­ 
ting voor de laadruimen (andere dan tanks van een tankschip): 


(a) indien zij voorzien zijn van stalen luiken en voorts bovendien 
alle ventilatie- en andere naar de laadruimen leidende openingen 
doeltreffend kunnen worden afgesloten, of 


( b ) indien het schip speciaal gebouwd en uitsluitend bestemd is 
voor ladingen als erts of kolen, of 


(c) indien kan worden aangetoond, dat deze in verband met de 
korte duur van de reizen van het schip onredelijk zou zijn. 


Artikel 15 


Voortstuwings- 
1. Aan boord van schepen geen passagiersschepen zijnde, meteen 
gedeelten en bun-bruto_inhoud van m;ncier <jan jooo ton, moet de brandblusleiding 
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste één krachtige straal 
water en aan boord van een dergelijk schip met een bruto-inhoud van 
1000 ton en meer met ten minste twee krachtige stralen water snel en 
gelijktijdig gespoten kan worden in elk deel van de machinekamers, 
ketelruimen of kolenbunkers. Schepen met een vermogen van 150 rem- 
paardekrachten of minder zijn van de toepassing van dit lid uitge­ 
zonderd. Aan boord van een schip, geen passagiers- noch motorschip 
zijnde, waarvan ketels uitgerust zijn met geforceerde trek. moeten de 
desbetreffende luchtkanalen van een stoombrandblusleiding zijn 
voorzien. 


2. Aan boord van een schip met een bruto-inhoud van 1000 ton 
of meer, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels of hetwelk 
door motoren wordt voortgestuwd, moeten in elk voortstuwingsge­ 
deelte ten minste twee brandafsluiters aanwezig zijn, van welke één 
aan bakboord en één aan stuurboord is aangebracht. Bij elk der 
brandafsluiters moet een brandslang, een koppeling en een straalpijp 
aanwezig zijn. 


3. Aan boord van een schip, geen motorschip zijnde, waar de 
hoofd- of hulpketels met olie gestookt worden, moeten behalve de 
inrichtingen, genoemd in de voorgaande leden van dit artikel aan­ 
wezig zijn: 


(а) op elke stookplaat één of meer bakken, tezamen inhoudende 
ten minste 0,3 kubieke meter zand, met soda-oplossing doordrenkt 
zaagsel of andere goedgekeurde stoffen, benevens schoppen om deze 
stoffen te verspreiden; 


(б) op elke stookplaat en in elke ruimte, waarin een gedeelte van 
de brandstofolie-installatie is opgesteld, twee goedgekeurde draag­ 
bare extincteurs van een type, dat schuim of andere voor het blussen 
van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt. 


Indien het schip een bruto-inhoud heeft van 1000 ton of meer, 
bovendien ten minste één zelfde type extincteur met een inhoud van 
9 liter voor elke brander. De totale inhoud van dit extra aantal 
extincteurs behoeft niet groter te zijn dan 45 liter voor elk ketel- 
ruim; 


(c) indien het schip een bruto-inhoud heeft van 1000 ton of 
meer, inrichtingen, waardoor in ten hoogste tien minuten schuim ont­ 
wikkeld en verdeeld kan worden over het ketelruim of, in geval er 
meer dan één ketelruim is, over elk ketelruim en over elke ruimte, I 
waarin zich delen van de brandstofolie-installatie of brandstofolie- 


• 


Bijlage V 


Bijlage V 


benzinktanks bevinden. De hoeveelheid schuim, welke kan worden 
ontwikkeld, moet ruimschoots voldoende zijn om tot een hoogte van 
15 centimeter het gehele oppervlak te bedekken, waarover olie zich 
ingeval van lekkage kan verspreiden. Bij de berekening van de hoe­ 
veelheid schuim moet in aanmerking worden genomen dat, indien 
chemisch schuim wordt gebruikt, 15 percent, en indien luchtschuim 
wordt gebruikt, 30 percent door wegbranden verloren gaat. 


In de plaats van schuim mag verstikkend gas, stoom of een goed­ 
gekeurd vast ingebouwd hoge druk watersproei-systeem worden toe­ 
gepast. 


Waar koolzuur als brandblussend middel in deze ruimten wordt 
gebruikt, moet de hoeveelheid mede te voeren gas zó groot zijn dat 
een minimum hoeveelheid vrij gas beschikbaar is, gelijk aan 30'per­ 
cent van de bruto-inhoud van de grootste ruimte; een ketelruim 
wordt hierbij gemeten tot aan de bovenkant van de ketels een 
machinekamer tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
gelijkwaardig geachte hoogte. 


Indien machinekamer en ketelruim niet voldoende gescheiden zijn 
en brandstofolie uit de vullingen van het ketelruim in de machine­ 
kamer kan lekken, moeten machinekamer en ketelruim tezamen als 
een afdeling worden beschouwd. De inrichting moet buiten de afde­ 
ling waarin brand kan voorkomen, in werking kunnen worden ge­ 
steld en geregeld; 


, J l n d i e n . h e . t s c h i p e e n b r u t o i n h o u d h e e f t v a n m i n d e r d a n 
1000 ton, een inrichting tot het verdelen van stoom onder de ketels. 


4. Aan boord van een in lid 3 bedoeld schip met een bruto- 
ïnhoud van 1000 ton of meer kan het Hoofd van de Scheepvaartin­ 
spectie extra brandblusmiddelen in de machinekamers en ketelruimen 
voorschrijven, indien olie en steenkolen gelijktijdig als brandstof wor­ 
den gebruikt. 


5. Aan boord van een schip, hetwelk door motoren wordt voort­ 
gestuwd, van minder dan 1000 ton moet behalve hetgeen in lid 1 is 
bepaald, één deugdelijke extincteur met een inhoud van ten minste 
y llter ln de voortstuwingsruimte geplaatst zijn, indien het ver­ 
mogen van de voortstuwingsmotor 150 rempaardekrachten of min­ 
der, twee dergelijke extincteurs, indien dat vermogen meer dan 150 
rempaardekrachten doch minder dan 300 bedraagt. Aan deze twee 
moet eén draagbare extincteur van het type, dat schuim of andere 
voor het blussen van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt, wor­ 
den toegevoegd, indien het vermogen van de voortstuwingsmotor 
-300 rempaardekrachten of meer bedraagt. 


6. Aan boord van een motorschip van 1000 ton of meer moeten 
de volgende brandblusmiddelen in de voortstuwingsruimten aan­ 
wezig zijn: 


(a) de middelen volgens de leden 1 en 2; 


Bijlage V 


( b ) één schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter 
of een koolzuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 16 kilo- 
gram; 


(c) één schuimblusser met een inhoud van 9 liter voor elke 1000 
rempaardekrachten der voortstuwingswerktuigen, met dien verstande 
dat het totale aantal schuimblussers van 9 liter niet kleiner mag zijn 
dan twee en niet groter behoeft te zijn dan zes. 


Indien een met olie gestookte hulpketel in de voortstuwingsruimte 
aanwezig is, zijn eveneens de bepalingen van lid 3 van toepassing. 


7 
Aan boord van een schip, dat door motoren, met ^ gezamen­ 
lijk'vermogen van 1000 rempaardekrachten of groter wordt voortge­ 
stuwd, moet gelegenheid zijn verstikkend gas toe te laten in de uit- 
laatgassenleidingen. 


8 
Aan boord van een schip, hetwelk door motoren wordt voort­ 
gestuwd en dat voor brandblussing in de laadruimen over een kool- 
zuur-brandblusinstallatie beschikt, dienen eveneens f voortstuwings- 
ruimten hierop aangesloten te zijn, doch de capacite 
behoeft uer 
voor niet vergroot te worden. De wijze van aansluiting moet ten 
genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. 


9 
Indien een met kolen of olie gestookte verwarmingsketel in de 


voortstuwingsruimte aanwezig is, moet een draagbare schuimbluss 
extra aanwezig zijn. 


Artikel 16 


1 
Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, welke 
Pompen, pulsen 
boorü ^ ^ ^ cc|1 vermogcn va„ met meer dan 


150 rempaardekrachten en van gesleepte schepen, indlen Z'] b^n 
zijn, moeten de nodige putsen aanwezig zijn om water van buiten 
boord op te slaan. 


2 
Aan boord van zeilschepen, al of niet van een hulpmotor met 
een vermogen van niet meer dan 150 rempaardekrachten, voorzien en 
van meer dan 200 ton, moet een goed werkende ha"f •brandsP"lt 
aanwezig zijn met zuigbuis en voldoende slangen om alle delen van 
het schip te bereiken. 


3 
Aan boord van een schip, geen passagiersschip zijnde, van min­ 
der dan 1000 ton en niet genoemd in de voorgaande >eden £1 
minste één krachtige werktuiglijk bewogen pomp, die onafhankelijk, 
van het voortstuwingswerktuig kan worden gebruikt, aanwezig zijn 
om te kunnen dienen tot het blussen van brand. 


4 
Aan boord van een schip, geen passagiersschip zijnde >/an 1000 
ton'of meer doch minder dan 4000 ton, moeten ten minste twee en 
indien 4000 'ton of meer, ten minste drie werktuiglijk gedreven pom­ 
pen aanwezig zijn, die onafhankelijk van het voortstuw.ngswerktuig 
kunnen worden gebruikt voor het blussen van brand. 


• 


Bijlage V 


li/'hiw 
aan b°0rd Van een schip' als bedoeld in het voorgaande 
lid, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels, of hetwelk 
door motoren wordt voortgestuwd een brand in een bepaalde af­ 
deling alle pompen buiten werking zou kunnen stellen, moet een ver­ 
plaatsbare, werktuiglijk gedreven pomp met onafhankelijke kracht- 


uCenjau 
rLZ0Veel mo2e''jk gelijkwaardig middel tot blussing 
van de brand beschikbaar zijn. 


Artikel 17 


i JiA .Aan boord yan 6611 schiP' S06" pasagiersschip zijnde, van Gasmasker-zuu, 
1000 ton en meer doch minder dan 6000 ton, moet ten minste één ""ÏÏT' f 
ui rus ing en op die van 6000 ton en meer moeten ten minste twee büt vd.igheTd' 
uitrustingen aanwezig zijn, als bedoeld in lid 1 van artikel 12. Lid 2 lamp 
van genoemd artikel is eveneens van toepassing. 


2. Aan boord van een in het vorig lid bedoeld schip, van meer 
clan 500 ton, moeten ten minste twee brandbijlen aanwezie zijn 
welke op een gemakkelijk bereikbare plaats moeten zijn geborgen. 
Up kleinere schepen kan met één bijl worden volstaan. 


BIJLAGE VI 


VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ELECTRISCHE 
INRICHTINGEN 
HOOFDSTUK I 


Inleiding 
Artikel 1 


Toepassing 
1. Deze bijlage is van toepassing op de aanleg en het bedrijf van 


electrische installaties. 
.... 
. 
i • 
2. Voor electrische installaties, welke bij het in werking treden 
van deze bijlage reeds in bedrijf of in aanleg waren, kan het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie gedeeltelijk ontheffing van de 
schriften van deze bijlage verlenen. 
, 
• 
. ol 
3 
Bij uitbreiding, herstelling of wijziging van bestaande instal­ 
laties moeten deze uitbreidingen, herstellingen of ™jz^mgen zo veel 
mogelijk met inachtneming van het bepaalde in deze bijlag 
g 


schiederiectrische installaties moeten voldoen aan de voorschriften 
welke dienaangaande worden gegeven door het desbetreffende do 
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureau, voor zover in dez 
bijlage geen afwijkende of aanvullende voorschriften worden gegeven. 
Voor niet geklasseerde schepen worden gelijkwaardige eisen gestel . 


Artikel 2 


omschrijvingen 
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder. 
electrische bedrijfsruimten: ruimten, waarin zich electrische ma­ 
chines, transformatoren, accumulatoren, schakel- en verdeelinnch- 
tingen of electrische toestellen bevinden en welke in de regel slechts 
door bevoegd personeel worden betreden; 


electrische machines: generatoren, motoren en omzetters; 
electrische voortstuwingsinstallatie: het gedeelte van de scheeps- 
installatie uitsluitend bestaande uit de electrische voortstuwingsmotor 
of -motoren van het schip en de daarmede electnsch verbonden 
machines, toestellen en leidingen; 
, 


spanning: middelbare spanning, bij welke de electrische ene g 


onder normale omstandigheden wordt verbruikt; 


noodinstallatie: het gedeelte van de scheepsinstallatie, bestaande uit 
en ten behoeve van de in artikel 50 van het Schepenbesluit lid 2 en 3 
genoemde en in deze bijlage nader vermelde noodverlichting nood- . 
pomp, verlichting voor de navigatie- en seinlampen en overige in 
richtingen, welke in geval van nood moeten kunnen werken, 


schakelruimten: besloten ruimten, speciaal bestemd voor het Pla^sen 
van schakel- en verdeelinrichtingen, en welke in de regel slechts door . 
bevoegd personeel worden betreden; 


1 


Bijlage VI 


verbruiksvermogen: het vermogen, dat maximaal gelijktijdig zal 
worden verbruikt; 


vochtige ruimten: ruimten, waarin vocht het behouden van een nor­ 
male isolatietoestand bemoeilijkt of de electrische weerstand van de 
daarin vertoevende personen belangrijk vermindert. 


Artikel 3 


1. 
Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van Tekeninsen van 
deugdelijkheid moeten een volledig installatieschema, leidingteke- de instaUa,ie 
ningen en verdere plannen van de electrische installatie in viervoud 
worden overgelegd. Het installatieschema moet in hoofdzaak aan- 
geven: 


(a) de stroomsoorten en spanningen, zomede eventuele frequenties: 
(b) het aantal, de soort en het vermogen van de generatoren, 
transformatoren, omzettere, gelijkrichters, accumulatoren en dergelijke; 


(c) het aantal, de soort en het meetgebied van de voornaamste 
meetinstrumenten; 


(d) de wijze van schakelen en verbinden van de afzonderlijke 
delen der installatie; 


(e) de soort, de koperdoorsnede en de wijze van aanleggen van de 
leidingen; 


( f ) de nominale stroomsterkte van de smeltpatronen, de patroon- 
houders, de schakelaars en de automatische schakelaars met hun in­ 
stelling; 


het aantal, de soort, het vermogen en eventueel de gelijktijdig- 
heidsfactor, alsmede de stroomsterkte en de arbeidsfactor van mo­ 
toren, lampen en stroomverbruikende toestellen. 


2. Van de in lid 1 bedoelde bescheiden moet steeds een exemplaar 
aan boord aanwezig zijn. 


Belangrijke veranderingen in de aanleg moeten daarop zijn aan­ 
gebracht. 


HOOFDSTUK II 


Algemene voorschriften 


Artikel 4 


1. 
Behoudens het bepaalde in artikel 32 mag de spanning ten Toegelaten spaar 
hoogste bedragen: 
ningen. 


a) bij gelijkstroom: 
(1) 
250 volt tussen de polen; 


(2) 
500 volt tussen de polen voor de vast aangebrachte kracht­ 
installatie onder door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stel­ 
len voorwaarden; 


b) bij wisselstroom: 
(1) 115 volt tussen de fazen, mits de spanning tegen aarde niet 
meer bedraagt, of tengevolge van een fout in de installatie niet meer 
kan bedragen dan de helft daarvan, voor: 


Bijlage VI 


alle doeleinden in hutten en verblijven, niet zijnde ruimten voor 
algemeen gebruik, als bedoeld in artikel 25 van bijlage II, en onver­ 
minderd het onder b) (2) bepaalde omtrent kachels en verwarmings­ 
toestellen; 


verplaatsbare lampen en verplaatsbare werktuigen en toestellen met 
een vermogen van minder dan 2,5 kW; 


(2) 230 volt tussen de fazen voor: 
de vast aangebrachte verlichting met uitzondering van die in hutten, 
toiletten, badkamers en wasplaatsen; 


verplaatsbare werktuigen en toestellen met een vermogen van 
2,5 kW of meer; 


de vast aangebrachte krachtinstallatie onverminderd het onder b ) (3) 
bepaalde; 


kachels en overige vast aangebrachte verwarmingstoestellen; 
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik; 
(3) 
440 volt tussen de fazen voor: 


de vast aangebrachte krachtinstallatie op schepen met een ver- 
bruiksvermogen van 200 kVA of meer voor zover betreft krachtwerk­ 
tuigen in de machinekamer, stuurmachines, dekwerktuigen, ankerspil- 
• 
len, kaapstanders, ventilatoren voor centrale ventilatie en andere door 
i 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan te wijzen werktuigen en 
toestellen, onder door hem te stellen voorwaarden. 


2. De bovenstaande spanningen gelden, voor zover het electrom- 
sche toestellen betreft, slechts voor de voeding daarvan. 


3. Voor accumulatoren heeft de in lid 1 a) (1) genoemde span- 
ningsgrens betrekking op de ontlaadspanning. 


4. Het in lid 1 bepaalde geldt niet voor voortstuwingsinstallaties. 


Artikel 5 


wisselstroom-en 
1. Wisselstroom- en draaistroomstelsels mogen niet zijn geaard. 


draaistroomstei- 
j 
Wisselstroom- en draaistroomstelsels mogen niet van een neu- 
sels 
, 
trale leiding zijn voorzien. 


3. Het in lid 1 en 2 bepaalde geldt niet voor de in artikel 4 
lid 1 b) (1) bedoelde wisselstroomstelsels. 


Artikel 6 


Materiaal en in- 
1. Het voor de installatie gebruikte materiaal benevens de wijze : 
richting 
van aanieggen van de installatie moeten een voldoende veiligheid en 
bedrijfszekerheid waarborgen. 


2. Installaties moeten zowel in het algemeen als in onderdelen zo­ 
danig zijn ingericht en opgesteld, dat het optreden van brand en van 
stroomovergang op personen, zowel bij het gebruik en de bediening, ji 
als bij herstellings-, onderhouds-, meet- en controlewerkzaamheden : 
zoveel mogelijk wordt voorkomen. 


Artikel 7 


Bescherming 
Bij alle blanke of daarmede gelijk te stellen delen van een installatie, ii 


tegen aanraking weJke onder spannjng kunnen geraken,. moet een deugdelijke en doel- » 
matige bescherming tegen aanraking zijn aangebracht. 


. 


Bijlage VI 


Dit voorschrift geldt, voor zover geen gevaar van bijzondere aard 
aanwezig is, niet: 


(a) in electrische bedrijfsruimten voor de collectoren en sleep- 
ringen van electrische machines bij een gelijkspanning van minder dan 
250 volt of bij een wisselspanning van minder dan 130 volt; 


( b ) in electrische bedrijfsruimten voor de blanke of daarmede 
gelijk te stellen delen op schakel- en verdeelborden of -rekken, mits 
zich ter plaatse geisoleerde inrichtingen bevinden, waaraan men zich 
kan vasthouden en de vloer met een rubbermat of een tegen vocht ge­ 
ïmpregneerd houten rooster is bedekt, met dien verstande, dat zo­ 
danige delen niet mogen zijn aangebracht aan de voorzijde van open 
schakel- en verdeelborden en -rekken bij een gelijkspanning van 
meer dan 250 volt of bij een wisselspanning van meer dan 230 volt 
tussen de fazen. 


Artikel 8 


1. Metalen huizen of omhulsels van electrische machines trans' Aardverbinding 
formatoren, toestellen en leidingen moeten deugdelijk zijn geaard 


2. 
Metalen omhulsels van verplaatsbare lampen, gereedschappen 
en soortgelijke toestellen, welke tot de electrische uitrusting van het 
schip behoren, moeten bij een gelijkspanning van 100 volt of meer of 
bij een wisselspanning van meer dan 24 volt tussen de fazen bij een 
met-geaard stroomstelsel of tegen de aarde bij een geaard stroom­ 
stelsel door middel van een daartoe geschikte geleider, welke deel 
uitmaan.i van de buigzame voedingleiding, zijn geaard. 


Artikel 9 


1. De in de installatie voorkomende electrische verbindingen Beveiliging tegen 
mogen niet kunnen loswerken. 
loswerken 


2. Toestellen, zoals schakelaars, schakelwalsen en dergelijke, welke 
in meer dan één stand kunnen worden gesteld, moeten zodanig zijn 
ingericht, dat elk dezer standen is gewaarborgd. 


Artikel 10 


Electrische machines en toestellen moeten zodanig zijn ingericht er invloed van de 
opgesteld, dat de goede werking door verandering van de invloed zwaartekracht 
van de zwaartekracht niet wordt belemmerd. 


Artikel 11 


1. De inrichting en opstelling van electrische machines, transfor- invloed op ins ru- 
matoren, accumulatoren, toestellen, de aanleg en de samenstelling van menlen 
leidingen moeten zodanig zijn, dat magnetische kompassen, tijdmeters 
en electrische meetinstrumenten niet door optredende magnetische 
velden kunnen worden beïnvloed en dat de radio-installaties zo weinig 
mogelijk worden gestoord. 


2. De gloeidraad van de lampen voor de verlichting van magne­ 
tische kompassen moet op een afstand van ten minste 18 centimeter 
van de roos verwijderd blijven; hij mag niet meer dan 0,6 ampère 


Bijlage VI 


stroom voeren. Alle stroomkringen, welke op een afstand van minder 
dan 9 meter van magnetische kompassen zijn aangelegd, moeten 
geheel dubbelpolig zijn uitgevoerd. De heen- en de terugleiding moe­ 
ten tegen elkaar liggen. De leidingen mogen op een afstand van 
minder dan 2 meter van de magnetische kompassen geen ijzer- ot 
staaldelen bevatten. 


Artikel 12 


Groep 
van 
de 
Aan boord van schepen met een verbruiksvermogen van meer dan 


envivaanedehtse"n- 1 kW moeten de navigatielichten en de seinlampen ieder op een 
ITmpe" 
afzonderlijke stroomkring zijn aangesloten. De groep van de naviga­ 
tielichten en de seinlampen moet op een doelmatige plaats, op een 
andere daartoe geschikte stroomkring, welke normaal onder spanning 
staat, kunnen worden omgeschakeld. 


Op passagiersschepen moet deze groep ook op het noodscnaKei- 
bord kunnen worden geschakeld. 


Artikel 13 


Aansluiting van 
Contactstoppen met contactpennen mogen niet aan het van de 
contactstoppen 
stroomhr0n afgekeerde einde van verplaatsbare leidingen zijn aan­ 
gebracht. 


Artikel 14 


Kolenruimen, 
1. In ruimten, bestemd voor het vervoer en de opslag van steen- 
koienbunkers en ^00j eierkolen, steenkoolbriketten en dergelijke vaste brandstollen 
kruitkamers 
^ 
electrische toestellen zijn aangebracht, met uitzondering 


van vast aangebrachte ontploffingsvrije, drukvaste lamparmaturen. 


2. Voor de vast aangebrachte verlichting van kruitkamers mag 
slechts gebruik worden gemaakt van gesloten armaturen, voorzien 
van een schutglas en -korf. 
. , . 


Andere electrische toestellen, van welke aard ook, mogen niet in 


kruitkamers zijn geplaatst. 
De groep van de lampen in de kruitkamer moet buiten deze ruimte 
door middel van een dubbelpolige schakelaar spanningloos kunnen 
worden gemaakt. Een controlelamp, die aangeeft of de groep al ot 
niet onder spanning staat, moet ter plaatse zijn aangebracht. 


3 
Voor tijdelijke verlichting van de in de vorige leden genoemde 
ruimten mag slechts van draagbare lampen, welke voldoen aan de 
eisen, gesteld in artikel 32 onder F gebruik worden gemaakt. 


Artikel 15 


Dekwerktuigen 
1. Electrisch gedreven dekwerktuigen moeten zodanig zijn inge­ 
richt, dat: 


(a) het inschakelen van de aandrijfmotor alleen van de ruststand 
der bedieningsorganen uit kan geschieden; 


I 


Bijlage VI 


(b) bij het wegvallen van de netspanning of bij het onderbreken 
van de stroomtoevoer naar de aandrijfmotor de rem automatisch in 
werking treedt en de last vasthoudt. Deze bepaling geldt niet voor 
het vieren van de last bij dekwerktuigen, waarbij de rem tijdens het 
vieren met de hand wordt gelicht. 


(c) bij toepassing van hulpstroom het ontstaan van een aardslui- 
ting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van 
de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de rem van het 
lierwerk kan leiden. 


2. Nabij het bedieningshandel van electrisch gedreven dekwerk­ 
tuigen moet de stand van het handel bij halen en vieren op duidelijke 
en duurzame wijze zijn aangegeven. 


3. Nabij de plaats, waar het werktuig wordt bediend, moet een 
schakelaar of hulpschakelaar zijn aangebracht, waarmede de stroom­ 
toevoer naar de aandrijfmotor of naar de motor van het voedings­ 
aggregaat onafhankelijk van de stand van de bedieningsinrichting van 
de motor kan worden uitgeschakeld. 


HOOFDSTUK III 


Accumulatoren 


Artikel 16 


1. Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij tegen Alge mene voor 
beschadiging van buiten af doelmatig zijn beschermd. 
schriften 


2. Accumulatoren moeten deugdelijk geïsoleerd zijn opgesteld. De 
opstelling moet zodanig zijn, dat tussen twee naast elkaar geplaatste 
cellen geen spanningsverschil groter dan 50 volt kan optreden. 


3. Accumulatorenbatterijen moeten met inachtneming van het 
voorafgaande zijn geplaatst in speciaal voor dit doel bestemde ruim­ 
ten, kisten of kasten, onderscheidenlijk hierna aangeduid als accu­ 
ruimten, -kisten of -kasten. 


4. Accuruimten moeten op zodanige wijze zijn geventileerd, dat 
zich hierin geen ontplofbare gasmengsels kunnen verzamelen. Hier­ 
toe moeten zij zijn voorzien van op doelmatige wijze aangebrachte 
ventilatiepijpen of -kokers. Deze moeten een doortocht hebben van 
ten minste 175 vierkante centimeter; de inwendige weerstand moet zo 
gering mogelijk zijn; de verticale afstand tussen het afvoereinde van 
de afvoerpijp en het toevoereinde van de toevoerpijp moet zo groot 
als praktisch mogelijk zijn en mag niet minder dan 3 meter bedragen. 


Indien in deze ruimten accubatterijen zijn geplaatst, waarvan het 
product van de spanning in volt en het aantal ampère-uren bij 10- 
urige ontlading het getal 25 000 te boven gaat, moet bovendien kunst­ 
matige ventilatie worden toegepast. Ditzelfde geldt eveneens, wanneer 
twee of meer accubatterijen in genoemde ruimten zijn geplaatst en 


Bijlage VI 


welke gelijktijdig geladen kunnen worden, indien de som van de 
afzonderlijke producten bovengenoemd getal overschrijdt. 


De kunstmatige ventilatie moet zodanig zijn ingericht, dat per uur 
een aantal liters lucht gelijk aan 110 maal het product van het aantal 
cellen en de laadstroomsterkte in ampère, de accuruimte doorstroomt. 
Tijdens het laden moet de ventilator steeds in werking zijn, totdat 
de laadstroomsterkte tot 50 % van de aanvangsstroomsterkte is afge­ 
nomen. 


De kunstmatige ventilatie moet verder zodanig zijn, dat de voor­ 
geschreven natuurlijke ventilatie er door wordt versterkt. De af te 
voeren gassen mogen de ventilatormotor niet kunnen bereiken, ter­ 
wijl de waaier of het schoepenrad van zodanig materiaal moet zijn 
vervaardigd, dat het verwekken van vonken onder alle omstandig­ 
heden wordt voorkomen. 


Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
voor accuruimten met accubatterijen beneden genoemde grenswaarde 
van 25 000 door middel van natuurlijke ventilatie geen voldoende 
veiligheid wordt verkregen, kan deze kunstmatige ventilatie voor­ 
schrijven. 


5. Accukisten of -kasten moeten op dezelfde wijze als accuruimten 
worden geventileerd, met dien verstande, dat de doortocht van de 
ventilatiepijpen of -kokers niet minder dan 75 vierkante centimeter 
mag bedragen. 


Dit voorschrift is niet van toepassing op kisten of kasten, mits 
opgesteld op een veilige plaats op het open dek, in welk geval deze 
kisten of kasten door middel van op doelmatige wijze aangebrachte 
ventilatie-openingen, zwaanshalzen of dergelijke, moeten zijn geventi­ 
leerd. 


6. Accubatterijen, waarvan het product van het aantal cellen en 
de laadstroomsterkte in ampère niet meer dan 120 bedraagt, mogen, 
mits op een goed geventileerde plaats, welke voor onbevoegden niet 
toegankelijk is, met inachtneming van het eerste lid van dit artikel 
vrij zijn opgesteld. 


7. Het inwendige van accuruimten, -kisten of -kasten moet duur­ 
zaam beschermd zijn tegen aantasting door het electrolyt. 


8. De opstelling van de cellen moet zodanig zijn, dat voldoende 
ruimte aanwezig is ten behoeve van het onderhoud en de controle 
van de batterij. 


9. In accuruimten, -kisten of -kasten mogen geen andere leidin­ 
gen aanwezig zijn dan die, welke voor de daarin aanwezige delen 
der installatie nodig zijn. Machines en toestellen, die tot vonkvorming 
aanleiding kunnen geven, mogen daarin niet voorkomen. Voor de 
kunstmatige verlichting van accuruimten mogen slechts lampen wor­ 
den gebruikt, die binnen vast aangebrachte ontploffingsvrije, druk- 
vaste armaturen zijn aangebracht. Voor tijdelijke verlichting van deze 


>. 


Bijlage VI 


ruimten mag slechts van draagbare lampen, welke voldoen aan de 
eisen, gesteld in artikel 32 onder F gebruik worden gemaakt. 


10. In of bij accumulatorenruimten moeten volledige gegevens 
betreffende spanning, capaciteit en stroomsterkte bij laden en ont­ 
laden zijn aangegeven. 


11. Op de deuren van accuruimten moet zijn aangegeven, dat het 
binnengaan met open licht en vuur is verboden. 


Op de deksels of deuren van accukisten of -kasten moet zijn aan­ 
gegeven, dat het openen in de nabijheid van open licht en vuur is 
verboden. 


HOOFDSTUK IV 
Schakel- en verdeelinrichtingen 
Artikel 17 


1. In en op schakel- en verdeelinrichtingen moet zoveel mogelijk Algemene voor- 
gebruik zijn gemaakt van niet van een isolerende bekleding voorziene schnften 
hoofdrails en hoofdverbindingen. 


2. Leidingen, welke behoren tot verschillende stroomkringen, 


mogen niet aan eenzelfde stel klemmen zijn aangesloten. 


3. Bij schakel- en verdeelinrichtingen moet voldoende bedienings­ 
ruimte aanwezig zijn. 


Onderhoud en bediening mogen niet door in de nabijheid opge­ 
stelde toestellen of voorwerpen worden belemmerd. 


4. Smeltveiligheden, automaten, schakelaars en dergelijke van 
licht-, kracht- en verwarmingsinstallaties moeten doelmatig geschei­ 
den zijn aangebracht. 


5. Schakel- en verdeelinrichtingen moeten zijn voorzien van de 
nodige aanduidingen ten dienste van het bedrijf. De polariteit of 
faze moet duidelijk door verschillende kleuren kenbaar zijn gemaakt. 


Artikel 18 


Voor schakel- en verdeelborden geldt, onverminderd het bepaalde in Schakel - en ver- 
de artikelen 7 en 17, het volgende: 
^rekken*6" 


(a) niet tegen de wand bevestigde borden moeten zodanig zijn 
opgesteld, dat zich aan de achterzijde een vrije ruimte bevindt, die 
goed toegankelijk is; bij een totale lengte van 6 meter of meer moet 
deze ruimte aan beide einden goed toegankelijk zijn. De toegangen 
moeten door goed afsluitbare deuren kunnen worden afgesloten; 
draaideuren moeten naar buiten draaiende deuren zijn; 


( b ) bij tegen de wand bevestigde borden moeten de verbindingen 
der aangesloten leidingen aan de voor- of zijkant gecontroleerd en 
losgemaakt kunnen worden, tenzij de borden aan de achterzijde ge­ 
makkelijk bereikbaar zijn; 


(c) bij tegen de wand bevestigde schakel- en verdeelrekken moeten 
de hierop geplaatste toestellen en aangesloten leidingen van de voor­ 
zijde af verwijderd en aangebracht kunnen worden. 


Bijlage VI 


HOOFDSTUK V 


Noodinstallatie op schepen, geen passagiersschepen zijnde 


Artikel 19 


Noodschakei- 
]. Op schepen, geen passagiersschepen zijnde, welke met een nood- 
generator of -batterij zijn uitgerust, moet een noodschakelbord of 
-kastenbatterij zijn aangebracht. Indien een noodgenerator aanwezig 
is, moet dit schakelbord of deze kastenbatterij nabij deze generator 
zijn geplaatst. 


2. 
Bij aanwezigheid van een noodbatterij moet een inrichting aan­ 
wezig zijn, waardoor deze batterij automatisch op het noodschakel­ 
bord of op de -kastenbatterij wordt aangesloten, zodra de netspanning 
wegvalt. Tegelijkertijd moet de machinist van de wacht door een 
optisch sein worden gewaarschuwd. 


Indien de stroomvoorziening van de noodverlichting steeds ver­ 
zekerd is, kan het inschakelen daarvan, in plaats van automatisch, 
geschieden door een met de hand bediende schakelaar, mits deze 
schakelaar zich in het stuurhuis of in de kaartenkamer bevindt. 


3. Op de in lid 1 bedoelde schepen van minder dan 500 ton mogen 
een schakelbord en een krachtbron, welke zo hoog als practisch 
mogelijk is in het schip zijn geplaatst, als noodschakelbord en als 
noodkrachtbron voor de noodverlichting dienst doen. 


HOOFDSTUK VI 


Electrische toestellen 


Artikel 20 


Algemene eisen 
1, Stroomvoerende delen van electrische toestellen moeten op 
onbrandbaar of moeilijk brandbaar niet-hygroscopisch isolatiemateri­ 
aal zijn aangebracht. 


2. Electrische toestellen moeten tegen mechanische beschadiging 
voldoende bestand of gevrijwaard zijn. 


3. Op electrische toestellen moeten de fabrieksgegevens betreffende 
stroomsoort, spanning, stroomsterkte en frequentie zijn aangegeven. 


Artikel 21 


Plaatsing van 
1. In elke electrische installatie moeten de voor het bedrijf en 


schakelaars 
het doelmatig en veilig verrichten van bedienings-, herstellings- en 
onderhoudswerkzaamheden nodige schakelaars aanwezig zijn. 


2. In de naaste omgeving van motoren moeten schakelaars of 
gelijkwaardige inrichtingen zijn aangebracht, waarmede elke motor 
afzonderlijk volledig van het net kan worden gescheiden. 


Deze bepaling geldt niet: 
(a) voor motoren van een nominaal vermogen van 0,5 kilowatt 
of minder, aangesloten op een groep, welke door smeltpatronen of 
maximumschakelaars van een nominale stroomsterkte van ten hoog- 


Bijlage VI 


ste 25 ampère is beveiligd, mits deze groep van een groepschakelaar 
is voorzien; 


(b) voor motoren van een nominaal vermogen van 0,5 kilowatt 
of minder, aangesloten door middel van stopcontacten; 


(c) voor motoren, deel uitmakende van een combinatie van mo­ 
toren, welke bij eenzelfde werktuig behoren, mits een schakelaar aan­ 
wezig is, waarmede deze motoren gezamenlijk kunnen worden uit­ 
geschakeld. 


3. Indien voor de bediening van motoren automatische schakelaars 
met afstandbediening worden toegepast, moeten zo nodig maatregelen 
zijn genomen, welke verhinderen, dat ten gevolge van een aard- 
sluiting in de hulpstroomketen de motoren onverwacht in beweging 
kunnen komen of ongewild in beweging kunnen blijven. 


4. Voor stroomverbruikende toestellen met uitzondering van lam­ 
pen moeten schakelaars aanwezig zijn, waarmede elk toestel afzon­ 
derlijk volledig van het net kan worden gescheiden. 


Deze bepaling geldt niet: 
(a) voor stroomverbruikende toestellen van een nominaal ver­ 
mogen van 0,5 kilowatt of minder aangesloten op een groep, welke 
door smeltpatronen of maximumschakelaars van een nominale stroom- 
sterkte van ten hoogste 25 ampère is beveiligd, mits deze groep van 
een groepschakelaar is voorzien; 


(b) voor stroomverbruikende toestellen aangesloten door middel 
van stopcontacten van een nominale stroomsterkte van ten hoogste 
25 ampère. 


5. Schakelaars mogen niet zijn aangebracht in uit hoofde van het 
bedrijf met de aarde in verbinding zijnde leidingen, tenzij deze door 
één handeling gelijktijdig met de overige bijbehorende leidingen 
worden uitgeschakeld. 


Artikel 22 


Indien generatoren parallel zijn geschakeld, moet een beveiligings- schakeling bij 
inrichting zijn aangebracht, waarmede de belasting bij varen en ma- paraiiei-bednjf 
noeuvreren bij het afvallen van één generator automatisch wordt 
teruggebracht tot de toelaatbare belasting der overgebleven genera­ 
toren. Deze bepaling geldt niet, indien de maximum belasting, die 
bij varen of manoeuvreren kan optreden, het vermogen van één over­ 
gebleven generator onder alle omstandigheden niet overschrijdt. 


Artikel 23 


1. Weerstandselementen van aanloopweerstanden en van al of niet weerstanden 
regelbare weerstanden moeten op doelmatige wijze tegen aanraking 
en tegen indringen van water zijn beschermd en zodanig zijn op­ 
gesteld, dat zij geen ontvlamming van brandbare stoffen kunnen 
veroorzaken. 


Bijlage VI 


2. Stroomverbrekende delen van aanloopweerstanden en regelbare 
weerstanden moeten op doelmatige wijze tegen aanraking zijn be­ 
schermd. Deze bepaling is niet van toepassing op weerstanden in 
schakelruimten. 


3. Aanloopweerstanden voor gelijkstroommotoren met een vermo­ 
gen van 0,75 kilowatt of meer moeten zodanig zijn ingericht, dat na 
het wegvallen van de spanning het vanzelf in bedrijf komen van de 
motor bij terugkeren van de spanning niet mogelijk is, tenzij de aard 
van het bedrijf zulks eist. 


Artikel 24 


ujestóiicn"8S~ 
Electrische kachels moeten vast zijn opgesteld. 


2. Electrische kachels moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld, 
dat zij geen brandgevaar voor hun omgeving kunnen medebrengen. 
In vochtige ruimten moeten zij van waterdichte constructie zijn. 


3. Electrische kachels, welker oppervlakte-temperatuur 100° Cel­ 
sius kan overschrijden, zijn alleen toegelaten, indien zij door een 
j 
doeltreffend metalen omhulsel, welks oppervlakte-temperatuur niet 
hoger kan worden dan 100° Celsius, zijn beschermd. 


4. Verwarmingstoestellen, zoals kooktoestellen en dergelijke, mo­ 
gen alleen worden gebruikt, indien de delen, welke de verwarmings­ 
lichamen vormen, zijn omgeven door een doelmatig beschuttend om­ 
hulsel. 


Artikel 25 


Smeicveiiigheden 
1. Smeltveiligheden van een nominale stroomsterkte van niet meer 
' 


schakelaars"1 
dan 25 ampère moeten als schroefsmeltveiligheden of daarmede ten 
minste gelijkwaardige patroonveiligheden zijn uitgevoerd. 


2. Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat: 
(a) bij een nominale stroomsterkte van de smeltpatroon van 6 tot 
en met 25 ampère voor een bepaalde stroomsterkte het door onacht­ 
zaamheid of bij vergissing inzetten van een smeltpatroon van een 
hogere nominale stroomsterkte niet mogelijk is; 


( b ) bij een nominale stroomsterkte van de smeltpatroon van 
minder dan 6 ampère het inzetten van een smeltpatroon van meer dan 
6 ampère niet mogelijk is. 


3. Het gebruik van open buisveiligheden is verboden. Bovendien 
is het gebruik van smeltveiligheden met verwisselbare smeltdraad van 
een nominale stroomsterkte van niet meer dan 25 ampère verboden. 


4. Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat het uit­ 
nemen of inzetten van de smeltpatronen kan geschieden, zonder dat 
daartoe blanke, onder spanning staande delen met de hand of met 
ongeïsoleerd gereedschap behoeven te worden aangeraakt en zonder 
dat gevaar bestaat om met onder spanning staande delen in aan­ 
raking te komen. 


5. Het gebruik van gerepareerde smeltpatronen, die kennelijk niet 
voor vervanging van de smeltdraad zijn ingericht, is verboden. 


H 


Bijlage VI 


6. Op de smeltveiligheidhouders en op de smeltpatronen moeten 
de nominale stroomsterkte en de spanning, waarvoor zij mogen 
worden gebruikt, zijn aangegeven. 


7. Smeltveiligheden en maximumschakelaars moeten zoveel moge­ 
lijk een uitschakelvermogen bezitten, dat ten minste gelijk is aan het 
kortsluitvermogen ter plaatse; is dit niet het geval, dan moeten zij 
zijn beveiligd door smeltveiligheden of maximumschakelaars, welke 
dit uitschakelvermogen wel bezitten. 


8. In serie geschakelde beveiligingsmiddelen moeten onderling vol­ 
doende selectief zijn. 


Artikel 26 


1. In elke electrische installatie moeten de voor een deugdelijke Meet- en con- 
bediening en controle en voor een doelmatig gebruik nodige meet- en föietoesteiien 
contröletoestellen zijn aangebracht. Op de meetinstrumenten moet de 
hoogst toelaatbare waarde door een rode streep zijn aangegeven. 


2. Ter controle van het al of niet in bedrijf zijn van de genera­ 
toren en van de motoren der hulpwerktuigen ten dienste van de voort­ 
stuwing of de besturing van het schip moeten op één of meer doel­ 
matig gekozen plaatsen controlelampen of meetinstrumenten zijn 
aangebracht. 


Artikel 27 


1. Ter controle van de isolatieweerstand van de electrische instal- isolatiemeter en 
latie in haar geheel, zowel als in onderdelen, moet een daartoe ge- ^"e"snsaan" 
schikte draagbare isolatiemeter aanwezig zijn. Dit voorschrift is niet 
van toepassing op installaties, indien daarvan geen motoren met een 
vermogen van meer dan 2,5 kilowatt deel uitmaken. Deze uitzondering 
geldt niet voor tankschepen en schepen, ingericht voor het vervoer 
van verpakte brandbare vloeistoffen, als bedoeld in bijlage VII. 


2. Om te onderzoeken of de delen van een electrische installatie 
al of niet onder spanning staan, moeten daartoe geschikte draagbare 
voltmeters, proeflampen of andere spanningaanwijzers aanwezig zijn. 


3. Draagbare spanningaanwijzers moeten voldoen aan de vol­ 
gende eisen: 


(a) zij moeten zodanig zijn ingericht, dat daarin geen kortsluiting 
kan optreden; 


(b) het deel, dat de aanwezigheid van spanning aanwijst, moet zijn 
omgeven door deugdelijk en moeilijk breekbaar isolatiemateriaal; 


(c) zij moeten tegen ruwe behandeling, vallen en stoten zoveel 
mogelijk bestand zijn. 


Bijlage VI 


HOOFDSTUK VII 
Lamphouders en lampen 


Artikel 28 


Algemene eisen 
1. Lamphouders voor lampen met schroefvoet moeten aan de 
volgende eisen voldoen: 


(a) de voet van de daarin geschroefde lamp moet geheel en deug­ 
delijk tegen aanraking zijn beschermd; 


( b ) zij moeten zodanig zijn ingericht, dat loswerken van de lamp 
afdoende wordt verhinderd. 


2. Lampen, fluorescentiebuizen en andere lichtbronnen, vast aan­ 
gebracht op plaatsen, waar zij in het bedrijf aan beschadiging bloot 
staan, moeten van stevige schutglazen, welke zonodig door deugde­ 
lijke korven worden beschermd, zijn voorzien. 


3. In vochtige ruimten moeten ter beoordeling van het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie hetzij druipwaterdichte, hetzij spatwaterdichte 
of waterdichte lamparmaturen zijn gebruikt. In badkamers mogen 
geen wand-contactdozen zijn aangebracht. 


4. Verlichtingsarmaturen moeten zodanig uitgevoerd zijn, dat geen 
temperatuurstijgingen kunnen ontstaan, welke schade aan de leidingen 
kunnen veroorzaken. Overmatige verhitting van het in de omgeving 
aanwezige materiaal mag niet plaats kunnen vinden. 


Artikel 29 


Lampengroepen 
1. In machinekamers en ketelruimen, in gangen en bij trappen, 
zomede in die ruimten, welke naar het oordeel van het Hoofd van de 
Scheepvaartinspectie daarvoor in aanmerking komen, moeten bij aan­ 
wezigheid van twee of meer lichtpunten, deze op ten minste twee 
afzonderlijke groepen zijn aangesloten. Dit voorschrift geldt niet ten 
aanzien van hutten voor passagiers en andere opvarenden. 


2. Groepleidingen voor verlichting moeten zijn beveiligd door 
smeltpatronen of maximumschakelaars van ten hoogste 15 ampère 
nominale stroomsterkte. 


Artikel 30 


verplaatsbare 
1. Als verplaatsbare lampen mogen alleen handlampen als in lid 2 


lampen 
omschreven, worden gebruikt. Deze bepaling geldt niet voor statief­ 
lampen, dagseinlampen, cargolampen, tafellampen en dergelijke. 


2. Handlampen moeten aan de volgende eisen voldoen: 
(a) zij moeten zijn vervaardigd met gebruikmaking van sterk 
isolatiemateriaal of van tegen vocht geïmpregneerd hout, waarin de 
lamphouder zoveel mogelijk verzonken moet zijn aangebracht; meta­ 
len lamphouders in houten handlampen moeten zodanig op isolatie­ 
materiaal zijn bevestigd, dat zij niet met het hout in aanraking komen; 


( b ) bij afgenomen schutkorf en -glas mogen geen metalen delen 
van de lamphouder en de lampvoet kunnen worden aangeraakt; de 


Bijlage VI 


bescherming van de lampvoet moet voldoende tegen mechanische 
beschadiging bestand zijn; 


(c) zij mogen niet van een schakelaar zijn voorzien. 


3. Het metaal van statieflampen en cargolampen mag niet door 
enig inwendig defect onder spanning kunnen geraken. 


Zij mogen niet van een schakelaar zijn voorzien. 


HOOFDSTUK VIII 


Electrische leidingen 


Artikel 31 


1. Leidingen moeten zijn beveiligd door smeltveiligheden of Beveiliging en 
maximumschakeiaars, waarvan de nominale stroomsterkte niet hoger belastln8 
is dan is voorgeschreven door het desbetreffende door Ons erkende 
particuliere onderzoekingsbureau. 


2. Smeltveiligheden 
of 
maximumschakelaars 
behoeven, voor 
zover daartegen geen overwegende bezwaren bestaan, niet te zijn 
aangebracht: 


(a) in verbindingsleidingen in of aan schakel- en verdeelinrich- 
tingen; 


(b) in het algemeen in zodanige gevallen, waar, door het in wer­ 
king treden van een smeltveiligheid of maximumschakelaar, gevaren 
zouden kunnen ontstaan, een en ander mits de leidingen brandvrij 
zijn gelegd. 


3. (a) In de nul van een meergeleiderstelsel mogen geen smelt­ 
veiligheden zijn aangebracht; 


(b) In de nul van een meergeleiderstelsel mogen geen maximum­ 
schakelaars zijn aangebracht, tenzij de nul tezamen met de polen of 
fazen kan worden in- of uitgeschakeld. 


4. Niet parallel geschakelde leidingen, welke van verschillende 
zijden stroom kunnen ontvangen, moeten aan die zijden door smelt­ 
veiligheden of maximumschakelaars zijn beveiligd. 


5. Met uitzondering van de in lid 6 genoemde gevallen, mogen 
leidingen niet worden parallel geschakeld. 


6. 
Bij toepassing van draaistroom mogen twee of meer drie- 
aderige kabels met een koperdoorsnede per ader van 70 vierkante 
millimeter of meer worden parallel geschakeld, mits zij tezamen door 
één smeltveiligheid of maximumschakelaar zijn beveiligd. 


Bij toepassing van gelijkstroom mogen twee of meer éénaderige 
kabels met een koperdoorsnede van 120 vierkante millimeter of 
meer worden parallel geschakeld, mits zij tezamen door één smelt­ 
veiligheid of maximumschakelaar zijn beveiligd. 


Bijlage VI 


7. Op de schakel- en verdeelinrichtingen moet de toelaatbare 
stroomsterkte van iedere stroomkring, evenals de nominale waarde 
van de smeltveiligheden of maximumschakelaars blijvend zijn aan­ 
gegeven. 


HOOFDSTUK IX 


Tankschepen en schepen, ingericht voor het vervoer van verpakte 
brandbare vloeistoffen 


Artikel 32 


Aanvullende 
Qe electrische installatie op tankschepen en op schepen, ingericht 


voorschriften 
yoor het vervoer van verpakte brandbare vloeistoffen, als bedoeld 
in bijlage VII van het Schepenbesluit, moet, met inachtneming van 
het in de vorige artikelen bepaalde voor zover daarvan in dit artikel 
niet wordt afgeweken, voldoen aan de volgende nadere voorschriften: 


A 1. De nominale spanning mag ten hoogste bedragen: 


bij gelijkstroom: 


a. 115 volt voor: 
de gehele verlichting; 
alle doeleinden in hutten en verblijven, onverminderd het in A 1 b 
bepaalde omtrent kachels en verwarmingstoestellen; 
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik. 


b. 230 volt voor: 
de krachtinstallatie; 
de kachels en de overige vast aangebrachte verwarmings- en kook- 
toestellen. 


bij wisselstroom: 
c. 115 volt tussen de fazen voor: 
de gehele verlichting; 
I 


alle doeleinden in hutten en verblijven, onverminderd het in A ld 
I 
bepaalde omtrent kachels en verwarmingstoestellen; 
verplaatsbare werktuigen en toestellen van een vermogen van ft 
minder dan 2,5 kW; 
verplaatsbare lampen; 
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik. 


d. 230 volt tussen de fazen voor: 
de vast aangebrachte krachtinstallatie, onverminderd het onder 
A le bepaalde; 
kachels en de overige vast aangebrachte verwarmingstoestellen; 
verplaatsbare werktuigen en toestellen van een vermogen van i 
2,5 kW of meer. 


• 


Bijlage VI 


e. 440 volt tussen de fazen voor: 
de vast aangebrachte krachtinstallatie op schepen met een ver- 
bruiksvermogen van 200 kVA of meer (ongeacht de voortstuwings­ 
installatie) voor zover betreft krachtwerktuigen in de machine­ 
kamer, stuurmachines, dekwerktuigen, ankerspillen, kaapstanders, 
ventilatoren voor centrale ventilatie en andere door het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie te aanvaarden werktuigen en toestellen 
onder door deze te stellen voorwaarden. 


2. De bovenstaande spanningen gelden, voor zover het electro- 
nische toestellen betreft, slechts voor de voeding daarvan. 


3. 
Voor accumulatoren hebben de onder A la en A lè genoemde 
spanningsgrenzen betrekking op de ontlaadspanning. 


4. Het in sub 1 bepaalde geldt niet voor voortstuwingsinstallaties. 


B 
Het schip mag niet als terugleider worden gebruikt. Behou­ 
dens voor het aansluiten van aardcontrölelampen mag geen enkel 
punt van de installatie met de aarde zijn verbonden; 


C In tanks en kofferdammen, tenzij deze laatste tevens pomp- 
kamer zijn, zie onder E, mogen geen leidingen zijn aangebracht; 


D De verlichting moet met inachtneming van het bepaalde onder 
E en F geschieden door lampen, welke, uitgezonderd in de verblijven, 
moeten zijn omgeven door gesloten schutglazen, welke zonodig van 
een stevige metalen bescherming zijn voorzien; 


E Voor de vast aangebrachte verlichting in pompkamers, laad­ 
ruimen bestemd voor het vervoer van Kt in verpakking en ruimten, 
welke direct grenzen aan tanks of aan bovengenoemde laadruimen, 
mag slechts gebruik zijn gemaakt van lampen, welke binnen vast 
aangebrachte ontploffingsvrije drukvaste armaturen zijn aangebracht. 


De schakelaars voor de bediening van deze lampen moeten even­ 
eens van ontploffingsvrije constructie zijn uitgevoerd, tenzij deze 
schakelaars zijn aangebracht op plaatsen, waar geen gevaarlijk gas­ 
mengsel kan worden verwacht. Zij moeten buiten genoemde ruimten 
zijn geplaatst. 


F In tanks, kofferdammen, alsmede voor tijdelijke verlichting 
van de onder E genoemde ruimten, mag slechts gebruik worden 
gemaakt van draagbare electrische lampen met eigen stroombron, 
bestaande uit droge elementen of accumulatoren met een totale span­ 
ning van ten hoogste 6 volt. De draagbare lampen moeten ook 
overigens zodanig zijn, dat zij geen aanleiding kunnen geven tot een 
ontsteking van een ontplofbaar mengsel van koolwaterstoffen en 
lucht; 


G 
In pompkamers mogen behoudens lamparmaturen geen elec­ 
trische machines of toestellen worden geplaatst. 


Bijlage VI 


HOOFDSTUK X 
Passagiersschepen 
Artikel 33 


Algemene voor- 
1. De electrische installatie op passagiersschepen gebezigd op | 
schnften 
internationale reizen moet behalve aan het bepaalde in de hoofd­ 
stukken I tot en met VIII voldoen aan de volgende nadere voor­ 
schriften. 


De electrische installatie op passagiersschepen, welke slechts op 
nationale reizen worden gebruikt, moet voldoen aan de eisen, welke 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gesteld. 


2. Elk passagiersschip, waarvoor uitsluitend electriciteit wordt ge­ 
bruikt voor het onderhouden van de voor de voortstuwing en veilig­ 
heid onontbeerlijke hulpdiensten, moet van ten minste twee hoofd- 
generatoraggregaten zijn voorzien. Het vermogen van deze aggregaten 
moet zo groot zijn, dat de goede werking van genoemde diensten nog 
gewaarborgd is, indien één hoofdgeneratoraggregaat is uitgeschakeld. 


Artikel 34 


Noodinstaiiatie 
1. De noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 50 van het 
Schepenbesluit, moet zo hoog als praktisch mogelijk is, buiten de 
schacht van de machinekamer, boven het schottendek zijn opgesteld. 
De capaciteit moet voldoende zijn om gedurende 36 achtereenvol- 
i 
gende uren gelijktijdig de energie te kunnen leveren voor de nood­ 
verlichting, voor de in artikel 24 van bijlage II bedoelde noodpomp, 
voor de alarminstallatie van liften met betreedbare kooi, voor de ) 
alarminstallatie als bedoeld in lid 4 van artikel 50 van het Schepen- 
sluit, voor de brandmeldings- en brandontdekkingsinstallaties als be­ 
doeld in artikel 42 en 43 van bijlage II, voor de niet-automatische 
brandalarmtoestellen als bedoeld in artikel 7 van bijlage V, zomede 
voor alle andere inrichtingen, welke in geval van nood gelijktijdig in 
bedrijf moeten kunnen zijn, tenzij één of meer van deze installaties of , 
toestellen over een eigen batterij beschikken, welke aan de in dit 1 | 
genoemde voorwaarden voldoet. 


2. Voor passagiersschepen, welke als regel slechts op reizen van t 
korte tijdsduur worden gebruikt, kan het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie met een kortere dan de in lid 1 bedoelde tijdsduur genoegen 
nemen. 


3. De noodkrachtbron, bedoeld in lid 1, moet zijn, hetzij 
( a ) een accumulatorenbatterij, die zonder wederopladen of over-: 1 
matig spanningverlies in staat is de noodbelasting op te nemen, hetzij. 


( b ) een generator, aangedreven door een verbrandingsmotor, voor­ 
zien van onafhankelijke brandstofvoeding en een goedgekeurd aanzet- 
systeem. De te gebruiken brandstof mag geen vlampunt hebben, dat 
lager is dan 55° Celsius. 


• 


Bijlage VI 


4. De noodinstallatie moet bij een dwarsscheepse helling van het 
schip van 22,5°, al of niet gelijktijdig met een langsscheepse helling 
van 10°, nog goed kunnen werken. 


5. Indien de energie voor de noodinstallatie geleverd wordt door 
een accumulatorenbatterij, moet een inrichting aanwezig zijn, waar­ 
door, indien de hoofdvoeding van de verlichting uitvalt, de noodver­ 
lichting automatisch in bedrijf komt. Tegelijkertijd moet de chef van 
de wacht in de machinekamer door een optisch sein worden gewaar­ 
schuwd. 


Indien de noodkrachtbron een generator is, moet een accumu­ 
latorenbatterij als tijdelijke noodkrachtbron van voldoende capaciteit 
aanwezig zijn om 


(a) gedurende een half uur onafgebroken de noodverlichting te 
kunnen voeden, 


( b ) de alarminstallatie van de liften met betreedbare kooi, zomede 
de alarminstallatie, bedoeld in lid 4 van artikel 50 van het Schepen­ 
besluit te doen werken en 


(c) de waterdichte deuren (indien electrisch bediend) te kunnen 
sluiten. Gelijktijdig sluiten van alle deuren is echter niet noodzakelijk. 


De tijdelijke noodkrachtbron moet automatisch in bedrijf komen 
indien de hoofdvoeding uitvalt, terwijl tegelijkertijd de chef van de 
wacht in de machinekamer door een optisch sein moet worden ge­ 
waarschuwd. 


6. Een afzonderlijk noodschakeibord of een afzonderlijke nood- 
kastenbaterij moet zijn aangebracht. Indien een noodgenerator aan­ 
wezig is, moet dit schakelbord of deze kastenbatterij nabij deze 
generator zijn geplaatst. 


Artikel 35 


Voor de voeding van de electrische stuurinrichting moeten twee stel Electrische stuur- 
voedingleidingen van het hoofdschakelbord naar de stuurmachine-machines 
kamer zijn aangebracht. Elk stel voedingleidingen moet een voldoende 
doorsnede hebben om de motoren, welke gelijktijdig moeten kunnen 
werken, te voeden. De twee stel leidingen moeten over hun gehele 
lengte zover van elkaar zijn gescheiden, als praktisch mogelijk is. Deze 
leidingen en motoren moeten uitsluitend tegen kortsluiting zijn be­ 
veiligd. 


Artikel 36 


1. Het schip mag niet als terugleider dienen. 
voorzorgen t-gen 


2. Indien een schip door middel van hoofdbrandschotten in secties hrandgevaar 
is verdeeld, moeten in elke sectie ten minste twee afzonderlijke 
voedingleidingen voor de verlichting worden aangebracht. Een van 
deze mag de voedingleiding van de noodverlichting zijn. 


De voedingleidingen voor de verschillende secties moeten zodanig 
zijn gelegd, dat, in geval van brand in een sectie, de voeding van de 
andere secties blijft gehandhaafd. Aan deze voorwaarde wordt ge­ 
acht te zijn voldaan, indien de hoofd- en de noodvoedingleidingen. 


Bijlage VI 


welke één of meer secties doorlopen, zowel in verticale als in horizon­ 
tale zin zover mogelijk gescheiden zijn aangebracht. 


3. Metalen mantels en de bewapening van kabels moeten geaard 
zijn. 


4. 
f a ) Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan bijzondere 
maatregelen voorschrijven, indien kabels, welke niet van een metalen 
mantel of van een bewapening zijn voorzien, brandgevaar kunnen 
veroorzaken. 


( b ) Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voorschrijven, dat 
kabels voor bepaalde doeleinden of in bepaalde afdelingen van het 
schip van een speciale constructie moeten zijn. 


5. Verbindingen in leidingen onderling mogen slechts in lasdozen, 
klemmendozen of dergelijke zijn ondergebracht. De constructie 
daarvan en van andere bijbehorende hulpstukken voor de aanleg van 
leidingen moet zodanig zijn, dat brandgevaar voor de omgeving zoveel 
mogelijk wordt beperkt. 


I 


BIJLAGE VII 


VERVOER BRANDBARE VLOEISTOFFEN, WELKE 
LICHT ONTVLAMBAAR ZIJN 


HOOFDSTUK I 


Algemene bepalingen 


Artikel 1 


Deze bijlage is van toepassing op schepen, ingericht of gebezigd Toepassing 
voor het vervoer van de in artikel 2 bedoelde brandbare vloeistoffen. 


Artikel 2 


Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder: 
Omschrijving 


brandbare vloeistoffen: 
de koolwaterstoffen en vloeibare brandstoffen met een vlampunt 
lager dan of gelijk aan 55° Celsius, met uitzondering van brandbare 
vloeistoffen, welke in elke verhouding met water mengbaar zijn. 


Als vloeibare brandstoffen, als bovenbedoeld, worden beschouwd 
de vloeistoffen, welke gebruikt plegen te worden om door verbran­ 
ding warmte, licht of drijfkracht op te wekken. 


Zij worden aangeduid als: 
Kj Brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan of gelijk 
aan 21° Celsius; 


K2 Brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 21°, doch 
niet hoger dan 55° Celsius; 


kofferdam: een ruimte, welke bestemd is om ruimten, waarin K, 
of K2 wordt vervoerd, af te scheiden van andere delen van het schip 
en die begrensd wordt door de scheepshuid en door twee oliedichte 
dwarsschotten, welke ten minste 53 centimeter van elkander zijn ver­ 
wijderd (deze schotten moeten zich over de gehele breedte van het 
schip uitstrekken en van de kiel zó hoog zijn opgetrokken, dat geen 
deel van tank of ruim grenst aan enige andere besloten ruimte dan 
de kofferdam); 


vlampunt: het vlampunt bij een barometerstand van 760 milli­ 
meter kwikdruk, bepaald met het toestel van Abel-Pensky. 


Artikel 3 


1. Wordt Kj of K2 in verpakking vervoerd, dan moet deze ver- Verpakken en 
pakking bestaan uit stevige blikken of metalen vaten, welke herme- stuwen 
tisch zijn gesloten. Lekke vaten of blikken mogen niet aan boord 
worden gebracht. 


Bijlage VII 


2 
Blikken moeten in stevige houten kratten of kisten worden 
vervoerd, tenzij de blikken zelf voldoende sterk zijn. Zij mogen niet 
zo hoog worden opgestapeld, dat de druk op de onderste laag te 
groot wordt. 


3. Vaten met 
of K2 moeten met een spon- of vulgat naar 
boven worden gestuwd. 


Artikel 4 


Passagiers 
j. Schepen, waarmede onverpakte Kx of K2 wordt vervoerd, 


mogen geen passagiers vervoeren. 


2. Wordt K, in verpakking anders dan als deklading vervoerd, 
dan is vervoer van passagiers slechts toegestaan na verkregen toe­ 
stemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 


Artikel 5 


Gebruik van een 
Een kofferdam mag niet als laadruim of als bergplaats worden 


koflerdam 
gebruikt. Een uitzondering wordt gemaakt voor het bergen van 
vloeistof met een vlampunt hoger dan 55° Celsius, met dien ver­ 
stande dat, indien deze vloeistof bestemd is voor eigen georuik, aan 
de kofferdam geen ladingtank, welke onverpakte 
bevat, mag 
grenzen. 
Artikel 6 


Eiecmsche 
De electrische inrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften, 


inrichtingen 
we]ke voor de in deze bijlage bedoelde schepen in bijlage VI zijn 
gesteld. 


HOOFDSTUK II 


Tankschepen 


Artikel 7 


Toepassing 
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke bestemd zijn 


om onverpakte K, of K2 als lading te vervoeren. 


Artikel 8 


Indeling 
l 
Tanks, waarin K, of K2 wordt vervoerd, moeten gelegen zijn i 


in een gedeelte van het schip, dat aan de voor- en achterzijde door I 
een kofferdam is begrensd. De tanks moeten oliedicht zijn. 


2 
In het door kofferdammen begrensde gedeelte van het schip i 
moêen zich behalve ladingtanks, slechts pompkamers en laadruimen I 
ingericht voor het vervoer van K„ K, of vloeistof met een vlampunt, 
van hoger dan 55° Celsius in verpakking bevinden. 


3 
De vorm en afmetingen van de tanks moeten zodanig zijn, a 
in een normaal gevulde tank de vrije vloeistofspiegel niet zo groot n 
is, dat door de bewegelijkheid van de lading gevaren kunnen ontstaan. 


Bijlage VII 


Artikel 9 


1. De lensinrichting van een kofferdam mag niet op zodanige Lens- en vut- 
wijze in verbinding staan met andere leidingstelsels of andere ruim- Xrda^en 
ten, dat daardoor naar het oordeel van het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie gevaar kan ontstaan. 


2. Een kofferdam moet van een peilinrichting zijn voorzien en 
in korte tijd geheel met water kunnen worden gevuld. 


Artikel 10 


Kofferdammen, pompkamers, tanks en laadruimen, als bedoeld in Gasdichte 
lid 2 van artikel 8, moeten evenals de bijbehorende hoofden gasdicht 
kunnen worden gesloten, behoudens dat de in de artikelen 13 en 23 
genoemde ventilatie-inrichting mag zijn aangebracht. 


Artikel 11 


1. Alle ladingtanks moeten door ladingleidingen geheel leeg ge- Ladingleidingen 
pompt kunnen worden. Deze ladingleidingen moeten van alle andere en pompen 
leidingen aan boord volkomen zijn gescheiden. Uitgezonderd kunnen 
zijn lensleidingjn, welke uitsluitend op een pompkamer zijn aange­ 
sloten, waarbij de lenspomp tevens dienst doet als aftappomp voor de 
ladingleiding. 


Alle ladingpompen moeten in daarvoor bestemde pompkamers 
zijn ondergebracht. 


3. Door de tankschotten mogen geen andere leidingen dan lading­ 
leidingen worden gevoerd. 


Artikel 12 


De in artikel 11 genoemde pompkamers moeten achter het voorste Pompkamers 
en voor het achterste kofferdamschot zijn gelegen. 


Artikel 13 


1\. Tanks'. kofferdammen en pompkamers mogen slechts van een ventiiatie- 
ventilatie-inrichting zijn voorzien indien deze op een doeltreffende inrichting 
plaats uitmondt en aan het boveneinde een deugdelijke vlamkerende 
inrichting heeft, tenzij deze laatste naar het oordeel van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie in verband met de veilige plaatsing niet 
nodig is. 


Indien een ventilatie-inrichting op een kofferdam of een pomp­ 
kamer, welke laatste aansluiting heeft met een ruimte, bestemd voor 
het vervoer van K, of K,, aanwezig is, moet deze bestaan uit ten 
minste twee ventilatiekokers, waarvan één nabij de bodem aanvangt 
en bovendeks van een zuigkap is voorzien. 


2. De ventilatie-inrichting van tanks, laadruimen, ingericht voor 
het vervoer van Kj of K2, of daartoe gebezigd, kofferdammen en 
pompkamers mag geen verbinding hebben met die van andere 
ruimten. 


Bijlage VII 


Artikel 14 


Gebruik van 
1. Met uitbreiding van het bepaalde in artikel 45 van het Schepen- 
l!of'bare brand" besluit mogen ook de hulpwerktuigen niet met K2 worden gedreven. 


2. Brandstofvoorraadtanks mogen niet onmiddellijk aan een lading­ 
tank met onverpakte 
grenzen. 


Artikel 15 


Vervoer in ver- 
l. Elk ruim van een tankschip, ingericht voor het vervoer van K, 
pakking 
;n verpakking, moet van elke andere ruimte van het schip, niet voor 
dit vervoer gebezigd — met uitzondering van een pompkamer of een 
tank — door een kofferdam of door een andere daarmede gelijk te 
stellen ruimte zijn gescheiden. In deze met een kofferdam gelijk te 
stellen ruimte is het verrichten van elke handeling, welke vonkvorming, 
vuur of verhitting kan veroorzaken, verboden. 


2. Ruimen, ingericht voor het vervoer van K, in verpakking, moe­ 
ten voldoen aan de voorschriften voor dergelijke ruimen in hoota- 
stuk III gegeven. 


Artikel 16 


Verblijven 
Indien een verblijf geheel of gedeeltelijk vóór de achterste of achter 


de voorste kofferdam, dan wel vóór of achter een met een kofferdam 
gelijkgestelde ruimte, als bedoeld in het vorige artikel, is gelegen, tt 
moet het: 


(a) öf door een goed geventileerde vrije ruimte, met een hoogte 
van ten minste 1 meter, gescheiden zijn van het bovenste dek van 
een daaronder gelegen tank of laadruim voor verpakte K,; 


(b) öf geplaatst zijn boven een laadruim voor verpakte K„ waar­ 
van het bovenste begrenzend dek oliedicht is en met een laag c>lie- 
werende goed afsluitende stof van tenminste 3d millimeter dikte is 
bedekt. 
. 
Artikel 17 


„ 
. 
, 
r>;: v,Pt laden moet rekening worden gehouden met de volume-1 


voorschrift 
verandering van de lading tengevolge van te verwachten temperatuurs-ji 
veranderingen gedurende de reis. 


2 
De kofferdammen moeten dagelijks worden gepeild. 


3' De hoofden van tanks en de luiken van ruimen, ingericht voorn 
het vervoer van K, of K2, of daartoe gebezigd, moeten met uitzonde-; 1 
ring van de ventilatie-inrichting, gedurende de reis gasdicht zijn g -j 
sloten. Voor ontgassingsdoeleinden mag hiervan echter worden af, | 


geWeken" 
Artikel 18 


....... 
1 
Het is verboden aan boord van met 
of K2 geladen schepen^ 


SS""""- in he.^è.1» »« h.t schip vóór he, achtmchot van de achwsj 
en achter het vóórschot van de voorste kofferdam dan wel voor o! 
achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte, als bedoeld irU 


* 


Bijlage VII 


artikel 15, te roken, vuur of open licht te gebruiken of handelingen 
te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen ver­ 
oorzaken. Voor de verblijven kan dit verbod door de kapitein worden 
opgeheven. 


2. De in het vorige lid genoemde verbodsbepaling blijft voor een 
met Kj geladen schip, ook na het lossen van de lading, van kracht, 
totdat in het in lid 1 genoemde deel van het schip alle ruimten onder 
het dek en de eventueel bovendeks gelegen pompkamers voldoende 
droog, schoon en vrij van gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden. 


3. Aan boord van een met K, geladen schip moet de kapitein, na 
het lossen van de lading, die veiligheidsmaatregelen treffen, welke 
hem in verband met de omstandigheden nodig voorkomen, met dien 
verstande, dat voor een tank, een kofferdam of een pompkamer de 
in lid 1 genoemde verbodsbepaling van kracht blijft, totdat deze en 
de daaraan grenzende ruimten voldoende droog, schoon en vrij van 
gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden. 


HOOFDSTUK III 


Schepen, blijvend ingericht voor vervoer van Kx 
in verpakking 


Artikel 19 


Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke blijvend zijn Toepassing 
ingericht om Kx in verpakking als lading te vervoeren. 


Artikel 20 


1. Ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, moeten indeling 
gelegen zijn in een gedeelte van het schip, dat aan de vóór- en achter­ 
zijde door een kofferdam of een daarmede gelijk te stellen ruimte, 
als bedoeld in artikel 15, is begrensd. 


2. In het door de kofferdammen of door daarmede gelijk te 
stellen ruimten begrensde gedeelte van het schip mogen zich, behalve 
tot het ^vervoer van K„ K2 of vloeistof met een vlampunt van hoger 
dan 55 Celsius in verpakking bestemde ruimen, slechts pompkamers 
en tanks bevinden. 


Artikel 21 


1. Voor het lenspompen van laadruimen en kofferdammen moet Pompkamers, 
ten minste één afzonderlijk leidingstelsel aanwezig zijn met een pomp, !en?" en vuI" 
welke met geen ander leidingstelsel of andere ruimte is verbonden en 1Dnchtms 
in een afzonderlijke pompkamer, gelegen achter het voorste en vóór 
het achterste kofferdamschot, is opgesteld. 


2. Kofferdammen en pompkamers moeten in korte tijd met water 
kunnen worden gevuld. 


Bijlage VII 


Artikel 22 


Gasdichte 
Kofferdammen en daar tussen gelegen laadruimen en pompkamers 


afsiumng 
moeten, evenals de daarbij behorende hoofden, gasdicht kunnen 
worden gesloten, behoudens, dat de in artikel 23 vermelde ventilatie- 
inrichting mag zijn aangebracht. 


Artikel 23 


ventilatie- 
\ Laadruimen voor K, in verpakking, kofferdammen en pomp- 


inrichting 
kamers mogen slechts zijn voorzien van een ventilatie-inrichting, in­ 
dien deze bestaat uit ten minste twee ventilatiekokers, welke op een 
doeltreffende plaats uitmonden en waarvan één nabij de bodem van 
het laadruim aanvangt en bovendeks van een zuigkap is voorzien. 


2. Alle ventilatiekokers moeten van een deugdelijk vlamkerend 
rooster zijn voorzien, tenzij zulks naar het oordeel van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie in verband met de veilige plaatsing niei 
nodig is. 


3. De ventilatie-inrichting van laadruimen, kofferdammen en 
pompkamers mag geen verbinding hebben met die van andere ruim­ 
ten. 


Artikel 24 


Gebruik van 
[Q ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, in koffer- 
vantVonken°men dammen en in pompkamers mag geen blijvende houtgarnering aan­ 
wezig zijn, terwijl voor zover mogelijk, bijzondere voorzorgen ge­ 
nomen moeten worden tegen het ontstaan van vonken in deze ruim­ 
ten. 


Artikel 25 


Gebruik van 
Met uitbreiding van het bepaalde in artikel 45 van het Schepen- 
vloeibare brand- beslujt mQgen Qok de hulpwerktuigen niet met K2 worden gedreven. 


Artikel 26 


Vervoer in de 
K, in verpakking mag in een deel van een schip, dat daarvoor niet 
bovenbouw 
blijvend is ingericht, slechts worden vervoerd, indien de inrichting 
daarvan vooraf door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is goed­ 
gekeurd. 


Artikel 27 


Verblijven 
Indien verblijven vóór de achterste of achter de voorste Kofferdam, 


dan wel vóór of achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte, 
als bedoeld in artikel 15, zijn gelegen, moeten zij door een goed ge­ 
ventileerde vrije ruimte, met een hoogte van ten minste 1 meter, 
«escheiden zijn van het bovenste dek van een daaronder gelegen laad­ 
ruimte, tenzij dit dek oliedicht is en met een laag oliewerende goeü 
afsluitende stof van ten minste 35 millimeter dikte is bedekt. 


Bijlage VII 


Artikel 28 


1. Luiken van ruimen moeten gedurende de reis gasdicht zijn Bedienings­ 
gesloten, behalve indien deze ruimen geen brandbare vloeistoffen voorschrift 
bevatten en ontgast zijn. 


2. Deklading mag uitsluitend verwerkt worden indien de laad­ 
ruimen gasdicht zijn gesloten. 


Artikel 29 


1. Het is verboden aan boord van met K, in verpakking geladen Veiligheids­ 
schepen, in het gedeelte van het schip vóór het achterschot van de maatregelcn 
achterste en achter het voorschot van de voorste kofferdam, dan wel 
voor of achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte, als 
bedoe d in artikel 15, te roken, vuur of open licht te gebruiken, of 
handelingen te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting 
kunnen veroorzaken. Voor de verblijven kan dit verbod door de 
kapitein worden opgeheven. 


2. De in het vorige lid genoemde verbodsbepaling blijft ook na 
het lossen van de lading van kracht, totdat in het in lid 1 genoemde 
gedeelte van het schip alle ruimten onder het dek en de eventueel 
boven het dek gelegen pompkamers voldoende droog, schoon en vrij 
van gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden. 


HOOFDSTUK IV 
Schepen, niet blijvend ingericht voor vervoer van 
in verpakking 
Artikel 30 


Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke K. in verpakking Toepassing 
als lading vervoeren, mdien deze daartoe niet volgens het bepaalde 
in hoofdstuk III zijn ingericht. 


A. Vervoer als deklading 
Artikel 31 


7 V®rpaAkki"F in ?cn Nederlandse haven of in een haven Kennisgeving 
an de Nederlandse Antillen als deklading zal worden gestuwd moet 
voordat met het inladen een aanvang wordt gemaakt, volgens het 
bepaalde in lid 13 van artikel 99 van het Schepenbesluit, het betrokken 
JJistrictshoofd van de Scheepvaartinspectie daarvan tijdig kennis wor­ 
den gegeven. Aan de door hem, in overeenstemming met het bepaalde 
in de artikelen 32 tot en met 36, gegeven aanwijzingen moet gevolg 
worden gegeven. 
, 


Artikel 32 


De verpakte Kt moet op veilige afstand van kombuizen, verblijven, stuwen 
enz. goed zeevast en afgezonderd van andere lading aan dek zijn 
gestuwd en zo nodig op voldoend hoge garnering zijn geplaatst. 


Bijlage VII 


Artikel 33 


Beschutting 
Over en om de deklading K, in verpakking moet een gemakkelijk 


en vlug wegneembare beschutting tegen zonnestralen en vonken zijn 
aangebracht. De beschutting moet zó hoog zijn en zodanig zijn in­ 
gericht, dat een ruime toetreding van lucht onder de beschutting en 
over en om de deklading kan plaats hebben. De wanden der be­ 
schutting moeten daartoe zo nodig van voldoende openingen zijn 
voorzien. 


Artikel 34 


Verkeer van 
Passagiers mogen geen toegang hebben tot die gedeelten van dek­ 


passagiers 
ken> waarop Kj in verpakking is gestuwd. 


Artikel 35 


Veiiigheidsmaat- 
Het is verboden in de nabijheid van de deklading K, in verpakking 
regelen 
te roken 
Vuur of open licht te gebruiken, dan wel handelingen 


verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen veroor­ 
zaken. 
. 
. 
Artikel 36 


Werpen 
De deklading moet gemakkelijk kunnen worden geworpen. 


B. Vervoer anders dan als deklading 


Artikel 37 


Toestemming tot 
K, in verpakking mag anders dan als deklading slechts worden 
vervoer 
vervoerd, nadat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het vervoer 
voor één of meer bepaalde reizen onder door hem te stellen voor­ 
waarden heeft toegestaan. 


Artikel 38 


stuwen 
De lading moet goed zeevast en zo nodig op voldoend hoge 


garnering worden gestuwd. 


Artikel 39 


Gasdichte afslui- 
i. Het dek en de schotten van ruimten, waarin K, in verpakking 
ting en ventilatie wordt vervoerd, moeten gasdicht zijn en de openingen in dat aeic 
en in die schotten moeten gasdicht worden gesloten. 


2. Ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, moeten op 
doeltreffende wijze worden geventileerd, door ten minste twee flinke 
luchtkokers, waarvan er één, die tot bij de bodem van het ruim rei , 
aan het boveneinde van een zuigkap is voorzien. De ventilatie­ 
openingen moeten van een deugdelijk vlamkerend rooster zijn voor­ 
zien. 
. 


3. Geen leiding of luchtkoker, welke naar een andere ruimte 
leidt, mag met een ruim, waarin K, wordt vervoerd, in verbinding 
staan. 


Bijlage VII 


Artikel 40 


1. Onder een lading K, in verpakking mag geen buikdenning en Voorkomen van 
geen houten dek aanwezig zijn, tenzij deze door een doeltreffende brand 
Kj-absorberende of K^-werende laag zijn bedekt. 


2. Electrische leidingen, welke door het ruim lopen, moeten zijn 
uitgeschakeld, tenzij de veiligheid door de inrichting van de leidingen 
op andere wijze voldoende is gewaarborgd. 


Artikel 41 


Waar zulks nodig is, moeten zanddammen gebouwd worden Van Zanddammen 
ten minste 40 centimeter dikte. 


Artikel 42 


1. Het is verboden in of nabij een ruim, waarin ICj in verpakking Veiiïgheidsmaat- 
is geladen, te roken, vuur of open licht te gebruiken, dan wel hande- regelen 
lingen te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen 
veroorzaken. Dit verbod moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven. 


2. De in het vorig lid genoemde verbodsbepaling blijft ook na 
het lossen van de lading K, van kracht, totdat de betrokken ruimten 
voldoende droog, schoon en vrij van gevaarlijke dampmengsels zijn 
bevonden. 


3. Het gebruikte stuwhout moet na het lossen van de lading K, 


van boord worden verwijderd. 


HOOFDSTUK V 


Vervoer van K2 in verpakking 


Artikel 43 


Voor het vervoer van K2 in verpakking anders dan als deklading vervoer in 
kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorschriften geven. 
gesloten ruimten 


BIJLAGE VIII 


LUCHTVATEN 


Artikel 1 


Constructie-eisen 
l. Naadloze en gelaste luchtvaten moeten voldoen aan de vol­ 
voer luchtvaten gende voorschriften: 


(a) zij moeten een cirkelvormige doorsnede hebben en glad zon­ 
der trekgroeven en plooien en vrij van hamerslag zijn, 


( b ) indien zij van niet-veredeld staal zijn vervaardigd, moet het 
materiaal een trekvastheid van ten minste 37 kilogram per vierUnt 
millimeter hebben, terwijl de rek in percenten ten minste moet be 
dragen: 
. . 


25-23 percent voor materiaal van 37 tot 42 kilogram per vierkante 


"'"Tp'er'ctr.tfma.eri.al v,„ 42 ... 50 kilogram p« vierkante 


™2w5'^"«n™«r materiaal van 50 tot 60 kilogram por vierkante 


^de^Mtlen^Jti^van p'roefstaven ter bepaling van deze rek dient te 
bedragen: 5,65 VT, waarin f de oppervlakte van de doorsnede voor- 
stelt* 


(c) indien zij van veredeld staal zijn vervaardigd mag de strek- 
grens van het materiaal na de veredeling niet meer dan 45 kll°gra™ 
per vierkante millimeter bedragen, terwijl de rek bij breuk ten minste 
12 percent moet zijn; 


( d ) de wanddikte moet ten minste 5 millimeter bedragen en mag 
in het cilindrische gedeelte nergens dikker dan 1 /5 maal de wand­ 
dikte op de dunste plaats zijn; 


( e ) de wanddikte moet zo groot zijn, dat bij de persproef, bedoeld 
in artikel 3, op geen enkele plaats een berekende maten-l^m.g 
ontstaat, die voor veredeld materiaal groter is dan 2 3 van^de strek 
grens en voor niet-veredeld materiaal groter is dan 1/3 van de treK 
vastheid; 


f f ) het materiaal moet Siemens-Martinstaal of electrostaal zijn, 
tenzij de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepyaartinspectie voor 
het gebruik van ander materiaal dan ongelegeerd koolstofstaai is 
verkregen. 


2. Gelaste luchtvaten moeten voorts voldoen aan de volgende 


voorschriften: 
. 


(a) zij moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat de naden niet aan 
normaalspanningen door buiging zijn onderworpen; 


( b ) indien de afmetingen dit toelaten, moeten zij na de vervaar­ 
diging doelmatig zijn uitgegloeid, tenzij de trekvastheid van het mate- 


• 


Bijlage VIII 


riaal, waarvan zij zijn vervaardigd, minder bedraagt dan 42 kilogram 
per vierkante millimeter; 


(c) de lassen moeten voldoen aan eisen van goed en deugdelijk 
werk. 


3. Bij de berekening van de in lid 1 onder (e) bedoelde materi­ 
aalspanning wordt de sterkte van de lasnaden gesteld op: 


(a) 60 percent van het materiaal bij niet uitgegloeide vaten; 
(b) 70 percent van het materiaal bij uitgegloeide vaten of bij in 
het vuur overlapt gewelde vaten, die niet uitgegloeid zijn; 


(c) 80 percent van het materiaal voor in het vuur overlapt ge­ 
welde vaten, die daarna uitgegloeid zijn. 


Voor laswerk van bijzondere aard of waarbij lasmateriaal van bij­ 
zondere samenstelling is gebezigd, kan het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie toestaan, dat de sterkte van de lasnaden op een hoger 
percentage wordt gesteld. 


4. Gewelfde eindvlakken van vaten, welke een uitwendige middel­ 
lijn hebben van meer dan 210 millimeter, moeten zodanig zijn ge­ 
vormd, dat het gebogen gedeelte, dat de overgang vormt van het cilin­ 
drische gedeelte naar het eindvlak, een straal heeft, die, uitwendig 
gemeten, ten minste 5 maal de plaatdikte, doch nimmer minder dan 
30 millimeter bedraagt, terwijl de welving van het eindvlak uitgevoerd 
moet zijn met een straal, die, uitwendig gemeten, niet groter is dan de 
uitwendige middellijn van het cilindrische gedeelte. 


De wanddikte van de eindvlakken moet zo groot zijn, dat in het 
gewelfde gedeelte bij de persproef geen materiaalspanning ontstaat, 
die volgens berekening groter is dan 1/3 van de materiaalspanning 
bij de strekgrens van het materiaal. 


De in het luchtvat heersende druk mag uitsluitend tegen de holle 
zijde van de welving worden uitgeoefend. 


5. De vaten moeten inwendig kunnen worden nagezien. Bij een 
uitwendige middellijn niet groter dan 600 millimeter moeten zij, in­ 
dien de lengte 1,85 meter of kleiner is, aan één der einden een kijk­ 
gat en indien de lengte groter is, aan ieder einde een kijkgat hebben. 


De middellijn van het kijkgat in vaten met een uitwendige middel­ 
lijn van minder dan 300 millimeter mag niet kleiner zijn dan 100 milli­ 
meter en in vaten met een uitwendige middellijn van 300 millimeter 
tot en met 600 millimeter, niet kleiner dan 150 millimeter. 


Vaten met een uitwendige middellijn groter dan 600 millimeter 
moeten zijn voorzien van een mangat van ten minste 300 bij 400 mil­ 
limeter, of van een cirkelvormig gat van ten minste 350 millimeter 
middellijn, bij voorkeur aangebracht in een der eindvlakken. 


In geen geval mag een kijkgat of mangat zo zijn gelegen, dat daar­ 
door een lasnaad wordt onderbroken. 


Bijlage VIII 


Artikel 2 


Appendages en 
j, Eik luchtvat moet op het laagst gelegen punt van een aftap- 
aansiuitingen 
inrichting tot het verwijderen van water en vuil zijn voorzien. Deze 
inrichting moet ook gebruikt kunnen worden, wanneer het vat in 
bedrijf is. 


2. Elk luchtvat moet zijn voorzien van een manometer, welke de 
druk in het vat, tot een maximum gelijk aan dé beproevingsdruk, als 
bedoeld in artikel 3, aangeeft. De hoogst toegestane werkdruk moet 
duidelijk op de schaal door middel van een rode streep zijn aange­ 
geven en op elk luchtvat goed zichtbaar zijn ingeslagen. De mano­ 
meter moet zodanig zijn geplaatst, dat deze gemakkelijk in de motor­ 
kamer kan worden afgelezen. Voorts moet elk luchtvat zijn voor­ 
zien van een aansluiting, met een boring van een halve duims gas- 
draad, voor een contrölemanometer. 


3. Elk luchtvat moet zijn voorzien van een veiligheidsklep of van 
een goedgekeurde breekplaat, die bij een druk gelijk aan 1,5 maal 
de hoogst toegestane werkdruk in werking treedt of breekt. 


Indien een breekplaat springt moet de samengeperste lucht van het 
luchtvat kunnen ontwijken in de open lucht. 


Bij elk luchtvat, dat voorzien is van een breekplaat, moeten ten 
minste drie goedgekeurde breekplaten als reserve aanwezig zijn. 


4. Op de vulleiding moet een veiligheidsklep zijn aangebracht, die 
voorkomt dat de druk oploopt boven de hoogst toegestane werk­ 
druk, waarvoor het vat is bestemd. Deze veiligheidsklep moet door 
middel van een afsluiter van het luchtvat gescheiden kunnen worden. 


5. De afsluiter in de leiding van een luchtvat naar de motor moet 
zodanig zijn ingericht, dat bij het openen het dekstuk niet mede uit­ 
gedraaid kan worden. 


6. Bij vaten, die door een gemeenschappelijke leiding door de 
compressor of uit de motorcilinder worden gevuld, kan worden vol­ 
staan met één manometer op de gemeenschappelijke vulleidmg. Deze 
manometer moet zodanig worden aangebracht, dat gedurende de be- 
proeving kan worden gecontroleerd of deze juist aanwijst. 


Indien óók een fles samengeperste lucht of koolzuur kan worden 
aangesloten, moet de aansluiting zodanig zijn, dat de lucht of het 
koolzuur in elk geval bij het verlaten van de fles de veiligheidsklep 
en de manometer rechtstreeks bereikt. 


Artikel 3 


Beproeving van 
1. De druk, waarop luchtvaten bij de eerste beproeving moeten 
luchtvaten 
worden geperst, bedraagt het dubbele van de hoogst toegestane 
werkdruk, tenzij het vat is voorzien van een mangat en inwendig 
geheel toegankelijk is, in welk geval de druk waarmede de beproeving 
plaats heeft, slechts het anderhalfvoudige van de hoogst toegestane 
werkdruk behoeft te bedragen. 


• 


Bijlage VIII 


2. De persproef duurt zolang als nodig is om het vat behoorlijk 
te kunnen onderzoeken, terwijl daarbij de vereiste beproevingsdruk 
onveranderd moet blijven. Tijdens deze beproeving mag het vat niet 
met verf zijn bedekt. 


3. De vaten moeten telkenmale na verloop van ten hoogste 5 jaar 
inwendig worden schoongemaakt, nagezien en beproefd met een druk, 
gelijk aan het anderhalfvoudige van de werkdruk. 


Luchtvaten, welke van een mangat zijn voorzien en inwendig ge­ 
heel toegankelijk zijn, behoeven niet te worden beproefd. De appen­ 
dages moeten tezelfdertijd worden nagezien, veiligheidskleppen op de 
voorgeschreven druk gesteld en de manometers op de juiste aanwij­ 
zing worden gecontroleerd. 


4. Indien aan een luchtvat ingrijpende herstellingen zijn verricht, 
moet een beproeving plaats vinden, als omschreven in lid 1 van dit 
artikel. 


BIJLAGE IX 


BEPALINGEN BETREFFENDE DE INRICHTING VAN DE 
MOTORKAMER EN DE DAARIN GEPLAATSTE MOTOR 
MET TOEBEHOREN IN SCHEPEN VAN MINDER 
DAN 500 TON 


Artikel 1 


Toepassing 
Deze bijlage is van toepassing op schepen van minder dan 500 ton, 


waarin een motor voor de voortstuwing aanwezig is. 


Artikel 2 


Motorkamer 
j. De ruimte in de motorkamer moet zodanig zijn, dat de motor 


gemakkelijk kan worden bediend en dat alle daarvoor in aanmerking 
komende delen steeds behoorlijk bereikbaar zijn en zonder bezwaar 
in orde kunnen worden gehouden. Het personeel moet rechtop staande 
de motor kunnen bedienen. 


2. Boven de cilinders moet voldoende vrije hoogte zijn en moeten 
de nodige middelen tot het uitvoeren van werkzaamheden aan de 
motor zijn aangebracht. 


3. De motorkamer mag niet onmiddellijk in verbinding met de ver­ 
blijven staan en moet een uitgang hebben, waardoor het open dek 
gemakkelijk bereikbaar is. 


4. Alle scheidingswanden tussen verblijven en motorkamer moeten 
in zoverre dicht zijn, dat daardoor geen schadelijke gassen uit de 
motorkamer in de verblijven kunnen binnendringen. 


5. Houtwerk mag in het algemeen in de motorkamer niet voor­ 
komen; indien het dek van hout is, moet dit aan de onderzijde met 
staalplaat zijn bekleed. In houten schepen behoeven echter de wanden 
niet met staalplaat bekleed te zijn. Waar sterke verhitting kan worden 
verwacht, moet het hout door met staalplaat beklede asbestplaten 
of ander doelmatig isolatiemateriaal worden beschermd. 


6. De motorkamer moet behoorlijk kunnen worden verlicht en 
door ten minste twee luchtkokers van voldoende middellijn, waarvan 
één doorlopend tot ongeveer 2 meter boven de vloer van de motor­ 
kamer, goed geventileerd kunnen worden. 


De lampen voor de verlichting moeten zoveel mogelijk worden be­ 
schermd en, tenzij de verlichting electrisch is, bij voorkeur niet op­ 
gehangen worden op plaatsen, welke moeilijk kunnen worden ge­ 
ventileerd. 


7. De inrichting van de vullings moet zo zijn, dat vloeistoffen 
gemakkelijk naar de lensflessen, welke op de laagste plaats moeten 
zijn aangebracht, kunnen vloeien. 


Bijlage IX 


8. Van de plaats, waar het schip wordt bestuurd, moeten door 
middel van een telegraaf en van een spreekbuis of telefoon naar 
de motorkamer orders kunnen worden gegeven, welke moeten kunnen 
worden beantwoord. Een telegraaf wordt niet vereist, indien de motor 
niet in de motorkamer bediend kan worden en slechts bovendeks 
met de motor gemanoeuvreerd kan worden. 


9. Indien het omkeren van de draairichting van de schroef van 
de plaats, waar het schip wordt bestuurd, door een bewegingshefboom 
geschiedt, moet de inrichting zo zijn, dat bij vooruitdraaiende schroef 
de bewegingshefboom naar voren wijst. 


10. Met de hand omzetbare keerkoppelingen moeten zodanig 
zijn ingericht, dat slippen van de koppeling op eenvoudige wijze kan 
worden verholpen. 


Keerkoppelingen welke door middel van oliedruk worden omgezet 
en waarvan de oliepomp niet rechtstreeks bereikbaar is. moeten van 
een inrichting zijn voorzien waarmede de koppeling voor vooruit- 
draaiende schroef kan worden vastgezet. 


11. De brandstof leiding met de zich daarin bevindende tanks en 
toestellen moeten zoveel mogelijk zodanig zijn aangelegd, dat lekolie 
niet op de motoren, uitlaatgassenleidingen en dergelijke kan vallen. 
Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht waaruit de lekolie 
op doelmatige wijze kan worden afgetapt en opgevangen. 


Artikel 3 


1. Het hoofdvoortstuwingswerktuig moet op een zorgvuldig ef- Motor 
gewerkte fundatie geplaatst en stevig bevestigd zijn. 


Schermplaten, handgrepen en hekwerk moeten, ter beveiliging van 
het bedienend personeel, doelmatig worden aangebracht. 


2. Het voortstuwingswerktuig moet behoorlijk getornd kunnen 
worden. Indien het vermogen meer dan 300 rempaardekrachten be­ 
draagt, moet het voortstuwingswerktuig vóór- en achteruit getornd 
kunnen worden. 


3. Tornijzers moeten zodanig zijn ingericht, dat zij niet vast kun­ 
nen lopen. Zij mogen niet voor het aanzetten van de motor worden 
gebruikt. 


4. Indien bij direct omkeerbare motoren de torninrichting niet 
uit een wormoverbrenging bestaat, moet een vanginrichting aanwezig 
zijn om de asleiding te kunnen vastzetten. 


Artikel 4 


1. Buitenboordaansluiting van pijpleidingen moet geschieden door Buitenboord- 
middel van klepkasten, kranen of afsluiters. Deze, zomede de onder- ""'uitingen 
linge pijpverbindingen, moeten zodanig zijn ingericht dat geen 
buitenboordwater ongewenst in het schip kan lopen. 


Bijlage IX 


Indien een plugkraan als buitenboordaansluiting wordt toegepast, 
mag de plug door loswerken van het drukstuk niet uit liet huis 
gedreven kunnen worden. 


2. De inlaatkoelwaterleiding moet aan de binnenzijde van het 
schip van een wierrooster zijn voorzien. Vaartuigen, welke de Wad­ 
den bevaren, moeten van een hoge en een lage inlaat zijn voorzien. 
Indien een vast rooster in de huid aanwezig is, moet tussen de af­ 
sluiter tot het inlaten van koelwater en het vaste rooster een leiding 
met kraan van de luchtketel zijn aangebracht, teneinde het rooster 
bij verstopping te kunnen doorblazen. 


Artikel 5 


Lensinrichting 
] # 
Een door de motor gedreven lenspomp van voldoende giootte 
moet in staat zijn alle afdelingen van het schip lens te pompen. Aan 
boord van vissersvaartuigen behoeft de lenspomp niet op ruimten 
buiten de motorkamer te kunnen pompen, indien deze ruimten door 
een op de donkeyketel aangesloten lensblazer van voldoende capa­ 
citeit behoorlijk kunnen worden lens gepompt. 


Indien de persleiding afgesloten kan worden, moet op de lenspomp 
tussen zuig- en perskleppen een ontlastklep aanwezig zijn. 


De motorkamer moet bovendien door een doelmatige handpomp 
lens kunnen worden gepompt. Deze pomp mag niet op de lensverdeel­ 
kast worden aangesloten. 


2. In de motorkamer en overal elders, waar brandstoftanks zijn 
geplaatst, mogen geen loden pijpen worden gebruikt. 


De middellijn der lensleidingen mag niet kleiner zijn dan 50 milli­ 
meter. Voor schepen met motoren met een vermogen niet groter dan 
60 rempaardekrachten kan echter een kleinere middellijn worden 
toegestaan. 


3. De lensflessen moeten gedurende het bedrijf gemakkelijk be­ 
reikbaar zijn. Zo nodig moet de lensfles daartoe verbonden zijn aan 
een gedeelte pijp, dat boven de vloerplaat kan worden ontkoppeld. 


Artikel 6 


Hulpkoelwater- 
Op motorschepen met een voortstuwend vermogen van meer dan 
pomp 
150 rempaardekrachten moet een hulpkoelwaterpomp, welke tevens 
moet zijn ingericht om water aan dek voor brandblussen te geven en 
als hulplenspomp dienst te doen, aanwezig zijn. Indien het voort­ 
stuwend vermogen 150 rempaardekrachten of minder is, moet de 
lenspomp een aansluiting hebben op de koelwaterleiding om de koel- 
waterpomp te kunnen vervangen. 


Artikel 7 


Luchtcompres- 
i 
Alle voortstuwingsmotoren moeten voorzien zijn van een lucht- 
aan£titóch-dere compressor of een inrichting aan de kop van één der cilinders om 
tingen 


Bijlage IX 


daarmee de spanning in het luchtvat voldoende te kunnen opvoeren, 
of van een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed­ 
gekeurde aanzetinrichting. De lengte van de leiding tussen de cilinder- 
kop en het luchtvat mag niet kleiner zijn dan 3 meter. 


2. Aan boord van schepen, waar de voortstuwingsmotoren zijn 
voorzien van een luchtcompressor of een inrichting aan de kop van 
één der cilinders als bedoeld in lid 1, moet bovendien een door een 
hulpmotor gedreven hulpcompressor aanwezig zijn. 
, 


3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde geldt, dat: 
(a) 
bij toepassing van motoren met een vermogen van 150 rem- 
paardekrachten of minder de hulpcompressor met de hand of de voet 
mag worden gedreven, indien op deze wijze in 20 minuten een vol­ 
doende hoeveelheid lucht op de benodigde spanning kan worden 
gebracht; 


(b) aan boord van zeilschepen met hulpmotorvermogen en van 
vissersvaartuigen, beide met motoren van een vermogen van niet meer 
dan 80 rempaardekrachten, met een reserve-fles, gevuld met samen­ 
geperste lucht of koolzuur, kan worden volstaan. 


4. Mechanisch bewogen luchtcompressoren moeten van veilig­ 
heidskleppen zijn voorzien. In de persleiding moet bij elke compressor 
een terugslagklep zijn aangebracht. 


Artikel 8 


1. Knalpotten en uitlaatgassenleidingen voor de afgewerkte gassen Knaipotten 
moeten goed beschermd en bekleed zijn. 


2. Uitlaatgassenleidingen moeten op voldoende hoogte boven het 
dek uitmonden, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn 
goedkeuring heeft verleend aan een uitvoering, waarbij zij beneden- 
deks uitmonden. De uitlaatpijpen mogen niet door verblijven zijn 
geleid. 


Artikel 9 


1. Motoren, welke door middel van lucht worden aangezet, moe-veiiigheids- 
ten voorzien zijn van een veiligheidsklep op de deksels van de motor- kleppen 
cilinders en op de aanzetluchtleiding van de motor. 


2. De in het vorige lid genoemde veiligheidskleppen moeten zo­ 
danig zijn geplaatst of beschermd, dat bij het openen van deze kleppen 
geen gevaar voor het bedienend personeel kan ontstaan. 


Artikel 10 


1. In de motorkamer geplaatste brandstofvoorraadtanks moeten Brandstofvoor- 
van de hete delen van de motorinstallatie, als gloeikop, knalketel enraadtanks 
uitlaatleiding, zijn verwijderd. 


2. Deze tanks moeten van staalplaat met een dikte van ten minste 
4 millimeter deugdelijk zijn geconstrueerd. 


Bijlage IX 


De tanks moeten goed zeevast worden bevestigd, zonodig van 
slingerschotten zijn voorzien en zo zijn ingericht, dat zij gemakkelijk 
inwendig kunnen worden gereinigd. Zij moeten met een halve at­ 
mosfeer overdruk worden beproefd. 


3. Indien de tanks zich in de motorkamer bevinden, moeten alle 
aansluitingen en openingen aan de bovenzijde zijn aangebracht. Met 
inachtneming van het bepaalde in artikel 12, lid 2, kan evenwel 
worden toegestaan, dat de leiding naar de motor of naar de dagtank 
aan de onderzijde is aangebracht. 


Elke tank moet van een vulpijp met een middellijn van ten minste 
50 millimeter en van een peilpijp zijn voorzien. Deze laatste kan ver­ 
vallen, indien de vulpijp tevens als peilpijp is ingericht. Deze pijpen 
moeten tot ten minste 15 centimeter boven dek worden opgetrokken 
en door een schroefdop kunnen worden afgesloten. Onder de uit­ 
monding van de peilpijp in de tank moet de tankwand door een stoot- 
plaatje worden beschermd. 


Indien de tanks door middel van een open trechter aan dek gevuld 
worden, moet een luchtpijp met een middellijn, welke ten minste gelijk 
is aan de helft van die van de vulleiding, aanwezig zijn, die tot boven 
het dek doorloopt en voorzien is van een zwaanshals. Indien de tanks 
door een gekoppelde leiding worden gevuld, moet de doorlaat van de 
luchtleiding 1,25 maal de doorlaat van de vulleiding zijn. Vulpijpen 
moeten oliedicht aan het dek zijn aangesloten. Behalve de voor­ 
geschreven peilpijp mag een peilglas worden aangebracht, mits dit | 
van deugdelijke constructie, zeer goed beschermd en aan de onder- * 
zijde van een zelfsluitende kraan of afsluiter is voorzien. 


Indien geen dagtank aanwezig is, moet gelegenheid bestaan tot het 
) 


aftappen van water. 


Indien onder aan de brandstoftank een aftapkraan is aangebracht, 
< 
moet deze een zelfsluitende kraan zijn. 


Artikel 11 


Dagtank 
1. Onder dagtank wordt verstaan de tank, welke uit een brandstof- J 


voorraadtank wordt gevuld en een hoeveelheid brandstof kan bevatten | 
ten hoogste gelijk aan het verbruik van de motor gedurende 24 uur. 


2. Bij aanwezigheid van een dagtank moet deze op het laagste il 
punt van de bodem van een waterzak met zelfsluitende aftapkraan of . 
afsluiter tot het aftappen van water zijn voorzien. Een kleine opening :i 
aan de bovenzijde van de tank, welke met een schroefdop kan worden 
i! 
afgesloten, mag zijn aangebracht om de hoeveelheid olie te kunnen i: 
peilen. Indien een peilglas is aangebracht, moet dit behoorlijk be- f 
schermd en onderaan van een zelfsluitende kraan zijn voorzien. De 
ontluchting van het peilglas moet geschieden in de dagtank of de 
; 
luchtpijp. De luchtpijp moet aan dek uitmonden, tenzij de dagtank ft 
een inhoud heeft, welke minder is dan 100 liter. Indien de dagtank 
door middel van een mechanisch bewogen pomp kan worden gevuld, 
I 
moet de doorlaat van de luchtpijp ten minste 1,25 maal de doorlaat f 
van de vulleiding zijn. 


• 


Bijlage IX 


Artikel 12 


1. De brandstof leiding moet van uitgegloeid naadloos koperen Brandstof- 
r 
, n 
j , 
. , 
. 
. 
. 
. 
f 
t 
. 
l e i d i n g e n e n 
ot getrokken naadloos stalen pijp zijn vervaardigd en van goede ex- -pompen 
pansiebochten zijn voorzien. De verbindingen moeten conisch zijn, 
metaal op metaal, terwijl de leiding goed bereikbaar en beschermd 
moet zijn tegen uitwendige beschadiging. 


De aansluiting van de leiding naar de motor op de tank moet door 
middel van een flens geschieden en van een binnenpijpje van een 
lengte van ten minste 25 millimeter zijn voorzien. 


2. Elke leiding, waardoor brandstof uit een tank kan wegvloeien, 


moet onmiddellijk aan die tank voorzien zijn van een deugdelijke 
kraan of afsluiter, welke ook aan dek, door middel van een een­ 
voudige overbrenging, moet kunnen worden gesloten. De v ijze, 
waarop dit geschiedt, moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven. 


3. Alle mechanisch bewogen pompen, welke gebruikt kunnen 
worden voor het overpompen van brandstof, moeten ook aan dek 
buiten werking zijn te stellen. 


Artikel 13 


Indien voor het aansteken van lampen voor de voorverwarming Spiritus 
van een gloeikop spiritus moet worden gebezigd, mag deze vloeistof, 
in afwijking van het bepaalde in artikel 99 van het Schepenbesluit 
in een veiligheidskan van goedgekeurd type met een inhoud van ten 
hoogste 10 liter in de motorkamer op een vaste, daartoe ingerichte 
plaats zijn geborgen. 


Artikel 14 


Bij voortstuwingsmotoren (hoofdmotoren), welke voor geforceerde Hulpsmeerolie- 
circulatiesmering zijn ingericht, moet ten minste één hulpsmeerolie- pomp 
pomp aanwezig zijn, welke op doelmatige wijze op het smeerolie­ 
systeem van de hoofdmotor(en) is aangesloten. Deze pomp moet 
onafhankelijk van de hoofdsmeeroliepomp(en) worden aangedreven 
en van voldoende capaciteit zijn om onmiddellijk ter vervanging van 
elk der hoofdsmeeroliepompen in bedrijf gesteld te kunnen worden. 


Bij een voortstuwend vermogen hetwelk per hoofdmotor 225 rem- 
paardekrachten niet te boven gaat, mag deze hulpsmeeroliepomp een 
handpompje zijn. 


Artikel 15 


Op schepen met een voortstuwend vermogen van meer dan 150 rem- Hulpmotor 
paardekrachten moet in de motorkamer een hulpmotor voor het 
drijven van de hulpcompressor, indien aanwezig, en van de reserve- 
koelwaterpomp zijn opgesteld. Deze hulpmotor moet met de hand 
kunnen worden aangezet. 


Artikel 16 


Voor nieuwe schepen of voor schepen, waarin een motor wordt Tekeningen 
geplaatst, moeten van de volgende onderdelen en plannen tekeningen 
in viervoud worden ingezonden: 


Bijlage IX 


(,a) 
Asleiding. Deze tekening moet zijn voorzien van de volgende 
opgaven: type, middellijn der cilinders, slag, aantal omwentelingen 
per minuut, hoogste werkdruk, gemiddelde druk. middellijn en ge­ 
wicht van het vliegwiel, middellijn van de schroef; 


(ib) Schroefaskoker en bevestiging daarvan in de schroefsteven; 
: 


(c) Omkeerkoppeling; 
(d) Motorfundatie; 
(e) Inrichtingsplan voor de motorkamer; 
(ƒ) 
Lens- en ballastleiding, koelwaterleiding; 
(g) Brandstofvoorraadtanks en dagtank; 


(Ti) 
Brandstof olieleiding; 


(0 
Luchtvaten, luchtleiding. 


Artikel 17 


Reser vedelen 
De volgende reservedelen moeten voor voortstuwingsmotoren van 


wingsmotoren" motorschepen, voor zover de delen bij de motor voorkomen, aan , 
anders dan voor boord aanwezig zijn: 
zeilschepen. 
g£n gloeikop voor elke twee cilinders; 
Een compleet stel kleppen, kleppenhuizen, verstuivers, veren, enz., 
zich bevindend aan één cilinder. Bovendien nog een extra-verstuiver, 
indien er meer dan drie cilinders zijn; 
Een complete brandstofpomp, indien elke cilinder een eigen brand- 
stofpomp heeft. Indien voor alle cilinders slechts één brandstot- 
pomp aanwezig is, de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie jij 
aan te wijzen delen van de brandstofpomp; 
Een stel zuigerveren voor elke drie cilinders; 
Een stel zuigerveren voor de compressor; 
Een stel zuigerveren voor de spoelpomp; 
Een ontlastklep; 
Een stel kleppen voor de krukkast (carter); 
Een half stel kleppen voor de spoelpomp; 
Een stel compressorkleppen en -zittingen; 
Een stel kleppen of stalen kogels voor de smeeroliepomp bij een 
vermogen, dat 225 rempaardekrachten niet te boven gaat; 
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp; 
Een stel kleppen voor de lenspomp; 
(Indien beide pompen gelijk zijn, is één stel kleppen voldoende); 
Een reservelamp voor elke twee cilinders; 
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers voor elke 
3 cilinders; 
Een stel krukpenmetalen; 
Een stel krukpenmetalen voor de compressordrijfstang; 
Een stel ringen met kogels voor het druklager; 
Een stel krukpenmetalen voor de spoelpompdrijfstang; 


Bijlage IX 


Een zuigerpen met bus of metalen; 
Een stel drijfstangbouten; 
Een stel hoofdasmetaalbouten; 
Een half stel koppelingbouten van elke soort; 
Een stel afdichtingsringen van één cilinder; 
Twee afdichtingsringen voor de krukkast; 
Indien de spoelpomp een roterende pomp is, de nodige rotor- 
onderdelen; 
Een reserve-pomp, die de ingebouwde vloeistofdrukpomp kan ver­ 
vangen, indien het omkeren van de draairichting van de schroef 
geschiedt door middel van een vloeistofkeerkoppeling. 


Artikel 18 


De volgende reservedelen moeten voor motoren van zeilschepen voor motoren va 
met hulpmotorvermogen, voor zover de delen bij de motor voor- z^schèpe^mS* 
komen, aan boord aanwezig zijn: 
huipmotorver- 
c 
i 
-i 
mogen 
Een gloeikop; 
Een stel zuigerveren; 
Een brandstofklep compleet, 
Een inlaatklep; 
Een uitlaatklep; 
Een ontlastklep; 
Een half stel kleppen voor de krukkast; 
Een stel kleppen of stalen kogels voor de brandstofpomp; 
Een reservelamp; 
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp; 
Een stel kleppen voor de lenspomp; 
(Indien beide pompen gelijk zijn, is één stel kleppen voldoende); 
Een half stel luchtaanzetkleppen; 
Een volledig stel veren; 
Een brandstofverstuiver voor elke twee cilinders; 
Een stel drijfstangbouten; 
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers; 
Een afdichtingsring voor elke twee cilinderdeksels; 
Een afdichtingsring voor de krukkast. 


Artikel 19 


De volgende reservedelen moeten voor de hulpmotor van motor- Reservedelen 
schepen, voor zover de delen bij de motor voorkomen, aan boord aan- motorvanmotör 
Wezig Zijn: 
schepen 


Een gloeikop; 
Een stel zuigerveren; 
Een complete brandstofpomp, indien elke cilinder een eigen brand­ 
stofpomp heeft. Indien voor alle cilinders slechts één brandstof­ 
pomp aanwezig is, de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
aan te wijzen delen van de brandstofpomp; 


Bijlage IX 


Een inlaatklep; 
Een complete uitlaatklep met huis, enz.; 
Een ontlastklep; 
Een half stel kleppen voor de krukkast; 
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp; 
Een volledig stel veren; 
Een brandstofverstuiver; 
Een reservelamp; 
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers; 
Een stel drijfstangmetalen en -bouten. 


Artikel 20 


Gereedschappen 
Op motorschepen moeten de volgende gereedschappen en voor- 


voor motoren van raden voor de motoren aanwezig zijn: 
motorschepen 
stalen werkbank met bankschroef; 


Sleutels voor alle moeren; 
Een verstelbare sleutel; 
Benodigde oogbouten; 
Inrichting voor het beproeven van de branstofverstuiver; 
Enig tap- en snijgereedschap; 
Een Weston takel of soortgelijke takel met afmeting te bepalen 
naar de grootte van de motor; 
Een ratel met diverse boren en een boorbeugel met ketelklem; 
Twee bankhamers en één voorhamer of vuist; 
Drie platte, twee kant- en één olieloopbeitel; 
Enige vijlen; 
Een buigtang; 
Een schroevendraaier; 
Een soldeerbout met soldeer en soldeerwater; 
Een goede electrische zaklantaarn; 
Voldoende pakking; 
Enig rood koperdraad; 
Enige stukken plaatstaal en plaatkoper; 
Diverse draadeinden; 
Diverse bouten, moeren en sluitringen. 


Artikel 21 


Gereedschappen 
Op zeilschepen met hulpmotorvermogen moeten de volgende ge- 
voor°moatoren 
reedschappen en voorraden voor de motoren aanwezig zijn: 
van 
zeilschepen 
Sleutels voor alle moeren; 


vermogen"110'01' 
Een verstelbare sleutel; 
Benodigde oogbouten; 
Twee bankhamers en één voorhamer of vuist; 
Een buigtang; 


Bijlage IX 


Twee platte beitels en één kantbeitel; 
Twee vijlen; 
Een schroevendraaier; 
Een soldeerbout met soldeer en soldeerwater; 
Diverse bouten, moeren en sluitringen; 
Een goede electrische zaklantaarn; 
Voldoende pakking. 


BIJLAGE X 


FILMCABINES EN -TOESTELLEN 


Artikel 1 


Soorten films 
Voor de toepassing van de in de volgende artikelen gegeven voor 
schriften worden de films verdeeld in „langzaam brandende films , 
welke voldoen aan de eisen voor brandveilige films, gegeven in het 
Normaalblad N 1185 van de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in 
Nederland en „snel brandende films" welke daaraan niet voldoen. 


Artikel 2 


Wijze van ver- 
1. Een filmtoestel, waarmede „snel brandende films" worden 


tonen van films 
vertoon(j, moet met toebehoren in een cabine zijn opgesteld. 


2. „Langzaam brandende films" mogen met toestellen, niet op­ 
gesteld in een cabine, worden vertoond. 


Artikel 3 


inrichting cabine 
j _ 
Een cabine moet geheel van staalplaat zijn, zonodig geïsoleerd 
door asbest of soortgelijk isolatiemateriaal. 


2. De cabine moet voldoende groot zijn om het filmtoestel of de 
filmtoestellen op te nemen, terwijl er voldoende ruimte voor het be­ 
dienend personeel moet zijn, zodat de in lid 4 genoemde uitgang 
gemakkelijk bereikt kan worden. 


3. In de wand naar de ruimte voor de toeschouwers mogen ten 
hoogste drie kleine openingen bij plaatsing van één filmtoestel en 
vier bij plaatsing van twee filmtoestellen voor het doorlaten van de 
stralen en voor uitzicht op die ruimte zijn aangebracht, welke door 
dazen platen en door rookafsluitende stalen dekplaten moeten kun­ 
nen worden afgesloten. Dit sluiten moet vlug kunnen geschieden, 
zowel in de cabine als van de bovenbedoelde ruimte uit. De stalen 
platen moeten verticaal sluitend zijn; in de ophanginrichting moet 
een klein strookje filmband gemonteerd zijn, zodat bij doorbranden 
de platen onmiddellijk worden gesloten. 


4. De uitgang, afgesloten door een naar buiten openende stalen 
deur moet zo mogelijk naar dek voeren. Kan dit niet direct geschie­ 
den, 'dan moet een stalen sluis worden aangebracht. De deuren moe­ 
ten automatisch sluiten. 


5. De verlichting in de cabine moet electrisch zijn. Overigens 
mogen slechts de noodzakelijke leidingen en electrische toestellen in 
de cabine zijn aangebracht. 


6. De cabine moet voldoende kunnen worden geventileerd. 


Bijlage X 


Artikel 4 


1. In de cabine mogen uitsluitend voor het bedrijf noodzakelijke Toelating 
toestellen, reservedelen, gereedschappen en films aanwezig zijn. Kle- wetoamhTden 
ding mag daarin niet worden opgehangen. 
in cabine 


2. Personen, andere dan de filmoperateurs, mogen zich in de 
cabine gedurende de voorstelling niet ophouden. 


3. De terugwindtafel moet van onbrandbaar materiaal zijn ver­ 
vaardigd. Filmplakmiddelen in een hoeveelheid van ten hoogste 
0,1 liter, mogen aanwezig zijn, mits in een op de tafel bevestigde 
goed gesloten fles of metalen bus. 


Het terugwinden moet met de hand geschieden. 
4. Bij gebruik van een filmtoestel mogen in de cabine of bij het 
toestel slechts de voor de voorstelling nodige films worden geplaatst. 


5. Elke film moet zijn verpakt in een doos of blik, gesloten blij­ 
vend tot het ogenblik, waarop de film in het toestel moet worden 
gebracht. Na gebruik moet de film dadelijk in de doos of in het blik 
worden opgeborgen en de doos of het blik zijn gesloten, alvorens een 
andere doos of een ander blik wordt geopend. 


Artikel 5 


Een projectietoestel voor „snel brandende films" met toebehoren Projectietoestel, 
wordt slechts aan boord toegelaten, wanneer het voldoet aan de eisen, toebehoren 
welke door het Brandweerwezen in Nederland voor gebruik in bios­ 
copen zijn vastgesteld. 


Artikel 6 


1. De ruimte voor de toeschouwers moet ten minste twee uit- Toeschouwers- 
gangen naar dek hebben, zo mogelijk gelegen aan tegenovergestelde ruimte 
zijden daarvan. Deze uitgangen moeten een breedte hebben van 1.10 
meter per 100 toeschouwers of gedeelten daarvan. Do deuren van 
deze uitgangen moeten naar buiten opengaan. 


2. Er mogen niet meer toeschouwers worden toegelaten, dan het 
aantal zitplaatsen bedraagt. 


Tussen de rijen zitplaatsen moet ten minste 75 centimeter ruimte 
zijn van rugleuning tot rugleuning gemeten. De rijen mogen 15 zit­ 
plaatsen hebben bij een gangpad ter weerszijden en 7 zitplaatsen, in­ 
dien alleen een middengangpad aanwezig is. De breedte van de 
gangpaden moet ten minste 75 centimeter bedragen. De rijen zit­ 
plaatsen moeten vast op het dek worden bevestigd of aan elkander 
zijn gekoppeld. 


Wordt als toeschouwersruimte een ruimte gebruikt, die niet uit­ 
sluitend voor het houden van filmvoorstellingen is ingericht, dan kan, 
indien dit noodzakelijk is, van het vastzetten van de zitplaatsen in 
rijen en het bevestigen daarvan aan dek, worden afgezien. 


3. De verlichting van de ruimte moet als regel nabij het film­ 
toestel worden ontstoken. Indien hieraan niet kan worden voldaan, 


Bijlage X 


moet gedurende de voorstelling een persoon bij de schakelaars post 
vatten, om deze in geval van nood onmiddellijk te bedienen. 


In de ruimte moet voldoende noodverlichting, onafhankelijk van 
de gewone verlichting zijn aangebracht. De uitgangen moeten in het 
bijzonder worden aangegeven. De noodkrachtbron of een accumula­ 
torenbatterij moet tijdens de voorstelling bijstaan, zodat de nood­ 
verlichting onmiddellijk kan worden ontstoken. 


Artikel 7 


Opstelling aan 
gjj gebruik van een filmtoestel op het open dek moet gezorgd 


worden voor een stevige afscheiding tussen toeschouwers en het toe­ 
stel, zodat de toeschouwers op voldoende afstand van het toestel 
blijven. 


2. Bij het vertonen van „snelbrandende films" moet deze afschei­ 
ding door een stalen scherm, voorzien van de nodige projectie- en 
kijkvensters, worden gevormd, zodat de toeschouwers niet door 
steekvlammen kunnen worden getroffen. 


3. De opstelling moet zodanig zijn, dat een in brand geraakt toe­ 
stel, en/of de voorraad films zonodig dadelijk over boord kunnen 
worden gezet. 


Artikel 8 


Berging bij niet 
Alle films moeten, behalve tijdens de voorstellingen, worden ge- 
gebruik 
borgen in een brandvrij af te sluiten stalen kast. Op deze kast moet 
een stalen ventilatiekoker zijn aangebracht voor verbinding met de 
open lucht, met een doorsnede van 10 vierkante centimeter voor elke 
3.5 kilogram van de in de kast geborgen filmrollen. De koker moet 
aan het buiteneinde door gaas zijn afgesloten, zodat geen stoffen van 
buitenaf in de koker kunnen komen. 


Artikel 9 


Vertoning van 
Wordt het projectietoestel voor vertoning van „langzaam 


dlndeZfitos"ran' brandende films" in een toeschouwersruimte opgesteld dan moet 
rondom behalve de gangpaden een ruimte van ten minste 1 meter 
worden vrijgehouden. 


2. Electrische leidingen naar het toestel moeten zodanig zijn aan­ 
gebracht, dat de toeschouwers daarmede niet in aanraking kunnen 
komen. 


Artikel 10 


Voorziening 
1. Bij gebruik van filmtoestellen moet in de cabine, indien daarin 


tegen brand 
geen vaste watersproeiing is aangebracht, of in de onmiddellijke na­ 
bijheid van een niet in een cabine opgesteld toestel, een emmer water 
met natte dweil aanwezig zijn en bij een toestel met snelbrandende 
films tevens een koolzuursneeuw- of methylbromideapparaat. 


Bijlage X 


Bovendien moet een brandslang met straalpijp voor onmiddellijk 
gebruik in de nabijheid worden gereed gehouden. 


2. In de cabine mag zich niets anders bevinden dan hetgeen voor 
de bediening van het toestel nodig is. 


Artikel 11 


Filmtoestellen mogen slechts door personen, die met het gebruik pgrds'™™,d 
en de te nemen voorzorgen volledig bekend zijn, worden bediend. 
Gedurende het bedienen van de toestellen en het behandelen van de 
films mag door hen niet worden gerookt. 


BIJLAGE XI 


REDDINGMIDDELEN 


Artikel 1 


Reddinggordels 
Reddinggordels moeten van deugdelijke samenstelling, voor het 


doel geschikt en goed onderhouden zijn. 


2. Zij moeten zodanig vervaardigd zijn, dat zij het hoofd van de 
gebruiker, wanneer deze buiten bewustzijn geraakt, boven water hou­ 
den. Zij moeten binnenste buiten kunnen worden gedragen. 


3. Reddinggordels, welke voorzien zijn van luchtkasten of welke 
voor het gebruik moeten worden opgeblazen, mogen niet tot de uit­ 
rusting van het schip behoren. 


4. Reddinggordels moeten ten minste zoveel drijfvermogen heb­ 
ben, dat zij in zoet water, zonder te zinken, gedurende 24 uur een 
gewicht van 7,5 kilogram ijzer kunnen dragen. 


5. Kinderreddinggordels (voor kinderen tot de leeftijd van 12 
jaar) moeten aan binnen- en buitenzijde hetzij hel gekleurd, hetzij 
voorzien zijn van een ongeveer 15 centimeter brede horizontale hel 
gekleurde band, terwijl op de helle ondergrond in duidelijke zwarte 
letters het woord „kind" moet zijn aangegeven. 


6. De modellen moeten door het Hoofd van de Scheepvaart­ 
inspectie zijn goedgekeurd. 


Artikel 2 


Reddingboeien 
1. Reddingboeien moeten op deugdelijke wijze van massief kurk 
of daarmede gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd; zij moeten 
doelmatig en goed onderhouden zijn en zodanig zijn geverfd, dat zij 
op het water duidelijk zijn te onderscheiden. 


2. Reddingboeien, gevuld met biezen, kurkafval, kurkkorrels, of 
enige andere korrelige stof zonder samenhang, zomede reddingboeien, 
welke voor het gebruik moeten worden opgeblazen, mogen niet tot 
de uitrusting van het schip behoren. 


3. Reddingboeien mogen gesloten of hoefijzervormig zijn. Gesloten 
reddingboeien moeten een inwendige middellijn van ten minste 45 
centimeter hebben. Hoefijzervormige reddingboeien moeten zodanig 
zijn verstijfd, dat bij de in lid 4 genoemde proef de wijdte van de 
opening tussen 35 en 40 centimeter blijft. 


4. Reddingboeien moeten voorzien zijn van een stevig aangebind- 
selde, in bochten hangende grijplijn, terwijl elke reddingboei zoveel 
drijfvermogen moet bezitten, dat zij, in zoetwater, zonder te zinken, 
gedurende 24 uur een gewicht van 14,5 kilogram ijzer kan dragen. 


Artikel 3 


Klassen van 
De boten worden verdeeld in reddingboten, zijnde open boten met 


vaste boorden en uitsluitend in de boot aangebrachte luchtkasten en 


Bijlage XI 


gewone boten, zijnde open boten zonder middelen tot vergroting 
van het drijfvermogen. 


Artikel 4 


1. Alle boten moeten behoorlijk van deugdelijk materiaal, volgens Eisen waaraan 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te geven aanwijzingen, J®ldb^a moelen 
zijn gebouwd. Zij moeten van zodanige vorm en zodanige afmetin­ 
gen zijn, dat zij bij zeegang een ruime mate van stabiliteit bezitten en 
bij volle bezetting en volledige uitrusting, voldoende vrijboord hebben. 
Gewone boten moeten met volle bezetting en volledige uitrusting een 
minimum vrijboord van 30 centimeter hebben. Alle boten moeten zo 
sterk zijn, dat zij zonder gevaar met volle bezetting en volledige uit­ 
rusting te water kunnen worden gebracht. De ophangpunten in de 
boten moeten zo zijn gelegen, dat de boten gemakkelijk vrij zwaaien 
van de davits. 


Alle boten moeten langs de buitenzijde voorzien zijn van een in 
bochten hangende stevig aangebindselde grijplijn. De betimmering 
in de boten moet zodanig zijn aangebracht, dat losse luehtkasten op 
eenvoudige wijze kunnen worden weggenomen. 


Alle boten moeten ter weerszijden tussen de glijspanten of de boots- 
klampen over ongeveer 1,50 meter lengte zijn voorzien van kim- 
kielen, die zodanig moeten zijn aangebracht, dat zij op generlei wijze 
het te water brengen van de boten belemmeren. De kimkielen moeten 
van enkele uitsparingen voor handgrepen zijn voorzien. 


2. Alle boten moeten, tenzij de beschikbare ruimte aan boord niet 
toelaat een boot van deze grootte te plaatsen, een inhoud van ten 
minste 3,5 kubieke meter hebben. 


Aan boord van passagiersschepen en schepen van 500 ton en meer, 


geen passagiersschepen zijnde, moeten de reddingboten een lengte 
van ten minste 7,30 meter hebben, tenzij het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie van oordeel is, dat het aan boord plaatsen van boten 
van deze grootte onredelijk of onpraktisch is. De lengte mag nimmer 
kleiner zijn dan 4,90 meter. 


Boten, welke met volle bezetting en volledige uitrusting zwaarder 
zijn dan 20 300 kilogram, zijn aan boord niet toegelaten. 


Reddingboten moeten bij voorkeur voor en achter scherp zijn. 


Reddingboten voor meer dan 60 personen moeten motorboten of met 
de hand voortbewogen schroefboten zijn. 


In de reddingboten moeten de onderblokken van de takels gemak­ 
kelijk en vlug kunnen worden uitgehoekt, doch het uithoeken behoeft 
niet gelijktijdig plaats te vinden. 


3. Reddingboten moeten voldoen aan de volgende eisen: 
het gemiddelde van de zeeg voor en achter moet ten minste gelijk 
zijn aan 4 percent van de lengte; 


de luehtkasten moeten zodanig zijn geplaatst, dat bij volle bezetting 
en volledige uitrusting en onder ongunstige weersomstandigheden een 
voldoende mate van stabiliteit verzekerd is; zij moeten van doelmatig 


materiaal, bijvoorbeeld koper, doch niet van zink zijn vervaardigd en 
waterdicht zijn; zij mogen van inschroefbare afsluitdoppen zijn voor­ 
zien; 


luchtkasten, ook indien zij vast zijn ingebouwd, mogen niet langer 
zijn dan 1,25 meter; 


bij houten boten moeten de luchtkasten een gezamenlijke inhoud 
hebben van ten minste één tiende van de kubieke inhoud van de 
boot; wanneer de boot bestemd is voor 100 personen of meer, kan 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een hoger percentage vast­ 
stellen; 


het drijfvermogen van een metalen boot moet ten minste gelijk 
zijn aan dat, geëist voor een houten boot van dezelfde inhoud. 


4. Alle doften en langsscheepse zitplaatsen moeten zo laag, als 
practisch mogelijk is, zijn aangebracht; de buikdenningplanken moe­ 
ten zo geplaatst zijn, dat de bovenkanten der doften er niet meer 
dan 84 centimeter boven liggen. 


Artikel 5 


Motorredding- 
1. Motorreddingboten worden verdeeld in twee klassen, A en B. 
2. Motorreddingboten moeten voldoen aan de in artikel 4 voor 
reddingboten gestelde eisen. 


3. De gezamenlijke inhoud van de luchtkasten van een motor­ 
reddingboot moet ten minste gelijk zijn aan die van een reddingboot 
zonder motor, vermeerderd met een inhoud, waardoor het gewicht 
van de motor met toebehoren, het zoeklicht en de radioinstallatie met 
toebehoren wordt opgeheven en verminderd met 0,0283 kubieke meter 
voor elke persoon, welke de boot meer zou mogen opnemen, indien 
de genoemde uitrusting werd verwijderd. 


4. De motor en zijn onderdelen moeten op doelmatige wijze 
omkast zijn, zodat ook onder ongunstige weersomstandigheden de 
goede werking is gewaarborgd. De schroef moet achteruit kunnen 
werken. 


5. Bij een boot van de klasse A moet de motor een goedgekeurd 
type hogedrukmotor zijn, welke aan de boot met volle bezetting en 
volledige uitrusting, in kalm water een snelheid van 6 zeemijlen per 
uur kan geven. De brandstofvoorraad moet voldoende zijn om de 
boot 24 uur onafgebroken te kunnen laten varen. 


6. Bij een boot van klasse B moet de motor een goedgekeurd type 
hogedrukmotor zijn, welke aan de boot met volle bezetting en vol­ 
ledige uitrusting in kalm water een snelheid van 4 zeemijlen per uur 
kan geven. De brandstofvoorraad moet voldoende zijn om de boot 
12 uur onafgebroken te kunnen laten varen. 


Bijlage XI | 


Artikel 6 


1. Een werktuiglijk voortbewogen schroefreddingboot, anders dan WerUuigHjk^ 
een motorreddingboot, moet voldoen aan de in artikel 4 voor red- Reddingboten" 
dingboten gestelde eisen. 
anders dan 
motorboten 


2. De gezamenlijke inhoud van de luchtkasten moet vermeerderd 
worden, teneinde het gewicht van de voortbewegingsinrichting op te 
heffen. 


3. De voortbewegingsinrichting moet van een goedgekeurd type 
zijn en moet voldoende kracht kunnen ontwikkelen om een boot met 
volle bezetting en volledige uitrusting onmiddellijk na het tewater- 
laten vrij van het schip te krijgen en in staat zijn de boot koers te 
doen houden ook onder ongunstige weersomstandigheden. De in­ 
richting moet aan de boot in kalm water een snelheid van ten minste 
4 zeemijlen per uur kunnen geven en de boot ook achteruit kunnen 
laten varen. 


4. Als de boot met handkracht wordt voortbewogen, moet de in­ 
richting door ongeoefende personen kunnen worden bediend en 
kunnen werken, zodra de boot te water is, ook als zij volgelopen is. 


Artikel 7 


1. Onder „drijvende toestellen" wordt verstaan drijvend materiaal Drijvende toe- 
niet bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, geschikt om personen die te stellen 
water liggen drijvende te houden. 


2. De afmetingen, sterkte en samenstelling van een drijvend toe­ 
stel moeten zo zijn, dat het van de plaats waar het is geborgen, 
zonder dat het beschadigd wordt, te water kan worden geworpen, 
waarbij de vorm en andere eigenschappen behouden blijven. Het 
moet voor het doel geschikt en stabiel zijn, op welke zijde het ook 
drijft. 


Luchtkasten of daarmede gelijkwaardige middelen voor het ver­ 
krijgen van drijfvermogen moeten zo dicht mogelijk bij de zijden zijn 
aangebracht; zij mogen niet voor het gebruik moeten worden op­ 
geblazen. 


Het toestel moet voorzien zijn van een rond de buitenzijde stevig 
aangebindselde, in bochten hangende grijplijn en van een vanglijn 
van ten minste 10 meter lengte. 


3. Tenzij doeltreffende middelen zijn aangebracht om het toestel 
zonder het met de hand te lichten te water te kunnen laten, mag 
het niet zwaarder zijn dan 180 kilogram. 


Artikel 8 


1. De inhoud van een boot wordt bepaald met toepassing van de Berekening van 
regel van Simpson. 
boten10"11 Vaa 


lijlage XI 


Bijlage XI 


De inhoud van een boot met platte spiegel wordt berekend alsof 
de boot van achteren scherp toeloopt. 


2. De inhoud in kubieke meters van een boot wordt uitgedrukt 
door de formule: 


1 


Inhoud - 
— x (4A + 2B + 4C), 
12 


waarbij 1 de lengte van de boot in meters is, gemeten van de 
binnenzijde van de houten of metalen huid aan de voorsteven tot 
het overeenkomstige punt aan de achtersteven. Bij een boot met platte 
spiegel wordt de lengte gemeten tot de binnenkant van de spiegel. 


A, B en C geven onderscheidenlijk de oppervlakten der dwarsdoor­ 
sneden aan, op een vierde van de lengte 1 van voren, in het midden 
van de lengte 1 en op een vierde van de lengte 1 van achteren 
gerekend. 


De oppervlakten A, B en C in vierkante meters, worden bepaald 
door achtereenvolgens de volgende formule op elk der drie dwars­ 
doorsneden toe te passen: 


h 


Oppervlakte = — (a + 4b + 2c + 4d + e), 


12 


waarbij h de holte in meters is, aan de binnenzijde van de houten 
of metalen huid gemeten van de kiel tot de lijn van bovenkant dol- 
boord, of in bepaalde gevallen tot een lagere hoogte als hierachter 
aangegeven, a, b, c, d en e de horizontale wijdten der boot in meters 
zijn, gemeten op de twee uiterste punten van de holte, alsmede op 
de drie deelpunten, welke men verkrijgt bij deling van h in vier ge­ 
lijke delen: a en e zijn de wijdten aan de uiteinden en c is die in het 
midden van h. 


3. Indien de zeeg van het dolboord, gemeten op twee punten, 
gelegen op een vierde van de lengte van de uiteinden, meer bedraagt 
dan een honderste van de lengte van de boot, moeten de holton, 
welke gebruikt worden voor de berekening van de oppervlakte van 
de dwarsdoorsneden A of C, gelijk worden gesteld aan de holte van 
de boot in het midden, vermeerderd met een honderste van de lengte 
van de boot. 


4. Indien in het midden van de boot de holte meer bedraagt dan s 
viif en veertig honderdsten van de grootste wijdte, moet de holte te 
rrohmiWen vnnr de herekenine van de oppervlakte van de midscneepse | 
Hr,r,r«nPH« R. on viif en veertig honderdsten van de wijdte worden ge­ 
steld en de holte, te gebruiken voor de berekening van de oppervlakten 
, j 
j . a «*-« 
«aUftpn r»rv 
viprHft van de lenste van 
van ae uuursncucn r\ tu 
-- 
~ 


_ i_4 
—Hr*r>r Hf» vnnr Hp doorsnede 
voren en van acmeicn, VCIM^H WW.UVU, 
B gebruikte holte te vermeerderen met een bedrag gelijk aan een hon­ 
derdste van de lengte van de boot; de holten, welke voor de bereke- 


Bijlage XI 


ning van de oppervlakten A en C worden gebruikt, mogen de werke­ 
lijke holten op die punten echter niet overschrijden. 


5. Indien de holte van de boot meer bedraagt dan 122 centimeter 
moet het aantal personen, dat krachtens artikel 9 volgt uit de naar 
deze methode berekende inhoud, in evenredigheid met de verhouding 
van 122 centimeter tot de werkelijke holte worden verminderd, tenzij 
bij een proefneming met de boot te water met het genoemde aantal 
inzittenden, allen voorzien van reddinggordels, een bevredigend resul­ 
taat is verkregen. 


6. Voor boten, welke voor en achter zeer scherp toelopen, of 
welke een zeer volle vorm hebben, zal in elk bijzonder geval het toe 
te laten aantal personen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
worden vastgesteld. 


7. De inhoud van een motorboot wordt verkregen door de be­ 
rekende inhoud te verminderen met de inhoud van de ruimte, inge­ 
nomen door de motor met toebehoren en zo deze aan boord zijn, ook 
met die, ingenomen door de radioinstallatie en het zoeklicht met toe­ 
behoren. 


8. De inhoud van een boot mag op 0,6 van het product van 
lengte, breedte en holte worden bepaald, indien vaststaat, dat deze 
niet groter is dan die welke op de in de vorige leden aangegeven 
wijze zou zijn verkregen. De in dit lid bedoelde holte is dezelfde als 
die, bedoeld in lid 2, doch de lengte wordt gemeten tussen de aan­ 
snijding van de buitenzijde van de huid met de voorsteven en het 
daarmede overeenkomende punt aan de achtersteven en de breedte 
is de grootste breedte gemeten op buitenkant huid. Indien de holte 
meer bedraagt dan 45 honderdsten van de breedte, mag slechts deze 
waarde in rekening worden gebracht. 


Artikel 9 


1. Het aantal personen, dat een boot mag opnemen, wordt ver- Aantal personen 
kregen door de inhoud in kubieke meters te delen door 0,283 met m redd'ngb0,en 
verwaarlozing van breuken. 


2. Indien blijkt, dat zonder het gebruik van de riemen of van de 
werktuiglijke bewegingsinrichting te hinderen voor het gevonden 
aantal personen geen behoorlijke zitplaatsen in de boot aanwezig 
zijn, moet het in het vorige lid verkregen aantal worden verminderd. 


3. Het verkregen aantal moet eveneens worden verminderd, in­ 
dien bij geladen boot het vrijboord kleiner wordt dan in overeen­ 
stemming is met hetgeen daaromtrent in artikel 4 is aangegeven. 


Artikel 10 


Het aantal personen, waarvoor een drijvend toestel ten hoogste Aantal personen 
bestemd mag zijn, is het kleinste van de getallen, verkregen door het aan ^üvende 


Bijlage XI 


aantal kilogrammen ijzer, dat het toestel in zoet water kan dragen, te 
delen door 14,5 en door de omtrek van het toestel in centimeters te 
delen door 30,5. 


Artikel 11 


Nagaan van het 
1. Bij de proef tot het nagaan van het minimum vrijboord, moeten 
"oorcuTroefter de volledig uitgeruste boten bezwaard worden met een gewicht van 
bepaling aantal ten minste 75 kilogram voor iedere persoon, welke zij geacht worden 


boten.11™ m 
te kunnen opnemen. 


2. De proef tot het nagaan van het aantal personen, dat in een 
boot kan plaats nemen, moet genomen worden met volwassen per­ 
sonen, welke reddinggordels aan hebben. 


Artikel 12 


Merken van 
j 
afmetingen van ©en boot, alsmede het aantal personen, 


reddingmiddelen waarv00r z|j bestemd is, moeten in duidelijk en blijvend schrift daar­ 
op zijn aangegeven. 


Alle boten moeten aan weerszijden op de boeg van de naam van 
het schip zijn voorzien en zij moeten doorlopend zijn genummerd. 


2. Het aantal personen, waarvoor een drijvend toestel bestemd is, 
moet in duidelijk en blijvend schrift daarop zijn aangegeven. 


3. Geen boot of drijvend toestel mag gemerkt zijn voor een 
groter aantal personen, dan verkregen volgens de artikelen 9, 10 
en 11. 


Artikel 13 


Uitrusting van 
j 
Reddingboten moeten zijn uitgerust met: 


boten 


(a) een riem per doft, twee waarloze riemen en één stuurriem, 
anderhalf stel roeipennen of -dollen aan de boot bevestigd met ketting 
of lijn, één bootshaak; 


(/;) een roer met helmstok of stuurjuk met stuurrepen; 


(c) één of meer masten met volledig zeiltuig, waarvan de zeilen 
van voldoende grootte en oranje gekleurd zijn en het staand tuig 
van gegalvaniseerd staaldraad is; 


(d) een vanglijn en een achtereind, beide van voldoende sterkte en 
lengte, eerstgenoemde met strop en knevel aan de boot vastgemaakt; 


(e) twee doelmatige proppen voor elk propgat door lijn of ketting 
aan de boot verbonden en, indien geen zelfwerkende kleppen aan­ 
wezig zijn, een handpomp, een hoosvat en twee emmers, 


(ƒ) twee bijlen; 
(g) een voor gebruik gereed zijnde olielamp, olie voor 12 brand- 
uren en twee waterdicht verpakte dozen stormlucifers; 


Bijlage XI 


( h ) een doelmatig drijfanker en een bus, inhoudende 4,5 liter 
plantaardige of dierlijke olie, zodanig vervaardigd, dat de olie ge­ 
makkelijk op het water kan worden gestort en zodanig ingericht, dat 
zij aan het drijfanker kan worden vastgemaakt: 


(/') een Nederlandse vlag, een misthoorn; 


0') twee doeltreffende valscherm-signalen, die op grote hoogte 
een helder rood licht geven, zes handstakellichten, die een helder 
rood licht geven; twee drijvende rooksignalen, welke oranje gekleurde 
rook verspreiden; 


(k) een bruikbaar kompas met nachthuis en verlichting, dat op 
stalen boten met de compensatiemiddelen op een vaste plaats moet 
zijn opgesteld; een overzeiler van de oceaan, waarop het schip vaart 
van tegen water bestand materiaal of waterdicht verpakt; 


(0 een electrische zaklantaarn, geschikt voor het geven van morse­ 
seinen met twee waarloze batterijen en twee waarloze gloeilampen, 
een doelmatige spiegel tot het geven van seinen overdag; 


(in) een zakmes met blikopener, met lijn aan de boot vastgemaakt; 
(n) twee lichte werplijnen, welke op het water blijven drijven; 
(o) een kistje, geschikt om de kleine uitrustingsartikelen op te 
bergen, voorzien van het nodige gereedschap, reparatiemateriaal, zeil- 
Plaat, naalden en garen en enige lijnen met vishaken; 


(p) een luchtdichte kist, inhoudende één kilogram goedgekeurde 
levensmiddelen voor ieder der personen, waarvoor de boot bestemd 
is; zomede 0,5 kilogram gecondenseerde melk per persoon of daar­ 
mede gelijkwaardige voedingsmiddelen; 


(q) waterdichte vaten of tanken met akertjes met ketting van 
roestvrij metaal, inhoudende drie liter zoetwater voor elk der per­ 
sonen, waarvoor de boot bestemd is; 


(r) een waterdicht verpakte verbandtrommel inhoudende: 
10 gram mercurochroom 2 percent in flesje met penseel; 20 aspi- 
rinetabletten a 0,5 gram; 50 pharmadrine tabletten; 50 atebrine- of 
kimnetabletten; 50 gram sulfazalf in potje; 2 driekante doeken; 
16 x 1,16 meter hydrophile gaas; 5 hydrophile windsels 6 centimeter; 
5 hydrophile windsels 8 centimeter; 1 snelverband no. I; 2 snelver- 
banden no. II; 1 meter Bismuth brandzwachtel; 5 x 10 gram ver­ 
bandwatten; 1 rol kleefpleister, breed 2 centimeter, lang 1 meter; 1 
pleister snelverband 4 centimeter; 1 pleister snelverband 6 centimeter 
1 doosje veiligheidsspelden no. 1; 1 schaar, zomede buiten de trom­ 
mel: 10 morphine comprimé's a 10 milligram (in handen van de 
kapitein); bovendien in de sloep 2 spalkplanken van voldoende 
lengte. 


De losse inventaris, die niet in een kist of kast is geborgen, moet 
op een geschikte plaats in de boot zeevast zijn gestuwd en deugdelijk 


Bijlage XI 


zijn gesjord. Zij mag noch het uithoeken van de blokken hinderen 
noch het vlugge embarkeren bemoeilijken. 


De bootshaak moet steeds voor gebruik gereed zijn. 
2. Indien een reddingboot bestemd is voor meer dan 60 personen 
moet zij voorzien zijn van een doelmatige inrichting om van uit het 
water in de reddingboot te kunnen klimmen. 


3. In aanvulling van het in lid 1 bepaalde moet een motorredding­ 
boot twee bootshaken en enig motorgereedschap medevoeren. In af­ 
wijking van het in lid 1 bepaalde behoeft in een motorreddingboot 
slechts" een half stel riemen aanwezig te zijn. De hoeveelheid brand­ 
stof, voorgeschreven in artikel 5, moet aan boord zijn. 


4. Een motorreddingboot van de klasse A, indien vereist krachtens 
artikel 58, lid 1 van het Schepenbesluit, moet voorzien zijn van een 
radiotelegraaf-installatie en een zoeklicht. 


De radio-installatie, welke moet voldoen aan de in bijlage XIII 
gestelde eisen, moet zijn opgesteld in een ruimte, die groot genoeg is 
om plaats te bieden voor de uitrusting en de persoon, die de instal­ 
latie bedient. 
. 


De inrichting moet zodanig zijn, dat de goede werking van zender 
en ontvanger niet wordt gestoord door het bijstaan van de motor, 
ongeacht of deze al of met voor de landinrichting van de batterij 
wordt gebruikt. 


De radiobatterij mag geen stroom leveren aan een aanzetmotor 
of ontstekingssysteem. De motor van de reddingboot moet voorzien 
zijn van een dynamo voor het opladen van de radiobatterij en voor 
eventuele andere doeleinden. 


Het zoeklicht moet een lamp van ten minste 80 Watt hebben, een 
doelmatige reflector en een krachtbron, welke in staat is om ge­ 
durende een totale tijdsduur van 6 uur en gedurende ten minste 3 uur 
onafgebroken te kunnen werken. Het zoeklicht moet een licht ge- i; 
kleurd voorwerp met een breedte van 18 meter op een afstand van 
180 meter duidelijk kunnen verlichten. 


5 
Op schepen, waarvan de reizen niet langer dan 24 uur duren, 
kan de uitrusting genoemd in lid 1 onder (c), (m) en (p) worden 
weggelaten, met dien verstande, dat 1 kilogram goedgekeurde levens­ 
middelen per persoon aanwezig moet zijn. 


6. In reddingboten aan boord van vissersvaartuigen, welke geene 
reizen maken, die zich verder uitstrekken dan de Oostzee, dc Noord­ 
zee tot de 61ste breedtegraad en tot de lijn Orkaden 
Shetland-eilan-i 
den in het Westen, het Kanaal, het Kanaal van Bristol, het St. George- 
kanaal en de Ierse Zee tot de lijn Whitehead-Port Patnck in het 
Noorden en in het Zuiden tot de lijn Carnsore Pt—Landsend—Kaap 
St. Mathieu en op schepen, uitsluitend bestemd en gebruikt voor de 
vaart over de Wadden, langs de mond van de Weser naar de Elbe en 
door het Kaiser Wilhelmkanaal tot Kiel, behoeft het aangegevene m 
lid 1, onder (c), 0') en (k) niet aanwezig te zijn. 


. 


Bijlage XI 


7. Voor gewone boten kan de uitrusting beperkt blijven tot het­ 
geen onder (a), (b), (d), (e), (ƒ), (g), (i), (p) en (q) van lid 1 van 
dit artikel wordt genoemd, met dien verstande, dat één bijl voldoende 
is. 


Indien de reizen van de schepen zich uitstrekken buiten de vaart 
langs de Oostkust van de Noordzee van Calais tot het Aggerkanaal, 
zomede in de Oostzee tot de lijn Gothenburg—Frederikshaven, moet 
bovendien de uitrusting onder (c) en (k) genoemd in lid 1, aan boord 
zijn. 


Artikel 14 


1. Aan boord van passagiersschepen moet het aantal davits Wor- Davits en daar- 
den geplaatst als aangegeven in kolom A van de tabel van artikel 16. bo°er.VaIn°boord 


2. Het aantal stellen davits behoeft nimmer groter te zijn dan va," 
pasM8iers- 
het aantal reddingboten, benodigd om ruimte te bieden voor alle SL eP<m 
opvarenden. 


3. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het 
aantal stellen davits, bedoeld in kolom A van de tabel van artikel 16, 
te plaatsen, kan met een kleiner aantal stellen worden volstaan, met 
dien verstande, dat dit aantal nimmer kleiner mag zijn dan het 
minimum, vastgesteld in kolom B van de tabel van artikel 16. 


4. Aan elk stel davits moet een reddingboot verbonden zijn. Indien 
deze boten geen ruimte voor alle opvarenden bieden, moeten aanvul­ 
lende stellen davits met daaraan verbonden reddingboten worden 
geplaatst, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is. Indien ook dan nog 
geen voldoende ruimte om alle opvarenden in de boten op te nemen 
is verkregen, moeten reddingboten onder de aan de davits verbonden 
boten worden geplaatst. 


5. In afwijking van het in de voorgaande leden bepaalde, kan aan 
boord van passagiersschepen, die op korte internationale reizen wor­ 
den gebezigd, indien de ruimte in de boten niet voldoende is om alle 
opvarenden op te nemen en indien de schepen voldoen aan de in 
artikel 6, lid 4, van bijlage II gestelde bijzondere eisen, worden toe­ 
gestaan te volstaan met een bootruimte als aangegeven in kolom C 
van de tabel van artikel 16. De ontbrekende ruimte moet vervangen 
worden door plaats aan of op drijvende toestellen. De in lid 3 aan­ 
gegeven vermindering van het aantal stellen davits mag toegepast 
worden. 


6. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan, dat voor 
een schip de korte internationale reis wordt verlengd tot 1200 zee­ 
mijlen, mits voor 75 percent van het aantal opvarenden plaats in de 
reddingboten aanwezig is. 


Artikel 15 


1. Davits moeten van een goedgekeurd type en van een deugde- Middelen toi te 
lijke uitvoering zijn. Zij moeten doeltreffend zijn geplaatst 
water 
brengen 


der boten 


Bijlage XI 


2. Aan boord van passagiersschepen moeten de middelen voor het 
te water brengen van boten, als davits, blokken en sloepstakels met 
toebehoren, zo sterk zijn, dat de boten met volle bezetting en vol­ 
ledige uitrusting, zelfs bij slagzij van ten hoogste 15 graden, veilig 
te water kunnen worden gebracht. 


3. De bewegingsinrichting van de davits moet zo sterk zijn, dat 
de boten, uitsluitend bemand met de bedieningsmanschappen en ge­ 
heel uitgerust, tegen de grootste slagzij in, waarbij de boten nog 
kunnen worden gestreken, naar buiten kunnen worden gedraaid. 


4. Aan boord van alle schepen met een lengte groter dan 46 meter, 
moeten de davits voor reddingboten, welke volledig uitgerust een 
gewicht van niet meer dan 4064 kilogram hebben, klapdavits of 
zwaartekrachtdavits zijn en voor reddingboten met groter gewicht 
zwaartekrachtdavits. 


Radiaal- of spijkerdavits moeten zijn uitgerust met doelmatige 
inrichtingen om het lichten uit de potten te voorkomen. 


Aan boord van schepen van 500 ton en meer moeten laatstge­ 
noemde davits voorzien zijn van een door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie goedgekeurde bewegingsinrichting, welke werktuiglijk 
óf met de hand moet kunnen worden behandeld. 


5. Twee reddinglijnen van een lengte, welke bij de geringste 
diepgang en een slagzij van 15 graden tot het water reiken, moeten 
aan de middenleider zijn aangebracht. 


6. De takels moeten van voldoende lengte zijn om de onder- 
blokken tot op het water te kunnen overhalen, indien het schip bij 
de geringste diepgang een slagzij van 15 graden heeft. Haken aan 
onderblokken van takels zijn niet toegestaan. 


7. Op schepen van 500 ton en meer, geen passagiersschepen zijnde 
en aan boord van passagiersschepen moet bij elk stel davits één 
doelmatige touwladder zijn aangebracht van zodanige lengte, dat 
de geringste diepgang een slagzij van 15 graden heeft. Haken aan 
15 graden tot het water reikt. 


Artikel 16 


Tabel aangevende 
j 
Het minimum aantal stellen davits en de minimum bootruimte 
^Uenumdavks,ta' v00r passagiersschepen, als bedoeld in artikel 14, wordt gegeven in de 


zomede de 
ondervolgende tabel. 


rui^"voor p'as- 
2. Indien de lengte van het schip groter is dan 314 meter, wordt 
sagiersschepen 
j-,et minimum aantal stellen davits door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie vastgesteld. 


3. Indien de lengte van het schip kleiner dan 31 meter of groter 
dan 168 meter is, wordt de minimum inhoud van de reddingboten, 
bedoeld in kolom (C) door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
vastgesteld. 


Bijlage XI 


Lengte van het schip 
Minimam aantal Kleiner aantal 
Minimum inhoud gezamen- 
volgens de meetbrief 
stellen davits 
stellen davits 
lijke reddingboten in kubieke 


in meters 
(normaal) 
bij uitzondering 
meters voor passagiersschepen 


toegestaan (zie 
op korte internationale 


artikel 14, lid 3) 
reizen 


(A) 
(B) 
(C) 


31 en kleiner dan 37 
2 
2 
11 


37 „ 
„ 
„ 
43 
2 
2 
18 


43 „ 
„ 
„ 
49 
2 
2 
26 


49 „ 
„ 
„ 
53 
3 
3 
33 


5 3 „ 
„ 
„ 5 8 
3 
3 
3 8 


58 „ 
„ 
„ 
63 
4 
4 
44 


63 
67 
4 
4 
50 


67 „ 
„ 
„ 
70 
5 
4 
52 


70 „ 
„ 
„ 
75 
5 
4 
61 


75 
78 
6 
5 
68 


78 
82 
6 
5 
76 


82 
87 
7 
5 
85 


87 „ 
„ 
„ 
91 
7 
5 
94 


91 
96 
8 
6 
102 


96 „ 
„ 
„ 101 
8 
6 
110 


101 
107 
9 
7 
122 


107 
113 
9 
7 
135 


113 „ 
„ 
„ 119 
10 
7 
146 


119 
125 
10 
7 
157 


125 
133 
12 
9 
171 


133 „ 
„ 
„ 140 
12 
9 
185 


140 „ 
„ 
„ 149 
14 
10 
202 


149 „ 
„ 
„ 
159 
14 
10 
221 


159 
168 
16 
12 
238 


168 
177 
16 
12 
_ 


177 „ 
„ 
„ 186 
18 
13 


186 „ 
„ 
„ 195 
18 
13 
_ 


195 „ 
„ 
„ 204 
20 
14 
_ 


204 „ 
„ 
„ 213 
20 
14 
_ 


213 
223 
22 
15 
_ 


223 „ 
„ 
„ 232 
22 
15 
_ 


232 
241 
24 
17 
_ 


241 „ 
„ 
„ 250 
24 
17 
_ 


250 
261 
26 
18 
_ 


261 „ 
„ 
„ 271 
26 
18 
_ 


271 „ 
„ 
„ 282 
28 
19 
_ 


282 
293 
28 
19 
_ 


293 „ 
„ 
„ 303 
30 
20 
_ 


303 „ 
„ 
„ 
314 
30 
20 
— 


BIJLAGE XII 


REDDINGMIDDELEN AAN BOORD VAN PELGRIMS­ 
SCHEPEN 
EN 
VAN 
PASSAGIERSSCHEPEN, 
WELKE 
GROTE AANTALLEN PASSAGIERS, VOOR WIE GEEN 
VASTE SLAAPPLAATSEN AANWEZIG ZIJN, IN 
BEPAALDE GEBIEDEN VERVOEREN 


HOOFDSTUK I 


Artikel 1 


Toepassing 
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het 


vervoer van pelgrims tussen havens aan de Rode Zee enerzijds en 
Indonesië, India en Pakistan, Ceylon, Hongkong en de Straits Settle- 
ments anderzijds, alsmede op schepen, welke bestemd zijn voor het 
vervoer van meer dan 12 passagiers, terwijl voor grote aantallen 
passagiers geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, op reizen tussen 
Indonesië, India en Pakistan, Ceylon, Hongkong en de Straits bettle- 
ments. 


Artikel 2 


Geldigheid van 
Bijlage XI is op de in artikel 1 bedoelde schepen van toepassing 
bijlage XI 
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen van dit 
hoofdstuk nader is bepaald. 


Artikel 3 


Boten en davits 
j. Schepen, niet gebezigd voor het pelgrimvervoer, moeten voor­ 


anders6 dan ge- 
zien zijn van 'het aantal stellen davits als aangegeven in kolom (A) 
bezigd voor 
van de tabel van artikel 6, met dien verstande, dat het aantal stellen 
pelgrimvervoer 
davits nje(. groter behoeft te zjjn dan het aantal reddingboten, nodig 
om alle opvarenden te kunnen opnemen. 


2. Aan elk stel davits moet een reddingboot zijn verbonden. 
Indien de aan davits verbonden reddingboten geen voldoende ruimte 
bieden voor alle opvarenden of de inhoud kleiner is dan die, aan­ 
gegeven in kolom (D) van de tabel van artikel 6, moeten aan" 
vullende reddingboten worden geplaatst. De gezamenlijke inhoud 
daarvan moet zo groot zijn, dat hij met die van de onder davits 
geplaatste boten groot genoeg is om alle opvarenden te kunnen 
opnemen, zonder dat echter de inhoud, aangegeven in bovenge­ 
noemde kolom (D), behoeft te worden overschreden. Indien alle 
opvarenden niet in de boten kunnen worden opgenomen, moeten 
voor de overblijvenden de nodige aanvullende reddingmiddelen 
worden geplaatst. 


3. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het 
schip uit te rusten met het aantal stellen davits, bedoeld in lid 1, 
kan met een kleiner aantal stellen davits worden volstaan, met dien 


Bijlage XII 


verstande, dat dit aantal nimmer kleiner mag zijn dan het minimum 
aantal volgens kolom (B) van de tabel van artikel 6 en dat de 
gezamenlijke inhoud van de boten ten minste gelijk moet zijn aan de 
minimum inhoud aangegeven in kolom (D) van die tabel. 


Artikel 4 


1. Op reizen tussen Hongkong en de Carolinen, Ladronen, de Bijzondere 
Ellis en Gilbert eilanden, Guam, de Marshall en Pelim eilanden,relzen 
behoeft in afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 2, de aan­ 
vulling van de onder davits geplaatste reddingboten slechts te ge­ 
schieden totdat de gezamenlijke inhoud van alle reddingboten ten 
minste gelijk is aan die, aangegeven in kolom (F) van de tabel 
van artikel 6. 


2. Op reizen in de Golf van Bengalen en in de Andaman Zee 
ten Noorden van de lijn Calimerepunt-Atjehhoofd-Penang behoeft, 
in afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 2, de gezamenlijke 
inhoud van de reddingboten slechts groot genoeg te zijn om 80 
percent van alle opvarenden op te kunnen nemen zonder dat echter 
de inhoud, aangegeven in kolom (F) van de tabel van artikel 6 be­ 
hoeft te worden overschreden, terwijl slechts zoveel aanvullende 
reddingmiddelen behoeven te zijn geplaatst als nodig is om voor 80 
percent van het aantal opvarenden een plaats in een boot, of aan 
een drijvend toestel te verzekeren. 


3. Op reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee­ 
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen, gelden de bepalingen 
van artikel 3 met dien verstande, dat voor kolom (D) de kolom (E) 
van de tabel van artikel 6 in de plaats wordt gesteld en dat de in de 
derde volzin van lid 2 van artikel 3 bedoelde inhoud slechts met 
aanvullende reddingmiddelen behoeft te worden aangevuld, totdat 
voor 80 percent van alle opvarenden een plaats in een boot of aan 
een drijvend toestel is verzekerd. 


4. Op reizen als bedoeld in het voorgaande lid binnen een ge­ 
bied begrensd door een lijn lopende van een punt op de Westkust 
van het Maleise Schiereiland op 10° Noorderbreedte langs de kust 
van Azië tot een punt in Cochin China op 11° Noorderbreedte, dan 
naar een punt op 8° Noorderbreedte en 110° Oosterlengte, verder 
naar een punt op 8° Noorderbreedte en 125° Oosterlengte, ver­ 
volgens naar een punt op de evenaar op 140° Oosterlengte, langs 
de evenaar tot 160° Oosterlengte, vervolgens naar een punt op 11° 
Zuiderbreedte en 170° Oosterlengte, verder naar een punt op 23° 
30 Zuiderbreedte en 170° Oosterlengte, vandaar naar een punt op 
23° 30' Zuiderbreedte en 160° Oosterlengte, vervolgens naar de 
Oostkust van Kaap York op 11° Zuiderbreedte, van de Westkust 
van Kaap York op 11° Zuiderbreedte naar Kaap Wessel en Wessel- 
eüand, vervolgens langs de Australische kust naar Port Darwin 


Bijlage XII 


(Kaap Charles), vervolgens naar een punt op 10° Zuiderbreedte en 
109" Oosterlengte, verder naar Christmaseiland, vervolgens naar 
een punt op 2° Noorderbreedte en 94° Oosterlengte, vervolgens naar 
een punt op 6° 30' Noorderbreedte en 94° Oosterlengte en ver­ 
volgens naar het punt van uitgang, doch met uitsluiting van de 
havens en plaatsen in het rechtsgebied van het Gemenebest van 
Australië, behoeft de in de derde volzin van lid 2 van artikel 3 
bedoelde inhoud slechts met aanvullende reddingmiddelen te zijn 
aangevuld, totdat voor 60 percent van alle opvarenden een plaats 
in een boot of aan een drijvend toestel is verzekerd. 


Artikel 5 


Vervoer van 
l. Bij het vervoer van pelgrims op reizen naar en van havens 


pelgrims 
aan jg R0C|e zee gelden de voorschriften van artikel 3 met dien 
verstande, dat in de leden 2 en 3 van dat artikel voor „kolom (D) 
moet worden gelezen „kolom (F)". 


2. Indien op de in lid 1 bedoelde reizen niet meer dan 12 passa­ 
giers, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, worden vervoerd, 
moet bovendien in lid 1 van artikel 3 voor „kolom (A) 
gelezen 
worden „kolom (C)". 


3. Indien op de in lid 1 en 2 bedoelde reizen de schepen zich 
niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijde­ 
ren, moet in de leden 2 en 3 van artikel 3 voor „kolom (D) gelezen 
worden „kolom (E)". 


Artikel 6 


Tabel, aange- 
1. Het minimum aantal stellen davits en de minimum bootruimte 
lanfal 
voor de in artikel 1 bedoelde schepen wordt gegeven in de onder- 


daviis en boot- volgende tabel. 


2. Het aantal stellen davits en de bootruimte van schepen, welke 
kleiner of groter zijn dan in deze tabel aangegeven, worden door het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld. 


Bijlage XII 


Lengte van het 
schip in meters 
volgens de meet­ 
brief 


Aantal stellen davits (normaal) 


Minimum aantal stellen davits 
(krachtens art. 3, lid 3) 


Aantal stellen davits voor pel­ 
grimsschepen, welke niet meer 
dan 
12 passagiers, voor wie 
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, 
vervoeren 


Minimum inhoud van de gezamenlijke 
reddingboten in kubieke meters 


Voor andere reizen, dan 
die waarop de schepen 
zich niet verder dan 200 
zeemijlen van het naast- 
bijzijnde land verwijderen 


Voor reizen, waarop de 
schepen zich niet verder 
dan 200 zeemijlen van het 
naastbijzijnde land ver­ 
wijderen 


Voor schepen in bepaalde 
gebieden en pelgrims­ 
schepen 


(A) 
(B) 
(C) 
(D) 
(E) 
(F) 


31 en beneden 37 
2 
2 
2 
22 
9 
11 


37 
43 
2 
2 
2 
28 
12 
15 


43 
49 
2 
2 
2 
35 
17 
22 


49 
53 
3 
2 
2 
42 
22 
28 


53 
58 
3 
2 
2 
54 
26 
33 


58 
63 
4 
4 
4 
62 
31 
38 


63 
67 
4 
4 
4 
75 
37 
46 


67 
70 
5 
4 
4 
88 
42 
52 


70 
75 
5 
4 
4 
103 
46 
58 


75 
78 
6 
4 
4 
116 
52 
65 


78 
82 
6 
4 
4 
127 
57 
72 


82 „ 
„ 
87 
7 
4 
4 
140 
69 
86 


87 
91 
7 
6 
6 
157 
80 
101 


91 
96 
8 
6 
6 
171 
93 
117 


96 .. 
» 
101 
8 
6 
6 
188 
105 
131 


101 „ 
„ 
107 
9 
6 
6 
204 
116 
145 


107 
113 
9 
6 
6 
218 
125 
156 


113 „ 
„ 
119 
10 
6 
6 
241 
133 
!66 


119 » 
•• 
125 
10 
8 
8 
265 
144 
181 


125 „ 
„ 
133 
12 
8 
8 
296 
156 
195 


133 „ 
„ 
140 
12 
10 
8 
327 
170 
212 


140 „ 
„ 
149 
14 
10 
8 
361 
185 
231 


149 „ 
„ 
159 
14 
10 
10 
392 
201 
251 


159 „ 
„ 
168 
16 
10 
10 
424 
217 
271 


168 „ 
„ 
177 
16 
12 
12 
461 
— 
— 


177 „ 
„ 
186 
18 
12 
12 
496 
— 
— 


186 „ 
„ 
195 
18 
12 
12 
537 
— 
— 


195 „ 
„ 
204 
20 
14 
14 
574 
— 
— 


204 „ 
„ 
213 
20 
14 
14 
613 
— 
— 


Artikel 7 


De hoeveelheid gecondenseerde melk, genoemd in artikel 13, lid 1 Uitrusting 
onder (p) van bijlage XI, kan tot de helft worden teruggebracht met 
dien verstande, dat het medevoeren geheel kan worden nagelaten 
op reizen genoemd in artikel 4, lid 3. 


HOOFDSTUK II 


Artikel 8 


Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver- Toepassing 
voer van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste slaapplaat­ 
sen aanwezig zijn, tussen havens in de navolgende gebieden: 


Bijlage XII 


(a) de Caraïbische Zee, benevens een strook ter breedte van 30 
zeemijlen aan de Noordzijde van de Grote Antillen en aan de Noord­ 
en Oostzijde van de Kleine Antillen en voor reizen, waarop de schepen 
zich niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land ver­ 
wijderen in een gebied, gelegen ten Westen van de lijn Ragged Point 
(Barbados) naar de monding van de Surinamerivier; 


(b) voor reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee­ 
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen langs de Westkust van 
Midden- en Zuid-Amerika tussen havens, niet Noorderlijker gelegen 
dan 13° Noorderbreedte en niet Zuidelijker dan Coquimbo; 


(c) voor reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee­ 
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen langs de Westkust van 
Afrika tussen havens niet Noordelijker gelegen dan Kaap Blanco en 
niet Zuidelijker dan Mossamedes; 


(d) de Rode Zee en de Golf van Aden bewesten de meridiaan 
van 52° Oosterlengte, alsmede voor reizen, waarop de schepen zich 
niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen 
langs de Oostkust van Afrika niet Zuidelijker dan de haven van 
Lourenzo Marqués. 


Artikel 9 


Geldigheid van 
Bijlage XI is op de in artikel 8 bedoelde schepen van toepassing 
bijlage XI 
met jnachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader is be­ 
paald. 


Artikel 10 


Boten en davits 
schepen moeten voorzien zijn van het aantal stellen davits 


doeid*ii^artikel 8_ als aangegeven in kolom (A) van de tabel in artikel 6, met dien ver­ 
stande, dat het aantal stellen davits niet groter behoeft te zijn dan 
het aantal reddingboten, nodig om alle opvarenden te kunnen op­ 
nemen. 


2. Aan elk stel davits moet een reddingboot zijn verbonden. In­ 
dien de aan davits verbonden reddingboten geen voldoende ruimte 
bieden voor alle opvarenden of de inhoud kleiner is dan die, aan­ 
gegeven in kolom (D) van de tabel van artikel 6, moeten aanvullende 
reddingboten worden geplaatst. 


De gezamenlijke inhoud daarvan moet zo groot zijn, dat deze met 
die van de onder davits geplaatste boten groot genoeg is om alle op­ 
varenden te kunnen opnemen. 


3. Indien op reizen, als bedoeld in artikel 8 onder (a), (c) en (d), 
het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is de in het vorige lid 
bedoelde aanvullende reddingboten te plaatsen, kan genoegen worden 
genomen met een gezamenlijke inhoud van de reddingboten, welke 
groot genoeg is om 80 percent van alle opvarenden te kunnen op­ 
nemen, mits voor de overige opvarenden voldoende aanvullende 
reddingmiddelen aanwezig zijn. 


Bijlage XII 


Indien de schepen zich op deze reizen niet verder dan 30 zeemijlen 
van het naastbijzijnde land verwijderen, kan met een gezamenlijke 
inhoud van de reddingboten, welke groot genoeg is om 60 percent van 
alle opvarenden te kunnen opnemen, worden volstaan. 


4. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het 
schip uit te rusten met het aantal stellen davits, als in lid 1 is voor­ 
geschreven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kleiner 
aantal stellen davits toestaan, mits voldoende middelen aanwezig zijn 
om de niet onder davits geplaatste boten veilig te water te brengen. 


Artikel 11 


Het medevoeren van de gecondenseerde melk, genoemd in arti- Uitrusting 
kei 13, lid 1 onder (p) van bijlage XI, wordt niet geëist. 


BIJLAGE XIII 


RADIO-INSTALLATIES 


Artikel 1 


Omschrijvingen 
Voor zover in deze bijlage of in enig uit het Schepenbesluit voort­ 
vloeiend bijzonder voorschrift betreffende de radio sprake is van 
bestaande of nieuwe (radio-) installaties — ongeacht of deze vast aan 
boord zijn opgesteld dan wel (zoals draagbare radio-installaties) tot 
de uitrusting van schip of sloepen behoren — zijn de volgende defini­ 
ties van toepassing: 


(a) een bestaande installatie is een installatie, welke zich reeds 
aan boord van een schip bevindt op het tijdstip waarop het Schepen­ 
besluit in werking treedt; 


(b) een nieuwe installatie is een installatie, welke een bestaande 
installatie vervangt of een welke na het in werking treden van het 
Schepenbesluit wordt geïnstalleerd. 


Artikel 2 


radiostation^30 
'' Het radiotelegraafstation moet, behalve aan de daaraan in 
moéten1 voldoen artikel 82 van het Schepenbesluit gestelde eisen, aan de volgende 
bepalingen voldoen: 


(a) een betrouwbaar uurwerk, waarvan de wijzerplaat een middel­ 
lijn moet hebben van ten minste 12,5 centimeter en voorzien van 
een concentrische secondewijzer, moet op deugdelijke wijze in de 
radiohut zijn aangebracht. De plaats van opstelling moet zodanig 
zijn, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de 
radiotelegrafist vanaf zijn zitplaats aan de toestellen en vanaf de 
plaats waar het auto-alarmtoestel wordt beproefd, kan worden waar­ 
genomen; 


(b) in de radiohut moet permanent een betrouwbare noodver­ 
lichting zijn aangebracht, welke voldoende verlichting waarborgt bij 
de bediening en de controle van de hoofd- en noodinstallaties en van 
het uurwerk genoemd onder (a); 


(c) indien een afzonderlijke nood-radiohut aan boord aanwezig 
is, moet voor deze radiohut voldaan worden aan het voorgeschrevene 
in lid 4 van artikel 82 van het Schepenbesluit, benevens aan de voor­ 
schriften onder (a) en (b) genoemd; 


(d) tot de uitrusting moet behoren een draagbare extincteur met 
een inhoud van ten minste 9 liter, gevuld met een de electrische stroom 
niet geleidend brandblusmiddel, welk toestel in de onmiddellijke na­ 
bijheid van de radiohut moet zijn opgehangen, zomede een dergelijke 
extincteur met een inhoud van ongeveer één liter, welke in de radio­ 
hut moet zijn opgehangen; 


Bijlage XIII 


(e) het moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen, gereed­ 
schappen en controle-instrumenten, welke naar het oordeel van het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om buitengaats de 
goede werking van de radiotelegraaf-installatie te onderhouden. 


Bij de controle-instrumenten moet ten minste aanwezig zijn een 
draaispoel-instrument dat is ingericht voor het meten van weer­ 
standen, gelijk- en wisselspanningen en gelijkstromen. 


2. Het radiotelefoonstation moet, behalve aan de daaraan in 
artikel 82 van het Schepenbesluit gestelde eisen, tevens voldoen aan 
de eis, dat het moet zijn uitgerust met een extincteur met een inhoud 
van ongeveer één liter, gevuld met een de electrische stroom niet 
geleidend brandblusmiddel, opgehangen nabij de radiotelefooninstal- 
latie, tenzij deze in de radiohut is opgesteld, zomede met naar het 
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende reserve­ 
onderdelen en gereedschappen. 


Artikel 3 


1. Tenzij hierna uitdrukkelijk anders is bepaald, 
Eisen, waaraan 
de radiotelegraaf- 


(а) moet de radiotelegraaf-installatie een hoofdinstallatie en een 
nood-(reserve-)installatie omvatten, welke electrisch gescheiden en moe c 
v 
electrisch onafhankelijk van elkaar zijn; 


(б) moeten een hoofd- en een noodantenne verstrekt en gehesen 
zijn, met dien verstande, dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
een schip van de eis betreffende de nood-antenne kan vrijstellen, indien 
hij van oordeel is, dat het aanbrengen van zulk een antenne onuit­ 
voerbaar of onredelijk is; in een dergelijk geval echter moet een 
reserve-antenne, volledig gereed om onmiddellijk ter vervanging 
gebruikt te kunnen worden, aan boord medegevoerd worden. De 
hoofdantenne moet op doeltreffende wijze zijn beschermd tegen 
breuk, veroorzaakt door het zwiepen van de mast of van de masten; 


(c) moet de hoofdinstallatie een hoofdzender, een hoofdontvanger 
en een hoofdkrachtbron omvatten; 


(d) moet de nood-(reserve-)installatie een noodzender, een nood- 
ontvanger en een noodkrachtbron omvatten. 


2. In bestaande installaties op vrachtschepen en nieuwe instal­ 
laties op vrachtschepen van 500 ton en meer, doch minder dan 1600 
ton, zijn, indien de hoofdzender en de hoofdkrachtbron voldoen aan 
alle eisen voor de noodzender en de noodkrachtbron, deze laatsten 
niet verplicht. 


3. De hoofd- en de nood-(reserve-)installaties moeten snel kunnen 
worden verbonden met hetzij de hoofdantenne, hetzij de noodantenne, 
indien deze laatste aanwezig is. 


4. De hoofd- en de nood-(reserve-)zenders moeten kunnen zenden 
op de radiotelegraaf-frequentie en gebruik maken van een klasse van 
uitzending, als in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband 
voor noodgevallen is voorgeschreven; zij moeten een modulatiediepte 


Bijlage XIII 


hebben van ten minste 70 percent. Bovendien moet de hoofdzender 
ingericht zijn voor het zenden op de frequenties en met een klasse 
van uitzending als in het Radio-Reglement in de middenfrequentie- 
band ten behoeve van de veiligheid van de navigatie is voorge­ 
schreven. 


5. De hoofd- en nood-(reserve-)zenders moeten een toonfrequentie 
hebben van meer dan 450 en van minder dan 1350 perioden per 
seconde. 


6. De hoofd- en nood-(reserve-)zenders moeten een minimum 
normale reikwijdte bezitten als hieronder aangegeven; dat wil zeggen, 
dat zij in staat moeten zijn over de aangegeven afstanden duidelijk 
waarneembare seintekens van schip tot schip, bij dag en onder nor­ 
male voorwaarden en omstandigheden, over te seinen. 


Onder normale omstandigheden moeten seintekens duidelijk waar­ 
neembaar kunnen worden ontvangen, als de effectieve waarde van 
de veldsterkte bij de ontvang-inrichting ten minste 50 microvolt per 
meter bedraagt. 


Bij het ontbreken van een directe veldsterkte-meting kunnen de 
volgende waarden als leidraad worden gebezigd om de normale reik­ 
wijdte bij benadering te bepalen: 


Normale reikwijdte 
Meters-ampère 
in zeemijlen 
vermogen (watt) 


200 
128 
200 


175 
102 
125 


150 
76 
71 


125 
58 
41 


100 
45 
25 


75 
34 
14 


50 
25 
8 


Het getal onder het hoofd „Meters-ampère" geeft het product 
weer van de maximumhoogte van de antenne boven de diepst af­ 
geladen lastlijn in meters en de stroomsterkte in de antenne in 
ampères (effectieve waarde). 


Minimum normale reik­ 
wijdte in zeemijlen 


Hoofdzender Noodzender 


Alle passagiersschepen, zomede vrachtsche­ 
pen van 1600 ton en meer 
150 
100 


Vrachtschepen van 500 ton en meer, doch 


kleiner dan 1600 ton 
100 
75 


Vrachtschepen kleiner dan 500 ton .... 
50 
— 


Vissersvaartuigen 
— 
— 


Bijlage XIII 


7. (a) de hoofd- en noodontvangers moeten kunnen ontvangen 
op de radiotelegraaf-frequentie en in de klassen van uitzending, zoals 
deze in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband voor nood­ 
gevallen zijn voorgeschreven; 


(b) bovendien moeten met de hoofdontvanger van de frequenties 
en klassen van uitzending, waarmede tijdseinen, weerberichten en an­ 
dere berichten betreffende de veiligheid van de navigatie worden uit- 
geseind, die kunnen worden ontvangen, welke door het Hoofd van 
de Scheepvaartinspectie noodzakelijk worden geacht; 


(c) de ontvanger van het auto-alarmtoestel mag als noodont- 
vanger worden gebezigd. 


8. De hoofdontvanger moet voldoende gevoelig zijn om seinen 
hoorbaar te maken in de hoofdtelefoons of door middel van een 
luidspreker, zelfs indien de ingangsspanning van de ontvanger slechts 
100 microvolt bedraagt. De noodontvanger moet dezelfde gevoelig­ 
heid hebben, behalve in de gevallen, waarin een goedgekeurd auto­ 
alarmtoestel als noodontvanger wordt gebruikt. 


9. Gedurende de tijd, dat het schip buitengaats is, moet steeds 
voldoende electrische energie beschikbaar zijn om de hoofdinstallatie 
in staat te stellen de normale in lid 6 geëiste afstand te overbruggen, 
alsmede om alle batterijen, deel uitmakend van de radiotelegraaf- 
installatie, te laden. De spanning, waarop de hoofdinstallatie wordt 
aangesloten, moet zo goed mogelijk gelijk worden gehouden aan de 
nominale spanning en daarvan, voor zover praktisch uitvoerbaar, niet 
meer dan 10 percent verschillen. 


10. De nood-(reserve-)installatie moet voorzien zijn van een 
krachtbron, die onafhankelijk is zowel van de voortstuwing van het 
schip als van het scheepsnet. 


Die krachtbron moet bij voorkeur bestaan uit accumulatorenbatte­ 
rijen; zij moet onder alle omstandigheden snel in werking kunnen 
worden gesteld en in staat zijn om de nood-(reserve-) zender en -ont­ 
vanger onder normale omstandigheden gedurende ten minste zes 
achtereenvolgende uren te doen werken, zulks naast het leveren van 
energie ten behoeve van een of meer van de in de leden 11 en 12 
genoemde extra belastingen. 


11. De noodkrachtbron mag alleen worden gebezigd voor de 
voeding van: 


(a) de nood-(reserve-)installatie en de inrichting voor het auto­ 
matisch uitzenden van het alarmsein, als aangegeven in lid 17; 


( b ) de noodverlichting, als aangegeven in lid 1 van artikel 2; 
(c) het auto-alarmtoestel; 
(d) de richtingzoeker. 
12. In afwijking van het bepaalde in lid 11 kan worden toege­ 
staan, dat aan boord van vrachtschepen de noodkrachtbron wordt 


Bijlage XIII 


gebruikt tot het voeden van een klein aantal noodnetten voor zwak 
vermogen, die geheel in het bovendeel van het schip liggen — bij­ 
voorbeeld een noodverlichting op het sloependek — zulks op voor­ 
waarde dat deze netten snel kunnen worden uitgeschakeld. 


13. De noodkrachtbron en het daarbij behorende schakelbord 
moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en moeten, waar mogelijk, in 
de onmiddellijke nabijheid van de radiohut zijn opgesteld. 


14. 
Buitengaats moeten de accumulatoren-batterijen, die deel uit­ 
maken van de hoofdinstallatie, dan wel van de nood-(reserve-) instal­ 
latie, dagelijks ten volle worden geladen. 


15. De radiotelegraaf-installatie moet voorzien zijn van een in­ 
richting, die, zonder omschakeling met de hand, de overgang van 
zenden op ontvangen en omgekeerd mogelijk maakt. 


16. Naast de middelen om het alarmsein met de hand uit te 
zenden moet een seingever zijn aangebracht, welke geschikt is om 
zowel met de hoofd- als met de nood-(reserve-)installatie het alarm­ 
sein automatisch uit te zenden. Indien bedoelde seingever electrisch 
is, zal deze moeten kunnen werken op de noodkrachtbron. 


17. Buitengaats moet de noodzender, indien deze niet voor het 
verkeer wordt gebruikt, dagelijks worden beproefd op een daarvoor 
geschikte kunstantenne en ten minste éénmaal gedurende elke reis 
op de noodantenne, als deze gehesen is. 


Ook de noodkrachtbron moet dagelijks beproefd worden. 


Artikel 4 


Eisen waaraan de 
j. De radiotelefonie-installatie moet, rekening houdend met het 
st^iat^s'*<moeteiï hieromtrent in artikel 82 van het Schepenbesluit bepaalde, op radio- 
voidoen 
telefonie kunnen zenden en ontvangen op de daarvoor voorgeschreven 
noodfrequentie en op ten minste nog één andere frequentie, volgens 
het Radio-Reglement voor maritieme radiotelefoonstations beschik­ 
baar in de midden-frequentieband. In normaal bedrijf moet de modu­ 
latiediepte bij piekintensiteit ten minste 70 percent bedragen. 


2. (a) de zender moet een minimum normale reikwijdte heb­ 
ben van 150 zeemijlen, dat wil zeggen in staat zijn om over die af­ 
stand van schip tot schip, bij dag en onder normale voorwaarden en 
omstandigheden, duidelijk waarneembare signalen over te brengen. 
Duidelijk waarneembare signalen moeten onder normale voorwaarden 
en omstandigheden kunnen worden ontvangen, indien de effectieve 
veldsterkte van de ongemoduleerde draaggolf ter plaatse van het 
ontvangtoestel ten minste 25 microvolt per meter bedraagt. 


Bij het ontbreken van veldsterktemetingen mag worden aange­ 
nomen, dat deze reikwijdte wordt verkregen bij een antennevermogen 
van 15 watt (ongemoduleerde draaggolf) en een antenne-rendement 
van 27 percent. 


Bijlage XIII 


(b) Op niet-verplicht gestelde radiotelefonie-installaties is de 
sub (a) gestelde eis betreffende de minimum normale reikwijdte, 
niet van toepassing. 


3. De ontvanger moet een gevoeligheid hebben, die voldoende is 
om een inkomend signaal met een sterkte van slechts 50 microvolt 
door middel van een luidspreker te ontvangen. 


4. 
Buitengaats moet op elk moment een krachtbron beschikbaar 
zijn van voldoende vermogen om de installatie over de in lid 2 ge- 
eiste normale reikwijdte te doen werken. Indien batterijen aanwezig 
zijn, moeten deze voldoende capaciteit hebben om de zender en de 
ontvanger onder normale bedrijfsomstandigheden gedurende ten 
minste zes uren onafgebroken te voeden. Een noodkrachtbron moet 
in het bovendeel van het schip zijn opgesteld, tenzij de hoofdkracht­ 
bron reeds aldaar geplaatst is. 


5. Buitengaats moeten de batterijen in geladen toestand worden 
gehouden, teneinde te voldoen aan de in lid 4 gestelde eisen. 


Artikel 5 


De richtingzoeker moet, rekening houdend met het in artikel 76, Eisci?waaraan de 
lid 5, van het Schepenbesluit bepaalde, aan de volgende eisen voldoen: moetTvowSn 


( a ) het toestel moet doeltreffend zijn en geschikt om seinen te 
ontvangen met een minimum ontvanger-ruis, zomede om peilingen te 
nemen, waaruit de ware peilingen en juiste richting kunnen worden 
afgeleid; 


(b) de richtingzoeker moet vrij zijn van mechanische en/of elec- 
trische storingen, welke de goede werking beïnvloeden; 


(c) het toestel moet seinen kunnen ontvangen op de frequenties, 


welke in het Radio-reglement in de middenfrequentieband zijn toe­ 
gekend voor noodgevallen, voor het nemen van peilingen en voor 
de maritieme radiobakens; 


(d) bij afwezigheid van storingen moet het toestel een gevoelig­ 
heid hebben voldoende om nauwkeurige peilingen te nemen, zelfs 
indien de veldsterkte der ontvangen tekens slechts 50 microvolt per 
meter bedraagt. 


Artikel 6 


Elk nieuw type auto-alarmtoestel, dat na de datum van inwer- Eisen waaraan de 
kingtreding van dit besluit toegelaten wordt, moet aan de volgende au<?-a,armtof 
ninimum-voor waarden voldoen: 
volden m 
™ 


( a ) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het 
toestel, zonder bijregeling met de hand, in werking worden gesteld 
door elk alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafische nood- 
frequentie met de klasse van uitzending als voor de middenfrequen- 
:ieband in het Radio-Reglement voor het alarmsein is vastgesteld 
ap voorwaarde, dat de frequentie niet meer dan 8 kp/s afwijkt van 


Bijlage XIII 


de nominale frequentie en de sterkte van het sein bij de ingang van 
de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt; 


( b ) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het 
toestel in werking worden gesteld door 3 of 4 opeenvolgende 
strepen, indien de duur daarvan ligt tussen 3,5 seconde en een 
waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussen­ 
ruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconde en de laagst be- 
reikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10 
milliseconden; 


(c) het toestel mag niet in werking worden gesteld door lucht- 
storingen of door enig signaal anders dan het alarmsein, mits de 
ontvangen seintekens in feite niet een signaal vormen, dat binnen 
de in (b) aangegeven tolerantiegrenzen valt; 


( d ) de selectiviteit van het toestel moet zodanig zijn, dat binnen 
de band van 8 kp/s aan weerszijden van de noodfrequentie de ge­ 
voeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band i 
een gevoeligheid, welke zo snel mogelijk afneemt, een en ander 
overeenkomstig de stand van de techniek; 


(e) zo mogelijk moet het toestel bij aanwezigheid van lucht- 
storingen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen, 
opdat het binnen een redelijk korte tijd weder nabij de instelling i 
komt, waarbij het toestel het alarmsein het gemakkelijkst kan onder- ij 
scheiden; 


(f) wanneer het toestel in werking wordt gesteld door een alarm-i 
sein of als gevolg van een defect in het toestel, moet het een onaf­ 
gebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de hut 
van de chef-radiotelegrafist en op de brug. Indien mogelijk moet 
die waarschuwing ook worden gegeven, ingeval een willekeurig 
onderdeel van het gehele auto-alarmontvangsysteem defect is. Slechts 
één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssem te 
doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radio u , 


(g) teneinde het auto-alarmtoestel regelmatig te kunnen be­ 
proeven, moet het toestel voorzien zijn van een op de noodfrequentie 
afgestemde generator en een sleutelinrichting, met behulp waarvan 
een alarmsein van de minimale sterkte, als aangeduid onder (a), kan 
worden gegeven; 


(h) het toestel moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en 
temperatuursverschillen, overeenkomende met die welke onder on­ 
gunstige omstandigheden aan boord van een schip op zee worden 
aangetroffen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven, 
werken. 
Artikel 7 


. 
1 
De radiotelegraaf-installatie, vereist in artikel 13, lid 4, van 
radlo-uitrusüng" bijlage XI, moet kunnen zenden en ontvangen op de radiotelegraaf- 
dfngboten'moêt frequentie als in het Radio-Reglement in de middenfrequentiebanc. 
voldoen 


i 


Bijlage XIII 


voor noodgevallen is voorgeschreven. De zender moet in een klasse 
van uitzending kunnen werken als in het Radio-Reglement in de 
middenfrequentieband voor noodgevallen is voorgeschreven en moet 
gemoduleerd worden tot een diepte van ten minste 70 percent. De 
ontvanger moet de in het Radio-Reglement in de middenfrequentie- 
band voor noodgevallen voorgeschreven klassen van uitzending 
kunnen ontvangen. De zender moet eveneens kunnen seinen op de 
hoge frequentie en in de klasse van uitzending als in het Radio- 
Reglement voor reddingmiddelen is voorgeschreven. 


2. De toestellen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij in geval 
van nood door een ongeoefende kunnen worden bediend. 


De zender moet voorzien zijn van een automatische seingever 
voor het uitzenden van het alarmsein en van het noodsein en van 
een seinsleutel voor het zenden met de hand. 


3. Een vaste antenne met de middelen om deze op de grootst 
bereikbare hoogte op te hangen moet zich aan boord bevinden. 
Bovendien moet, indien zulks praktisch uitvoerbaar is, een antenne, 
gedragen door een vlieger of een ballon, aan boord aanwezig zijn. 


4. De zender moet op de noodfrequentie een minimum normale 
reikwijdte, als omschreven in lid 6 van artikel 3, hebben van 25 zee­ 
mijlen, bij gebruikmaking van de vaste antenne. 


Bij het ontbreken van een veldsterktemeting mag worden aange­ 
nomen, dat deze reikwijdte wordt behaald, indien het product van 
de hoogte van de antenne boven de waterlijn en de stroomsterkte 
in de antenne tenminste 10 meters-ampère bedraagt. 


5. De toonfrequentie moet liggen tussen 450 en 1350 perioden 
per seconde. 


6. De radiotoestellen moeten worden gevoed door middel van 
een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit om de zender 
onder normale bedrijfsomstandigheden onafgebroken gedurende vier 
uren te doen werken. Indien de batterij van een type is, dat moet 
worden geladen, dienen de middelen aanwezig te zijn om zulks 
vanuit het scheepsnet te doen geschieden. Bovendien moeten de 
nodige middelen aanwezig zijn om de batterij te laden, nadat de 
reddingboot te water is gelaten. 


7. Wanneer de radiotoestellen en het zoeklicht worden gevoed 
vanuit dezelfde batterij, moet deze van voldoende capaciteit zijn om 
ook in de extra belasting door het zoeklicht te kunnen voorzien. 


8. 
Buitengaats moet een bevoegd radiotelegrafist wekelijks de 
batterij ten volle laden en moet hij in ieder geval de zender be­ 
proeven onder gebruikmaking van een passende kunstantenne. 


Artikel 8 


1. De in artikel 66 van het Schepenbesluit voorgeschreven draag- Eisen waaraan de 
bare radiotoestellen moeten kunnen zenden en ontvangen op de 
vad'°" 


frequentie voor radiotelegrafie en in een klasse van uitzending als reddingboten 


Bijlage XIII 


in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband voor noodge­ 
vallen is voorgeschreven. De modulatiediepte moet ten minste 70 
percent bedragen. Het toestel moet tevens kunnen zenden op de 
hoge frequentie en in de klasse van uitzending als voor redding­ 
middelen in het Radio-Reglement is voorgeschreven. 


2. De toestellen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij ingeval 
van nood door een ongeoefende kunnen worden bediend. De zender 
moet voorzien zijn van een automatische seingever voor het uit­ 
zenden van het alarmsein en van het noodsein, alsmede van een sein- 
sleutel voor het seinen met de hand. 


3. De toonfrequentie moet liggen tussen 450 en 1350 perioden 
per seconde. 


4. De toestellen moeten gemakkelijk draagbaar en waterdicht 
zijn en in zeewater kunnen drijven; zij moeten zonder onklaar te 
raken van het dek af in zee kunnen worden geworpen. 


5. De zender moet ten minste 10 watt leveren aan de anode van 
de eindtrap en bij voorkeur worden gevoed door middel van een 
handdynamo. Indien batterij-voeding wordt toegepast, moeten de 
batterijen van een duurzaam type en van voldoende capaciteit zijn. 


6. Tot de uitrusting behoort een antenne, hetzij zelfdragend, hetzij 
geschikt om zo hoog mogelijk aan de mast van de reddingboot te 
worden opgehangen. 


7. Buitengaats moet een bevoegd radiotelegrafist wekelijks de 
batterij (indien deze van een type is, dat lading vereist) ten volle laden 
en moet hij in ieder geval de zender beproeven onder gebruikmaking 
van een passende kunstantenne. 


Artikel 9 


Eisen navigatie- 
Navigatie-radar-installaties moeten voldoen aan de volgende eisen» 


radar-instaiiaties 
^ 
toestel moet werken met een panoramascherm. 


2. Frequentie. De installatie moet werken in een der frequentie­ 
banden, daartoe aangewezen in het Radio-Reglement. 


3 
Bereik. Indien opgesteld op een schip van 1600 ton en grote|i 
moeten de installatie en hare opstelling zodanig zijn dat onder gun 
stige omstandigheden een duidelijke aanwijzing wordt verkregen van - 


( a ) kustlijnen op een afstand van 20 zeemijlen bij een hoogte vai r 
de grond van ten minste 60 meter en van 7 zeemijlen bij een hoogt; 
van ten minste 6 meter; 


( b ) een vrachtschip van 5000 ton op 7 zeemijlen, een stalen zee 
vissersvaartuig met een lengte van 10 meter op 3 zeemijlen en eei 
ijzeren lichtboei van 10 kubieke meter inhoud op 2 zeemijlen. 


Indien opgesteld op een schip van minder dan 1600 ton zal zovee| 
mogelijk aan bovenstaande eisen moeten worden voldaan. 


Bijlage XIII 


4. 
Minimum bereik. Het minimum bereik van de installatie moet 
zodanig zijn, dat onder gunstige omstandigheden kleine doelen (bij­ 
voorbeeld boeien) op een afstand van 100 meter van de installatie 
zichtbaar blijven. 


5. Afstandsnauwkeurigheid en Afstandsonderscheiding. 
(a) Inrichtingen moeten aanwezig zijn, waarmede de afstand tot 
enig doel met een fout, niet groter dan 5 percent van het gebezigde 
schaalbereik, kan worden gemeten. Deze nauwkeurigheid moet tot 
een minimum van 300 meter verzekerd zijn. 


(b) De installatie moet, ingesteld op het kleinste schaalbereik, 
over de gehele schaal twee kleine doelen, die vanaf de installatie in 
dezelfde peiling liggen en 100 meter van elkander verwijderd zijn, 
duidelijk als twee afzonderlijke doelen weergeven. 


6. Peilingsnauwkeurigheid en peilingsonderscheiding. 


Co) 
De installatie moet zodanig zijn ingericht, dat de peiling van 
elk doel gemakkelijk en snel bepaald kan worden. Indien het doel 
zich aan de rand van het ingestelde bereik bevindt, mag de peilings- 
fout niet groter dan 2° zijn. 


(h) Bij gebruik van „3 centimeter radar" moet de installatie op 
gelijke afstand daarvan gelegen doelen duidelijk als twee afzonderlijke 
doelen aangeven, indien hun azimuthverschil 3° en hun onderlinge 
afstand ten minste 60 meter bedragen. 


Bij gebruik van „10 centimeter radar" worden die hoek en die af­ 
stand onderscheidenlijk 4° en 80 meter. 


7. Vertikale bundelbreedte. De vertikale bundelbreedte moet mini­ 
maal 12 
bedraeen. De hoek wordt gemeten in een vertikaal vlak 
tussen twee stralingsrichtingen, waarin het maximum vermogen tot 
de helft is afgenomen. 


8. Aantal omwentelingen. Het aantal omwentelingen van het an­ 
tennesysteem mag per minuut niet minder dan 6 bedragen. 


9. 
Zeilstreepaanduiding. De installatie moet zodanig zijn inge­ 
richt. dat desgewenst de richting van de kiellijn, gerekend in voor­ 
waartse zin met een fout van ten hoogste 1,5° op het beeld wordt 
aangegeven. 


10. Beeldgrootte. Het bruikbare deel van het reële of virtuele 
beeld op het panoramascherm moet, hetzij met, hetzij zonder toe­ 
passing van optische vergrotingsmiddelen, een diameter van ten 
minste 12 centimeter hebben. 


11. Schaalbereik. De installatie moet ten minste 3 schaalbereiken 
hebben, waarvan de maxima gelegen zijn onderscheidenlijk tussen 
* 
3.' 5—15 en 20—60 zeemijlen. Wanneer de installatie 4 schaal­ 
bereiken heeft, moeten de maxima tussen 1—2, 3—5, 8—15 en 20—60 
zeemijlen gelegen zijn. De maxima worden geacht ook de grens- 
»etallen in te sluiten. 


Bijlage XIII 


12. Inbedrijfstelling en bediening. 
(.a) De installatie moet vanaf de plaats waar de hoofdindicator 
zich bevindt ingeschakeld en bediend kunnen worden. 


(b) De installatie moet zodanig ingericht zijn, dat bij normale 
bediening geen gevaar voor de installatie of voor het bedienend 
personeel bestaat. 


(c) Indien de voorwarmingstijd voor de gehele installatie meer 
dan 5 minuten bedraagt, moet een afzonderlijke schakelaar zijn aan­ 
gebracht, waarmede de installatie na ten minste gedurende 5 minuten 
te zijn voorgewarmd, binnen 45 seconden tot volledige werking kan 
worden gebracht. 


13. Stroomvoorziening. 
(a) De installatie moet bevredigend werken bij spanningswijzi­ 
gingen van ten hoogste 10 percent van de nominale spanning. 


(b) Indien de installatie rechtstreeks door het wisselstroomnet 
wordt gevoed, moet zij bevredigend werken, bij al of niet gelijk­ 
tijdige spanningswijzigingen van ten hoogste 10 percent en frequentie­ 
wijzigingen van ten hoogste 5 percent van de normale frequentie van 
het scheepsnet. 


( c ) De installatie moet met behulp van veiligheden, relais eni 
dergelijke, afdoende beveiligd zijn tegen het optreden van te hoge 
spanningen of stromen. 


14. Electrische en magnetische storing. 
(a) De installatie moet zodanig geconstrueerd en opgesteld zijn, 
dat het gebruik van de radio en van de navigatiemiddelen daarvan 
geen storing ondervindt en dat de installatie zelf niet door de aan 
boord aanwezige radio-installaties wordt gestoord. 


(.b) De installatie mag onder geen omstandigheden een schadelijke 
invloed op de werking van de kompassen uitoefenen. 


15. Hinderlijke geluidsstoringen. De geluidsstoringen afkomstig 
van enig deel van de installatie moeten beperkt blijven tot een waarde 
die de uitoefening van de dienst aan boord geen hinder veroorzaakt 


16 
Toegankelijkheid. Alle delen van de installatie moeten vooi 
inspectie en voor het verrichten van reparatiewerkzaamheden gemak 
kei ijk toegankelijk zijn. De delen, die een normale levensduur vai 
minder dan 1500 uur hebben, moeten gemakkelijk vervangen kunneiji 
worden. 


17. Reserve-onderdelen en gereedschappen. 
(a) Van alle onderdelen met een normale levensduur van minde 
dan 1500 uur moet ten minste 25 percent van de in de installatu 
aanwezige onderdelen, met een minimum van één, als reserve aai 
boord aanwezig zijn. 


Bijlage XIII 


(b) Van bijzondere gereedschappen, nodig voor het uitvoeren van 
normale werkzaamheden aan de installatie, moet van elk ten minste 
één exemplaar aanwezig zijn. 


(c) Bij elke installatie moet een volledige beschrijving (werking 
en schema's) en een bedieningsvoorschrift aanwezig zijn. 


Artikel 10 


1. Voor zover in de voorafgaande artikelen van deze bijlage Reservé- 
radiotoestellen zijn genoemd, welke niet behoren tot de eigenlijke onderdelen 
radiotelegraaf- of -telefooninstallatie en waarbij niet in het bijzonder 
is aangegeven, dat daarvoor reserve-onderdelen en gereedschappen 
aan boord dienen te worden medegevoerd, moeten de in artikel 2, 
lid 1 (e) en lid 2 van deze bijlage respectievelijk voor radiotelegraaf- 
en -telefoonstations voorgeschreven reserve-onderdelen en gereed­ 
schappen tevens die omvatten, welke naar het oordeel van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie voor het buitengaats onderhouden van 
de goede werking van bedoelde radiotoestellen nodig zijn. 


2. Deze bepaling geldt mede ten aanzien van niet in deze bijlage 
genoemde radiotoestellen, welke als niet-voorgeschreven uitrusting aan 
boord van een schip zijn geplaatst. 


BIJLAGE XIV 


GENEES-, HEEL-, ONTSMETTINGS- EN VERBAND­ 
MIDDELEN 


Artikel 1 


Toepassing 
Aan boord van schepen, waarop geen geneeskundige gemonsterd 


is, moeten de in de in artikel 8 opgenomen lijst genoemde: 


I. middelen voor inwendig gebruik; 
II. middelen voor uitwendig gebruik; 
III. ontsmettingsmiddelen; 
IV. verbandmiddelen; 
V. verplegingsartikelen, 
ten minste in hoeveelheden, als daarin vermeld, met de daarbij be­ 
horende aanwijzingen, aanwezig zijn. 


Artikel 2 


Berging 
1. De in artikel 1 bedoelde middelen moeten, hetzij in kisten, ver­ 


vaardigd van goed droog hout van ten minste 1 centimeter dikte, 
met koperen houtschroeven, hetzij in daarvoor ingerichte kasten of 
ruimten (scheeps- of stuurmansapotheken) zijn geborgen. 


2. Deze kisten, kasten of ruimten moeten aan de buitenzijde dui­ 
delijk met een groen kruis zijn gemerkt. 


Artikel 3 


Scheiding der 
De in artikel 1 onder I en II genoemde middelen moeten geschei- 
verschiiiende 
den worcjen bewaard van die, onder III en IV aangegeven. Aan 
boord van vissersvaartuigen en kleine schepen mogen de middelen 
gezamenlijk in één kist worden bewaard, mits zij door een houten 
tussenschot zijn gescheiden. 


Artikel 4 


Nummering der 
i. Op de verpakking van de in artikel 1 onder I, II en III ge- 
noemde middelen moet het nummer volgens de in artikel » opge- 
Lattn/cbcna- 
nomen lijst zijn aangebracht. Een afschrift van deze lijst moet goed 
ming 
bevestigd in de kisten, kasten of ruimten aanwezig zijn. 


2 
Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen, 
moeten ten behoeve van in het buitenland te raadplegen geneeskun­ 
digen, zoveel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen 
zijn vermeld. 
Artikel 5 


Opium- en mor- 
Opium- en morphinepreparaten moeten door een apotheker zijl 
phinepreparaten 
aeleverd hetgeen uit een merk op de verpakking duidelijk moet blij­ 
ken. Deze preparaten zijn in de lijst der voorgeschreven middeler 


Bijlage XIV 


met een kruisje aangegeven. Zij moeten steeds in een gesloten ruimte 
worden geborgen, waarvan de sleutel onder bewaring moet zijn van 
de persoon, die door de kapitein met de zorg voor de apotheek is 
belast. 


Artikel 6 


1. Behalve de in artikel 1 vermelde middelen, die steeds aan boord Aanvullende 
moeten zijn, mogen in verband met de aanwezigheid van verplegend middelen 
personeel of met de aard der reis andere genees-, heel-, ontsmettings- 
en verbandmiddelen en verplegingsartikelen worden medegenomen, 
indien de aanwijzing daarvan op verzoek van of na overleg met de 
eigenaar van het schip door een bevoegd geneeskundige is geschied. 


2. 
De in lid 1 bedoelde middelen en artikelen moeten voorkomen 
op een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen 
lijst, welke op verzoek van de eigenaar kan worden aangevuld. 


3. Ten aanzien van deze middelen en artikelen zijn alle hierboven 
genoemde voorschriften omtrent berging, verpakking en aanschaffing 
van toepassing. 


Artikel 7 


Voor alle aan boord aanwezige genees-, heel-, ontsmettings- en Handleiding 
verbandmiddelen en verplegingsartikelen, zowel de in artikel 1 voor- 
geschrevene als de facultatieve, bedoeld in artikel 6, moet steeds een 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aangewezen handleiding 
voor het gebruik van deze middelen en artikelen aan boord zijn. 


Artikel 8 


1. De als bijlage hierachter opgenomen lijst geeft afzonderlijk de Lijst van midde- 
middelen en artikelen aan, welke aan boord van vissersvaartuigen ^en 
(A), aan boord van schepen van 500 ton en minder (B), aan boord 
van schepen van elke grootte op reizen met een kortere duur dan 
twee etmalen (C) en van schepen van meer dan 500 ton, waarvan de 
reis langer duurt (D), moeten worden medegenomen. 


2. Onder verblijfdagen in deze lijst wordt verstaan het product 
van het aantal dagen van de vermoedelijke duur van de reis en het 
aantal opvarenden met een maximum van 2000. 


Soort 


Nummers 


Benaming 
Samenstelling 


Verpakking 


Hoeveelheden voor 


o Zeevissers- 
w 
vaartuigen 


q Schépen van 500 
3 ton en minder 


^ Schepen waarvan 
O 
de reis korter dan 
w 
twee etmalen duurt 


Schepen van meer dan 
500 ton met reizen van 
langere duur dan twee 
etmalen. Voor iedere 50 
verblijfsdagen en 
gedeelten daarvan 


(D) 


I. Middelen voor inwendig gebruik 


Purgeermiddelen 
1 
Wonderolie 
Oleum Ricini fles 
250 g 
100 g 
— 
15 g met kleinste hoeveel- 
heid van 100 g 


2 
Engels zout 
Sulfas Magnesicus fles 
500 g 
100 g 
100 g 
5 g met kleinste hoeveel­ 
heid van 100 g 


3 
Cascara tabletten 
Tab. Extracti Cascarae 
buisje 
30 st. 
— 
— 
2 st. met kleinste hoeveel- 


sagradae sicci C.M.N. 0,130 g van 
heid van 50 st 
10 st. 


Stopmiddelen 
4 
Bismuth tabletten 
Tab. Nitratis Bismuthici fles 
30 st. 
20 st. 
20 st. 
1 st met kleinste hoeveel- 


basici 0,500 g 
heid van 20 st. 


5 X 
Laudanum 
Tinct. Opii crocata fles 
20 g 
10 g 
— 
y2 g met kleinste hoeveel- 


met 
heid van 10 g 
druppe­ 
laar 


Malariamiddelen 
6 
Kinine tabletten 
Tab. Hydrochloratis 
Chinini fles 
— 
— 
5 st. met kleinste hoeveel- 


°.250 S 
heid van 50 st. 


7 
Paludrine tabletten 
Tab. Paludrini 0,100 g fles 
— 
— 
_ 
1 st. met kleinste hoeveel­ 
heid van 20 st. 


Koortsmiddel 
8 
Acetylsalicylzuurtabletten Tab. Aeidi Acetylosalicylicil fles 
30 st. 
20 st. 
20 st. 
1 st. met kleinste hoeveel- 


\ 
Uf Aspirine tabYeueiv 
\ 0,500 g 
V 
V 
V 
V 
Weid \ian 20 st. 


7^ 
/ 12 / Anifssp/ritus 
/ Solutlo j\mmon/ao sp/rltuostt/ Hes 
/ SO g 
/ JO g 
/ 
— 
/ / g met k/e/nste hocvccl- 
j 
/ 
/ anisata 
/ 
/ 
/ 
/ 
/bei<* van ^0 g 


Maagmiddelen 
/ 13 / Maagzout 
/ Bicarbonas Natricus 
/ fles 
J 50 g 
25 g 
/ 
— 
/ 5 g met kleinste hoeveel- 


/ 
/ 
/ 
heid van 50 g 


14 
Maagpoeder 
Pulvis Oxydi Magnesici 80 % fles 
— 
— 
— 
5 g met kleinste hoeveel- 


Bicarb. Natrici 
heid van 50 g 


15 
Zoutzuur druppels 
Acidum Hydrochloricum fles 
— 
— 
— 
5 g met kleinste hoeveel- 


dilutum 
met 
heid van 50 g 
druppe­ 
laar 


Maag- en ingewands- 16 
Kooltabletten 
Tab. Carbonis adsorbentis 
buisje 
20 st. 
20 st. 
20 st. 
5 st. met kleinste hoeveel- 


middel 
0,500 g 
van 
heid van 20 st. 


20 st. 


Bacillaire Dysenterie- 17 
Sulfaguanidine tabletten 
Tab. Sulfaguanidini 0,500 g fles 
— 
— 
— 
2 st. met kleinste hoeveel- 


middel 
heid van 40 st. 


Amoeben Dysenterie- 18 
Yatrenpillen (Chiniofon) 
Pil. Meditreni 0,250 g fles 
— 
— 
— 
2 st. met kleinste hoeveel- 


middelen 
van 
heid van 50 st. 


50 st. 


19 
Enterovioformtabletten 
Tab. Iodochloro-oxychinolini buisje 
— 
— 
— 
2 st. met kleinste hoeveel- 


0,250 g et Sapamini 0,025 g 
van 
heid van 40 st. 


20 st. 


Gonorrhoemiddel en 
20 
a. Sulfa tabletten op 
Tab. Sulfapyrimidini 0,500 g fles 
20 st. 
20 st. 
20 st. 
2 st. met kleinste hoeveel- 


middel tegen long- 
basis van Sulfapyrimidine 
heid van 40 st. 


ontsteking, belroos 
e.a. 


b. Dubbelkoolzure soda- Tab. Bicarb. Natrici 0,500 g fles 
20 st. 
20 st. 
20 st. 
2 st. met kleinste hoeveel- 


tabletten 
heid van 40 st. 


Penicilline preparaten 21 
Penicilline 
Penicilline 300 000 I. E. fles 
5 st. 
10 st. 
10 st. 
1 st. met kleinste 


in koelruimte bij ± 
f 
hoeveelheid van 20 st. 
4° C te bewaren 


Depocilline 
Penicilline a Novocaini fles 
5 st. 
10 st. 
10 st. 
1 st. met kleinste 


300 000 I. E. 
hoeveelheid van 20 st. 


Bicilline 
Penicilline G natr fles 
5 st. 
10 st. 
10 st. 
1 st. met kleinste 


100 000 I. E. 
hoeveelheid van 20 st. 


* 
I 
I 


tü 


P* 
OQ 
O 
X < 


5? 


OQ 
CO 
X < 


Soort 


Nummers 


Benaming 
Samenstelling 


Verpakking 


Hoeveelheden voor 


o Zeevissers- 
w 
vaartuigen 


q Schepen van 500 
3 ton en minder 


^ Schepen waarvan 
O 
de reis korter dan 
twee etmalen duurt 


Schepen van meer dan 
500 ton met reizen van 
langere duur dan twee 
etmalen. Voor iedere 50 
verblijfsdagen en 
gedeelten daarvan 


(D) 


Braakmiddel 
22 
Ipecacuanha tabletten 
Tab. Pulver. Radicis Ipeca- 
buisje 
10 st. 
— 
— 
1 st. met kleinste hoeveel- 


cuanhae 0,500 g 
van 
heid van 20 st. 


10 st. 


Zenuw- en slaap- 
23 
Valeriaandruppels 
Tinct. Valerianae fles 
met 10 g 
— 
— 
1 g met kleinste hoeveel- 


middelen 
druppe- 
heid van 10 g 


laar 


24 
Broomtabletten „Erlen- 
Tab. Brometorum 0,500 g 
buisje 
— 
— 
— 
1 st. met kleinste hoeveel- 


meyer" 
van 
heid van 30 st. 


30 st. 


Middel tegen 
25 
Multivitamine tabletten 
Tab. Multivitamini fles 
— 
— 
5 st. met kleinste hoeveel- 


Vitaminegebrek 
heid van 50 st. 


Oogmiddelen 


II. Middelen voor uitwendig gebruik 


Zalf 
26 
Sulfaoogzalf 
Oculentum c. 
Tube 
10 g 
10 g 
10 g 
1 g met kleinste hoeveel- 


Sulfamethylpyrimidino 1 g 
van 
heid van 10 g 
Adip Lanae 1 g 
10 g 
Paraff. liq. 2 g 
Vas. alb. 6 g 


Oogwassing 
27 
Boorwater 
Collyrium Acidi Borici 3 % fles 
500 g 
500 g 
500 g 
50 g met kleinste hoeveel- 


F.M.N. 
heid van 500 g 


Oogdruppels 
28 
Zinksulfaat oogdruppels 
Solutio Sulfat. Zincici y4 % druppel- 
— 
— 
— 
2% g met kleinste hoeveel- 


\ 
\ 
\ in Aqua destiüata 
\ flesje 
\ 
\ 
\ 
\ heid van 20 g 


W otv&poe&er 
\ 29 \ DettnaXoVpoedet 
\ GaUas "BvsmuOaicus basvcus \ fles 
\ 30 g \ 30 % \ 30 g, 
\ 
g, met kVe'msXe Yvoevee\- 
\ 
\ 
\ 
\ 
\ 
\ 
\ 
\ 
vaxv 50 & 


~y — 7"~7 
——-— 
\ \ 
^ * 


Wondmiddelen 
/ 33 / Jodium tinctuur 2 % of 
/ Solutio Jodil Spirituosa 2 % /druppel-/20 g 
/ lO & 
f iO g 
/ ,'{• u met kleinste hoe vee I- 
j 
/ Desogen 2 % 
J of Solutio Desogen 2 % 
j Hesje 
/ 
/ 
/ 
/ heid van 10 g 


/ 
/ 
/ 
'n 


34 
Boorzalf 
/ Ungt. c. Acid Boric 10 g tube 
50 g 
50 g 
50 g 
I 5 g met kleinste hoeveel- 


/ 
/ Vaselin. alb. et Lanolino aa van 
/ 
heid van 50 g 
ad 100 g 
50 g 


35 
Boorzuurtabletten 
Tab. Acidi Borici 1 g fles 
— 
— 
— 
5 st. met kleinste hoeveel­ 
heid van 50 st. 


36 
Zinkzalf 
Ungt. Oxydi Zincici 10 % 
tube 
— 
— 
— 
5 g met kleinste hoeveel- 


van 
heid van 50 g 
50 g 


Middel tegen steen- 
37 
Ichthyolzalf 
Ungt. Ichthyoli 
tube 
50 g 
50 g 
50 g 
5 g met kleinste hoeveel- 


puisten 
van 
heid van 50 g 


50 g 


Middel tegen Rode 
38 
Rodehondwassing 
Liq. Faberi c. Mentholo fles 
— 
— 
_ 
25 g met kleinste hoeveel- 


Hond 
C.M.N. 
heid van 500 g 


Middel tegen oorpijn 39 
Oordruppels 
Guttae auriculares c. Anti- druppel- 10 g 
10 g 
10 g 
3/2 g met kleinste hoeveel- 


pyrino C.M.N. II flesje 
heid van 10 g 


Middel tegen neus- 
40 
Neusdruppels 
Guttae nasales c. Ephedrino druppel- 
— 
— 
— 
y2 g met kleinste hoeveel- 


verkoudheid flesje 
heid van 10 g 


Middel tegen schurft 41 
Neo-Scabicidol 
Emulsum c. Hexachlor- fles 
— 
— 
— 
10 g met kleinste hoeveel- 


cyclohexano % % 
heid van 100 g 


Huidreinigingsmiddel 42 
Brandspiritus 
Spiritus methylatus 85 % fles 
— 
— 
— 
25 g met kleinste hoeveel­ 
heid van 200 g 


Middel tegen kiespijn 43 
Kruidnagelolie 
Oleum Caryophyllorum 
druppel- 5 g 
5 g 
5 g 
y2 g met kleinste hoeveel- 


flesje 
heid van 10 g 


Middel tegen door- 
44 
Kamferspiritus 
Solutio Camphorae Spirituosa fles 
100 g 
100 g 
— 
25 g met kleinste hoeveel- 


liggen en bij bevriezen 
heid van 500 g 


Middel tegen winter- 45 
Glycerine 
Glycerinum fles 
250 g 
250 g 
— 
50 g met kleinste hoeveel- 


handen enz. 
heid van 500 g 


Huidmiddel 
46 
Talk Speksteenpoeder 
Talcum fles 
of 
— 
— 
— 
50 g met kleinste hoeveel- 


strooi- 
heid van 500 g 
bus 


S 
ST 
CTQ O 
X 
< 


tt 


HT 


CTQ 
O 
X 
HH < 


Soort 


Nummer 


Benaming 
Samenstelling 


Verpakking 


Hoeveelheden voor 


o Zeevissers- 
w 
vaartuigen 


g Schepen van 500 
S ton en minder 


^ Schepen waarvan 
O de reis korter dan 
twee etmalen duurt 


Schepen van meer dan 
500 ton met reizen van 
langere duur dan twee 
etmalen. Voor iedere 50 
verblijfsdagen en 
gedeelten daarvan 


(D) 


Middel bij insecten- 
47 
Ammonia 
Ammonia liquida fles 
100 e 
?0 v 
9n<» 
i „ 
11 • • u 
beten en steken van 
lwg 
g 
20 g 
1 g met kleinste hoeveel- 


zeekwallen en riek- 
heid van 20 g 
middel 


III. Ontsmettingsmiddelen 


Ontsmettings- 
48 
Kresolzeepoplossing 
Liquor Kresoli saponatus fles 
9c„ __t 
. . . 
, 
middelen 
— 
— 
25 g met kleinste hoeveel­ 
heid van 200 g 


49 
Creoline 
Creolinum C.M.N. fles 
0, 
.... 
, 
"C!> 
— 
— 
25 g met kleinste hoeveel­ 
heid van 200 g 


Middel tegen 
50 
D.D.T. poeder 10 % 
Pulvis c. Dichloor-Diphenyl- fles 
50 g 
50 e 
50 q 
W m^t n • • u 
i 
ongedierte 
Trichlooraethano 10 % 
g 
g 
? Smet kleinste hoeveel- 
/0 
heid van 50 g 


5 


OQ 
O 
X < 


/ 
/ 
/ 
/ Schepen 


Benaming 
/ 
Eenheid 
/ 
/ 
Schepen 
/ waarvan de / 
Schepen van meer dan 500 ton met reizen 


/ 
Zeevissers- 
van 500 
reis korter / 
van langere duur dan twee etmalen. 


/ 
vaartuigen 
ton en 
dan twee 
/ 
Voor iedere 50 verblijfsdagen en gedeelten 


/ 
minder 
etmalen 
I 
daarvan 


duurt 


j 
(A> 
(B) 
(C) 
I 
(D) 


IV. Verbandmiddelen 


Verbandwatten 
carton van 
300 g 
200 g 
200 g 
50 g met kleinste hoeveelheid van 200 g 
100 g 


Hydrophilegaas 
pakje van 
'Am' 
— 
— 
1/8 ms met kleinste hoeveelheid van W m! 


y4 ma 


Hydrophilegaas 
pakje van 
2 m' 
lm» 
lm2 
1/16 ma met kleinste hoeveelheid van 1 m' 
16xl/16m' 


Hydrophilegaas-windsel, 5 m lang, 6 cm breed 
rol 
5 st. 
5 st. 
2 st. 
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st. 


Idem, 5 m lang, 10 cm breed 
rol 
5 st. 
5 st. 
2 st. 
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st. 


Cambric-windsel, 5 m lang, 5 cm breed 
rol 
5 st. 
5 st. 
2 st. 
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st. 


Idem, 5 m lang, 10 cm breed 
rol 
5 st. 
5 st. 
2 st. 
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st. 


Vingersnelverband 
pakje 
4 st. 
4 st. 
4 st. 
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 4 st. 


Snelverband no. 1 (klein) 
pakje 
3 st. 
3 st. 
1 st. 
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


Snelverband no. 2 (middelsoort) 
pakje 
2 st. 
2 st. 
1 st. 
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


Snelverband no. 3 (groot) 
pakje 
1 st. 
1 st. 
1 st. 
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


Driekantige doek met en zonder figuren 
en 
pak 
6 st. 
6 st. 
1 st. 
1/4 st. met kleinste hoeveelheid van 6 st. 


Nederlands bijschrift 
(1 met fig.) (1 met fig.) 
(met fig.) 
(1 met fig.) 


Vingerling met bandjes 
stuk 
1 st. 
1 st. 
1 st. 
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 3 st. 


Pleister wondverband (Hansaplast, Brocaplast 
rol 
1 st. 
1 st. 
1 st. 
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st 
etc.) 1 m lang, 4 cm breed 


Idem, 1 m lang, 6 cm breed 
rol 
I 
— 
— 
— 
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


a 


CTQ 
CD 
X 
HH < 


Hoeveelheden voor 


Schepen 


Benaming 
Eenheid 
Schepen 
waarvan de 
Schepen van meer dan 500 ton met reizen 


Zeevissers- 
van 500 
reis korter 
van langere duur dan tv/ee etmalen, 


vaartuigen 
ton en 
dan twee 
Voor iedere 50 verblijfsdagen en gedeelten 
minder 
etmalen 
daarvan 


duurt 


(A) 
(B) 
(C) 
(D) 


Oogverband (gebreid) 
stuk 
— 
— 
— 
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


Caoutchouc hechtpleister, lang 5 m, breed 
rol 
1 st. 
1 st. 
1 st. 
1 st. in totaal 
114 cm 


Veiligheidsspeld van roestvrij metaal, in ver- 
pakje 
12 st. 
12 st. 
12 st. 
1 st. met kleinste hoeveelheid van 12 si. 
schillende grootten 


Spalk (houten), in verschillende lengten tot 
stel 
— 
— 
— 
1 stel in totaal 
40 cm 


Gegalv. draadspalk (Cramer), 80 cm lang 
2 st. in ar- 
— 
— 
— 
2 st. in totaal 


tonnen doos 


Vette watten in rol 2 m lang, 10 cm breed 
rol 
4 st. 
2 st. 
2 st. 
1/4 st. met kleinste hoeveelheid van 2 st. 


Engels pluksel van % m 
opgerold 
1 st. 
1 st. 
1 st. 
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


in pakje 


Billroth-batist 1 m lang, 25 cm breed 
opgerold 
1 st. 
— 
— 
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st. 


in pakje 


V. Verplegingsartikelen 


Verbandschaar 
I stuk 
I 1 st. 
I 1 st. 
II st. 
I 1 st. in totaal 


Koortsthermometer 
1 stuk 
I 1 st. 
I 1 st. 
I 1 st. 
I 3 st. in totaal 


Anatomisch pincet 
\ 
( 1 In 
\ 
— 
1 
— 
1 
— 
1 \ 


Sp\mtevpmcet 
1 
\\ bouten 
\ 
— 
\ 
— 
\ 
— 
\f 
\ ToestvtAi me\aa\ '. \ 
\ 
\ 
\ 
\ ( ^ 
m totaa\ 


OYv\T\xt%^s>dc\& «Scvasec 


Sjpf/atcr'pi'aiJee 
/" j'üa 
jfs xr. 
1 
1 
11 - • 


Mnnncrt urinaal 
I stuk 
/ 
— 
/ 
— 
/ 
— 
/1 st. in totaal 


Ondersteek 
/ stuk 
/ 
— 
/ 
— 
/ 
— 
1 st. in totaal 


Glycerine-spuitje 
doosje 
— 
— 
— 
2 st. in totaal 


Wondagraves met pincet, roestvrij metaal 
etui 
— 
— 
— 
1 st. in totaal 


Gummi handschoenen 
in metalen 
— 
— 
— 
3 paar in totaal 


of houten 
doosje met 
talkpoeder 


Houten keelspatels 
doosje met 
10 st. 
10 st. 
— 
100 st. in totaal 


of pakje 
van 10 st. 


VI. Diverse benodigdheden 


Medicijnflessen 100—500 cc met bijbehorende 
stuk 
— 
5 st. 
— 
25 st. in totaal 


kurken 


Witte en blauwe etiketten 
stuk 
— 
10 st. van 
— 
25 st. van elke kleur in totaa. 


elke kleur 


Geneeskundige Gids aan boord (Boonacker) 
handleiding 
— 
— 
— 
1 st. in totaal 


Geneeskundige Hulp aan boord (Boonacker) 
handleiding 1 st. 
1 st. 
1 st. 


5 
p* 
OQ 
O 
X < 


HT 
(ÏQ 
CD 


X 
HH 
C 


BIJLAGE XV 


HULPMIDDELEN TER VOORKOMING VAN AANVARINGEN 


Artikel 1 


Toepassing 
De hulpmiddelen nodig om te kunnen voldoen aan de bepalingen 


ter voorkoming van aanvaringen op zee moeten voldoen aan de vol­ 
gende eisen. 


Artikel 2 


Constructie van 
] 
Voor de constructie van de lantaarns gelden de navolgende 
lantaarns 
eisen: 


(a) de lantaarn moet voldoende sterk zijn en van roestvrij metaal 
zijn vervaardigd. De naden moeten goed gesoldeerd zijn, zodat geen 
water in de lantaarn kan komen; 


(b) de afmetingen van de lantaarn moeten zodanig zijn, dat door 
de warmteontwikkeling van de lichtbron geen kans bestaat op sprin­ 
gen van glazen of lenzen. De hoogte van de opstaande zijden van 
top- en boordlantaarns moet ten minste 25 centimeter bedragen, van 
hek- en ankerlantaarns ten minste 20 centimeter; 


(c) lantaarns, behalve de bollantaarns, moeten voorzien zijn van 
een lens; 


(id) de lenzen moeten helder zijn en van goede kwaliteit, zonder 
luchtblaasjes of bobbels; 


2 
( a ) Bij petroleumlantaarns moet de luchttoe- en -afvoer zo­ 
danig zijn, dat de lichtbron niet slechter gaat branden, gedoofd wordt 
of walmt. 


(b) De oliebak mag niet lekken; hij moet voldoende groot zijn 
om de lantaarn zonder bijvullen, gedurende ten minste 16 uren op 
volle vlamhoogte te doen branden. 


(c) De oliebak moet, wanneer hij in goede stand staat ten op­ 
zichte van de hoek, waarover de lantaarn moet schijnen, opgesloten 
worden door de deur, zodat het niet mogelijk is, dat hij met gesloten 
deur verschuifbaar is. 


(d) De petroleumlantaarns, behalve de rondschijnende, moeten 
voorzien zijn van een reflector. 


(e) De petroleumbranders behoren rondbranders te zijn. 


3. (a) 
Bij eleetrische verlichting mogen slechts lamphouders 
voor lampen met bajonet-voet gebruikt worden. 


(b) De fittinghouder moet, wanneer hij in goede stand staat ten 
opzichte van de hoek, waarover de lantaarn moet schijnen, opge­ 
sloten worden door de deur, zodat het niet mogelijk is, dat hij met 
gesloten deur verschuifbaar is. 


Él 


Bijlage XV 


(c) Gloeilampen moeten zijn voorzien van een staand filament 
van ten minste 2,5 centimeter hoogte, hetwelk zich in de brandlijn 
van de lens van de lantaarn moet bevinden. Het middelpunt van de 
lichtbron moet in het midden van de lens zijn geplaatst. Bij gloei­ 
lampen met matglazen peer kan een staand filament kleiner dan 2,5 
centimeter worden toegelaten. 


Van het gebruik van gloeilampen met dubbel filament, waarbij 
één filament dient als de normale lichtbron en de andere voor nood­ 
geval als de eerstgenoemde uitvalt, wordt aantekening gemaakt op 
het certificaat. 


4. In de boog van de horizon waarover het licht van een lantaarn 
moet schijnen, mag geen grotere speling zijn dan 3°, voor top- en 
heklantaarns niet groter dan 3° aan elke zijde. 


Artikel 3 


Teneinde te voldoen aan do voorgeschreven eisen van zichtbaar- zichtbaarheid 
heid moet: 
lichten 


1. de toplantaarn voorzien zijn van een lens met een hoogte van 
ten minste 15 centimeter en van een petroleumbrander van 14"' of 
bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt; 


2. de boordlantaarn voorzien zijn van een lens van ten minste 
15 centimeter hoogte en esn petroleumbrander van 14"' of bij elec­ 
trische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt; 


3. de heklantaarn van een lens met een hoogte van ten minste 
10 centimeter zijn voorzien en van een petroleumbrander van 10'" 
of bij electrische verlichting een gloeilamp van ten minste 15 watt; 


4. de ankerlantaarn 
(a) voor schepen met een lengte van 45.75 meter of meer 


(aa) 
bij olieverlichting voorzien zijn van een lens met een 
hoogte van ten minste 14 centimeter en een petroleum­ 
brander van 14'"; 


(bb) 
bij electrische verlichting voorzien zijn van een gloei­ 
lamp van ten minste 25 watt. Indien een lens wordt 
gebezigd moet de hoogte van de lens ten minste 14 cen­ 
timeter bedragen; indien een bollantaarn wordt ge­ 
bezigd moet de hoogte van het glas ten minste 15 centi­ 
meter bedragen; 


(b) voor schepen met een lengte van minder dan 45.75 meter 
(aa) 
bij olieverlichting voorzien zijn 
(aaa) van een brander van 10'" indien een lantaarn 
met lens wordt gebezigd; de hoogte van de lens 
moet alsdan ten minste 10 centimeter bedragen; 


M 


Bijlage XV 


(bbb) van een brander van 14"' indien een bollantaarn 
wordt gebezigd; de hoogte van het glas van de 
bollantaarn moet alsdan ten minste 15 centi­ 
meter bedragen; 


(bb) 
bij electrische verlichting voorzien zijn van een gloeilamp 
van ten minste 15 watt. Indien een lens wordt gebezigd 
moet de hoogte van de lens ten minste 10 centimeter 
bedragen; indien een bollantaarn wordt gebezigd moet 
de hoogte van het glas ten minste 15 centimeter be­ 
dragen; 


5. (a) de rode rondschijnende lantaarn voorzien zijn van een lens 
met een hoogte van ten minste 14 centimeter en een petroleumbran- 
der van 14"' of bij electrische verlichting, van een gloeilamp van 
ten minste 25 watt; 


(b) de rode rondschijnende bollantaarn voorzien zijn van een bol 
van ten minste 15 centimeter hoogte en een petroleumbrander van 
14'" of bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 
25 watt; 


6. (a) voor vissersvaartuigen de witte rondschijnende lantaarn 
voorzien zijn van een lens van ten minste 10 centimeter hoogte en 
een petroleumbrander van 10'" of bij electrische verlichting van een 
gloeilamp van ten minste 15 watt; 


(b) de driekleurige toplantaarn voorzien zijn van een lens van 
ten minste 15 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van 
14'" of bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 
25 watt; 


7. voor schepen kleiner dan 40 ton: 
(a) de toplantaarn voorzien zijn van een lens van ten^ minste 
14 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van 14"' of bij 
electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt, 


(b) de boordlantaarn voorzien zijn van een lens van ten^ minste 
10 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van 10" of bij 
electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 15 watt; 


8. voor vaartuigen kleiner dan 20 ton de lantaarn met rood en 
groen glas voorzien zijn van ruiten met een hoogte van ten minste 
10 centimeter en van een petroleumbrander van 10"', of bij elec- 
trische verlichting van een gloeilamp van ten minste 15 watt. 


9. De gloeilampen in dit artikel genoemd mogen geen groter ver­ 
mogen dan 40 watt bezitten. 


10. De lenzen in dit artikel genoemd moeten een zodanige sprei­ 
ding van het licht geven, dat bij een helling van 5° van de lantaarn 
de wettelijk voorgeschreven lichtsterkte nog aanwezig is en bij een 
helling van 7|° de lichsterkte nog 75 % van de voorgeschreven licht­ 
sterkte bedraagt. 


Bijlage XV 


Artikel 4 


1. De kleur van de groene en rode glazen moet vallen binnen Gekleurde 
de door de standaardglazen vastgestelde grenzen; voor het onder- 6azen 
zoek wordt zonodig van de spectroscoop gebruik gemaakt. 


2. Gekleurde glazen moeten egaal van kleur zijn zonder donkere 
of lichte plekken. 


Artikel 5 


1. De klok voor het geven van mistsignalen moet een middellijn Klok, gong 
hebben van ten minste 30 centimeter. 


2. De oppervlakte van de gong moet ten minste 400 vierkante 
centimeter zijn; de laagste eigen frequentie van de gong mag niet 
lager dan 200 Herz liggen. 


BIJLAGE XVI 


REGLEMENT BETREFFENDE DE VERKRIJGING VAN HET 
DIPLOMA ALS VOLMATROOS 


Artikel 1 


wyze afgeven 
Diploma's als volmatroos worden door het Hoofd van de Scheep- 
dipioma's 
vaartinspectie volgens een door hem vastgesteld model afgegeven aan 
hen, die met voldoende uitslag hebben deelgenomen aan het hierna 
aangegeven examen. Een diploma als volmatroos is tevens een diplo­ 
ma als gediplomeerd sloepsgast, als bedoeld in artikel 89 van het 
Schepenbesluit. 


Artikel 2 


Examen- 
Voor het afnemen van de in artikel 1 bedoelde examens worden 


commissies 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie commissies benoemd, in 
elk waarvan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie als voor­ 
zitter optreedt. 


Artikel 3 


Vereiste kennis 
De kennis, die voor het verkrijgen van het diploma als volmatroos 
wordt gevorderd, omvat: 


1. 
bedrevenheid in het leggen van de meest voorkomende steken en 
knopen; splitsen van touwwerk en staaldraad; 


2. enige bedrevenheid in het zeilnaaien; 
3. bedrevenheid in het roeien, wrikken en pagaaien; 
4. 
bedrevenheid in het sturen; kennis van het kompas in graden 
en streken; bekendheid met gebruikelijke roercommando s, 


5. 
bedrevenheid in het loden met het handlood en enige bekend­ 
heid met het loden met het zware lood; 


6. het omgaan met trossen en staaldraden bij het meren en ont- 
meren en het uitbrengen van trossen; begrip van stoottalies en het ïn- 
scheren daarvan; 


7. enige bekendheid met het ankergerei; 
8. enige bekendheid met het optuigen van statietrappen en stel­ 
lingen, het uithalen van tenten, windkleden en koelzeilen; 


9. enige bekendheid met het onderhoud van sloepen en sloepdavits 
en van los- en laadgerei, rekening houdend met de schepen, waarop 
is gevaren; 
, . . 
, 
10 
enige bekendheid met het scheepsonderhoud in het algemeen, 
waaronder het schilderen, het aanmaken van verf, het roestvrijhouden, 
alsmede met het onderhoud van het staand en lopend tuig en het ge­ 
bruik van lijfseizings, bootsmansstoeltjes, enzovoort; 


11. bekendheid met het onderhoud van lampen; 
12. 
bekendheid met het peilen van tanks en vullingen en enige al­ 
gemene kennis van de daarmede verband houdende inrichting en in­ 
deling van een schip; 


Bijlage XVI 


13. enige bekendheid met brandslangen, koppelingen, straaipijpen, 
brandblusapparaten en gasmaskers en het praktisch gebruik daarvan; 


14. 
bekendheid met het zeeklaar maken van het schip, waaronder 
het sjorren van deklasten, het schalmen van luiken, het werken met 
presennings; 


15. enige bekendheid met het laadklaar maken van het schip, waar­ 
onder het schoonmaken van ruimen, vullingen en pompflessen en het 
zetten van graanschotten; 


16. enige bekendheid met het los- en laadgerei, het optuigen en 
aftuigen daarvan, het scheren van blokken en het borgen van slui­ 
tingen; 


17. het wachtlopen op een rede of in een haven en het doen van 
dienst als uitkijk op zee. 


Artikel 4 


1. Hij, die zich aan het examen voor het diploma als volmatroos Aanmelden voor 
wenst te onderwerpen, moet zich, zo mogelijk door tussenkomst van examcn 
de rederij, waarbij hij in dienst is, wenden tot de voorzitter van 
een van de in artikel 2 bedoelde commissies, onder overlegging van: 


(a) het bewijs, dat hij de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt; 
(b) het bewijs of de bewijzen, dat hij ten minste drie jaar dek- 
dienst heeft gedaan aan boord van Nederlandse zeeschepen, waarvan 
ten minste 6 maanden aan boord van schepen van meer dan 400 ton 
en niet meer dan één jaar aan boord van zeevissersvaartuigen; 


(c) het bewijs van gezondheid voor de functie van matroos, be­ 
doeld in artikel 30 van het Schepelingenbesluit; 


(d) de nog geldige geneeskundige verklaringen voor het gehoor- 
en gezichtsorgaan, als bedoeld in artikel 92 van het Schepenbesluit; 


(e) een goedgelijkend portret (paspoortmodel) in tweevoud; 
(ƒ) een stortingsbewijs dan wel een bewijs van overschrijving tot 
een bedrag van f 5,— op de postrekening ten name van het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie; 


( g ) de rapporten van de kapiteins van de schepen, waarop hij dek- 
dienst heeft gedaan, omvattende de algemene geschiktheid voor ma­ 
troos en bijzonderheden in verband met de in artikel 3, onder 3, 4 
(sturen), 5, 6, 9, 10, 13, 16 en 17 aangegeven eisen. 


2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan diensttijd op door 
hem goedgekeurde schoolschepen en bij opleidingen tot matroos met 
dekdienst gelijkstellen, doch voor niet meer dan 12 maanden. 


Artikel 5 


Indien een candidaat bij het examen voldoende bewijzen van be- uitreiken van 
kwaamheid heeft afgelegd, ter beoordeling waarvan mede de in arti- lponna 
kei 4, onder (g), bedoelde rapporten in aanmerking worden genomen, 
zendt de voorzitter van de commissie een rapport daarover, vergezeld 
van de door de candidaat overgelegde stukken en de eventueel ont- 


Bijlage XVI 


vangen examengelden aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die 
het diploma kosteloos uitreikt. 


Artikel 6 


Herhaalde 
Een candidaat, die bij het examen niet voldoet, kan eerst na verloop 


aanmelding 
van drie maanden wederom tot het afleggen van het examen worden 
toegelaten. 


Artikel 7 


Dienstdipioma's 
l. Zonder het afleggen van examen kunnen diploma's als vol­ 
matroos worden afgegeven aan hen, die vóór 1 Januari 1951 ten 
minste een jaar werkzaam waren als bootsman, bootsmansmaat, kwar­ 
tiermeester of matroos aan boord van Nederlandse koopvaardijsche­ 
pen van 400 ton of meer en ten minste 3 jaar dekdienst aan boord van 
Nederlandse zeeschepen hebben verricht, in het bezit zijn van een 
diploma als sloepsgast en voldoen aan de eisen van lichamelijke ge­ 
steldheid en leeftijd, vastgesteld voor hen, die het examen ter ver­ 
krijging van het diploma als volmatroos wensen af te leggen. Van de 
voorgeschreven diensttijd mag ten hoogste één jaar aan boord van 
zeevissersvaartuigen zijn doorgebracht. 


2. Hij, die overeenkomstig het eerste lid zonder het afleggen van 
het examen in aanmerking wenst te komen voor een diploma als 
volmatroos, zendt de stukken, bedoeld in artikel 4, onder (a), (c), 
(d) en (e), zomede het diploma als sloepsgast en de bewijzen voor de 
vaststelling van de in het eerste lid bedoelde diensttijden, aan het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die het diploma daarop kosteloos 
uitreikt. 


Artikel 8 


Vervanging 
gen duplicaat van een diploma als volmatroos wordt, indien ver- 


dip!oma,sEeraakte loren gaan van het diploma aannemelijk wordt gemaakt, op verzoek 
van de belanghebbende door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie 
afgegeven, nadat een pasfoto, als bedoeld in artikel 4, onder (e), is 
overgelegd, alsmede een bedrag van f 2,50 of een stortingsbewijs of 
bewijs van overschrijving tot dit bedrag op de postrekening ten name 
van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 


Artikel 9 


Gelijkstelling 
jjet Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de door bevoegde bui- 
diij!oma°dse 
tenlandse autoriteiten afgegeven diploma's als volmatroos met de in 
artikel 1 bedoelde diploma's gelijkstellen. Zodanige gelijkstelling 
wordt bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. 


BIJLAGE XVII 


REGLEMENT BETREFFENDE DE VERKRIJGING VAN HET 
DIPLOMA ALS SLOEPSGAST 


Artikel 1 


De diploma's als sloepsgast worden door het Hoofd van de Scheep- Model diploma 
vaartinspectie, volgens een door hem vastgesteld model, afgegeven. 


Artikel 2 


Diploma's als sloepsgast worden uitgereikt na het afleggen van be- Commissies 
wijzen van voldoende bekwaamheid ten overstaan van een der door 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie benoemde commissies, in 
elke waarvan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie als voor­ 
zitter optreedt. 


Artikel 3 


1. Zij, die de in het vorige artikel bedoelde bewijzen van be- Aanmelden 
kwaamheid wensen af te leggen, moeten zich wenden tot de voor­ 
zitter van een der in artikel 2 bedoelde commissies. 


2. Om tot het afleggen van de in artikel 2 bedoelde bewijzen te 
worden toegelaten moet de candidaat de leeftijd van 18 jaren heb­ 
ben bereikt en ten minste zes maanden aan boord van schepen van 
400 ton of groter hebben dienst gedaan. 


3. De voorzitter van de commissie stelt tijd en plaats van het 
onderzoek vast. 


Artikel 4 


De kennis, die voor het verkrijgen van het diploma wordt gevor- Vereiste kennis 
derd, omvat: 


(a) voldoende bedrevenheid in alle handelingen, verband houden­ 
de met het uitrusten, het gereed maken en het te water laten van 
boten en redding vlotten; 


(è) voldoende bedrevenheid in het gebruik van de riemen; 
(c) bekendheid met de praktische behandeling van de boten en 
drijvende toestellen; 


(d) bekendheid met de bevelen, betrekking hebbend op het ge­ 
reed maken en de behandeling van de reddingmiddelen; 


(<?) 
bedrevenheid in de uitvoering van die bevelen. 


Artikel 5 


Indien een candidaat voldoende bewijzen van bekwaamheid heeft uitreiken 
afgelegd, zendt de voorzitter van de commissie een rapport daarover, van het d|Ploina 
vergezeld van door de candidaat te verstrekken identiteitsgegevens 
betreffende zijn persoon en een goed gelijkend portret (paspoort- 


Bijlage XVII 


model), aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die het diploma 
kosteloos uitreikt. 


Artikel 6 


Herhaalde 
gen candidaat, die bij het onderzoek niet voldoet, kan eerst na ver- 


aanmelding 
loQp van drie maanden weder tot het afleggen van de bewijzen van 
voldoende bekwaamheid worden toegelaten. 


Artikel 7 


Dienstdipioma's 
j 
Zonder het afleggen van de in artikel 2 bedoelde bewijzen van 
voldoende bekwaamheid kunnen door het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie diploma's als sloepsgast worden uitgereikt aan: 


(a) allen, die vóór 1 Juli 1932 aan boord van Nederlandse schepen 
van 500 ton of groter als bootsman, bootsmansmaat of kwartier­ 
meester of die in andere kwaliteit gedurende ten minste 4 jaren aan 
dek dienst hebben gedaan; 


( b ) allen, die in het bezit zijn van een diploma als stuurman in 
de grote handelsvaart; 


(c) allen, die na het behalen van het eindgetuigschrift A of B van 
de zeevaartscholen, op schepen van 500 ton of groter, ten minste 
één jaar aan dek dienst hebben gedaan; 


( d ) oud-zeeofficieren; 
(e) gewezen opperschippers, schippers, bootslieden, kwartiermees­ 
ters en matrozen der 1ste klasse van de Koninklijke Marine. 


Personen, voorzien van een diploma als 3e stuurman of een eind- 
getuigschrift A of B, moeten een verklaring van de kapitein over­ 
leggen, waaruit blijkt, dat zij in voldoende mate aan de oefeningen 
met de sloepen en aan de roeioefeningen hebben deelgenomen. 


2. Dekdienst op vreemde schepen kan ook in aanmerking worden 
genomen. 


3. Zij, die menen, zonder het afleggen van de in artikel 2 be­ 
doelde bewijzen van voldoende bekwaamheid, voor een diploma in 
aanmerking te komen, kunnen zich onder inzending van de gegevens 
en het portret, bedoeld in artikel 5, tot het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie wenden. 


Artikel 8 


Duplicaten 
Een duplicaat van een diploma als sloepsgast wordt, indien het 


van diploma's 
verloren gaan van het diploma aannemelijk wordt gemaakt, op ver­ 
zoek van belanghebbende door het Hoofd van de Scheepvaartinspec­ 
tie afgegeven, nadat ten behoeve van 's-Rijks schatkist f 2.50 als 
administratiekosten is voldaan. 


BIJLAGE XVIII 


REGLEMENT OP DE GENEESKUNDIGE KEURINGEN VAN 
KAPITEINS, STUURLIEDEN, MACHINISTEN, MACHINIST­ 
STOKERS EN PERSONEN, AAN WIE AAN BOORD 
DE WACHT OF HET HOUDEN VAN UITKIJK 
IN ZEE KAN WORDEN OPGEDRAGEN 


HOOFDSTUK I 


Algemeen 


Artikel 1 


Kapiteins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en personen, Eerste keuring 
aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk dan wel de 
wacht in de machinekamer kan worden opgedragen, moeten vóór de 
eerste indiensttreding aan een keuring van hun gezichts- en gehoor­ 
organen worden onderworpen. 


Artikel 2 


De in artikel 1 genoemde personen moeten opnieuw aan een keu- Hernieuwde 
ring van hun gezichts- en/of gehoororganen worden onderworpen: eurmg 


(а) in opdracht van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, in­ 
dien zij handelingen hebben verricht of nagelaten, welke onvoldoen­ 
de gezichts- of gehoorscherpte of onvoldoend kleurenonderschei- 
dingsvermogen doen veronderstellen, of indien uit anderen hoofde 
gegronde aanleiding tot die veronderstelling bestaat; 


(б) telkens na verloop van zes jaren na de vorige keuring. 


Artikel 3 


Belanghebbenden moeten bij de keuringen aan de in de artikelen ^goedkeuring 
14, 15, 17 en 18 omschreven eisen voldoen. 


Artikel 4 


1. De keuringen van het gezichts- en van het gehoororgaan, met Deskundigen 
uitzondering van die, bedoeld in artikel 2, onder (a), welke door de 
in artikel 10 bedoelde scheidsrechters worden verricht, geschieden 
door geneeskundigen, door Onze Minister als deskundigen aange­ 
wezen. Deze deskundigen moeten specialisten op het gebied der oog­ 
heelkunde en der oorheelkunde zijn. 


2. De deskundigen moeten, voor zover het de keuring van het ge­ 
zichtsorgaan betreft, de in artikel 16 omschreven leidraad en, voor 
zover het de keuringen van het gehoororgaan betreft, de in artikel 19 
aangegeven leidraad volgen. 


Bijlage XVIII 


Artikel 5 


Aantekening van 
De uitkomsten van de keuringen met de daaruit getrokken 


vande°keuringen conclusies moeten door de deskundigen worden opgetekend in twee 
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te verstrekken registers 
van de bij dit reglement gevoegde modellen A, waarvan één exem­ 
plaar telkens na het verstrijken van een kalenderkwartaal aan het 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden ingezonden. 


2. Indien een belanghebbende niet aan de gestelde eisen blijkt te 
voldoen, en dus niet kan worden goedgekeurd, geeft de deskundige 
hiervan per briefkaart, volgens het bij dit reglement gevoegde mo­ 
del D, onmiddellijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaartinspec­ 
tie. Daarbij moet worden vermeld, voor welke kwaliteit de keuring 
geschiedde. 


Artikel 6 


Kosten der 
1. De aan de keuringen verbonden kosten worden door de be- 


geneeskundigen langhebbende gedragen en rechtstreeks aan de deskundige betaald. 


Laatstgenoemde heeft het recht te eisen, dat de kosten vóór de aan­ 
vang van de keuring worden afgedragen. 


2. De kosten bedragen ten hoogste vijf gulden voor elke keuring 
van het gezichtsorgaan of van het gehoororgaan. 


Indien buiten Nederland geneeskundigen als deskundigen worden 
aangewezen, mogen zij een tarief in rekening brengen, dat is aange­ 
past aan de ter plaatse geldende maatstaf en munteenheid. 


Artikel 7 


Afgifte 
1. De deskundige, die een keuring krachtens dit reglement heeft 


verkiaSgen88 
verricht, waarvan de uitslag gunstig is, geeft een geneeskundige ver­ 
klaring af volgens één der bij dit reglement gevoegde modellen B. 


2. De deskundige gaat eerst over tot de keuring, nadat het mon­ 
sterboekje van de betrokkene aan hem is overgelegd. Dit voorschrift 
geldt niet voor de keuringen van kapiteins, die niet in bezit van een 
monsterboekje zijn. Deze behoren een paspoort of een ander van 
een foto voorzien legitimatiepapier over te leggen. 


3. Tot een door een ongediplomeerde aangevraagde keuring ter 
verkrijging van een geneeskundige verklaring, welke moet worden 
overgelegd bij de stukken voor een examen ter verkrijging van een 
diploma als stuurman, machinist of motordrijver, gaat de deskun­ 
dige slechts over, indien de belanghebbende de leeftijd van 18 jaar 
heeft bereikt, terwijl hij, ingeval belanghebbende dadelijk na het be­ 
reiken van die leeftijd examen moet afleggen, de keuring ten hoogste 
een maand te voren mag verrichten. 


4. De deskundige bekrachtigt de verklaringen met zijn handteke­ 
ning en doet in zijn tegenwoordigheid de verklaring tevens door de 
belanghebbende tekenen. Bovendien vermeldt hij het ontvangen be­ 
drag in de door hem bij te houden, in artikel 5 bedoelde, registers. 


Bijlage XVIII 


5. Indien bij de keuring van het gezichtsorgaan gebruik is ge­ 
maakt van corrigerende glazen, zoals toegelaten is ingevolge arti­ 
kel 14, onder III, en artikel 15, onder I en II, mag de deskundige de 
geneeskundige verklaring eerst uitreiken, nadat hem de voor de be­ 
trokkene passende bril is getoond. 


6. De formulieren van geneeskundige verklaringen worden op 
aanvraag door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verstrekt. 


7. De deskundige, die na grondig onderzoek in twijfel verkeert 
omtrent de uitslag der keuring, verwijst de gekeurde naar een scheids­ 
rechter. 


8. Indien een belanghebbende een duplicaat van een verloren 
geraakte geneeskundige verklaring verlangt, kan de deskundige tot 
uitreiking daarvan overgaan, onder inachtneming van het voorschrift 
in lid 4 van dit artikel met betrekking tot het zetten der handteke­ 
ningen. Hij mag daarvoor een bedrag gelijk aan de helft der keu­ 
ringskosten in rekening brengen. 


Artikel 8 


1. De keuringen, in artikel 4 bedoeld, moeten geschieden in de keuringen 
plaatsen, waar de in dat artikel genoemde deskundigen woonachtig 
zijn of hun praktijk uitoefenen. 


2. De belanghebbenden zijn vrij in de keuze, bij welke van de vol­ 
gens artikel 4 aangewezen deskundigen zij zich ter keuring wensen 
aan te melden. 


Artikel 9 


1. De belanghebbende, die door een deskundige wordt afgekeurd, Handeling 
heeft het recht zich, wat betreft het (de) orgaan (organen), waarvoor 'J 
eunng 
hij is afgekeurd, door een scheidsrechter te doen herkeuren. 


2. De deskundige, die een belanghebbende afkeurt, geeft hem een 
verwijzingsbiljet volgens het bij dit reglement gevoegde model C, 
dat deze kan verzenden aan een der scheidsrechters. 


3. De deskundige, die iemand heeft afgekeurd, maakt deze erop 
opmerkzaam, dat het zich aanmelden bij een andere aangewezen des­ 
kundige voor hem geen nut kan hebben. 


4. De deskundigen ontvangen van het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie bericht van iedere afkeuring, waardoor zij een her­ 
nieuwde keuring kunnen voorkomen. 


5. Een door een deskundige afgegeven geneeskundige verklaring, 


nadat de belanghebbende door een ander deskundige is afgekeurd, 
is ongeldig. 


Artikel 10 


1. Door Onze Minister worden voor de herkeuring van het ge- Scheidsrechters 
zichtsorgaan en van het gehoororgaan, als bedoeld in artikel 9, lid 1, 
scheidsrechters benoemd. Deze scheidsrechters moeten geneeskundige 


Bijlage XVIII 


specialisten zijn, die uitsluitend oog- of oorheelkundige praktijk uit­ 
oefenen. Zij zijn gehouden de in dit reglement gegeven aanwijzingen 
zoveel doenlijk te volgen en volgens de daarin gestelde eisen te 
keuren. 


2. De uitspraak van een scheidsrechter is beslissend. Hij kan zijn 
uitspraak echter opschorten tot na een tweede onderzoek, waarvoor 
echter geen kosten in rekening mogen worden gebracht. 


Artikel 11 


Kosten 
1. De kosten voor de in artikel 9 bedoelde herkeuring bedragen 


scte?to<xhters 
tien gulden. Zij worden door de belanghebbende rechtstreeks aan de 
scheidsrechter betaald, die het recht heeft te eisen, dat hei bedrag 
vóór de aanvang van de herkeuring wordt afgedragen. 


2. De kosten worden door het Rijk gedragen, indien het een 
keuring betreft, krachtens artikel 2, onder (a), dan wel een keuring 
op verzoek van een deskundige krachtens artikel 7, lid 7. 


3. De scheidsrechters zenden de declaraties voor de keuringskos­ 
ten ten laste van het Rijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 


Artikel 12 


schekisrechters 
keuringen door scheidsrechters worden gehouden op de 


ciei srcc ers 
cjQor jjen aan te wjjzen plaatsen. Zij roepen na ontvangst van het 
verwijzingsbiljet de betrokkene voor de keuring op. 


2. Van de uitslag ener herkeuring geven de scheidsrechters on­ 
middellijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die, 
ingeval de belanghebbende is goedgekeurd, hiervan aan alle deskun­ 
digen mededeling doet, waarvan deze aantekening houden. 


De scheidsrechter geeft aan de belanghebbende, die is goedgekeurd, 
een geneeskundige verklaring af volgens een der in artikel 7 be­ 
doelde modellen. Hij handelt overigens als in artikel 7, lid 4 voor een 
deskundige is voorgeschreven. 


3. De formulieren van geneeskundige verklaringen worden op 
aanvraag door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verstrekt. 


Artikel 13 


Aantekenen van 
De scheidsrechters zijn gehouden registers, zoals die zijn voorge- 
keuringendoor" schreven in artikel 5, lid 1, bij te houden en daarmede te handelen, 
scheidsrechters 
als in dat artikel is bepaald. 


Bijlage XVIII 


HOOFDSTUK II 


Keuringen van het gezichtsorgaan 


Artikel 14 


Bij de keuringen van het gezichtsorgaan, bedoeld in de artikelen 1 ^cnh^0^, 
en 2 gelden, indien de belanghebbenden de leeftijd van één en veer- personen vóór 
tig jaar nog niet hebben voltooid en voor alle eerste keuringen de ™;i°^|van 
navolgende eisen: 
veertigste jaar 


I. Kapiteins en stuurlieden. 
( a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge­ 
ving en hulporganen hebben; 


( b ) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen; 
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder cor­ 
rigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/6, 
en bij het zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 5/10; 


(d) hij mag een manifeste hypermetropie van ten hoogste 1| 


dioptrieën hebben aan elk der beide ogen. Intussen kan aan één oog 
een manifeste hypermetropie van ten hoogste 2 dioptrieën worden 
toegestaan, indien aan het andere oog een visus van 5/6 en niet meer 
dan 1£ dioptrieën manifeste hypermetropie bestaat; 


(e) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor­ 
male pupilreacties hebben; 


(ƒ) 
hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal 
kleurenonderscheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook 
bij sluiten van één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en 
groen; 


( g ) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag- 
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


Bij voldoen aan deze eisen wordt de geneeskundige verklaring BI 
afgegeven. 


II. Niet-gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden 
van uitkijk kan worden opgedragen. 


f a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogom­ 
geving en hulporganen hebben; 
* 


( b ) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen; 
fc) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder cor­ 
rigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5 en 
bij het zien met elk oog afzonderlijk een gezichtsscherpte van ten 
minste 5/15; is de gezichtsscherpte met beide ogen tezamen 5/6,6, dan 
moet hij met één oog afzonderlijk nog ten minste 5/20 bedragen: 


( d ) hij mag een manifeste hypermetropie van ten hoogste 2£ diop­ 
trieën hebben aan elk der beide ogen. Intussen kan aan één oog een 
manifeste hypermetropie van ten hoogste 3 dioptrieën worden toege­ 
staan, indien aan het andere oog een visus van 5/7,5 en niet meer dan 
2£ dioptrieën manifeste hypermetropie bestaat; 


Bijlage XVIII 


(e) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor­ 
male pupilreacties hebben; 


(ƒ) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal 
kleurenonderscheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook 
bij sluiten van één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en 
groen; 


(g) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag- 
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


Bij voldoen aan deze eisen wordt de geneeskundige verklaring B2 
afgegeven. 


III. Machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan 
wie de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen. 


(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge­ 
ving en hulporganen hebben; 


(b) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen; 
( c ) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig zonder corri­ 
gerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5 en 
bij het zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 5/15, dan wel van 
ten minste 5/6,6 met een der ogen en ten minste 5/20 met het andere 
oog; indien het niet een eerste keuring betreft, mag de gezichtsscherpte 
ook met corrigerende glazen worden behaald, mits niet meer dan 3 
dioptrieën manifeste hypermetropie aanwezig is; 


(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor­ 
male pupilreacties hebben. 


Bij voldoen aan deze eisen wordt bij eerste keuring een genees­ 
kundige verklaring B3 afgegeven; bij volgende keuringen hetzij een 
verklaring B3 hetzij een verklaring B3a. 


Artikel 15 


Eisen keuring 
Bij de keuringen, met uitzondering van een eerste keuring, van het 
personen "midn 
gezichtsorgaan, bedoeld in de artikelen 1 en 2, gelden, indien de be- 
het'één en Van 
langhebbenden de leeftijd van één en veertig jaar hebben voltooid, de 
veertigste jaar 
navolgende eisen. 


I. Kapiteins, stuurlieden en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht 
aan dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen. 


( a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge­ 
ving en hulporganen hebben; 


(b) hij moet op een der ogen een onbeperkt gezichtsveld hebben; 
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri­ 
gerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/10 en 
bij het zien met een der ogen op elk oog van ten minste 5/30, dan wel 
bij het zien met beide ogen gelijktijdig van ten minste 5/15, mits met 
glazen 5/7,5 wordt bereikt. Wordt 5/30 met één der ogen niet bereikt, 
dan moet het andere oog zonder een corrigerend glas een gezichts­ 
scherpte hebben van ten minste 5/7,5; aan dezelfde eis moet ook het 
oog van een éénogige voldoen; 


(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken, voor zover zij 


Bijlage XVIII 


de vrees voor aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige 
functievermindering, dat niet meer kan worden voldaan aan het be­ 
paalde onder I van dit artikel, onder (b), (c) en (e), wettigen; 


(e) hij moet bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder- 
scheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook bij sluiten van 
één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en groen; 


(ƒ) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag- 
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


Bij voldoen aan deze eisen wordt hetzij een geneeskundige ver­ 
klaring B4 hetzij een geneeskundige verklaring B4a afgegeven. 


II. Machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan wie 
de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen. 


(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge­ 
ving en hulporganen hebben; 


(b) hij moet op een der ogen een onbeperkt gezichtsveld hebben; 
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een gezichts­ 
scherpte hebben van ten minste 5/15 en bij het zien met elk oog af­ 
zonderlijk, van ten minste 5/30. Wordt 5/30 voor een der ogen niet 
bereikt, dan moet het andere oog een gezichtsscherpte hebben van 
ten minste 5/10. Deze gezichtsscherpte mag ook met corrigerende 
glazen worden bereikt. Is de betrokkene een éénogige, dan moet 
zonder corrigerend glas, een gezichtsscherpte van ten minste 5/10 
worden bereikt; 


(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken, voor zover zij 
de vrees voor aan beide zijden optreden daarvan, of voor zodanige 
functievermindering, dat niet meer kan worden voldaan aan het be­ 
paalde onder II, (b) en (c) van dit artikel, wettigen. 


Bij voldoen aan deze eisen wordt hetzij een geneeskundige verklaring 
B5 hetzij een geneeskundige verklaring B5a afgegeven. 


Artikel 16 


§ 1. Onderzoek van kapiteins en stuurlieden; 
Leidraad voor 


ia) bij eerste keuring; 
gISIorgaan, 


(b) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer- ^ocid in 
tigste jaar. 


1. Men plaatst de belanghebbende met het gelaat naar het raam, 


beschouwt de gesteldheid van de ogen en de oogleden, welke laatste 
zowel op de binnenzijde als op de buitenzijde worden bezien, terwijl 
ook op de bewegingen en op het samenwerken van beide ogen wordt 
acht geslagen. 


Bij acute ontstekingen moet de beslissing worden uitgesteld; bij 
chronische, die het vermoeden wettigen, dat op de duur het gezichts­ 
vermogen zal achteruitgaan, moet de belanghebbende worden afge­ 
keurd. 


Het resultaat wordt in kolom 8 van het register ingevuld met 
N = Normaal of met A = Abnormaal. Afwijkingen worden in 
kolom 15 „Aanmerkingen" aangetekend. 


Bijlage XVIII 


2. Vervolgens plaatst men de belanghebbende met de rug naar 
het raam en verzoekt hem eerst met het rechter-, dan met het linker­ 
oog, onder behoorlijke afsluiting van het andere oog, het tegen­ 
overgestelde oog van de deskundige te fixeren. In een vlak, dat om­ 
streeks het midden houdt tussen het oog van de te onderzoeken 
persoon en dat van de deskundige steekt de laatste op de grens van 
zijn eigen normaal gezichtsveld, één, twee of meer vingers uit, welk 
aantal door de belanghebbende moet worden opgegeven. Is deze op­ 
gave onjuist of twijfelachtig, dan moet het gezichtsveld volgens een 
meer nauwkeurige methode, d.i. met een gezichtsveldmeter worden 
onderzocht. Het resultaat wordt in kolom 9 met N = Normaal of 
A = Abnormaal ingevuld. Bij beperking van het gezichtsveld wordt 
de belanghebbende afgekeurd en de afwijking in kolom 15 aange­ 
tekend. 


3. 
Bij de bepaling van de gezichtsscherpte plaatst men de belang­ 
hebbende met de rug naar het raam en hangt men de letterproeven 
volgens Snellen—Straub of andere, welk geacht mogen worden van 
gelijke moeilijkheid te zijn, op manshoogte en op een afstand van vijf 
meter in helder daglicht op, of men zorgt dat zij met kunstlicht wor­ 
den belicht. 


De deskundige vergewist zich, dat een normaal oog in het gegeven 
geval 5/5 gezichtsscherpte heeft. De gezichtsscherpte wordt nu zon­ 
der gebruik van glazen eerst oog voor oog en daarna met beide ogen 
gelijktijdig onderzocht. 


Het resultaat wordt in kolom 10 ingevuld onder opgave van de 
gebruikte optotypen (O.O. (beide ogen), O.R. (rechteroog), O.L. 
(linkeroog)). 
, 


Bereikt de gezichtsscherpte niet de in artikel 14 onder I genoemde 
grenzen, dan wordt de belanghebbende afgekeurd. 


4. Indien de voorgeschreven gezichtsscherpte aanwezig is, wordt 
van ieder oog afzonderlijk de refractie bepaald en bij gelijktijdig zien 
met beide ogen onderzocht, of nog grotere latente hypermetropie 
aantoonbaar is; aan de hand van deze gegevens wordt beoordeeld, 
of de onderzochte voldoet aan de in artikel 14, onder I (d), gestelde 
eisen. 


5 
De ogen van iedere belanghebbende worden nauwkeurig ook 
met de oogspiegel onderzocht, teneinde na te gaan of progressieve 
gebreken aanwezig zijn. Het resultaat wordt in kolom 13 met 
N = Normaal of met A = Abnormaal ingevuld. Afwijkingen wor­ 
den in kolom 15 aangetekend. 


Is de deskundige in twijfel omtrent de resultaten van zijn onder­ 
zoek, dan verwijst hij de belanghebbende naar een scheidsrechter- 
oogheelkundige. 


6 
Het onderzoek naar het kleurenonderscheidingsvermogen moet 
met beide ogen gelijktijdig zonder gebruik van glazen in een goed 
verlichte kamer (kunstlicht is uitgesloten) plaats hebben. Het onder- 


Bijlage XVIII 


zoek moet gedaan worden volgens de methode der pseudo-isochro- 
matische platen volgens Stilling of volgens Ishihara (nieuwste uit­ 
gaven). 


Wordt de proef goed doorstaan, dan keurt men de belang­ 
hebbende goed. Twijfelt de deskundige, dan zal hij een onderzoek in­ 
stellen met de anomaloscoop van Nagel of een gelijkwaardig toestel. 
Heeft hij een dergelijk instrument niet ter beschikking, dan beslist 
hij niet en verwijst de belanghebbende naar een scheidsrechter-oog- 
heelkundige. Het onderzoek met de anomaloscoop moet geschieden 
als in de daarbij gevoegde gebruiksaanwijzing is aangegeven. 


De resultaten van het onderzoek worden met N = Normaal of 
met A = Abnormaal in kolom 14 ingevuld en de afwijkingen wor­ 
den in bijzonderheden in kolom 15 aangetekend. 


7. Voor het onderzoek naar afwezigheid van centrale scotomen 
voor rood en groen gebruikt men kleurenschijfjes van één, ander­ 
half, drie en vijf millimeter in het vierkant. De afstand, waarop die 
schijfjes aan het te onderzoeken oog worden getoond, moet in over­ 
eenstemming zijn met de gevonden gezichtsscherpte, dat wil zeggen 
vindt men een gezichtsscherpte van: 


5'30 tot beneden 5/15, dan gebruikt men het vlakje van 3x3 
millimeter op afstand van 33 centimeter; 


5/15 tot beneden 5/10, dan gebruikt men het vlakje van l£ x li 
millimeter op afstand van 33 centimeter; 


5/10 tot beneden 5/7,5, dan gebruikt men het vlakje van 1 x 1 
millimeter op afstand van 33 centimeter; 


5/7,5 tot beneden 5/5, dan gebruikt men het vlakje van H x li 
millimeter op afstand van 66 centimeter; 


5/5, dan gebruikt men het vlakje van lxl millimeter op afstand 
van 66 centimeter. 


Het onderzoek moet geschieden in een goed verlichte kamer, 
waarin belanghebbende gedurende verscheidene minuten moet heb­ 
ben vertoefd, opdat hij aan de verlichting gewend is. Men plaatst de 
belanghebbende met de rug naar het raam tegenover een dof zwart 
veld ter hoogte van diens ogen en houdt de vlakjes in het midden 
van dit veld, verticaal op de juiste afstand, opdat zij recht van voren 
en goed zijn verlicht. Nu verzoekt men hem met één oog, terwijl 
men het andere behoorlijk afgesloten houdt, het midden van het 
veld te fixeren, waarop men de verschillende vlakjes in het fixeer- 
punt brengt en verzoekt deze te noemen. 


8. Om zich een oordeel te vormen omtrent een mogelijk bestaan 
van dag- of nachtblindheid of van lichtzinstoornissen stelt men enige 
vragen in deze richting, observeert men de belanghebbende tijdens 
zijn gedragingen in de donkere kamer en onderzoekt men in hoe­ 
verre zijn gezichtsscherpte bij geringere verlichting op optotypen 
van geringer contrast belangrijk daalt. In geval van twijfel stelt men 
een nauwkeurig onderzoek in, of verwijst hem naar een scheids- 
rechter-oogheelkundige. 


Bijlage XVIII 


§ 2. Onderzoek van niet-gediplomeerden, aan wie de wacht aan 
dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen: 


(a) bij eerste keuring; 
( b ) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer­ 
tigste jaar. 


Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1 
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en, 
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de 
stand der wetenschap vereist. 


De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar­ 
voor aangewezen kolommen. 


Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of de 
belanghebbende voldoet aan de in artikel 14 onder II gestelde eisen. 
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten 
aanzien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoor­ 
deling van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter- 
oogheelkundige. 


§ 3. Onderzoek van machinisten, machinist-stokers en niet-gedi­ 
plomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden op­ 
gedragen: 


(a) bij eerste keuring; 
( b ) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer­ 
tigste jaar. 


Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1 
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en, 
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de 
stand der wetenschap vereist. 


De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar­ 
voor aangewezen kolommen. 


Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of 
belanghebbende voldoet aan de in artikel 14, onder III gestelde eisen. 
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten 
aanzien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoor­ 
deling van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter- 
oogheelkundige. 


§ 4. Onderzoek van kapiteins, stuurlieden en niet-gediplomeer­ 
den, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk kan wor­ 
den opgedragen, bij volgende keuringen na voltooiing van het één 
en veertigste jaar. 


Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1 
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en, 
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de 
stand der wetenschap vereist. 


De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar­ 
voor aangewezen kolommen. 


Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of 
belanghebbende voldoet aan de in artikel 15 onder 1, gestelde eisen. Is 
dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten aan­ 
zien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoordeling 
van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-oogheel- 
kundige. 


§ 5. Onderzoek van machinisten, machinist-stokers en niet-gedi- 
plomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden op­ 
gedragen, bij volgende keuringen na voltooiing van het één en veer­ 
tigste jaar. 


Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1 
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en 
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de 
stand van de wetenschap vereist. 


De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar­ 
voor aangewezen kolommen. 


Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of 
belanghebbende voldoet aan de in artikel 15, onder II gestelde eisen. 
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten aan­ 
zien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoordeling 
van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-oogheel- 
kundige. 


HOOFDSTUK III 
Keuringen van het gehoororgaan 
Artikel 17 


Bij de keuringen van het gehoororgaan, bedoeld in de artikelen 1 
en 2, gelden, zolang de belanghebbenden de leeftijd van één en veer- pers0on™n8vóór 
tig jaar nog niet hebben voltooid voor kapiteins, stuurlieden, machi- ^'éénen™" 
nisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht veertigsttfjaar 
aan dek of het houden van uitkijk dan wel de wacht in de machine­ 
kamer kan worden opgedragen, de volgende eisen: 


(a) De gehoorscherpte moet zodanig zijn, dat fluisterend en van 
ter zijde gesproken woorden met elk oor afzonderlijk bij afsluiting 
van het andere oor, op een afstand van vier meter goed kunnen 
worden verstaan en nagezegd, dan wel, dat voor zover het machinisten, 
machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de 
machinekamer kan worden opgedragen, betreft, fluisterend en van 
ter zijde gesproken woorden met het ene oor, bij afsluiting van het 
andere oor, op een afstand van ten minste twee meter en met het 
andere oor op een afstand van ten minste zes meter goed kunnen 
worden verstaan en nagezegd. 


(b) Geen belangrijke afwijking mag aanwezig zijn in de toestand 
van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van het in­ 
wendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor. 


Bijlage XVIII 


Bijlage XVIII 


Bij voldoen aan de eisen wordt voor kapiteins en stuurlieden en aan 
niet-gediplomeerden aan wie de wacht aan dek of het houden van 
uitkijk kan worden opgedragen, een geneeskundige verklaring B6a 
afgegeven en aan machinisten, machinist-stokers en niet-gediplo­ 
meerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden opge­ 
dragen een geneeskundige verklaring B6b. 


Artikel 18 


Eisen keuring 
Bij de keuringen van het gehoororgaan, bedoeld in de artikelen 1 
ge^°nre°nr8na^n 
en 2, gelden voor de categorieën van personen, genoemd in artikel 17, 


voltooiing van 
indien de belanghebbenden de leeftijd van één en veertig jaar heb- 
veeiifgste^aar 
ben voltooid, de navolgende eisen: 


(a) De gehoorscherpte moet zodanig zijn, dat fluisterend en van 
ter zijde gesproken woorden met elk oor afzonderlijk bij afslui­ 
ting van het andere oor, op een afstand van drie meter goed kunnen 
worden verstaan en nagezegd, dan wel, dat voor zover het machinisten, 
machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de 
machinekamer kan worden opgedragen, betreft, fluisterend en van ter 
zijde gesproken woorden met het ene oor, bij afsluiting van het 
andere oor, op een afstand van ten minste één metsr en met het 
andere oor op een afstand van ten minste vijf meter goed kunnen 
worden verstaan en nagezegd. 


(/j) Geen belangrijke afwijking mag aanwezig zijn in de toestand 
van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van het inwen­ 
dige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor. 


Bij voldoen aan de eisen wordt voor kapiteins, stuurlieden en niet- 
gediplomeerden aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk 
kan worden opgedragen een geneeskundige verklaring B7a afgegeven. 
Voor machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan wie 
de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen wordt een 
geneeskundige verklaring Bib afgegeven. 


Artikel 19 


Leidraad voor 
1. Het onderzoek naar de gehoorscherpte met de fluisterspraak 


kehri"rgor" aan 
moet geschieden in een vertrek, zonder geruis, waarvan het wenselijk 
bedoeld in3ai1 
is, dat een afmeting ten minste 8 meter bedraagt. 


artikel 4 
j-)e onderzoeker plaatst zich terzijde van het te onderzoeken oor, 


terwijl een helper(ster) met de wijsvinger van de ene hand het van de 
onderzoeker afgekeerde oor van de onderzochte afsluit door de tra- 
gus tegen de opening van de gehoorgang aan te drukken, terwijl hij 
(zij) de andere hand zo tegen de schedel van de onderzochte plaatst, 
dat deze wordt belet de onderzoeker te zien. 


2. De fluisterwoorden moeten krachtig, echter niet overmatig, 
worden uitgesproken, na een gewone uitademing (met de zogenaam­ 
de reservelucht). 
De onderzoeker moet als testwoorden isozonale en aeqauntense 


Bijlage XVIII 


éénlettergrepige woorden kiezen en wel in twee groepen, namelijk 
woorden van laag en van hoog toonkarakter. De onderzochte is ver­ 
plicht de woorden te herhalen, ten bewijze dat hij deze heeft ver­ 
staan. 


De testwoorden van laag toonkarakter zijn samengesteld uit de 
vocalen oo en oe en de medeklinkers m, n, r en w, als: oom, oor. 
moor, noor, room, worm, oer, moe, roem, roer. Deze woorden liggen 
in het lage gedeelte der spraakzóne van de toonladder. 


Door normale oren worden deze woorden in een geruisloos ver­ 
trek, op de bovengenoemde wijze gefluisterd, verstaan op een af­ 
stand van gemiddeld 6 meter. 


De testwoorden van hoog toonkarakter zijn samengesteld uit de 
vocalen a en e en de medeklinkers s, sch en z als: aas, sas, esch. 
zes, zee. 


Deze woorden, in het hoge gedeelte van de spraakzóne gelegen, 
worden door normale oren verstaan op een afstand van 30 meter. 


3. Beide groepen testwoorden worden, om het raden zoveel mo­ 
gelijk te voorkomen, afgewisseld met willekeurig gekozen woorden, 
als telwoorden enzovoort; de gehoorafstand wordt echter uitsluitend 
vastgesteld voor de testwoorden. 


Als maat van gehoorscherpte wordt het gemiddelde genomen van 
de afstand in meters voor beide groepen. Wordt bijvoorbeeld als 
grootste afstand, waarop de lage woorden nog juist worden verstaan, 
2 meter gevonden en voor de hoge woorden 8 meter, dan bedraagt 
2 + 8 
de gehoorscherpte —-— = 5 meter. 


4. In de gevallen, waarbij de grootste afmeting van het vertrek, 
waarin het onderzoek plaats heeft, kleiner is dan de afstand, waarop 
de hoge woorden door de onderzochte nog werden verstaan en dezs 
afstand moet worden bepaald ter verkrijging van een gemiddelde, 
kan men testwoorden van een gemengd toonkarakter, welke minder 
vérdragend zijn, kiezen. 


Dergelijke woorden zijn samengesteld uit de vocalen i, u, ei (ij), ou 
en de medeklinkers t, k en f, als tik, kik, fut, kijf, kei, tuk, tuf, fout, 
kout. 


Deze woorden worden door normale oren verstaan op een afstand 
van gemiddeld 14 meter. Reeds bij matige hardhorendheid worden 
deze woorden niet verder dan 6 meter verstaan. De gevonden ge­ 
hoorafstand voor deze testwoorden geldt in deze gevallen als maat 
van de gehoorscherpte. 


5. Zo enigszins mogelijk moet men echter de gehoorscherpte be­ 
palen als gemiddelde van die voor de woorden met laag en die met 
hoog toonkarakter, omdat deze het gehele spraakgebied omvatten 
en daardoor een volledig en tevens differentieel diagnotisch beeld 
van de gehoorfunctie geven. 


fA\R 19 
Keuring van het gezicht^RJ |Volge de Schepenwet 
DESKUNDIGE: 


Bij eerste keuring en bij alle 
'Hg yan 
veertigste jaar 


I Volgnummer 


D!>g"m 
Naam en voornamen 
Geboorteplaats en 
waarvoor & 
keu,-in» 
van de gekeurde 
geboortedatum van 
werd 
Keuring 
de gekeurde 
gekeUrd 


i 


j Gezichtsveld 
ƒ 


| 
Gezichtsscherpte 
[zonder glas 


Refractie 


Gezichtsscherpte 
met glas 


Kleuren- 
onderscheidings- 
vermogen volgens 
de methode van 


Stilling | Ishihara 


Aanmerkingen 
zoals progress. 
gebreken 


Conclusie 


Ontvangen 
bedrag 


! 
u $ 


| 
& 


I 
cfi 


! 
t\ 


, 


\ 


JAIR 19 
Keuring van het gehooro#Volge de Schepenwet 
DESKUNDIGE: 


Bij eerste keuring en bij alle keurig/Vig van het één en yeertigste jaar 


I 
l 
" 
~i 
: 
t ^ 


Volgnummer 


Datum 
Naam en voornamen 
Geboorteplaats en 
Kwa'1'^- V 


keuring 
van de gekeurde 
^rÏÏeHe™ 
^e' 
AANMERKINGEN 
Conclusie 
°™;en 


i 
r 
i 
i 


Bijlage XVI# 
Bijlage XVIII 


A 3 
Keuring van het gezichtso^ Vo'§e 
Schepenwet 
DESKUNDIGE. 


JAAR 19 
Voor alle keuringen na voltooiing ' ^«gste jaar, uitgezonderd bij eerste keuring 


Volgnummer 
i 


D^"m 
Naam en voornamen 
Geboorteplaatsen 
k 


, d,er n(T 
van de gekeurde 
geboortedatum van 
d 
keuring 
6 
de gekeurde 
gekeurd | 


yfï 


/ Gezichtsveld 


Gezichtsscherpti 
zonder glas 


Refractie 


Gezichtsscherpts 
met glas 


Kleuren- 
onderscheidings- 
vermogen 


Aanmerkingen 


Conclusie 


Ontvangen 
bedrag 


« 


l 


0 


! 


I 


A 4 
Keuring van het gehooro^ °'^e 
Schepenwet 
DESKUNDIGE. 


JAAR 19 
j 
dertigste jaar, uitgezonderd bij eerste keuring 
Voor alle keuringen na voltooiing 


... 
. 
... 
i 
: 
i 


Volgnummer 


Datum 
Naam en voornam 
Geboorteplaats en 
Kwali^^or- 
AANMERKINGEN 
Conclusie 
°?,ty.a"gen 


, der 
van de gekeurde 
geboortedatum van 
waarvoo , 
rPte 
bedrag 


keuring 
s 
de gekeurde 
gekei1' 


, 
. 
^ 
^ 


Bijlage XVIII 
Bijkge XVIH 


Bijlage XVIII 


B i 
GEZICHTSORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3) 
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het 
één en veertigste jaar. 


> 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 


betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins en stuurlieden. 


"•3 
De ondergetekende 
verklaart heden 


g 
de heer 
geboren 
| 
te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


0) 
J? 
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving 


a ~ en hulporganen heeft; 


O 
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen; 


c'S 
3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri- 


> gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste B/e en met 


tl £* elk oog afzonderlijk van ten minste / loï 
•o ja ') 4°. dat hij vrij is van meer dan 1V2 dioptrie manifeste hyper- 
o oo metropie aan beide ogen, dan wel aan één der ogen met een gezichts- 
g 
scherpte van ten minste 5/e en van meer dan 2 dioptrieën aan het 


•a = andere oog; 
o 
5°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil- 


T3 reacties heeft; 


"g « 
6°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal 


g 
kleurenonderscheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij 


-g & sluiten van een der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en 
groen; 


.g 3 
7°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of 


g v nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


73 .g 
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


u 
Staatsblad No. 
.) 
0 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


a 
de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


cd 1 
Z 
19 
QJ 
) 
- 


u 
Ontvangen van de gekeurde: 


Q 
als kapitein en als stuurman 
ƒ 5,— 


l°) Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 
gekeurde van toepassing is. 


a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
') z.o.z. 


Bijlage XVIII 


GEZICHTSORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3) 
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het 
één en veertigste jaar. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 


betreffende het gezichtsorgaan van niet-gediplomeerden aan wie de 
wacht aan dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen. 
De ondergetekende 
verklaart heden 


de heer 
, geboren 


te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving 
en hulporganen heeft; 


2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen; 
3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri­ 
gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste %,s en met 
elk oog afzonderlijk van ten minste S/1S of wel van ten minste 5/„,8 met 
beide ogen en ten minste %o met elk der ogen afzonderlijk; 
l) 4°. dat hij vrij is van meer dan 2'/2 dioptrie manifeste hyper- 
metropie aan beide ogen dan wel aan één der ogen met een gezichts­ 
scherpte van ten minste 5/„5 en van meer dan 3 dioptrieën aan het 
andere oog; 


5°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil­ 
reacties heeft; 


6°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal 
kleurenonderscheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij 
sluiten van een der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en 
groen; 


7°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of 
nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


•) 
19 


Ontvangen van de gekeurde: 
als niet-gediplomeerde 
ƒ 4,— 


') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 
gekeurde van toepassing is. 


a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
•) Z.O.Z. 


Bijlage XVIII 


B 3 
GEZICHTSORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3) 


Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het 
één en veertigste jaar. 


a 
CS 
> 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 
T3 
i: 
betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en 


•g1 
niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan 
o 
worden opgedragen. 
o | 
De ondergetekende 
verklaart heden 


0> 
ju 
de heer 
geboren 


.£ £ te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


O 


g 55 
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving 


en hulporganen heeft; 


£ •§ 
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen; 
"g Jc *) 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri- 
o m gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste 5/7)5 en met 
g "C elk oog afzonderlijk van ten minste Vw of wel van ten minste Ve,« 
"H S met één der ogen en ten minste 5/20 met het andere oog; 
| 
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil- 
reacties heeft. 


•o .a 
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


-i cs Staatsblad No. 
.) 


00*3 
<u § 
Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


73 
de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


o .a 
O ^ 
TD O 
|' 
19—- 


c 
Ontvangen van de gekeurde: 
2 
als machinist en machinist-stoker 
ƒ 5,— ) 


D 
. . 
i 
/ 
> 
als niet-gediplomeerde — 
— 
— ƒ 4,— ) 


O 
N 
Q 
') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 


gekeurde van toepassing is. 


2) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet 
in rekening wordt gebracht. 


') Z.O.Z. 


Bijlage XVIII 


3a 
GEZICHTSORGAAN 


Moet in het bezit zijn van een bril met glazen, 


rechts 
links 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4) 


Bij alle keuringen vóór voltooiing van het één en veertigste jaar, 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 


betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en 
niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan 
worden opgedragen. 


De ondergetekende 
verklaart heden 


£ de heer 
geboren 


U 
'£ te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


O 
w 
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving 
J3 en hulporganen heeft; 
-0 
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen; 
B ') 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, met corri- 
§ gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste E/7,6 en met 
elk oog afzonderlijk van ten minste Vu of wel van ten minste 5/a,o 


<u 
met één der ogen en ten minste s/2o met het andere oog en dat hij 


u vrij is van meer dan 3 dioptrieën manifeste hypermetropie; 
•o 
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil- 


<u 
reacties heeft. 


.£? 
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


<u 
de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


, 
«) 
19.. 


Ontvangen van de gekeurde: 


als machinist en machinist-stoker 
ƒ 5,— ) 


®) 


als niet-gediplomeerde 
ƒ 4,— \ 


') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 
gekeurde van toepassing is. 


') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet 
in rekening wordt gebracht. 
4) z.oz. 


Bijlage XVIII 


B 4 
GEZICHTSORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 5) 
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar, 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


c 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 


> 
betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins, stuurlieden en niet- 


•53 
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk 
•g, 
kan worden opgedragen. 


"H 
De ondergetekende 
verklaart heden 


0 
de heer 
- 
, geboren 


c 
te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 
O 
7 


2? 
4) 1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving 


~ 
en hulporganen heeft; 


—' -§ 
2°. dat hij op één der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft; 


"e '£ 
*) 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri- 


m > gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste 6/w en bij 
•g ü het zien met één der ogen van ten minste 5/3(>, dan wel dat hij, een 
•o S gezichtsscherpte van 6/a„ met één der ogen niet bereikende, of een 
§ 
oog missende,' met het andere oog zonder een corrigerend glas ten 


a .3 minste een gezichtsscherpte van */T)5 heeft; 
•o 3 ') 4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet- 
o 
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige 


^ 
functievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar- 


•o.u den onder 2°, 3° en 5°; 
3 
4) 5 ° . 
hij bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder- 
.ïï 'ia scheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij sluiten van één 


der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en groen; 
.g § 
6°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of 


i» nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 
o 
o ( E i s e n , v a s t g e s t e l d b i j K o n i n k l i j k B e s l u i t v a n 
1 9 5 2 


^ "3 Staatsblad No. 
.) 


o 
Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


^ 
de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


60 c | 
0 
19 


£ 
Ontvangen van de gekeurde: 


als kapitein en als stuurman 
ƒ 5,— ) 


n 
als niet-gediplomeerde 
ƒ 4,— J 
> 


*) 
Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 
gekeurde van toepassing is. 


a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet 
in rekening wordt gebracht. 


*) 
Voor een éénogige slaat het voorschrift op het overgebleven oog. 


") Z.O.Z. 


^i 


LA 
GEZICHTSORGAAN 


Moet in het bezit zijn van een bril met glazen 


rechts: 
, links: 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3) 


Bij alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste iaar 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 
betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins, stuurlieden en niet- 
geaiplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk 
kan worden opgedragen. 


De ondergetekende 
verklaart heden 


de heer 
geboren 


te 
hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


1 . dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, ooeomsevine 
en hulporganen heeft; 
6 


2°. dat hij op écn der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft; 
, 
• 
, 
h'J 
bl-> het Zlen met beide ogen gelijktijdig een gezichts­ 
scherpte heeft van ten minste °/u, waarbij hij met glazen een gezichts­ 
scherpte van ten minste 5/„5 heeft; 


4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet­ 
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige 
runctievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar­ 
den onder 2°, 3° en 5°. 


5° 
dat hij bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder- 
scheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij sluiten van één 
der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en groen; 


6°' ,da' h|j vr'j.is yan verschijnselen, die het bestaan'van dag- of 
nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden. 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


- 
19 


Ontvangen van de gekeurde: 


als kapitein en als stuurman 
ƒ 5, 
) 


als niet-gediplomeerde 
ƒ 4^ 
1 
2) 


) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen, 
in reke^ng^wLTdtbgShr' °P 
gCkeUrde ™ toePassinS is en h«8«=n niet 
*) Z.Ü.Z. 


Bijlage XVIII 


GEZICHTSORGAAN 


B 5 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 5) 
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar, 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


« 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 


op 
worden opgedragen. 


fe 
, 
. 
verklaart heden 
o 
De ondergetekende 
| 
de heer 
§eboren 
' 


§> 
te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden. ^ 


e S *) 1° 
dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving j 


II 
M 
si 
§ » met één der ogen V. niet bereikende, ot één der ogen m.ssende, met 
SI het andere oog een 
™ 
we, 


11 
« tt'1 
VeWe'zMTÓp «denS6d1 
voor zodanig,! 
l* 
voidaan aan de voorwaar- 


*2 '-3 den onder 2° en 3°. 
« 


M 
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 


°°'"g 
Staatsblad No. 
•) 


S i 
. 
. 
. 
_ 
n p H n n r d e M i n i s t e r v a n V e r k e e r 


§ | 
Hade oekeürdel3 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


-o a> 
u 
1 9 


1 
7" 
Ontvangen van de gekeurde. 


-2 
als machinist en machinist-stoker 
f5, 
\ 
^ 


g 
als niet-gediplomeerde 
f 4>— ' 


g 
>) Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op . 


is en hetgeen n« 


in .fvtor eWen"énoeg%e slaat het voorschrift op het overgebleven oog. 


») Z.O.Z. 


Bijlage XVIII 


Bijlage XVIII 


A 
GEZICHTSORGAAN 


Moet in het bezit zijn van een bril met glazen, 


rechts: 
links: 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4) 
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar, 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 
betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en 
met-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan 


worden opgedragen. 


De ondergetekende 
verklaart heden 


de heer 
, geboren 


» 
hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


enhuIP?rgatnteft;ebbende 
geZ°nde °gen' 00S0mSevi"g 


n 
d,at huIJ'.°P.één der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft; 


. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, met corri­ 
gerende glazen een gezichtsscherpte heeft van ten minste 7lt en bij 
et zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 7»,, dan wel dat hij 
met een der ogen /3„ niet bereikende, met het andere oog een eezichts- 
scherpte heeft van ten minste 7l0; 
06 


4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet­ 
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige 
functievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar- 
den onder 2 . en 3°. 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
195? 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


** 
— 
> 
19 


Ontvangen van de gekeurde: 


als machinist en machinist-stoker 
ƒ 5, 
\ 


als niet-gediplomeerde 
ƒ 4i 
i ^ 


4eurd^a0nTiparsingSlfsChtS 8e'dig' 
* doorSehaaId. het8een ™t op de 


*) 
Da:um en jaartal voluit geschreven in te vullen 


in JekeDn°nghwo?dt'Schf °P ^ gekeUrde ^ t06paSSing is en het^n 


') /..O-Z. 


Bijlage XVIII 


GEHOORORGAAN 
B 6a 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3) 


Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het 


c 
één en veertigste jaar. 


03 
SI 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 


M 
betreffende het gehoororgaan van kapiteins, stuurlieden en niet- 


'"H 
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van 


g 
uitkijk kan worden opgedragen. 


£ | 
De ondergetekende 
verklaart heden 


.SS de heer 
.geboren 


"g g 
te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


£ ~ 
1° dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat 
Ö o 
hij fluisterend en van ter zijde gesproken woorden met elk oor 
B 
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van 


° c 4 meter goed kan verstaan en nazeggen, 
. . 
, 


S '9 
2° 
dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in 
II toestand van de uitwind,ge gehoorgang van het middenoor of van 
£ _u bet inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het o . 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


2 u- Staatsblad No. 
•) 


Te 
Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


— .3 
'de oekeurde- 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


§1 
' 


T3 <U 
^ ^ 
19 
g 
*) 


Ë 
en 
Ontvangen van de gekeurde: 
G 
jij 
als kapitein en stuurman 
f 
5> 
I 
^ 
| 
als niet-gediplomeerde 
/ 4~ ^ 


O 
N 
P 


in rekening wordt gebracht. 
3) z.o.z 


1 
GEHOORORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4) 


Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het 
een en veertigste jaar. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 


betreffende het gehoororgaan van machinisten, machinist-stokers 
en met-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer 
kan worden opgedragen. 


De ondergetekende 
verklaart heden 


de heer 
geboren 


te 
> te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


) } " 
belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, 


aat hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met elk oor 
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van 
4 meter goed kan verstaan en nazeggen, of 
, . 
c'at 
belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat 
hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met het ene oor, 
bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van ten minste 
2 meter en met het andere oor op een afstand van ten minste 6 meter 
goed kan verstaan en nazeggen; 


2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de 
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van 
het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor. 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


•) 
19 


Ontvangen van de gekeurde: 


als machinist en machinist-stoker 
ƒ 5, 
\ 


als niet-gediplomeerde 
ƒ 4) 
\ 
) 


,') 
formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet OD de 
gekeurde van toepassing is. 
p 


') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen 


n rekening"wordt^gebracht6' °P 
™ t0epaSSing * Cn hetgeen niet 


') Z.O.Z. 


Bijlage XVIII 


Bijlage XVIII 


GEHOORORGAAN 
B 7a 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte.s) 


Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar, 
Q 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


CS 
2 
GENEESKUNDIGE VERKLARING 


m 
betreffende het gehoororgaan van kapiteins stuurlieden eni niet- 


"H 
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van 


g 
uitkijk kan worden opgedragen. 


& 
S 
r, 
, 
. i 
, 
verklaart heden 
g> 
De ondergetekende 


o 2 de heer — 
8eboren 
~~ 


"g H 
te 
te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


^ E 
1° dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat 


Sg hij fluisterend en van ter zijde gesproken woorden met elk oor 
O-® afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van 
° c? 3 meter goed kan verstaan en nazeggen, 
^ 
. . . 
S'g 
2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de 


S 
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor 


£ « het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor. 


•g 
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


3 u- Staatsblad No. 
•) 


Qf) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde- 
en Waterstaat aangewezen deskundige. 


S - 8 
•O U 
19 
g 
') 
- 


0 


Ontvangen van de gekeurde: 


Jj 
als kapitein en stuurman 
/ 5> 
) ^ 


jï 
als niet-gediplomeerde 
- / 4> 
^ 


O 
N 
tt Q 


in rekening wordt gebracht. 


s) z.o.z. 


Bijlage XVIII 


> 
GEHOORORGAAN 


Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4) 


Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar, 
uitgezonderd bij eerste keuring. 


GENEESKUNDIGE VERKLARING 


betreffende het gehoororgaan van machinisten, machinist-stokers 
en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer 
kan worden opgedragen. 


De ondergetekende 
verklaart heden 


de heer 
geboren 


te 
, te hebben onderzocht en te hebben bevonden: 


*) 1 °. a. dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, 
dat hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met elk oor 
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van 
3 meter, goed kan verstaan en nazeggen, of 


b. dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat 
hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met het ene oor, 
bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van ten minste 
1 meter en met het andere oor op een afstand van ten minste 5 meter 
goed kan verstaan en nazeggen; 


2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de 
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van 
het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor. 


(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 
1952 


Staatsblad No. 
.) 


Handtekening van 
De door de Minister van Verkeer 


de gekeurde: 
en Waterstaat aangewezen deskundige: 


•> 
19. 


Ontvangen van de gekeurde: 


als machinist en machinist-stoker 
ƒ 5,— ) 


8\ 


als niet-gediplomeerde 
ƒ 4,— j 


') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de 
gekeurde van toepassing is. 


') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet 
in rekening wordt gebracht. 
') z.o.z. 


Bijlage XVIII 


De voorgaande modellen B zijn alle aan de achterkant voorzien 
van de hiernavolgende verklaringen: 


Verlengd tot 4 jaar na de datum van afgifte. 


De geneeskundige, bedoeld in 
artikel 31 van het Schepelingen- 


besluit: 


^ 
, 
19..... 


Verlengd tot 6 jaar na de datum van afgifte. 


De geneeskundige, bedoeld in 
artikel 31 van het Schepelingen- 


besluit: 


l) 
, 
19.... 


') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen. 


Bijlage XVIII 


C. 


VERWIJZINGSBILJET 


betreffende de herkeuring van het gezichtsorgaan/gehoororgaan 
(Artikel 9, Bijlage XVIII van het Schepenbesluit) 


De ondergetekende 
verklaart, dat de heer 
geboren 
te 


kapitein, stuurman x) 


door hem voor het gezichts-/gehoororgaan x) als 
ultkjjk 


b 
' 
machinist, enz. 
') 


voor alle rangen *) 


is afgekeurd en op heden wat dat orgaan betreft herkeuring door 
een scheidsrechter heeft verzocht. 


Ondergetekende heeft de belanghebbende medegedeeld, dat hij 
herkeuring kan aanvragen, door dit biljet te zenden aan een der aan­ 
gewezen scheidsrechters, die hem dan ter herkeuring zal oproepen. 


De aangewezen deskundige, 


— 
- 
19 


*) Doorhalen wat niet van toepassing is. 


Bijlage XVIII 


D 


Keuringen-Schepenwet 


19...... 


BERICHT VAN AFKEURING 


De ondergetekende 


verklaart, dat de heer 


geboren 
te 


door hem voor het gezichts-gehoororgaan ') is afgekeurd 


als kapitein, stuurman.1) 
als uitkijk.1) 
als machinist, enz.1) 
voor alle rangen.*) 


(Handtekening) 


DIENST 


Ministerie van 
Verkeer en Waterstaat 


B R I E F K A A R T 


Aan de Heer 


INSPECTEUR-GENERAAL 
VOOR DE SCHEEPVAART 


BANKASTRAAT 129 


te 


'S-G RAVENHAGE 


No. 826 


Inspecteur-Generaal 
voor de Scheepvaart 


') Doorhalen wat niet van toepassing is. 


BIJLAGE XIX 


VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET VERVOER 
VAN DIEREN 


Algemene bepalingen 


Artikel 1 


Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder 
Omschrijvingen 


dieren: paarden, rundvee, varkens, schapen en geiten. 
Inspecteur van de Veeartsenijkundige 
Dienst: de Inspecteur, 
districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, in wiens district de 
haven, waar het vervoer van dieren aanvangt, is gelegen. 


stallen, hokken, boxen, stallen e.d., waarin de dieren worden ver­ 
voerd. 


Vervoer anders dan als deklading 


Artikel 2 


1. Het vervoer van dieren, anders dan als deklading, van een Dierenvervo«r- 
Nederlandse haven of van een haven van de Nederlandse Antillen uit 
mag niet geschieden, tenzij voor het schip een dierenvervoercertificaat 
voor de te ondernemen reis is afgegeven. 


Het dierenvervoercertificaat wordt slechts afgegeven, nadat is 
gebleken, dat wordt voldaan aan de in deze bijlage gegeven voor­ 
schriften. 


3. Op het dierenvervoercertificaat wordt vermeld het maximum 
aantal paarden, runderen, varkens, schapen of geiten, dat op de te 
ondernemen reis mag worden vervoerd, zomede het aantal plaatsen 
dat ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 2, beschikbaar moet wor­ 
den gehouden. 


4. 
De aanvraag tot het verkrijgen van een dierenvervoercertifi­ 
caat moet schriftelijk door de eigenaar tot het Hoofd van de Scheep­ 
vaartinspectie worden gericht. 


eefste aanvraag tot het verkrijgen van een dierenvervoer­ 
certificaat moet vergezeld gaan van de blijkens deze voorschriften 
voor de controle nodige tekeningen en gegevens betreffende de in­ 
richting en uitrusting van het schip, alsmede die der te ondernemen 
reis. 


6. Elke verdere aanvraag tot het verkrijgen van een dierenver­ 
voercertificaat moet melding maken van de eventuele wijziging in de 
gegevens betreffende het schip sedert de eerste aanvraag en van de 
dan te ondernemen reis. 


7' J H®t,dlerenvervoercertificaat wordt afgegeven door het Hoofd 
van de Scheepvaartinspectie, nadat aan de daartoe aangewezen amb­ 
tenaren is gebleken, dat voldaan is aan de voorschriften van deze 
bijlage. 


Bijlage XIX 


Verzorging, 
plaatsing en 
onderbrenging 
van dieren 


Ruimte voor 
dieren 


Artikel 3 


1 
Elk dier moet voldoende ruimte hebben om het in staat te 
stellen te drinken, te eten en te rusten gedurende de reis. 


2. Paarden en rundvee moeten steeds dwarsscheeps worden g 


t*% 1 q O fct 


3 
Dieren mogen niet worden vervoerd in stallen, welke op 
luiken zijn geplaatst, tenzij afdoende voorzieningen zijn getroffen om 
te be?etten,dat water, urine en andere afvalstoffen, door deze luiken 
in onderligggende ruimten zouden komen. 


4. De constructie, inrichting en afwerking van de stallen, al - 
mede de materialen, waarvan deze zijn vervaardigd, moeten door e 
Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd. 


Artikel 4 


1. De dieren moeten worden geplaatst in stallen van de volgende 


afmetingen: 


Voor paarden: 
. 


Breed ten hoogste 0,85 m en ten minste 0,70 m. 
Diep ten hoogste 2,45 m en ten minste 2,15 m. 
Hoog ten minste 2,10 m, doch althans 0,50 m boven schofthoogte. 


Voor koudbloedpaarden en volwassen rundvee: 
Breed ten hoogste 3,35 m en ten minste 0,90 m. 
D'ieo ten hooeste 2,75 m en ten minste 2,45 m. 
Hoog voor koudbloedpaarden ten minste 2,10 m, doch althans 
0,50 m boven schofthoogte; voor volwassen rundvee ten minste 
1,80 m. 
Voor niet volwassen rundvee: 
Breed ten hoogste 3,35 m en ten minste 0,70 m. 
Diep ten hoogste 2,75 m en ten minste 1,80 m. 
Hoog ten minste 1,60 m. 
, 
, 
•• 
tör. 
De in dit lid genoemde breedten worden langsscheeps en de diepten 
dwarsscheeps gemeten. 
Voor varkens: een vloeroppervlakte van ten hoogste 6 ms. 
Voor schapen en geiten: een vloeroppervlakte van ten hoogste 
15 m2. 


2 
Met inachtneming van de hieronder als ten hoogste genoemde 
aantallen wordt voor elke reis bepaald, hoeveel dieren in een stal 
mogen worden geplaatst. 


Warmbloedpaarden: 1. 
Koudbloedpaarden: 4. 
. 


Rundvee van 400 kg levend gewicht en daarboven: 4. 
Rundvee van minder dan 400 kg levend gewicht: 5. 
Varkens: 4. 
Schapen en geiten: 15. 


Bijlage XIX 


Bij de bepaling van deze aantallen wordt er mede rekening ge­ 
houden, dat per dier ten minste de volgende breedte beschikbaar 
moet zijn: 


Koudbloedpaarden en rundvee van 400 kg levend gewicht en daar­ 
boven: 0,75 m. 


Koudbloedpaarden en rundvee van minder dan 400 kg levend ge­ 
wicht: 0,60 m. 


Wanneer één volwassen rund in één stal wordt vervoerd, moet de 
beschikbare breedte ten minste 0,90 m zijn; voor een niet volwassen 
rund kan in dat geval met ten minste 0,70 m worden volstaan. 


Elke stier moet steeds in een afzonderlijke stal worden geplaatst. 


De stallen voor stieren mogen, in afwijking van bovenstaande alge­ 
meen gestelde maten voor volwassen rundvee, zonodig een diepte van 
ten hoogste 3.00 m hebben. 


Bij de bepaling van de aantallen rundvee moet verder in acht 
worden genomen, dat voor zwaar melkvee en voor drachtig vee extra 
ruimte beschikbaar moet zijn. 


Tevens moet bij de vaststelling van het aantal dieren, dat in stallen 
mag worden geplaatst, de reisduur en de bestemming der te ver­ 
voeren dieren in aanmerking worden genomen. 


Artikel 5 


1. Drachtig rundvee, waarvan het afkalven tijdens de voorge- Vervoer van 
nomen reis waarschijnlijk moet worden geacht, moet zodanig worden drachtig rundvee 
gestald, dat het te allen tijde mogelijk is, voldoende ruimte voor het 
afkalven gemakkelijk beschikbaar te maken. 


2. 
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt het aantal 
plaatsen, dat beschikbaar moet gehouden worden voor rundvee, dat 
tijdens de te ondernemen reis waarschijnlijk zal afkalven en maakt 
hiervan een aantekening op het dierenvervoercertificaat. 


Artikel 6 


1. Elk ruim, waarin dieren worden vervoerd, moet zijn voorzien Luchtverversing 
van een goede natuurlijke en kunstmatige ventilatie, waardoor onder 
alle weersomstandigheden de aanvoer van zuurstofrijke buitenlucht 
en de afvoer van zuurstofarme stallucht verzekerd zijn. 


_. 
Daartoe moeten doelmatige, werktuiglijk bewogen waaiers wor­ 
den aangebracht, welke zo nodig zowel lucht in het ruim kunnen 
persen, als lucht uit het ruim kunnen afzuigen. 


De capaciteit van de ventilatoren moet zo groot zijn, dat onder 
alle weersomstandigheden voor elk volwassen paard en rund ten 
minste 70 m3 verse lucht per uur beschikbaar zijn. 


Bovendien moet voor elk ruim, waarin dieren worden vervoerd, 


ten minste één koelzeil aanwezig zijn. 


3 
In de ruimen mogen geen dieren worden geplaatst op meer 
dan 3 meter afstand van de uitmondingen van op de ventilatoren 
aangesloten luchtleidingen. 


Bijlage XIX 


4. In overdekte en ingesloten ruimten, waarin dieren worden 
vervoerd, moet aan boord van stoomschepen ter hoogte van de stook­ 
plaatsen en van de machinekamer tussen de ketelkoelkast, de 
machinekamerschacht en de beschieting van de stalruimten een isole­ 
rende luchtlaag aanwezig zijn van ten minste 0,075 m dikte. 


Artikel 7 


Verlichting 
^lle ingesloten dekken, waar dieren over worden geleid, of waarop 


deze in stallen zijn ondergebracht, moeten van een electrische ver­ 
lichting zijn voorzien. De lichtpunten moeten op onderlinge afstanden 
van ten hoogste 6 m zijn aangebracht. In elk lichtpunt moet een 
lamp van ten minste 40 Watt zijn geplaatst. 


Artikel 8 


Gangpaden 
i. Tussen elke twee rijen dieren en bij elke enkele rij moet een 


langsscheeps gangpad worden vrijgehouden, zodat een goede voor­ 
ging van de dieren onder alle weersomstandigheden mogelijk is Daar­ 
toe moeten deze gangpaden een breedte van ten minste 0,75 m 
hebben en steeds vrij worden gehouden. In het uiterste voor- 
achterschip en daar, waar constructiedelen over een lengte van met 
meer dan 1 m in het gangpad uitsteken, mag deze breedte tot 0,45 m 
afnemen. 
, 
. 
. . 
2 
Twee of meer langsscheepse gangpaden m een ruimte moet 
door ten minste één dwarsscheeps pad van ten minste 0,50 m breedte 
zijn verbonden. 


Artikel 9 


Afvoer 
Doeltreffende voorzieningen moeten zijn getroffen voor de afvoer 


van urine en water van alle dekken, waarop dieren worden vervoerd 
Daartoe moeten voldoende spuikleppen, spuigaten of afvoerpijpen 


Steeds' moet de vrije toegang tot deze spuikleppen, spuigaten en 


afvoerpijpen verzekerd zijn. 


Afvoerpijpen naar de bilges moeten zijn voorzien van een rooster 
of korf, waardoor stro, hooi en andere vaste stoffen worden teg 
gehouden. 
Artikel 10 


Drinkwater, 
1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat het schip Jevoor- 


voer en iigma- 
. • 
t 
en hoeveelheid drinkwater, voldoende voor het drenüe 


teriaal 
van de dieren gedurende de te ondernemen reis; hij is tevens ver­ 
plicht zich te vergewissen, dat de afzender voldoende voer aan boord 
heeft gebracht voor het voeren van de dieren gedurende de te onder 


"Tverband met de mogelijkheid van onvoorzienevertr^ingt.jdens 
He reis door slecht weer of andere oorzaken, moet ten minste 10 h 
vL het te berekenen verbruik « t r a worden mede genomen voor 
reizen van één week of van langer duur en ten minste 20 /D voor 


Bijlage XIX 


reizen van korter duur. Bij de beoordeling of de hoeveelheid drink­ 
water voldoende is, mag rekening worden gehouden met de mogelijk­ 
heid van aanvulling gedurende de reis, eventueel door distilleren. 
Bij de beoordeling of de hoeveelheid voer voldoende is, mag reke­ 
ning worden gehouden met de mogelijkheid van aanvulling gedurende 
de reis. Goede, waterdicht afgedekte berging moet aan boord be­ 
schikbaar zijn voor het voer. 


Het drenken en voeren moet op voor de dieren gemakkelijke wijze 
geschieden. 


De dieren moeten ten minste 's morgens en 's avonds worden ge­ 
drenkt en gevoerd. 


2. 
De drinkwatervoorziening moet zodanig zijn uitgevoerd, dat 
onder alle weersomstandigheden op elke plaats, waar dieren' zijn 
ondergebracht, voldoende vers drinkwater beschikbaar is. Voor het 
drenken van de dieren moet een voorraad vers drinkwater beschik­ 
baar zijn, voldoende om elk paard of rund gemiddeld 50 liter per 
etmaal, elk varken, schaap of elke geit gemiddeld 10 liter per etmaal 
te geven. 


3. 
Het voer moet zodanig zijn geborgen, dat onder alle weers­ 
omstandigheden op elke plaats, waar dieren zijn ondergebracht, vol­ 
doende voer beschikbaar is. Voor het voeren van de dieren moet 
een voorraad voedsel beschikbaar zijn, voldoende om elk paard of 
volwassen rund gemiddeld 10 kg hooi per etmaal, elk niet volwassen 
rund 6 kg hooi per etmaal, elk kalf jonger dan 3 maanden gemiddeld 
1 kg meelvoer of \ kg volle melkpoeder, elk varken gemiddeld 2 kg 
meelvoer, en elk schaap of elke geit gemiddeld 2 kg hooi per etmaal 
te geven. 


4. Aan boord moet een voorraad stro of ander doeltreffend lig- 
materiaal aanwezig zijn, voldoende voor de ligging van de dieren 
in de stallen, gedurende de reis. 


Artikel 11 


1. Paarden en rundvee, horenloos of niet, moeten gedurende het vastmaken der 
vervoer met de hoofden goed vastgebonden worden, op zodanigedieren 
wijze, dat geen onnodig leed of onnodige kwelling wordt veroorzaakt. 
Voor het vastmaken van paarden en rundvee moeten sterke zachte 
halsters worden gebruikt. De kapitein kan van het voorschrift tot 
vastmaken afwijken, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk 
maken. 


2. Stieren mogen niet aan de neusring worden vastgemaakt op 
zodanige wijze, dat bij plaatsing in een stal het trekken aan het 
halstertouw wordt overgebracht op de neusring. 


3. De achterijzers van éénhoevige dieren moeten vóór de reis 
worden afgenomen. 


Bijlage XIX 


Artikel 12 


Oppassers 
i. De afzender moet er voor zorg dragen, dat een aantal terzake 


kundige, zo mogelijk bevaren oppassers, die belast zijn met de ver­ 
zorging van de dieren gedurende de reis aan boord zijn en wel voor 
paarden en voor rundvee ten minste één op dertig stuks, voor var­ 
kens, schapen en geiten ten minste één op honderd stuks. 


2. Indien geen volle aantallen, als in lid 1 genoemd, of veei- 
vouden daarvan worden vervoerd, mag één oppasser met de ver- 
zorging van ten hoogste 35 paarden of stuks rundvee worden be­ 
last, dan wel met de verzorging van ten hoogste 120 varkens, schapen 
of geiten. 


3. (a) 
Bij een transport van ten minste 150 stuks paarden of 
rundvee moet de afzender tevens een ploegbaas medegeven, die ver­ 
antwoordelijk is voor de wijze, waarop de oppassers hun taak uit­ 
oefenen en voor de goede verzorging van de dieren in het algemeen. 


(b) 
Bij een transport van minder dan 150 stuks paarden of rund­ 
vee moet de afzender één der oppassers aanwijzen, die naast zijn 
taak bij de verzorging van de dieren ook met de functie van ploeg­ 
baas is belast. 


4. Bij het vervoer van melkkoeien en verse koeien moet op elke 
15 koeien een vakbekwame melker aanwezig zijn. Bij het vervoer 
van drachtig rundvee moeten onder de oppassers steeds enige vak­ 
bekwame melkers aanwezig zijn. 


5. Indien een zending dieren bestaat uit ten hoogste 5 paarden of 
10 stuks rundvee of 15 varkens of 30 schapen of geiten, kan de ver­ 
zorging, in afwijking van het hierboven bepaalde, worden opge­ 
dragen aan leden van de bemanning van het schip, wanneer zulks 
naar het oordeel van de kapitein geen bezwaar oplevert. 


6 
De verzorging van dieren, waarvan verwacht kan worden, dat 
zij tijdens de reis zullen werpen, valt nimmer onder de afwijking in 
lid 5 bedoeld. 


7. De oppassers mogen niet in de stalruimten worden gehuis­ 
vest Hun zal huisvesting en voeding worden verstrekt door de ver­ 
voerder onder de voorwaarden, overeengekomen tussen de aizender 
en de vervoerder. 


Artikel 13 


Reiniging en 
Alle afdelingen van het schip, bestemd voor het v^voer van 
ontsmetting 
dieren moeten vóór de inscheping grondig worden schoon0emaaK 
en ontsmet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 
Tijdens de reis moeten alle stallen, waarin dieren worden vervoerd, 
geregeld worden gereinigd. In de tropen moeten de stallen ten minste 
tweemaal per etmaal worden gereinigd. 


Bijlage XIX 


Artikel 14 


1. Dieren mogen alleen worden ingescheept na goedkeuring door inscheping 
de Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst voor de te onder­ 
nemen reis en na goedkeuring voor export. 


2. Gedurende de inscheping is de kapitein verplicht zorg te 
dragen, dat het aantal en de soort dieren, dat in de stallen wordt 
gebracht niet het aantal overschrijdt, dat overeenkomstig deze rege­ 
ling door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor de verschil­ 
lende stallen werd bepaald. 


3. 
Bij de inscheping moeten maatregelen worden genomen, dat 
de dieren niet kunnen uitglijden op loopplanken, loopbruggen, in 
doorgangen enz. van het schip, waarover en waardoor zij worden 
geleid. 


Artikel 15 


Op elk schip, waarmede dieren worden vervoerd, moet een be- Apotheek 
perkte hoeveelheid medicamenten en hulpmiddelen aan boord zijn, 
welke voor de te ondernemen reis noodzakelijk kan worden geacht. 


Artikel 16 


Op elk schip, waarmede dieren worden vervoerd, moet een door instrumenten 
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd schietmasker dan vanrdi'eeren0den 
wel een pistool of revolver met een kaliber van ten minste 7,65 mm 
met bijbehorende munitie aanwezig zijn. Tevens moet op elk schip, 
waarmede dieren worden vervoerd, een scherp mes met aanzetstaal 
aanwezig zijn voor het verrichten van de halssnede. 


Artikel 17 


Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt voor elk dieren- Reserve plaatsen 
transport het aantal stallen, dat beschikbaar moet worden gehouden 
voor zieke of gekwetste dieren. 


Vervoer als deklading 


Artikel 18 


Bij het vervoer van dieren als deklading gelden de voorschriften Geldende be- 
voor het vervoer, anders dan als deklading, welke zijn opgenomen palin8cn 
m de artikelen 3, 4, 5, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17. 


Artikel 19 


De kapitein van een schip, dat dieren als deklading vervoert, is Bescherming 
verplicht voor de aanvang van de reis de plaats en het aantal van' de van dieren 
te vervoeren dieren te bepalen in verband met het jaargetijde, de te 
bevaren route en de diepgang van het schip. 


Artikel 20 


Op de plaatsen, waar de dieren in hun stallen worden vervoerd, verlichting 
moet voor een goede dekverlichting worden zorg gedragen. 


BIJLAGE XX 


SEINEN IN VERBAND MET DE VEILIGHEID 
VAN DE SCHEEPVAART 


Artikel 1 


Begin van 
Alle berichten, geseind krachtens artikel 128 van het Schepen- 


elk sem 
besluit, moeten worden voorafgegaan door het veiligheidssein T T T 
gevolgd door een aanwijzing van de aard van het gevaar en wel al­ 
dus: TTT IJs; TTT Wrak; TTT Storm; TTT Scheepvaart. 


Artikel 2 


wijze van 
j 
gjj jg te verstrekken inlichtingen is de tijd in alle gevallen de 


middelbare tijd Greenwich. 


2. 
Bij het seinen van berichten omtrent ijs, wrakken en andere 
onmiddellijke gevaren voor de scheepvaart moeten worden vermeld: 


(a) de aard van het ijs, wrak of gevaar, dat is waargenomen; 
(b) de plaats, waar het ijs, wrak of gevaar het laatst werd waar­ 
genomen; 


(c) datum en tijd, waarop elke waarneming werd gedaan. 
3 
Bij het seinen van berichten omtrent tropische stormen (or- 
kanen in West-Indië, typhonen in de Chinese zeeën, cyclonen in de 
Indische zeeën en stormen van overeenkomstige aard in andere 
streken) moeten worden vermeld: 


(a) 
Het ontmoeten van een tropische storm. 
De verplichting tot mededeling moet ruim worden opgevat, 
zodat ook berichten moeten worden verzonden, indien er 
goede redenen zijn om te veronderstellen, dat een tropische 
storm in de nabijheid woedt. 


(b) De meteorologische inlichtingen. 


Aan de onder (a) bedoelde mededeling moet, voor zover mo­ 
gelijk, met het oog op de grote waarde van juiste meteorolo­ 
gische gegevens om de positie en de richting van beweging 
van stormcentra te bepalen, toegevoegd worden: 


(aa) de barometerstand in millibaren, Engelse duimen of milli­ 
meters met toevoeging „gecorrigeerd" of „niet-gecorrigeerd , 
(bb) de verandering van de barometerstand gedurende de vooraf­ 
gaande drie uren; 


(cc) de ware windrichting; 
(dd) de windkracht volgens de schaal van Beaufort; 
(ee) de toestand van de zee (kabbelend, golvend, aanschietend, 


hoog); 
. , . 


( f f ) de deining (laag, matig hoog, hoog) en de ware richting, waar 
zij vandaan komt. Periode of lengte van de deining (kort, 
matig lang, lang); 


(gg) de ware koers en snelheid van het schip; 
(c) 
Uur, datum en plaats van het schip; 
De tijd in uur en datum en de plaats van het schip behoren 
te worden gegeven voor het ogenblik, waarop de medegedeel­ 
de meteorologische waarnemingen werden gedaan en niet 
voor het ogenblik, waarop het bericht gereed was, of ver­ 
zonden werd. 


(d) 
De latere waarnemingen. 
Indien een kapitein mededeling heeft gedaan van een tropi­ 
sche storm is het gewenst, zolang het schip onder de invloed 
van de storm blijft, verdere waarnemingen te doen en deze 
door te geven met tussenpozen van zo mogelijk één uur, 
doch in elk geval niet langer dan drie uren. 


Artikel 3 


Als voorbeelden van mededelingen worden de navolgende tele- Voorbeelden 
grammen gegeven: 


(a) IJs. 


T T T I J s . G r o t e b e r g g e z i e n 4 6 0 5 n o o r d 4 4 1 0 w e s t t e 0 8 0 0 
middelbare tijd Greenwich 15 Mei. 


(b) Wrak. 


T T T W r a k . W a a r g e n o m e n w r a k b i j n a o n d e r w a t e r o p 4 0 0 6 
noord 1243 west te 1630 middelbare tijd Greenwich 21 April. 


(c) Gevaar voor de scheepvaart. 


T T T S c h e e p v a a r t . A l p h a l i c h t s c h i p n i e t i n s t a t i o n 1 8 0 0 m i d ­ 
delbare tijd Greenwich 3 Januari. 


(d) Tropische storm. 


T T T S t o r m . 0 0 3 0 m i d d e l b a r e t i j d G r e e n w i c h , 1 8 A u g u s t u s , 
2204 N. 11354 O., Barometer gecorrigeerd 994 
millibaren, verandering 6 millibaren dalende, 
wind NW, kracht 9, zware buien. Hoge Oos­ 
telijke deining, Koers 067, 5 zeemijlen. 


T T T S t o r m . V o o r t e k e n e n 
w i j z e n o p n a d e r e n d e o r k a a n , 
1300 middelbare tijd Greenwich, 14 Septem­ 
ber, 2200 N. 7236 W., Barometer gecorrigeerd 
29.64 inches, verandering 015 dalende, Wind 
NO, kracht 8, veelvuldig regenbuien, Koers 
035, 9 zeemijlen. 


T T T S t o r m . W e e r s o m s t a n d i g h e d e n w i j z e n o p v o r m i n g v a n 
een 
hevige cycloon 0200 middelbare tijd 
Greenwich, 4 Mei, 1620 N. 9203 O., Barometer 
niet-gecorrigeerd 753 millimeters, verandering 
5 millimeters dalende, Wind Zuid ten Westen 
kracht 5, Koers 300, 8 zeemijlen. 


T T T S t o r m . T y p h o o n i n h e t Z u i d o o s t e n . 0 3 0 0 m i d d e l b a r e 
tijd Greenwich, 12 Juni, 1812 N. 12605 O., 
snel dalende barometer, Wind aanwakkerend 
uit het Noorden. 


Bijlage XX 


BIJLAGE XXI 


A. MODEL VAN HET RADIODAGBOEK 
(TELEGRAFIE) 


Eerste bladzijde 


RADIODAGBOEK (TELEGRAFIE) 


van het zeeschip: 


Rederij: 


over het tijdvak 
19 
tot en met 
19 


Kapitein: 


Bijlage XXI 


Tweede bladzijde 


Het dagboek wordt bijgehouden ingevolge artikel 9 van de 
Schepenwet en met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het 
Schepenbesluit is voorgeschreven. 


In het dagboek moet aantekening worden gehouden van alle voor­ 
vallen met betrekking tot de radiodienst, welke van belang zijn voor 
de beveiliging van mensenlevens op zee. 


In het bijzonder moet daarin volledig worden vermeld alles wat 
het noodverkeer betreft, ongeacht of het schip zelf daaraan al dan 
niet deelneemt. 


Voorts moeten in het dagboek worden aangetekend de tijden, ge­ 
durende welke luisterdienst is gehouden. Deze aantekeningen moeten 
door hen, die deze luisterdienst hebben verricht, worden ondertekend. 


Bijlage XXI 


Derde bladzijde 


Bezetting van het station 


Naam, voorletters en kwaliteit 


:—; 
— 
Certificaat als: 


Radiotelegrafist, 
Radiotelegrafist 
Chef van het station 


Op deze staat worden de namen van alle personen, die met de 
radiotelegraafdienst zijn belast, geplaatst. 


Bij vertrek van boord wordt de naam van de betrokkene door­ 
gehaald, terwijl nieuw aan boord gekomenen op deze staat worden 
vermeld. 


Vierde en volgende bladzijden 


RADIODAGBOEK (TELEGRAFIE) 


bij te houden in middelbare tijd Greenwich 


/s: 


Rederij: 


Varende in zóne: 
van: 
naar; 


(Bijl. 13 Radio-Reglement Atlantic City) 


Frequentie waarop werd 
Stations waarmede 
Tiid 
gecorrespondeerd werd 
. 
Datum 
M77, 
Middag- 
m.i.u. 
bestek 
Aantekeningen 


Ontvangen 
Geseind 
Naam 
Roepnaam 


^ag, 
19 
. 
dag, 
19 


De Kapitein, 
van 
statjorif 


w 


ET 
CTQ O 
X 
X 
HH 


Bijlage XXI 


B. MODEL VAN HET RADIODAGBOEK 
(TELEFONIE) 


Eerste bladzijde 


RADIODAGBOEK (TELEFONIE) 


van het zeeschip: 


Rederij: 


over het tijdvak 
19 
tot en met 


Kapitein: 


Bijlage XXI 


Tweede bladzijde 


Het dagboek wordt bijgehouden ingevolge artikel 9 van de 
Schepenwet en met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het 
Schepenbesluit is voorgeschreven. 


In het dagboek moet aantekening worden gehouden van alle voor­ 
vallen met betrekking tot de radiodienst, welke van belang zijn 
voor de beveiliging van mensenlevens op zee. 


In het bijzonder moet daarin volledig worden vermeld alles wat 
het noodverkeer betreft, ongeacht of het schip zelf daaraan al dan 
niet deelneemt. 


Voorts moeten in het dagboek worden aangetekend de tijden, ge­ 
durende welke luisterdienst is gehouden. Deze aantekeningen moeten 
door hen, die deze luisterdienst hebben verricht, worden ondertekend. 


Bijlage XXI 


Derde bladzijde 


Bezetting van het station 


Naam en voorletters: 
Certificaat: 


Op deze staat worden de namen van alle personen, die met de 


radiotelefoondienst zijn belast, geplaatst. 
. f 
kk 
e door_ 


Bü vertrek van boord wordt de naam van de betrokkene door 
gehaald, terwijl nieuw aan boord gekomenen op deze staat worden 
vermeld. 


Bijlage XXI 


Vierde en volgende bladzijden 


RADIODAGBOEK (TELEFONIE) 


bij te houden in middelbare tijd Greenwich 


/s: 


Rederij: 


Varende in zóne: 
van. 


(Bijl. 13 Radio-Reglement Atlantic City) 
Haan 


Frequentie waarop werd 
Stations waarmede 
Datum 
MTjidc 
getelefoneerd werd 
Middag 


' 
' 
Ontvangen 
Gesproken 
Nailm 
| 
Roepo>am 
teKk 


- 


dag' 
19 
• 
dag, 
19 
_ 


De Kapitein, 


De Chef van het station, 


BIJLAGE XXII 


TARIEF VAN DE VERGOEDING, BEDOELD IN ARTIKEL 17, 
LID 5, VAN DE SCHEPENWET 


Het maximum van de vergoeding, bedoeld in artikelL 17, 1lid 5, 
van de Schepenwet, bedraagt per etmaal of gedeelte daarva . 


( a ) voor schepen 
zonder 
eigen 
werktuiglijke voortstuwing: 


f 0,08 per ton; 
. 
. 


( b ) voor schepen met eigen werktuiglijke voortstuwing, met uit­ 
zondering van passagiersschepen als onder (c) bedoeld en s eep 
f 0,15 per ton; 


( c ) voor passagiersschepen, welke zijn ingericht voor het vervoer 
van meer dan vijftig passagiers: f 0,45 per ton; 


( d ) voor sleepboten: f 2,25 per vierkante meter verwarmd opper­ 
vlak van de hoofdstoomketels of f 0,50 per rempaardekracht van de 
voortstuwingsmotor; 


( e ) voor dokken: f 0,08 per 1000 kilogram hefvermogen; 
( f ) voor drijvende voorwerpen, andere dan dokken ^elkeovcr 
zee naar hun bestemming zullen worden gesleept, f 0, 
p 


De hiervoor afgedrukte bijlagen I t/m XXII behoren bij Koninklijk 
besluit van 31 December 1952, Stb. 679. 


Mij bekend, 


De Minister van Verkeer en Waterstaat, 


J. ALGERA. 


I N H O U D 


Hoofdstuk 
Blz. 


I. Inleidende bepalingen 
2 


II. Onderzoek 
2 


III. Certificaten 
p 


IV. Toestand van de scheepsromp, de werktuigen en de 
aftimmering 
j2 


V. Uitrusting: 


§ 1. Reddingmiddelen 
24 


§ 2. Veiligheidsmiddelen 
29 


§ 3. Hulpmiddelen bij de navigatie 
31 


§ 4. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen 
35 


§ 5. Radio-inrichtingen 
35 


§ 6. Niet-voorgeschreven uitrusting 
38 


VI. Bemanning 


VII. Uitwatering en diepgang 
43 


VIII. Belading, stuwage en ballasten. Gevaarlijke ladingen ... 
44 


IX. Vervoer van passagiers 
53 


X. Verplichtingen van de kapitein 
55 


XI. Voorschriften met betrekking tot oorlog en oorlogs­ 
gevaar 
" 
7o 


XII. Van de eigenaar 
^ 


Vrijstellingen en aanvullende voorschriften 
71 


XIV. Strafbepalingen 
72 


XV. Slotbepalingen 
^ 


Bijlage 


Blz. 


I. Voorschriften betreffende de keuring van materialen 


ankers en kettingen 
75 


II. Constructie van passagiersschepen 
gj 


III. Constructie van pelgrimsschepen en van passagiers­ 
schepen, welke grote aantallen passagiers, voor wie 
geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, vervoeren in 
bepaalde gebieden 
j2g 


IV. Voorschriften voor de vaststelling van de uitwatering 
van schepen 
136 


Bijlage 
Blz. 


V. Opsporen en blussen van brand 
190 


VI. Voorschriften betreffende de electrische inrichtingen 
204 
VII. Vervoer brandbare vloeistoffen, welke licht ontvlam­ 
baar zijn 
223 


VIII. Luchtvaten 
232 


IX. Bepalingen betreffende de inrichting van de motor- 
kamer en de daarin geplaatste motor met toebehoren 
in schepen van minder dan 500 ton 
236 


X. Filmcabines en -toestellen 
246 


XI. Reddingmiddelen 
250 


XII. Reddingmiddelen aan boord van pelgrimsschepen en 
van passagiersschepen, welke grote aantallen passagiers, 
voor wie geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in 
bepaalde gebieden vervoeren 
262 


XIII. Radio-installaties 
268 


XIV. Genees-, heel-, ontsmettings- en verbandmiddelen 
280 


XV. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen 
290 


XVI. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma 


als volmatroos 
294 


XVII. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma 


?Q7 
als sloepsgast 


XVIII. Reglement op de geneeskundige keuringen van kapi­ 
teins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en 
personen, aan wie aan boord de wacht of het houden 
van uitkijk in zee kan worden opgedragen 
299 


XIX. Voorschriften betreffende het vervoer van dieren 
331 


XX. Seinen in verband met de veiligheid van de scheepvaart 
338 


XXI. Model van het Radiodagboek 
340 


XXII. Tarief van de vergoeding, bedoeld in artikel 17, lid 5, 


van de Schepenwet 
348